[Inhoud]

ZESDE HOOFDSTUK.

DE SLANGENBEZWEERDER.

Op nauwelijks een halve mijl afstands van den tempel, was de plek, waar de bedienden van den Lord waren achtergebleven, om met de jonge vrouw op den afloop der gevaarlijke expeditie te wachten.

Hoewel Lord Lister had beproefd, gelijken tred te houden met het dravende paard, was er toch meer dan een half uur verloopen, eer zij de legerplaats bereikten, want het terrein was niet overal effen geweest.

Met luid gejubel werden de beide Engelschen begroet, toen zij bij het eerste schemerlicht aankwamen.

Vooral Kysagotami kon nauwelijks woorden genoeg vinden om uiting te geven aan haar vreugde, toen zij haar beide redders, voor wier leven zij zoozeer had gevreesd, behouden terug zag.

Charly liet de rijke schatten zien. Kysagotami was overgelukkig. Toen Raffles echter den kostbaren robijn uit zijn portefeuille nam, verbleekte zij en uitte een kreet van ontzetting. De Indische bedienden, die ook reikhalzend stonden te kijken naar de schatten, wierpen zich ter aarde, sloegen met de vuisten op hun borst en schenen buiten zichzelf te zijn van schrik.

Raffles wist niet, wat hij van dit alles moest begrijpen en vroeg Kysagotami naar de oorzaak van haar ontsteltenis.

Deze verklaarde hem toen, dat de robijn, het oog van het afgodsbeeld, een wonderdadige reliquie was, die door de Brahmanen ten diepste werd vereerd. De diefstal van den schat, zelfs de roof van den gouden arm was niet zoo erg als het meenemen van deze kostbaarheid, die wegens haar wonderdadige werking niet te vervangen was.

Kysagotami wilde zich niet laten geruststellen, want zij beweerde, dat deze steen hun allen ongeluk moest aanbrengen, omdat de priesters niet zouden rusten, eer zij het wonderdadige oog terug hadden.

Raffles lachte bij die woorden en het gelukte hem ten slotte ook de Indische op andere gedachten te brengen.

Kysagotami verzocht hem, den geheelen schat te willen behouden.

De groote onbekende antwoordde echter:

„Zeker, ik ben bereid, den schat voor u te bewaren, totdat wij gelegenheid hebben gevonden om in Bombay of Magalur voor uw toekomst te zorgen.”

Diepe droefheid lag op het gelaat der jonge weduwe te lezen toen zij deze woorden hoorde. Zij legde Raffles uit, dat het haar onmogelijk was, in Indië te blijven.

Met groote overtuiging vertelde zij, terwijl zij verschillende voorbeelden aanhaalde, dat zij voortaan geen oogenblik meer zeker zou zijn van haar leven, want zij wist zeker, dat men haar vroeg of laat toch zou ontvoeren, om haar, na gruwelijke martelingen, aan den vlammendood prijs te geven.

Met roerende woorden smeekte zij Lister, zich ook verder over haar te willen ontfermen.

„Goed, Mylady, als gij dat verlangt. Daar wij echter naar Indië zijn gekomen om een andere zending te vervullen, kan ik alleen dan gevolg geven aan uw verzoek, als gij bereid zijt, alle tochten mee te maken en alle gevaren te trotseeren, die ons misschien nog wachten.

Dat, wat wij hier te doen hebben, betreft het wel of wee van twee vrouwen in Londen, die eigenlijk, evenals gij, Indisch bloed in de aderen hebben.

Is onze zending tot een goed eind gebracht, dan wil ik u gaarne naar die beide vrouwen brengen, die u zeker met vreugde zullen begroeten en zich uw lot zullen aantrekken.”

Kysagotami bewilligde gaarne in deze voorwaarden en behoorde van af dat oogenblik tot de karavaan van den Lord.

De groote onbekende scheen echter niet volkomen tevreden te zijn. Met een ernstigen trek op het gelaat liep hij heen en weer.

Zijn vriend Charly ging naar hem toe en ondervroeg [16]hem naar de oorzaak van zijn mismoedige stemming en Lister zette hem die uiteen.

