[Inhoud]

VIERDE HOOFDSTUK.

OP DE VLUCHT.

Niet ver van de kust verheft zich het Malabargebergte, dat met zijn wilde bergspleten en kloven heerlijke en romantische natuurtafereelen biedt.

In een dezer kloven lagen drie rijkameelen te rusten, terwijl twee paarden aan boomstammen waren vastgebonden. Twee blanke mannen, drie kleurlingen, welke de bedienden der beide blanken waren, en een jonge vrouw hadden hier een rustplaats gezocht.

Het waren de redders, die de jonge weduwe aan den dood hadden ontrukt, en hun gezellen.

De vluchtelingen hadden den naasten weg naar het gebergte gekozen, omdat zij hoopten, zich in de rotsspleten beter te kunnen verbergen, wanneer de vervolgers hun spoor mochten ontdekken.

Het paard van Lord Lister had zich bij de overhaaste vlucht aan den achterpoot bezeerd en kon daardoor niet langer den dubbelen last dragen. Men was dus gedwongen geweest, deze rust te nemen, om nieuwe plannen te maken.

De weduwe van den Radja was reeds gedurende den [10]dollen rit weer eenigszins tot bewustzijn gekomen en nu was zij de verlammende uitwerking van den drank geheel te boven.

Lord Lister had haar zwaargewonde hand zorgvuldig en naar den eisch verbonden.

De geredde vrouw kon eerst haar toestand in het geheel niet begrijpen. Waar was zij? Wie waren deze mannen? Leefde zij nog? Duizenden van dergelijke vragen vlogen door haar hersens.

Toen zij eindelijk zekerheid had gekregen van haar redding, kende haar dankbaarheid geen grenzen. Zij weende heete tranen van vreugde en ontroering, maar tevens van zorg over haar verder lot.

Op verzoek vertelde zij, dat zij een Hindoemeisje was en de dochter van een rijken koopman in Puna.

Zij was, toen zij nog zeer jong was, naar Bombay gekomen, waar zij een goede Engelsche opvoeding had genoten. Dit kon men ook wel aan haar merken, want naar haar manieren en beschaving had men haar voor een welopgevoede Engelsche kunnen houden.

Haar naam was Kysagotami. Haar vader, de rijke koopman in Puna, stierf en zij werd uitgehuwelijkt aan den ouden Radja. Maar na een halfjarig huwelijk reeds was zij weduwe geworden.

Zij had precies geweten, welk ontzettend lot haar als weduwe wachtte en was daarom gevlucht. Men had haar echter spoedig gegrepen en de bloedverwanten van den overledene offerden haar op om te worden verbrand, omdat dan de groote rijkdommen van den Radja en de niet onbeduidende bruidsschat, welken de wees mee ten huwelijk had gebracht, hun deel zouden worden.

Lord Lister vroeg, waar die schatten zich bevonden en Kysagotami vertelde, dat alle bezittingen van den Radja, al het goud, de edelsteenen, wapens en kleinoodiën, zooals steeds bij de verbranding, meegevoerd werden in den wagen, waarop de godin van liefde en dood troonde.

Die schatten werden dan gebracht in den tempel, waarin het offer den laatsten nacht moest doorbrengen en gewijd aan den God Siwa.

„Hoe lang blijft de schat daar?”

„Het daglicht moet den schat tweemaal beschijnen, daarna wordt deze in prachtigen optocht door de priesters afgehaald. Het tiende deel van den schat valt dan in handen van de priesters van Siwa, de rest is voor de bloedverwanten.”

„Begrepen. Het zou mij echter een onuitsprekelijk genoegen zijn, de Siwa-priesters eens op hun neus te laten kijken. Waartoe zouden wij wachten, tot de schat verdeeld is? Wij zullen hem in zijn geheel gaan halen! Tweemaal moet het daglicht den schat beschijnen; wij hebben dus tot morgenavond tijd.”

Kysagotami volgde dit korte gesprek met teekenen van groote vrees. Zij verstond ieder woord, want zij kende evengoed Engelsch als haar moedertaal. Toen Lord Lister zweeg, sprak zij met gevouwen handen en op smeekenden toon:

„Doe dat niet, heer! Gij hebt reeds uw leven gewaagd, toen gij mij hebt gered, nu wilt gij het voor den tweeden keer op het spel zetten. Bedenk, dat u, wanneer men u pakt, de wreedste marteldood wacht. Ik ken die menschen, zij zijn duivelachtig wreed in het uitvinden der ontzettendste kwellingen.”

