[Inhoud]

ELFDE HOOFDSTUK.

GELUKKIG ONTKOMEN.

Toen de drie schatgravers in de legerplaats terugkwamen, vonden zij allen in de grootste opwinding. Vooral Kysagotami beefde van zenuwachtigheid. Men had twee booten de eilandengroep zien naderen en Kysagotami beweerde, dat zich daarin stellig de priesters bevonden met de soldaten, die de vluchtelingen op het spoor waren.

Ook Hassan verklaarde, dat hij in de voorste boot duidelijk de gele kaftan van den bedelmonnik had gezien.

Om geen opzien te wekken, waren de vluchtelingen rustig in hun legerplaats gebleven. De boot lag verborgen achter de dikke stammen der salaboomen en was daardoor niet door de vervolgers opgemerkt.

Hassan was op een kleine hoogte geslopen om eens uit te kijken. Van daar zag hij, dat de beide booten aan de tegenovergestelde zijde van het eiland geland waren.

Met koortsachtig ongeduld wachtte men in het kamp op de terugkomst van Raffles.

Toen deze hoorde, welk nieuw gevaar dreigde, maakte hij op zijn gewone kalme, verstandige manier dadelijk een plan om te vluchten.

Hij liet de boot weer voor de afvaart gereed maken, want hij begreep, dat er geen andere uitweg voor hen bestond dan de vrije zee. Daarop beval hij, alle stukken bagage, en vooral de rijke schatten, zorgvuldig te bergen.

„Ik zal eens gaan kijken, waar de vijanden zich bevinden en hen, zoo noodig, tegenhouden, totdat gij tijd hebt gevonden om al mijn bevelen uit te voeren.”

„Maar, Edward, wat wil je gaan doen? Je zet je leven lichtzinnig op het spel en brengt ook ons allen in het grootste gevaar, want wat moeten wij beginnen, als je niet tijdig terugkomt?”

„Laat mij gaan, beste Charly. Jij blijft hier en zorgt ervoor, dat alles voor het vertrek gereed is, als ik terugkom. Ik vertrouw op mijn goed gesternte en ben er zeker van, dat het mij ook dezen keer niet zal verlaten.”

Een glimlach vloog over Lord Listers gelaat en een listige trek kwam om zijn mond; het scheen, alsof hij plotseling een gelukkige gedachte had gekregen.

Snel had hij het pakje geopend, dat hij uit de hut van den fakir had meegebracht en er de kleedingstukken uitgenomen.

Hij hulde zich in het wijde, geplooide gewaad, zette het hoofddeksel op en verborg handig zijn snorretje met den sluier.

De anderen met de hand groetend, begaf John Raffles zich naar het binnenste van het eiland en niemand zou het knappe Hindoemeisje hebben herkend als den schatgraver.

Als de toestand niet zoo ernstig was geweest, dan zouden de achterblijvenden zeker hartelijk hebben gelachen. Maar nu drong zich bij allen de vraag op: zal het plan van den dapperen jongen man gelukken?.…

Onder leiding van Charly werden de bevelen van Lord Lister stipt uitgevoerd. De boot werd te water gelaten en ter afvaart gereed gemaakt. De bagage en de kisten met kostbaarheden had men in het ruim geborgen.

Met koortsachtig ongeduld wachtten allen op de terugkomst van Raffles. Tevergeefs! Het eene kwartier verliep na het andere, maar noch van Raffles, noch van de vervolgers was een spoor te ontdekken.

Bij dat alles was de wind gedraaid. Uit het zuidoosten woei een flinke bries over de zee en deed het bootje der vluchtelingen op het water dansen, zoodat men behalve den ketting, waarmee het vastlag, nog een touw noodig had.

Aan den horizont had zich reeds sinds eenigen tijd een grauwe wolk vertoond, die snel in grootte toenam. Nu was zij reeds aangegroeid tot een zwarten wolkenmuur, die nog steeds grooter werd en met onrustbarende snelheid naderde.

De wind werd steeds sterker en harde vlagen rukten over het eiland, soms met zulk een kracht, dat de kruinen der boomen heen en weer zwiepten.

Met bezorgd gelaat keek Charly nu eens naar het woud, waaruit zijn vriend moest terugkeeren en dan weer naar het angstig-schoone schouwspel, dat de zee vertoonde. [30]

De trouwe Hassan stond half in het water bij den paal, waaraan de ketting der boot was gebonden.

