Zij hadden nauwelijks zes- of zevenhonderd schreden afgelegd in de aangeduide richting, toen zij een zuil zagen, waarvan het bovenste gedeelte was afgebroken. Dit moest reeds langen tijd geleden zijn geschied, want dicht struikgewas had het afgestorte gedeelte verborgen en slechts met moeite kon Raffles lezen wat in den steen was gehouwen.
Het was een vers, dat in weinig woorden de leer van Boeddha samenvat en dat van hem zelf afkomstig heet te zijn.
Raffles vertaalde:
„Het mijden van alle misdaden, Uitoefenen van het goede, Reiniging der zinnen— Dat is het streven van Boeddha.”
„Mooie gedachten,” sprak Charly nadenkend.
„Zeker, mijn jongen. Als woorden en daden maar niet altijd zoozeer met elkaar in strijd waren,” antwoordde John Raffles spottend.
Vlak achter de zuil vertoonde zich eene hoogte, afgezet door groote steenen. Bovenop vormde een soort van krater een smallen ingang, terwijl zich aan de voorzijde dicht bij de hoogte een gat bevond. Beide openingen waren nauwelijks groot genoeg om een mensch door te laten.
Raffles bekeek aandachtig het hol. Wat kon dit bevatten? Van welken aard waren de bewakers, aan wie de fakir den schat had toevertrouwd? Zouden hier slangen huizen of misschien een tijger?
Charly en de bediende stonden met de wapens gereed op eenigen afstand, terwijl Raffles behoedzaam de hoogte beklom. Toen hij den top had bereikt, boog hij zich voorzichtig over de opening en keek naar binnen. Er was niets te zien of te hooren.
Terwijl hij zijn electrische zaklantaarn te voorschijn haalde en het licht naar beneden liet vallen, luisterde Raffles met gespannen aandacht. Een eigenaardig geritsel werd vernomen uit de diepte en met een kreet van ontzetting snelde Lord Lister achteruit.
Het heldere licht van de lantaarn had de bewoners van het hol in hunne rust gestoord.
Eenige groote zwarte schorpioenen klauterden langs de rotswanden naar beneden. Nu kende Raffles het geheim van het hol. Het werd bewoond door schorpioenen, deze afschuwelijke spinnensoort, wier steek met recht gevreesd wordt, want hij brengt onherroepelijk den dood.
Inderdaad, beter had de fakir den schat niet kunnen doen bewaken, want wie zou het ooit wagen, dit hol binnen te dringen?
Snel had Raffles een besluit genomen. Hij wist, dat schorpioenen alleen des nachts op roof uittrekken en vuur of licht angstig vermijden. Op die wetenschap bouwde hij zijn plan.
Tezamen met Charly begon hij droog hout, twijgen en andere brandbare stoffen te verzamelen. Kleine bosjes werden saamgebonden en deze in een kring om het hol gelegd. Ook op het andere gat, dat als ingang diende, werd brandbaar materiaal gelegd.
Anunda was teruggezonden naar de legerplaats aan het strand en keerde juist met olie en vet terug.
Dit goot Raffles op de takkebossen, die een wal rondom den uitgang vormden, en daarna beklom hij zelf met een groot, in olie gedrenkt takkebos, den heuvel. Nadat hij dit had aangestoken wierp hij het in de opening en legde er brandend hout bovenop.
Bijna tegelijkertijd hadden Charly en Anunda den geheelen wal doen ontvlammen en de rotsgroep was nu door een vuurzee ingesloten.
De uitwerking zou niet lang op zich laten wachten. De schorpioenen, wel een vijftig- of zestigtal, kwamen [28]uit het hol gesneld. Het licht verblindde hen en prikkelde hunne woede tot het uiterste.
Zij deden hun best om hunne vijanden te ontdekken om deze door hun steek te dooden. Maar tevergeefs; waarheen ze zich ook wendden, overal vuur.
Men zag de dieren radeloos rondloopen. Sommige trachtten met geweld de brandende gevangenis te ontvluchten, maar zij moesten hun poging met den vuurdood bekoopen.
Andere keerden, toen ze overal den uitweg versperd zagen, naar het hol terug, waar de hitte en het licht het minst hinderlijk waren. Hier draaiden zij nog een paar keer rond en staken zichzelf dan den vergiftigden stekel in kop of rug.
Lord Lister had gerekend op deze eigenaardigheid van zijn vreeselijken vijand en het was hem gelukt.
Een kwartier later lagen alle schorpioenen verbrand, of door hun eigen gift gedood, ter aarde.
Nu was de weg vrij. Snel had men met houweelen en spaden den ingang verwijd. Dieper naar binnen dringend, vond Raffles eene zachte aardlaag en weldra kon hij twee ijzeren kistjes te voorschijn halen, die bij nadere beschouwing een bijna onmetelijken schat aan goud, zilver en edelsteenen bevatten.
Daar de kisten zeer zwaar waren, nam men uit elk een deel van den inhoud en legde deze kostbaarheden in een meegenomen zak om op deze wijze den last voor de drie schatgravers gelijkmatig te verdeelen.
Op den terugweg naar de legerplaats moest men weer voorbij de hut van den fakir. Raffles stapte nog eenmaal naar binnen. Stil en vredig lag de doode terneer.
„Arme Bimbisara! Vijftig jaren lang heb je een onmetelijken schat bewaakt, en nu ben je in ellende gestorven. Een behoorlijke begrafenis echter zult ge hebben voor we Tscherbanyani verlaten,” mompelde Raffles en wilde juist de hut verlaten, toen hij op den grond een pakje ontdekte.
Bij nadere beschouwing bleek, dat het een volledig, costuum bevatte van een Hindoemeisje. Een lang bovenkleed met tallooze plooien en een met sluiers omgeven hoofdbedekking.
Waarschijnlijk was een Hindoe-schoone naar den heilig verklaarden fakir gekomen en had deze haar opgedragen, als boetelinge het land door te trekken; tegelijkertijd had zij dan waarschijnlijk op deze plaats de rijke bovenkleeding afgelegd.
Bij de gedachte, dat ook deze kleedij misschien van dienst kon zijn, bijvoorbeeld voor Kysagotami, nam Raffles het pakje mee en volgde de anderen naar de legerplaats. [29]