Maar Lord Lister antwoordde met vaste stem:

„Maak u over ons niet bezorgd! Geen Brahmapriester, geen fakir, niemand zal ons een haar krenken. Wij zullen den schat gaan halen en op die manier de afschuwelijke priesters en de wreede familieleden naar behooren straffen.”

Kysagotami wierp zich voor Lister op de knieën en bezwoer hem met heete tranen, van zijn plan af te zien.

Zijn blikken hingen aan de schoone vrouw. Zacht streek hij met zijn hand over haar hoofd en sprak, terwijl hij de knielende ophief:

„Ik dank u voor uw bezorgdheid om ons leven, Kysagotami, maar wij zullen den priesters hun schat ontrukken, zonder het leven te verliezen, want uw gebed zal ons beschermen.”

Met duidelijke woorden deelde Lord Lister zijn bevelen uit. Zijn plan was om in den loop van den volgenden dag den schat te halen, omdat hij berekende, dat de lieden, die bezig waren de ontvoerde vrouw te zoeken, dan ver genoeg van den afgodstempel verwijderd waren, zoodat geen ontdekking te vreezen zou zijn.

Men zou gedurende den nacht langzaam terugrijden en dan zouden Kysagotami en de bedienden rust nemen, terwijl Lord Lister en Charly een poging zouden wagen om den schat te bereiken.

Tot zoover was alles afgesproken. Juist zouden de laatste toebereidselen tot vertrek worden gemaakt, toen uit de verte verwarde geluiden werden vernomen.

Dadelijk was alles in het kleine kamp in beweging. Het was allen duidelijk, dat daar misschien de dood dreigde.

Het geluid werd sterker en sterker, men kon reeds duidelijk enkele kreten en uitroepen onderscheiden. [11]

Charly had ontdekt, dat het de optocht van priesters, fakirs en volk was, die naar huis terugtrok en, in de hoop de vluchtelingen te vinden, het gebergte doorzocht.

Nu was de grootste voorzichtigheid noodzakelijk. Als een enkel geluid de aanwezigheid der Engelschen verried, waren zij verloren.

Toen men den stoet hoorde naderkomen, hadden de bedienden zich ter aarde geworpen om hun goden aan te roepen. Het was Lord Lister bijna onmogelijk om de van angst bijna krankzinnige menschen weer tot bedaren te brengen. Eindelijk gelukte hem dit echter. Het was trouwens ook hoog tijd, want de stoet was nu zoo nabij gekomen, dat men de woorden, die gesproken werden, duidelijk kon verstaan.

Vluchten was onmogelijk. Men moest rustig in de rotskloof wachten en hopen, niet opgemerkt te zullen worden.

Wat de vluchtelingen moesten aanhooren omtrent het lot, dat hun wachtte, wanneer zij ontdekt zouden worden, was niet in staat om hen op te wekken. Natuurlijk liep het gesprek van de massa alleen over den roof van Kysagotami.

Men schimpte en schold in de bloemrijke Indische taal op de ongeloovigen, die Brahma moest vervloeken en men dreigde hen met alle straffen van den hemel en de aarde.

Zoo bewoog de stoet zich op een kronkelpad voort, tamelijk ver beneden de schuilplaats der kleine karavaan.

Lord Lister had een smalle kloof ontdekt, waardoor hij het pad kon overzien. Van hier volgde hij elke beweging daar beneden met scherpe blikken. Hij zag duidelijk, hoe de optocht in tamelijk snel tempo steeds meer in Westelijke richting trok, om weldra achter de rotsmassa’s te verdwijnen.

Een zucht van verlichting ontsnapte aan zijn lippen en hij sprak, snel opstaande:

„Gered! Maar nu moeten wij er op uit om nog heden den schat te gaan halen!”

Toen het woord „gered” van Listers lippen klonk, had groote vreugde zich van allen meester gemaakt, maar deze blijdschap werd door hetgeen de dappere Engelschman erop liet volgen, weer getemperd. Vooral Kysagotami hief smeekend haar handen op.

Maar Lord Lister sprak met een opgeruimden glimlach:

„Nu wij hebben gezien, dat het terrein veilig is, er is geen enkele reden, langer te dralen. Dus: Voorwaarts, naar den schat van den Siwa!”