De pagode van Nyagrodha grensde aan de achterzijde aan een dicht woud. Op een groot, open plein, dat zich voor den afgodstempel uitstrekte, hadden zich de deelnemers aan den optocht, priesters, fakirs, mannen en kinderen verzameld. In een cirkelvormige, vrij gebleven ruimte voerden de fakirs hun heilige dansen uit.
De toeschouwer moest denken, zich in een gekkenhuis te bevinden. Onder woest geschreeuw, dat voor zang moest doorgaan, sprongen, draaiden en wentelden zich de fakirs door elkaar.
Met scherpe messen in de handen deed ieder zijn best, zijn lichaam zooveel wonden toe te brengen, als maar mogelijk was; het bloed vloeide reeds in stroomen.
De priesters hadden „hang” rondgedeeld. Dit is een vloeistof, die bestaat uit een aftreksel van hennep, vermengd met opium. Het gebruik van dit duivelsche mengsel veroorzaakt woeste dronkenschap, waarop een diepe slaap met allerlei fantastische droomen volgt.
De volksmenigte genoot bij het zien van het bloed, dat van de dansende fakirs droop en deze geestdrift werd door het drinken van de „hang” opgezweept tot onbeschrijfelijke woestheid.
Allen schreeuwden en tierden als bezetenen. De trommels en cymbalen werden met groote kracht bewerkt, kortom, het was een helsch spektakel.
Toen de uitwerking van de „hang” merkbaar werd, werd de heksensabbath steeds doller, om daarna, toen allen behoefte kregen aan rust en slaap, te verminderen.
Voor het beeld van de godin der liefde en van den dood, die in al haar afschuwelijkheid op het woeste tooneel neerkeek, was een brandstapel opgericht. Deze bestond uit kostbaar sandelhout, dat gedrenkt was in welriekende oliën.
Op dezen brandstapel lag het lijk van den Radja, om bij het aanbreken van den dag met zijn ongelukkige weduwe verbrand te worden.
Het woeste getier was langzamerhand verstomd. De meeste feestgangers lagen door elkaar in diepen slaap, die soms door plotselinge kreten werd onderbroken, als de droomen al te benauwd waren. Een paar fakkels verlichtten op onvoldoende wijze het plein, dat met de beschonken slapers een walgelijken aanblik bood.
Het dichte kreupelhout van het bosch, dat grensde aan den afgodentempel, werd zachtjes bewogen en uit het donker kwam een gestalte te voorschijn, die, voorzichtig voortsluipend, het gebouw trachtte te naderen. Vlak daarachter volgde een tweede gedaante.
Het waren Lord Lister en zijn vriend, Charly Brand, die den tempel naderden.
De donkerkleurige bedienden waren bij de rijdieren achtergebleven, omdat bij het beraamde plan niet op hen te rekenen viel en ook omdat zij bezwaar gemaakt zouden hebben om in te grijpen in de heilige gebruiken van hun eigen stam. En dit was hun niet kwalijk te nemen, want, indien zij gevangen werden genomen, zou de wraak verschrikkelijk zijn.
De vrienden hadden afgesproken, een poging te wagen, om in den nacht den afgodstempel binnen te dringen.
Nadat zij de beschermende duisternis van het woud, hadden verlaten, lieten zij zich voorzichtig op den grond glijden, langzaam op den buik voorwaarts kruipende.
Toen zij op deze manier eenigen afstand hadden afgelegd, merkten zij tot hun spijt, dat de ingang der pagode bewaakt werd door twee gewapende mannen met het blanke zwaard in de hand. Dit tweetal scheen niet onder den invloed van de „hang” te verkeeren, want zij liepen, oogenschijnlijk als de eenige nuchteren van het gezelschap, heen en weer.
Nadat zij zich een beetje hadden teruggetrokken, [8]overlegden de vrienden, of zij het zouden durven wagen, de wachthoudende mannen te overvallen. Weldra echter zagen zij in, dat dit hun niet zou gelukken, want het zou onmogelijk zonder alarm te maken, kunnen gebeuren. En dat zou gevaarlijk zijn, want al zouden ook zij, die daar lagen te ronken, niets hooren, dan werden misschien de priesters, die den ganschen nacht bij de ten doode gedoemde moesten waken, opmerkzaam gemaakt.
De beide vrienden kwamen nu overeen om van de achterzijde den tempel binnen te dringen. Het gelukte hun zonder veel moeite, die zijde van het gebouw te bereiken.
Het ging reeds tegen den morgen, maar alles was nog gehuld in diepe duisternis. De maan was verscholen achter de wolken, zoodat het gevaar om gezien te worden, zeer gering was.
Maar nu deed zich een moeilijkheid op.
De muren van den tempel en de steenen boden weerstand aan elken aanval. Met de grootste inspanning werkten de beide vrienden, want, zoo overlegden zij, als het hun slechts gelukte, een enkelen steen los te werken, zouden ook de andere gemakkelijk verwijderd kunnen worden.
Alle moeite was echter tevergeefs. Intusschen werd het steeds later en het kwam hun voor, alsof op het plein voor den tempel beweging ontstond.
Het eerste licht van den aanbrekenden dag was reeds zichtbaar. Het zou zelfmoord zijn, om nog langer daar te blijven.
Mistroostig en teleurgesteld moesten de beide helden dus van hun reddingswerk afzien. Zij trokken zich terug in het kreupelhout en snelden daarna weer naar de rustplaats hunner paarden.
