[Inhoud]

TWEEDE HOOFDSTUK.

EEN MENSCHELIJK OFFER.

Nadat de kleine karavaan zich in het dal met den meegebrachten voorraad had gelaafd en verkwikt, gaf Lord Lister bevel om op te breken.

Hij zelf en zijn vriend Charly bereden paarden van het kleine Barbarijsche ras, beesten die onvermoeid schijnen te zijn. De drie bedienden zaten op kameelen, die ook de bagage vervoerden.

„Ik geloof niet, dat wij Mangalur heden nog zullen bereiken, Edward. Het moet al laat zijn.”

De Lord keek op zijn horloge en antwoordde:

„Ja, het is bijna drie uur, maar als wij ons haasten, kunnen wij de stad nog voor zonsondergang bereiken.”

De rijdieren werden aangespoord en, in een dichte stofwolk gehuld, trok de karavaan verder.

Na verloop van een half uur had men een zeer dicht bosch bereikt, dat zich op mijlen afstands scheen uit te strekken.

Deze weg was veel aangenamer, want hier hadden de ruiters niet zoo veel te lijden van het stof. Daarentegen was het hier alleen mogelijk, achter elkaar te rijden en zoo bewoog de stoet zich in een kronkelende lijn voorwaarts.

Aan het hoofd reeds Lord Lister.

Plotseling hield hij zijn paard in, want uit het donkere bosch klonk een dof geluid en werden eigenaardige, metalen klanken verneembaar. Het geleek op een concert van menschelijke stemmen en koperen instrumenten, dat uit de verte weerklonk.

John Raffles gaf de karavaan een teeken om stil te houden. Snel was hij van zijn paard gesprongen en een oogenblik daarna had hij zich door het dichte kreupelhout gewerkt. Na eenigen tijd kwam hij terug en sprak:

„Het is een processie van Brahmanen, die naar dezen kant komt. Als het eenigszins mogelijk is, zullen wij vermijden door hen gezien te worden.”

Men bracht dadelijk de rijdieren dieper het woud in tot op een open plek, waar men naar alle berekening niet door de deelnemers aan den optocht zou worden gezien.

Deze voorzorgsmaatregel was noodzakelijk. Want, waar de Indiërs reeds in het algemeen wantrouwend en vijandig gezind zijn tegen alle vreemdelingen, daar kunnen zij tot toomelooze woede worden geprikkeld, wanneer „ongeloovigen”, zooals zij alle menschen noemen, die niet hun geloof deelen, hen bij hunne godsdienstige gebruiken bespieden.

Het kwam er nu vooral op aan om te voorkomen, dat de dieren hen zouden verraden, want elk geluid zou hun het leven kosten.

Bij de kameelen was dit betrekkelijk eenvoudig, daar hun muil steeds, als zij als rijdieren worden gebruikt, door het toom is dichtgebonden.

Moeilijker was het echter met de paarden. Ieder der ruiters stond daarom vlak naast zijn rijdier en hield de teugels strak, terwijl hij geruststellend over den hals van het dier streek.

Intusschen was de optocht der Brahmanen steeds nader gekomen. Het verwarde rumoer van instrumenten en stemmen werd steeds luider, eentonig gezang vermengde zich met den klank van cymbalen en trommels.

Nu werd de spits van de processie door de boomen zichtbaar en wel op een afstand van nauwelijks tweehonderd schreden, zoodat de luisteraars alles konden zien en hooren.

Vooraan liepen de priesters met de mijters op hun hoofden, gehuld in lange, geruite kleeren. Zij waren omringd door mannen, vrouwen en kinderen, die een soort doodenzang schenen uit te galmen. Met regelmatige tusschenpoozen onderbraken trommel- en cymbaalslagen deze eentonige melodie.

Op deze groep volgden zebu’s, die buitengewoon rijk waren opgetuigd. Zij trokken een kar op twee wielen, waarvan het houtwerk was versierd met griezelige slangenlichamen. Op die kar stond een groote [6]gedaante, die vier armen had; het was een beeld van de godin Kali, de godin van de liefde en den dood.

Het lichaam van deze figuur was helrood geverfd. Het haar fladderde verward langs het hoofd, de tong hing uit den mond. De lippen waren met verf besmeerd.

