[Inhoud]

VIJFDE HOOFDSTUK.

DE ROOF VAN DEN SCHAT.

De pagode van Nyagrodha lag in diepe rust. Het was nacht. Het maanlicht bescheen de grootsche lijnen van den tempel, dezen in reusachtigen schaduw op den bodem afteekenend.

Uit het dichte oerwoud klonk een geheimzinnig gekraak en geritsel. Dit werd steeds sterker en eindelijk kwamen twee ruiters uit het struikgewas te voorschijn. Toen zij het plein voor den tempel hadden bereikt, stegen zij af en bonden hun paarden aan boomstammen vast.

„Dat is zeer gunstig! Die oude vriend helpt ons bij ons werk,” sprak Lord Lister, naar de maan wijzend.

Heinde en ver was geen levend wezen te bespeuren. De beide vrienden liepen daarom, zonder eenige voorzichtigheid in acht te nemen, over het door de maan beschenen open plein naar den ingang der pagode. De ervaringen van den vorigen nacht hadden hun geleerd, dat zij slechts door de deur den tempel konden binnenkomen.

Zij hadden uit hun zadeltasschen allerlei werktuigen meegenomen. Een breekijzer werd tegen het slot van de deur gezet en doffe slagen weerklonken. [12]

Op dit oogenblik dook uit de duisternis een witte gedaante op. Het was een tot aan de tanden gewapende Indiër.

Lenig als een kat sloop hij tot aan den hoek van den tempel, om te kunnen zien, wat daar gebeurde.

Zijn zwarte oogen vonkelden onder de witte kap van zijn burnous. Het donkerbruine gezicht was verwrongen van woede; zoodat de witte tanden tusschen de smalle lippen schitterden.

Hij hurkte tot op den grond neer, en plotseling legde hij zijn geweer aan dat rijk met paarlemoer en edelsteenen was versierd. Een schot knalde en rakelings vloog de kogel langs Charly’s hoofd.

Op hetzelfde oogenblik staakten de beide vrienden hun werk, bliksemsnel hun geweren opnemend.

Lord Lister had den verraderlijken witten burnous gezien en was hem nagesneld, maar de Indiër was reeds in het donkere struikgewas achter den tempel gevlucht.

„Hallo! Een vroolijke jacht!” riep Lister tot zijn vriend, en samen snelden zij den vluchteling na.

De Indiër scheen echter verdwenen te zijn.

Plotseling zag Lord Lister naast een dikken boomstam iets wits verschijnen. Hij wilde voorwaarts snellen, toen opnieuw een schot weerklonk. In hetzelfde oogenblik had hij zich plat op den grond geworpen en de kogel floot over hem heen, zonder schade aan te richten. Hij snelde voorwaarts, maar daar knalde achter hem een schot.

Een tweede Indiër, die binnen in den tempel had gewaakt, was op het gerucht naar buiten gekomen en had zijn geweer op den dichtstbijstaanden Charly afgeschoten. Ook deze kogel miste zijn doel.

Charly keerde zich snel om en zag de gestalte nog in het kreupelhout verdwijnen. Hij wijdde nu weer zijn geheele aandacht aan zijn vriend en snelde toe om dezen de behulpzame hand te bieden.

Lord Lister was onbevreesd vooruitgedrongen en had den Indiër, die op hem had geschoten, gegrepen. Als een ijzeren schroef omklemde zijn vuist den hals van den kleurling. Deze greep in zijn gordel en haalde daaruit een lang, Indisch mes te voorschijn om dat zijn vijand in de borst te stooten.

Het was een vreeselijke worsteling.

De oogen puilden den Indiër uit het hoofd en schuim stond op zijn lippen. Hij had zijn rechterarm vrij gekregen en wilde toestooten. In het laatste oogenblik echter gelukte het Lord Lister, de hand, welke het mes vasthield, beet te pakken. Hij ontwrong het zijn tegenstander en slingerde het ver weg. Daarop liet hij zijn vuist met vreeselijke kracht op den schedel van den Indiër neerdalen.

Een doffe kreet en de getroffene viel aan zijn voeten neer.

Intusschen was Charly op het tooneel van den strijd aangekomen en hielp nu zijn vriend, den bewusteloozen Indiër te binden.

De wapenen, welke deze in den gordel droeg, evenals zijn geweer, namen zij hem af en daarna sleepten zij den man den tempel binnen.

„Al heeft hij ons ook willen vermoorden, daarmee deed hij eigenlijk niet meer dan zijn plicht en hij heeft niet verdiend om hier misschien door wilde dieren te worden verscheurd,” sprak de Lord tot zijn vriend.

„Waar zou de tweede kerel gebleven zijn?” vroeg Charly.

„Die zal zich wel uit de voeten, hebben gemaakt, toen hij zag, dat het met zijn kameraad slecht afliep.”

„Dat zou onaangename gevolgen voor ons kunnen hebben.”

„Hoe meen je dat?”