Om hem heen bruischten en kookten de golven, hem geheel doorweekend. Hij trotseerde ze echter dapper, maar keek toch vol verlangen naar het donkere woud.

De beide Indische bedienden bevonden zich in de boot, op nadere bevelen wachtend. Op hun gezichten was zorg en angst te lezen, want zij wisten, dat allerlei gevaren op hen loerden en dat misschien reeds de volgende minuut den dood kon brengen.

Kysagotami had midden in de boot plaats genomen. Zij lette er niet op, dat de hoog opschuimende golven haar kleeren tot op de huid doorweekten. Haar groote oogen staarden met koortsachtigen glans naar het eiland, alsof zij de diepe duisternis van het woud wilden doorboren.

Haar lippen murmelden onophoudelijk vurige gebeden voor het welslagen van de gevaarlijke onderneming van Lord Lister.

De zenuwachtige spanning was ondraaglijk geworden; Charly kon het niet langer uithouden. Hij deelde Hassan met een paar woorden zijn plan mee en snelde het woud in.

De Zuidoostenwind groeide intusschen aan tot een storm. Hij zweepte de golven hoog op, zoodat deze woedend op het strand beukten, alles met hun wit schuim bedekkend. Hij schudde de boomen heen en weer, zoodat deze kraakten en ontelbare takken, door het geweld van den storm gebroken, in het kreupelhout neervielen.

Charly had misschien driehonderd schreden afgelegd, toen hij tot zijn vreugde iets wits tusschen de boomen zag schemeren. Het was het lichte gewaad, dat Raffles als Hindoemeisje droeg.

Zoo snel als hij kon kwam Raffles aangerend en, terwijl zij samen naar het schip terugkeerden, deelde hij zijn vriend zijn ervaringen mee.

Hij had nog verder moeten doordringen dan de plek, waar de gebroken zuil stond, voordat hij iets van de vervolgers had ontdekt.

De bedelmonnik, die de leiding van den troep had, merkte het Hindoemeisje het eerst op. Omdat het woud op die plaats zeer dicht was en de storm dikke, zwarte wolken met zich mee voerde, was het Raffles gemakkelijk gevallen, zijn vermomming voor echt te doen doorgaan.

Op de vraag van den bedelmonnik waar zij vandaan kwam, had het Hindoemeisje verteld, dat zij bij den fakir was geweest, die een geleerde was; dit geloofde men dadelijk.

John Raffles vertelde nu verder, dat de fakir gestorven was. Daar hij, op een vraag, die men hem deed, meedeelde, dat hij niets van vreemdelingen had gemerkt, begaven de vervolgers zich eerst naar de hut van den fakir, om naar dezen te zien. Dit oogenblik had Raffles gebruikt om in het duistere woud te verdwijnen, teneinde zijn makkers weer op te zoeken.

Toen men den verloren gewaande met Charly zag aankomen, kwam een zucht van verlichting van aller lippen.

De groote onbekende riep reeds van verre:

„Gereed voor de afvaart!”

Maar Hassan wees naar de woeste zee, schudde treurig het hoofd en sprak:

„Het gaat niet, Sidi! Als wij erop uittrekken, zal de zee ons verzwelgen.”

„En als wij hier blijven, zullen de vervolgers ons dooden. Op zee kunnen wij misschien gelukkig ontkomen, hier wacht ons een zekere dood. Vooruit dus!”

Bij die woorden sprong Raffles in de boot en sneed het touw waarmee het vaartuig was vastgebonden, door. Hassan had de ketting reeds losgemaakt en was in de boot gesprongen, die nu als een hinde over de witte golven huppelde.

De koene zeevaarders hadden een zwaren kamp met storm en golven. Steeds weer werden zij op het strand teruggeworpen, totdat het hun eindelijk gelukte, de volle zee te bereiken.

Daar Raffles nu beter in de vaargeulen thuis was dan bij hun komst, omzeilden zij nu handig de gevaarlijke banken, zich in noordwestelijke richting begevend.

Hun vlucht was echter op het eiland opgemerkt, want nu zag men duidelijk, de beide booten der vervolgers van het eiland afvaren.