Aan den hals der godin Kali hing een sieraad van doodshoofden en om haar heupen prijkte een gordel van afgehakte handen. Zij stond op het lichaam van een menschelijken reus, wiens hoofd was afgehouwen.

Rondom deze figuur draaide en krioelde onophoudelijk een schaar oude fakirs, die zich met okerkleurige strepen hadden beschilderd, alsof zij zebra’s waren.

De bijna naakte lichamen dezer fanatieken waren bedekt met kruiselingsche inkervingen, waaruit het bloed voortdurend sijpelde.

Het was een griezelig gezicht. Eenige der fakirs hadden zich kleine dolken en messen door de spieren hunner armen en beenen gestoken; sommigen hadden drie of vier korte pijlen in voorhoofd en oorschelpen, zoodat het bloed vanuit het hoofd langs het geheele lichaam stroomde.

In dezen toestand voerden zij hun regelmatige dansen rondom het afgodsbeeld uit.

Achter hen sleepten eenige Brahmanen, gekleed in prachtige Oostersche gewaden, een vrouw, die nauwelijks op de been kon blijven.

Zij was nog jong en van buitengewone schoonheid. Haar hoofd, hals, schouders, ooren, armen, handen en enkels waren beladen met juweelen, hals- en armbanden, ringen en kettingen. Een met goud doorweven tunica van dun neteldoek omhulde haar gestalte.

Achter deze groep droegen wachten met blanke sabels en lange pistolen in hun gordel, op een baar het lijk van een grijsaard. Het hoofd was bedekt door den rijk met paarlen bestikten tulband. Het lichaam was gehuld in een gewaad van zijde en goud, waaromheen een met diamanten versierde gordel prijkte. In dien gordel staken de prachtige wapens van een Indischen vorst.

Hierop volgden muziekcorpsen, en het slot van den optocht werd weer gevormd door fanatieken, die af en toe het lawaai der instrumenten overschreeuwden.

De lange stoet bewoog zich langzaam voorwaarts onder de boomen en was weldra in de duisternis van het woud verdwenen.

Hassan, de lange Mohammedaansche bediende van Lord Lister, was naar dezen toegekomen en sprak nu, met zijn hand wijzend naar de richting waarin de stoet was verdwenen:

„Een Sutty!”

Hoewel men nog slechts op grooten afstand af en toe de klanken van het woeste geschreeuw hoorde, durfde de bediende nog niet luid te spreken.

Lord Lister vroeg:

„Wat beteekent het woord: Sutty?”

„Een menschelijk offer, Sidi. De vrouw, die wij zooeven zagen, zal morgen zoo vroeg mogelijk worden verbrand.”

„En het lijk?”

„Is dat van haar echtgenoot, een onafhankelijken Radja.”

„Wat?” riep Charly vol ontzetting uit, „bestaan die barbaarsche zeden nog in Indië? Heeft onze regeering daar dan geen eind aan kunnen maken?”

„Mijn beste Charly,” antwoordde Lord Lister, „in het grootste gedeelte van Indië hebben deze menschelijke offers niet meer plaats, maar in deze woeste streken heeft de Engelsche wet geen invloed.”

„O, Sidi,” riep Hassan uit, „de geheele noordelijke rug van het Windhiagebergte is het tooneel van voortdurende moorden en gruweldaden. De offerdood, die morgen plaats zal vinden, is ook geen vrijwillige.”

„Waarom denk je dat?”

„De zaak is in deze streek bekend genoeg. Men bedwelmt de offers met den rook van hennep en opium.”

„Waarheen brengt men die ongelukkige vrouw?”, informeerde Lord Lister verder.

„Naar de pagode van Nyagrodha, op hoogstens twee mijlen van hier. Daar moet zij den nacht doorbrengen en het uur van haar dood afwachten.”

„Wanneer zal de offerplechtigheid plaats hebben?”

„Morgen bij het krieken van den dag.”

De reizigers hadden zich naar hun rijdieren begeven om hun weg voort te zetten. Lord Lister wilde juist in het zadel springen, toen hij plotseling tot zijn vriend Charly Brand sprak:

„Hoe denk je erover, zullen wij deze vrouw van den marteldood redden?” [7]