Eerstens was het niet te loochenen, dat het voortzetten der reis niet bespoedigd zou worden door de tegenwoordigheid van een dame. Oorspronkelijk had de karavaan slechts drie kameelen en twee paarden bezeten, zoodat de vermeerdering van het aantal reizigers een uitbreiding der transportmiddelen vereischte.

Nu was ook nog een der paarden door den wachter van den tempel gestolen.

Slechts vier rijdieren bij een aantal van zes personen, dat kon noodlottig voor allen worden, vooral omdat men er rekening mee moest houden, dat de Brahmanen de roovers van den heiligen schat zouden achtervolgen en men dus steeds voorbereid moest zijn op een snelle vlucht. Het was dus noodzakelijk om nieuwe vervoermiddelen te zoeken.

Maar hoe en waar?

Op en neer loopend, was Raffles bij den nauwen ingang van de rotsspleet gekomen, waar de karavaan haar rustplaats had.

Daar lag met over elkaar gekruiste beenen Nyanatiloka, een der Indische bedienden van den Lord. Hij had een klein fluitje uit zijn lendeschort te voorschijn gehaald en begon nu, daaraan vreemde, langgerekte klanken te ontlokken.

Lord Lister was blijven staan en keek naar het vreemde doen van den Indiër. Nader tredend vroeg hij:

„Wat doe je daar?”

Nyanatiloka antwoordde niet, maar wees met zijn oogen naar het struikgewas, dat den ingang der rotskloof omgaf.

Een vreemd geritsel ontstond en plotseling zag Raffles tot zijn grooten schrik den kop van een reusachtigen cobra te voorschijn komen. Met kleine schokken volgde ook het lichaam. Het afschuwelijke monster rekte zich uit en begon zich, op de maat der zwaarmoedige melodie, welke de Indiër uit zijn instrument te voorschijn haalde, heen en weer te bewegen.

Raffles had zich nog niet van zijn eersten schrik hersteld, toen een nieuw geluid aan de andere zijde van het kreupelhout zijn opmerkzaamheid trok. Het geluid werd sterker en sterker en plotseling vertoonde zich ook daar de kop van een cobra. Snel volgde het lange lijf, dat zich op den staart oprichtte en in dezelfde maat met de andere slang de rhytmische bewegingen uitvoerde.

„Maar Nyanatiloka, ben je dan krankzinnig, om ons die vreeselijke beesten op den hals te lokken?”

De Indiër antwoordde niets, maar schudde bijna onmerkbaar het hoofd.

De kleine Barbarijsche hengst, dien men achter in het hol had vastgebonden, scheen de reptielen waar te nemen; hij stijgerde hoog op met wijd opengesperde neusgaten en zijn angstig gehinnik weerklonk tot op verren afstand.

Op dit oogenblik kwam Charly van zijn natuurlijken uitkijk, die zich links bovenop een rotsblok bevond, naar beneden gesneld en riep:

„Om Godswil, Edward, de vervolgers naderen!”

Hij had in de verte een troep tot aan de tanden gewapende Indiërs zien naderen aan wier spits drie priesters in hun bonte Oostersche gewaden reden en een bedelmonnik in zijn gele kaftan, die de geheele bende scheen aan te voeren.

Nyanatiloka had, terwijl hij de fluit met zijn linkerhand vasthield, en onophoudelijk de vreemde, eentonige melodie spelend, met de rechterhand zijn bovenkleeren uitgetrokken, Zoodat hij nu nog alleen een lendenschort en den onontbeerlijken tulband droeg.

Nu stond hij langzaam op, trad eenige schreden naar buiten, hurkte daar weer neer en dwong zoodoende de reptielen, ook buiten het hol te blijven.

Het stampen, snuiven en angstige gehinnik van den Barbarijschen hengst was zoo mogelijk nog sterker geworden; als dol trok het paard aan het touw, waarmee het was vastgebonden.

Een enkele blik overtuigde Raffles van de oorzaak hiervan.

Een derde reuzenslang was, gelokt door de tonen van den Indiër, uit een rotsspleet dichtbij de standplaats van het paard te voorschijn gekropen en naderde met de grootste snelheid den ingang van het hol.