Onderweg scheen Lord Lister een besluit te hebben genomen, want hij liet dadelijk de rijdieren zadelen. Daarna moesten de bedienden de kameelen naar een open plek brengen.
Hij zelf en Charly Brand echter leidden hun kleine paardjes tot dicht bij den tempel, waar zij ze aan boomen vastbonden. De bedienden hadden bevel gekregen, zich elk oogenblik voorbereid te houden op vluchten.
Het was op het plein voor de pagode steeds levendiger geworden. De slapers werden wakker, tromgeroffel weerklonk, woest geschreeuw en gezang werd weer vernomen.
Het nachtelijk donker was geweken voor het licht van den komenden dag. Nu was het uur aangebroken, waarin de ongelukkige vrouw den vreeselijken marteldood zou sterven.
De deuren van den tempel werden geopend en een helder licht scheen uit het gebouw. Twee priesters sleepten het slachtoffer naar buiten.
De jonge vrouw was in een toestand van gevoelloosheid geraakt, een uitwerking van den hennepdrank. Willoos volgde zij haar beulen, die haar door de rijen der fakirs sleepten.
Deze hadden weer hun dansen aangevangen en pijnigden hun lichamen met messen en dolken, bijna nog erger dan den vorigen dag. Een oorverdoovend lawaai en woest geschreeuw weerklonk, terwijl men het offer in den kring sleurde.
Daar stond een groote bak met gloeiende kolen, waarin groote brokken ijzer lagen. Een priester naderde, nam er een der witgloeiende stukken metaal met een groote tang uit en hield het voor de ongelukkige vrouw, die nu de vuurproef moest doorstaan.
De wreedheid dezer Indiërs is bijna grenzenloos. Op vreeselijke wijze wordt het arme slachtoffer nog gemarteld, voordat het aan den vuurdood wordt overgegeven, maar hierbij werkt de bedwelming van den hennepdrank werkelijk weldadig, want het ongelukkige schepsel weet nauwelijks, wat er met hem geschiedt.
Zoo was het ook hier. Een tweede priester greep de rechterhand der jonge weduwe en legde die op het gloeiende ijzer. Een sissend geluid werd gehoord en de reuk van verbrand vleesch verspreidde zich in de lucht.
Zonder geluid te geven had de ongelukkige deze vreeselijke kwelling verdragen, daarna echter zonk zij als bewusteloos in elkaar.
Ruw en brutaal werd zij in de hoogte gesleurd, op den brandstapel gesleept en naast het lijk van den Radja neergelegd.
Een priester nam een der fakkels, hield die bij het hout van den brandstapel en heldere vlammen sloegen uit het met olie gedrenkte hout.
Maar— —wat was dat? Een ontzettend geschreeuw weerklonk plotseling. De fakirs, priesters, soldaten en het volk, allen schreeuwden en wierpen zich ter aarde, hun oogen met de handen bedekkend, opdat zij, als aardsche en onwaardige wezens, niet het heilig wonder zouden zien, dat daar geschiedde.
Was de Radja niet dood?
Men had gezien, dat hij zich plotseling oprichtte en [9]als een spook, met de jonge vrouw in zijn armen, van den brandstapel verdween.
Lord Lister was tot een wanhopig besluit gekomen. Hij moest de ongelukkige redden, redden tot elken prijs.
Zoo was hij voorzichtig tot achter den brandstapel geslopen en was aan die zijde naar boven geklauterd. Niet denkend aan zijn eigen leven, hurkte hij in elkaar, toen de beide priesters, op eenigen afstand van hem, het offer hadden neergelegd.
Op het oogenblik, waarin de vlammen uit het hout sloegen, pakte hij met gespierden arm de bewustelooze vrouw beet en haastte zich met zijn last naar beneden.
Charly stond dichtbij de paarden. Hij hield zijn geweer gereed om, zoo noodig, zijn vriend voor dreigende gevaren te kunnen beschermen.
Toen hij den redder met de jonge vrouw in zijn arm door de vlammen naar beneden zag klimmen, maakte hij snel de touwen der paarden los. Snel als de bliksem was Lord Lister op zijn Barbarijsch paardje gesprongen en had de nog steeds bewustelooze weduwe van den Radja voor zich dwars over het zadel gelegd.
Even handig sprong Charly in zijn zadel en voort ging het in vliegende vaart.
Dit alles was zeer snel in zijn werk gegaan.
Toen de bijgeloovige vrees der Indiërs was verdwenen, keken zij op en nu zagen zij in de vlammenzee van den brandstapel duidelijk het lijk van den Radja liggen. Nu werd het hun duidelijk, dat hier geen sprake was van een wederopstanding van den doode, maar van het ontvoeren der weduwe.
Een ontzettend geschreeuw weerklonk. Verwenschingen en vloeken volgden de vluchtelingen.
De bewustelooze vrouw in zijn armen gekneld, vloog John Raffles, gevolgd door Charly, voort door de Oostersche oerwouden. (Zie het titelblad.)
Onder het uitstooten van wilde bedreigingen snelden de priesters het bosch in, de soldaten volgden hen.
Op grooten afstand zagen zij de roovers nog. De soldaten legden aan en het geknal der schoten weerklonk door het woud.
Een kogel trof het hoofddeksel van Lord Lister, een bewijs, dat de Indiërs niet slecht hadden gemikt.
Weldra echter werd de afstand tusschen de vluchtelingen en hun vervolgers steeds grooter, de kogels en pijlen konden hun doel niet meer bereiken en de beide dappere helden waren met hun moeilijk verworven buit uit het oog verdwenen.