„Als hij den geheelen volksstam, en vooral de priesters, ervan in kennis stelt, zijn wij verloren.”

„Maar Charly, hoe zal hij zoo gauw hulp kunnen doen aanrukken? Als de menschen komen, zijn wij allang met den schat in veiligheid.”

Beide vrienden hadden intusschen den omtrek van den tempel nog eens afgezocht, zonder een spoor van den tweeden wachter te kunnen ontdekken. Daarom keerden zij nu in het gebouw terug om den schat te zoeken.

De pagode, die boogvormig was opgetrokken, bevatte een zwaar gouden beeld van den God Siwa. Dit is de derde God van de Indiërs.

Voor dit gouden beeld stond een steenen offeraltaar.

„Drommels! Zou ons werk voor niet zijn geweest? Hier is toch geen schat verborgen. Dien braven kerel daar, die van massief goud schijnt te zijn gemaakt, zullen wij nauwelijks van zijn plaats kunnen krijgen, laat staan, dat wij hem zouden kunnen meenemen.”

„Edward, als wij den bewaker eens vroegen.…”

„Dan zou hij ons toch niets verraden,” viel Lord Lister zijn vriend in de rede.

Onderzoekend keek hij den Indiër, die geboeid op den grond lag, aan. De man was intusschen weer tot bewustzijn gekomen.

Raffles dacht even na en sprak toen:

„Nu, wij kunnen het probeeren.” [13]

Den geboeide naderend, sprak hij:

„Wil je ons vertellen, waar gij den schat van de weduwe van den Radja hebt verborgen?”

Een vijandige blik schoot uit de oogen van den geboeide en knarsend beet hij op zijn tanden.

Charly en Raffles wisselden snel een blik van verstandhouding. De laatste greep het lange, Indische mes, waarmee de kleurling hem zooeven bijna had gedood, zette het den gevangene op de borst en sprak:

„Als je mij nu de plek niet noemt, stoot ik toe.”

Het gelaat van den Indiër was verwrongen van woede.

„Hond, stoot toe! Nooit zal je mij een bekentenis ontlokken, die den heiligen Siwa zou kunnen kwetsen!”

Lister legde het mes neer en sprak in het Engelsch:

„Wij moeten ons zelf helpen, als wij het doel willen bereiken. Kom, Charly, wij willen eens zien, of deze Oude heer den schat niet bezit.”

Bij die woorden wees hij glimlachend op het zittend godenbeeld.

Samen beproefden zij nu het zware beeld op zij te duwen.

Toen de geboeide Indiër zag wat de beide vrienden gingen doen, ontsnapte een kreet van woede aan zijn lippen.

„Roovers, wilt gij met uw vervloekte vingers van het heiligdom afblijven? De groote Siwa zal u straffen!”

„Daarin zou hij gelijk kunnen hebben,” lachte Raffles, „want als dit gouden heerschap omvalt, zou het ons een paar ribben kunnen kosten.”

De kreet van woede van den Indiër had den beiden vrienden bewezen, dat zij op het goede spoor waren en dapper zetten zij hun werk voort. Het beeld was wel buitengewoon zwaar, maar eindelijk gelukte het toch om het van de plaats te krijgen.

Toen men het afgodsbeeld ongeveer voor een derde van zijn steenen voetstuk had geschoven, vertoonde zich daarin een klep, die door middel van een ijzeren ring opgelicht kon worden. Dit was echter onmogelijk, zoolang het zware beeld, al was het ook gedeeltelijk, er op stond. Er bleef hun dus niets over dan het geheel te verwijderen.

Het gelukte den beiden vrienden eindelijk met vereende krachten om het afgodsbeeld van zijn voetstuk te krijgen. Toen het echter vrij in de lucht zweefde, begon het te wankelen. Charly moest op zij springen en met een geweldigen plof sloeg het beeld tegen den muur.

Toen de Indiër het beeld van zijn heiligen God Siwa zag neervallen, stiet hij een kreet van ontzetting uit. Hij dacht, dat nu de toorn van den God den tempel en de schenders van het heiligdom zou verpletteren.

Maar niets van dien aard geschiedde.

Slechts de uitgestrekte arm van den God was bij den val afgebroken en op den vloer gevallen.

John Raffles had den afgebroken arm opgeraapt en oplettend bekeken. Hij zag duidelijk, dat het beeld werkelijk van massief goud was. Lachend boog hij voor het afgodsbeeld en sprak:

„Wij danken u, groote Siwa, dat gij ons uw gouden arm hebt geschonken. Het hoofd was ons liever geweest, want dat heeft meer waarde— — —aan goud! Maar we moeten tevreden zijn.”

Bij die woorden stopte hij den gouden arm in een zak, die was meegebracht om den schat te vervoeren.

Charly had intusschen het afgodsbeeld nauwkeuriger bekeken en sprak tot zijn vriend:

„Edward, ik geloof, dat het hoofd van den braven heer niet slechts meer waarde heeft door den grooteren voorraad goud, maar dat hij ook nog een kostbaarder schat verbergt. Kijk eens, welke gloed uit dat oog straalt.”