Het paard stijgerde als razend en trachtte met zijn hoeven den afschuwelijken vijand te verpletteren.

Het was een eigenaardig tooneel, dat zich aan de blikken der ontstelde toeschouwers vertoonde.

De groote slang scheen niet de minste notitie van haar omgeving te nemen; haar oogen gloeiden vurig en slechts die eene wensch scheen het beest te bezielen, zoo snel mogelijk dichter bij de muziek te komen.

Raffles overtuigde zich ervan, dat de troep achtervolgers met razende snelheid naderde.

De drie kameelen beefden van angst voor de slangen, en waren zonder geluid te geven in een hoek tegen elkaar aan gekropen.

Hoewel de bediende en Charly zich alle moeite gaven om het paard te kalmeeren, gelukte dit hun niet. [17]

Raffles zag het groote gevaar duidelijk in. Kwamen de vervolgers zoo dichtbij, dat zij het trappelen en hinniken van het paard konden hooren, dan beteekende dit voor hen allen een zekeren dood.

Bliksemsnel doorkruisten die gedachten zijn brein. Er was slechts één weg tot redding: het paard moest worden opgeofferd.

Hoe zwaar ook dit nieuwe verlies den reizigers viel, er bleef geen andere keus over. Er mocht ook geen oogenblik langer geaarzeld worden en zoo besloot Raffles, al was het ook met droevig hart, het dier te dooden.

Hij zou het liever met een kogel hebben neergeveld, maar de knal zou ongetwijfeld de vervolgers op het spoor hebben gebracht en zoo bleef hem niets anders over dan het dier op een geruischlooze wijze te dooden.

Hij greep het lange Indische mes, dat hij in den nacht den wachter van den tempel had afgenomen, en stiet dat in den hals van het paard, den slagader doorsnijdend. Een groote bloedstroom kwam te voorschijn en met een gerochel zakte het dier ineen.

Door deze snelle daad, die weliswaar de karavaan in nieuwe moeilijkheden bracht, scheen de kans op redding voor het oogenblik grooter.

En het was hoog tijd, want reeds bereikten de eerste vervolgers de kromming in den weg, waar de grot zich bevond. In ademlooze spanning wachtten allen op het verdere verloop der dingen.

Lord Lister, die dicht bij den uitgang van het hol achter een boschje verscholen was, zag vlak voor zich een afschuwelijk tooneel.

De derde groote cobra, die het nu gedoode Barbarijsche paardje zoo had doen schrikken, zat hoog opgericht midden op het pad en bewoog zijn kop vlak boven het hoofd van den neergehurkten Indiër, zoodat deze nu omringd was door de drie reusachtige monsters.

De bedelmonnik, die aan de spits van den stoet reed, had den slangenbezweerder opgemerkt; hij wendde zich tot de anderen en wees naar de groep.

Men liet de paarden langzamer gaan en onder het algemeen gemompel: „Ah, een heilige!” bogen allen met ver uitgespreide armen eerbiedig neer op den rug hunner rijdieren, om daarna in gestrekten draf verder te rijden, ten einde hun vijanden te achtervolgen.

Eerst nu begreep Raffles, wat de trouwe Nyanatiloka had bedoeld.

De Indiër wist, dat men hem voor een bezweerder van heilige slangen zou houden en had derhalve de gevaarlijke handeling met de vreeselijke beesten gewaagd.

Toen de vijanden uit het gezicht waren, stond hij op, wenkte de anderen om hem niet te volgen en liep langzaam, zonder zijn spel een oogenblik af te breken, naar een verwijderd boschje.

De slangen, die door de muziek volkomen gehypnotiseerd schenen, volgden hem met rhytmische bewegingen in hetzelfde tempo.

Charly had van uit zijn schuilplaats het geheele tooneel vol ontzetting gadegeslagen en wendde zich nu tot Raffles, terwijl hij sprak:

„De trouwe Nyanatiloka heeft zijn leven voor ons gewaagd. Hoe zal hij zelf zich nu van die gevaarlijke monsters bevrijden; zouden wij hem niet te hulp moeten komen?”