Nu ving een jacht op leven en dood aan, die des te gevaarlijker werd, naarmate de storm van minuut tot minuut heviger werd. Pikzwarte wolken bedekten den hemel, donder en bliksem volgden elkaar op.

Bij zulk weer kon er natuurlijk geen sprake van zijn, koers te houden. Raffles had het zeil laten inhalen, aan roeien viel ook niet te denken en zoo dreef het vaartuig, als speelbal der elementen, op zee rond.

Bij het licht van den bliksem zag Raffles nog, dat de beide booten der vijanden dicht achter elkaar voeren. Een volgende bliksemstraal deed hem zien, dat de voorste boot geheel op zij lag. [31]

Raffles wist, wat dit beteekende. De vervolgers waren op de zandbank gestrand. Zij waren dus—althans voor het oogenblik—aan het gevaar ontkomen om door de fanatieke priesters vermoord te worden. Zouden zij echter niet een buit worden van de woeste golven?— —

Na verloop van ongeveer twee uur was de storm gaan liggen, de hemel was opgeklaard en de zon scheen helder.

De wind moest gedraaid zijn, want weldra zagen de koene zeevaarders land opdoemen. Raffles geloofde, dat zij in de buurt van Mangalur zouden landen. Toen zij echter ongeveer een uur later een haven binnenliepen, hoorde hij tot zijn groote verbazing, dat zij zich in de haven van Karwar bevonden.

Eerst nu kwamen zij tot besef van het groote gevaar, waarin zij hadden verkeerd. De boot had met razende snelheid den grooten afstand van Tscherbanyani tot Karwar afgelegd.

In Karwar vond Raffles tot zijn vreugde een stoomboot, die reeds den volgenden morgen op weg ging naar de Middellandsche zee.

Teen men in Karwar was geland, smeekte Kysagotami Raffles om den robijn, het wonderdadige oog van den God Siwa, aan zijn eigenaars terug te zenden.

Zij schilderde met levendige woorden de gevaren, die Raffles in het leven had geroepen door zich juist dezen steen toe te eigenen. Daar zij haar landslieden kende, deelde zij hem mee, dat stellig eenige priesters uitgezonden zouden worden, om hem tot het uiterste te vervolgen.

Raffles had hier echter geen ooren naar. Hij antwoordde lachend:

„Laat hen met al hun geleerden zoeken; zij zullen den steen niet vinden. En tot in Londen zullen de Indiërs mij wel niet vervolgen!”

Maar Kysagotami sprak op bezorgden toon:

„Gij kent de volharding van den Indiër niet; gij kent de waarde zijner eeden niet! Hij zoekt het wonderdadige oog, al zou hij den geheelen aardbol moeten omtrekken—en hij zal het vinden!—O, als gij maar naar mijn woorden wildet luisteren!”

Door de angstige woorden der schoone weduwe was ook Charly bevreesd geworden en hij verzocht zijn vriend, den kostbaren steen achter te laten.

Lister weigerde echter beslist en sprak:

„Je weet, dat ik dien steen om zijn waarde niet behoud, maar juist omdat gij denkt, dat hij mij in gevaren kan brengen, behoud ik hem, want heb je ooit gezien, dat Raffles gevaren vreest?”

Tegenover dit argument was Charly machteloos en hij sprak niet meer over het wonderdadige oog van den Siwa. Ook Kysagotami zag wel in, dat zij den Lord niet kon overtuigen en zweeg.

Raffles ontsloeg de beide Indische bedienden met rijke geschenken in Karwar, terwijl hij met Charly, Kysagotami en Hassan de reis naar het vaderland aanvaardde.

De geredden brachten den nacht door in een hotel te Karwar, maar eerst toen den volgenden morgen de stoomboot, die hen naar het vaderland zou terugbrengen, de ankers lichtte, herademden zij, want eerst nu waren zij veilig voor de vervolging der Indiërs.

Kysagotami kon echter niet ongedwongen vroolijk zijn, want zij rilde, als zij aan de wraak der Indische priesters dacht.

Toen het schip reeds de Oostindische kusten naderde, sprak Charly tot zijn vriend, die op dek naast hem zat:

„Zou vriend Baxter blij zijn, spoedig weder van ons te hooren in Londen?”

Raffles antwoordde niet, maar een welsprekende glimlach gleed over zijn gelaat, terwijl hij den rook zijner sigarette in de heldere morgenlucht blies.