Raffles liet het licht van zijn zaklantaarn naar boven schijnen en was verstomd over den heerlijken glans die door het rechteroog van het afgodsbeeld werd uitgestraald. Dat bestond uit een robijn van onschatbare waarde en ongekende grootte.

„Je hebt gelijk, Charly, dat is een kleinood van fabelachtige schoonheid en onmetelijke waarde. Het zou zonde zijn, als wij dat hier achterlieten en ik denk, dat de oude heer met één oog nog genoeg zal kunnen zien, want de andere steen schijnt mij het meenemen niet waard te zijn.”

Met behulp der meegebrachte werktuigen was de steen spoedig losgemaakt.

De woede en angst van den Indiër schenen nu tot het uiterste te geraken. Zijn oogen werden onnatuurlijk groot, zijn aderen zwollen op tot dikke koorden bij zijn wanhopige pogingen om zich te bevrijden en hij jammerde onophoudelijk:

„Heilige Brahma, bescherm ons! Het oog! Het oog!”

Terwijl Raffles nog bezig was, den steen los te maken, had Charly de klep in het voetstuk opgelicht. Toen de beide vrienden het licht hunner lantaarns in [14]de opening lieten vallen, vonkelde en schitterde het voor hun oogen. Millioenen vonken schenen hun tegen te stralen. Het was een onmetelijke schat aan edelsteenen, gouden en zilveren munten, welke daar verborgen was.

Bij het plotselinge ontvlammen der electrische lampen schrok de gevangen Indiër geweldig. Zijn gelaat toonde groote vrees. Hij scheen deze hem geheel vreemde en onbegrijpelijke inrichting voor een uitvinding van den duivel te houden en de beide vrienden misschien voor bondgenooten van dezen.

In korten tijd hadden de indringers den geheelen schat in den meegebrachten zak en in twee linnen buidels verpakt. Nadat dit werk was afgeloopen, wierpen zij de klep dicht. Charly keek naar het geschonden afgodsbeeld en vroeg:

„Zullen wij het beeld niet weer op zijn plaats brengen?”

„Maar, kerel! Wij hebben onze krachten meer noodig, dan dat wij ze op die manier kunnen verbruiken! Laat dien God daar maar staan. Dan begrijpen de priesters dadelijk, dat hun erfenis verloren is.”

Lord Lister had zich lachend tot den gevangene gewend en sprak:

„Mijn vriend, laat de tijd je niet al te lang vallen. Voor je eigen veiligheid moeten wij de deur sluiten en je in donker achterlaten.”

Met blikken vol haat keek de Indiër zijn tegenstander aan en mompelde:

„Gaat nu maar heen, gij Christenhonden, de wraak van Brahma zal u spoedig treffen. Ik zal juichen, als men uwe ingewanden voor de wilde dieren zal werpen. Men zal uw vervloekte vingers afhakken, omdat gij Het wonderdadige oog van den heiligen Siwa hebt gestolen en uw tongen zal men uittrekken, omdat gij een bewaker bespot.”

De beide vrienden luisterden verder niet naar de dreigementen van den Indiër en verlieten den tempel, de deur in het slot werpend.

Toen zij de plek naderden, waar zij hun paarden hadden vastgebonden, wachtte hun een onaangename verrassing.

De kleine, grijze hengst, waarop Raffles had gereden, was verdwenen. Blijkbaar had de tweede bewaker het dier gestolen, om zoodoende sneller hulp te kunnen halen.

Nu was groote voorzichtigheid en haast aanbevolen, als de beide vrienden niet in hachelijke omstandigheden wilden komen.

„Dat is een kwaad geval,” sprak Lord Lister met bewolkt voorhoofd.

Zij begrepen beiden, dat het eene paardje niet twee ruiters en den zwaren schat kon dragen.

Snel besloten sprak de Lord:

„Vooruit, Charly, op het paard. Ik zal, zoo snel het gaat, er achteraan loopen.”

Charly wilde tegenspreken, maar Lord Lister vervolgde:

„Het is beter, dat jij het paard eerst berijdt, want jij bent lichter dan ik. Later kunnen wij immers omwisselen. En nu vooruit, want de tijd is kostbaar. De Indiër heeft met ons paard veel tijd gewonnen en wij zullen er zonder veel tijd verliezen. Ik heb echter niet den minsten lust om af te wachten tot de bedreigingen van onzen vriend verwezenlijkt zullen worden, want ik wil nog menig goed glas wijn over mijn tong laten gaan.”

Het onverstoorbaar goede humeur van Lord Lister deed spoedig het pijnlijke van den toestand vergeten en het kleine paardje, beladen met de rijke schatten van den Radja, draafde weldra lustig voorwaarts, terwijl Lord Lister zich inspande, gelijken tred te houden met den snellen gang van het beest. [15]