„Maak je niet bezorgd, beste jongen. Hij zal de slangen nu door middel van zijn muziek naar een afgelegen plek lokken, zich dan zoo snel mogelijk verwijderen en de muziek plotseling afbreken. De reptielen zijn dan nog geheel onder den indruk der klanken en nog gedurende geruimen tijd onschadelijk.

Wij moeten nu trachten zoo spoedig mogelijk Mangalur te bereiken. Hoe dit ons zal gelukken, weet ik nog niet, daar wij voor zes personen, de bagage en den schat, alleen drie kameelen tot onze beschikking hebben.”

Hassan, de Mohammedaansche bediende van den Lord, naderde zijn meester en sprak:

„Sidi!—Hassan weet raad!—Toen wij deze schuilplaats toetrokken, bemerkte Hassan niet ver van hier binnen een omheining een olifant, die aan een Hindoe behoort; misschien zou Sidi dien kunnen bemachtigen. Maar hij is kwaadaardig, die olifant, want Hassan zag, dat de Hindoe hem tot den „Mutsch” voorbereidde.”

John Raffles, wien de beteekenis van dat woord niet duidelijk was, vroeg daarnaar en Hassan verklaarde hem, dat men olifanten kon dresseeren voor den oorlog door hun drie maanden lang slechts suiker en boter als voedsel te geven. Deze wijze van dressuur wordt „Mutsch” genoemd en sommige Indiërs kweeken de gevangen olifanten op die wijze op teneinde er een hoogeren prijs voor te ontvangen dan voor de gewone werkbeesten.

„Vooruit dan maar, Hassan, wij zullen zien, of wij het dier van den eigenaar kunnen krijgen.”

Hassan schoof zijn tulband op zij en krabde met een verlegen grijnslach het hoofd. [18]

„Ja—maar, Sidi, wie zal den halfwilden olifant drijven? Hassan kan het niet.”

Lord Lister, die de juistheid van deze opmerking inzag, wendde zich tot den derden bediende met de vraag, of hij reeds olifanten had gedreven.

„O ja, heer, Ananda heeft reeds dikwijls op den nek van den geweldige gezeten om hem te leiden.”

De Lord begaf zich zoo spoedig mogelijk met de beide bedienden op weg om den eigenaar van den olifant te zoeken.

Deze was echter nergens te vinden en daarom besloot Raffles eenvoudig, ook zonder toestemming van den eigenaar, om het geweldige rijdier in bezit te nemen.

Daar het echter in strijd was met het edele karakter van Lord Lister, een arm mensch iets afhandig te maken, vulde hij een zakje met goud- en zilverstukken, bevestigde dat aan het eind van een der touwen, waarmee de olifant vastgebonden was geweest en bedekte het met een laagje zand om het aan de blikken van onbevoegden te onttrekken.

De olifant was nog jong en daarom, gelukkig voor de reizigers, nog slechts korten tijd voor de „Mutsch” voorbereid. Hij toonde zich vrij goedaardig en liet zich door den Indiër, die op den nek van het groote beest was geklommen, gewillig meevoeren.

Men zette zich spoedig in beweging om de legerplaats te bereiken.

Lord Lister, die naast den olifant liep, keek toevallig achterom en zag hoe Hassan, die een beetje achter was gebleven, bezig was om het zakje met den koopprijs voor den olifant uit zijn schuilhoek te voorschijn te halen.

„Hassan, gauwdief, wat doe je daar? Wil je je dievenvingers weleens thuis houden?” riep hij hem toe.

Hassan, die hevig schrok bij het hooren van deze woorden, gleed uit op den vochtigen bodem en sprak, terwijl hij Lord Lister met ongelukkig gelaat aankeek:

„Hassan wilde maar eens zien, of het mooie geld wel goed verborgen is.”

Raffles lachte hardop om het ongelukkige figuur, dat Hassan sloeg en riep, goed gehumeurd:

„Ik hoop dat je je er nu van hebt overtuigd, dat je bezorgdheid overbodig was; nu vooruit!”

Hassan volgde zijn meester met de handen diep in de zakken van zijn wijden broek, nog een laatsten afscheidsblik werpend op den onbereikbaren schat.

Op de legerplaats teruggekomen, werden in allerijl toebereidselen gemaakt voor de verdere vlucht.

Kysagotami en Charly kregen een plaats op den rug van den olifant, terwijl de Indische drijver op den nek van het dier zat.

Raffles, Hassan en Nyanatiloka, de slangenbezweerder, die ook was teruggekeerd, bestegen de drie kameelen.

Intusschen waren de laatste schaduwen van den nacht geweken, en in den helderen zonneschijn snelde de karavaan het woud door.

Raffles was van plan om langs den kortsten weg de buitenhaven van Mangalur te bereiken, zonder de stad zelf door te gaan.

Geen enkele bijzonderheid deed zich voor en weldra was de kust bereikt.

Een Hindoe, die van zijn nachtelijke vischvangst was teruggekeerd, had zijn boot vastgelegd aan een vooruitstekend rotsblok van de kust en was bezig, zijn vangst op een laag karretje over te laden om, vergezeld door twee naakte, opgeschoten jongens naar de stad te rijden.

John Raffles, die het eerst aankwam, steeg af en zocht naar een gelegenheid om te kunnen overvaren.

Daar hoorde hij plotseling een luiden kreet achter zich. Het was Charly, die met zijn scherpe oogen een schare ruiters uit het woud te voorschijn zag komen.

Er was geen twijfel mogelijk, dit waren de Brahmanen, die hen achtervolgden, want het heldere morgenlicht bescheen de gele kaftan van den bedelmonnik.

Vóór hen de bruischende zee, achter hen de bende vijanden, geen enkele redding scheen mogelijk!

Lord Lister, die bliksemsnel den gevaarlijken toestand overzag, had reeds zijn plan gemaakt.

De kleine zeilboot van den visscher was de eenige uitweg, die voor hen openstond.

Er viel niet aan te denken, zich in een strijd met den veel sterkeren vijand te begeven.

Kalm en duidelijk gaf John Raffles zijn bevelen, De bagage en vóór alles de rijke schat van den Radja, werd snel in het vaartuig geborgen.

In vliegende vaart waren allen van hun hooge zitplaatsen naar beneden gekomen. Het was juist bijtijds, want reeds floten de eerste kogels der vervolgers door de lucht.

Kysagotami, die bijna bewusteloos was van angst en ontzetting, werd het eerst door Charly in de boot gebracht.

Hassan had het vaartuigje reeds losgemaakt en hield met zijn gespierde handen den paal vast, opdat hij de [19]boot dadelijk zou kunnen afstooten, als allen aan boord waren.

Intusschen hadden de beide andere bedienden op bevel van Raffles dunne takjes bijeengeraapt, die tot een bundel saamgebonden en aan den staart van den olifant bevestigd. Daarop waren zij in de boot gesprongen.

Zij staken het takkebosje aan.

De olifant, half razend van schrik en pijn, hief een oorverdoovend gebrul aan en rende in galop de Brahmanen tegemoet.

De drie kameelen hadden verbaasd opgekeken. Toen zij den brandenden bundel aan den staart van den olifant zagen, stieten zij angstkreten uit en holden den dikhuid na.

De vier voortsnellende dieren hadden in een paar oogenblikken den stoet der Brahmanen in volkomen wanorde gebracht. De paarden stijgerden en verscheiden hunner holden met hun ruiters in galop landwaarts.

De olifant, wiens woede steeds grooter werd, zwaaide zijn slurf heen en weer, daarbij geluiden makend, die uit de hel schenen te komen.

Eén der paarden van de vervolgers, een grijze Barbarijsche hengst, stijgerde zóó hoog voor den razenden olifant, dat hij achteroversloeg en zijn ruiter, een der priesters, onder zich begroef.

De olifant trapte woedend op het neergevallen paard. Den priester nam hij met zijn reuzentanden op en wierp hem in de hoogte.

Vol ontzetting zagen de anderen, hoe hun makker als een bal in de lucht werd geslingerd en daarna met groote kracht op den rotsachtigen bodem neersmakken; er was slechts een vormlooze, bloedige massa van hem overgebleven.

Alle anderen sloegen nu met oorverdoovend geschreeuw op de vlucht. Niemand dacht meer aan vervolging en zoo konden de geredden in hun visschersboot ongehinderd de ruime zee bereiken.