Midden in een dicht woud verheft zich een bouwvallig gebouw. Het is een van die Indische reuzentempels, die reeds gedurende eeuwen dienen om Boeddha te dienen en waarin de Brahmapriesters hun geheimzinnige diensten houden, omgeven door orakels en mysteriën, vorsten en volken regeerend.
De tempel is reeds dikwijls het tooneel geweest van woeste gevechten, waaronder het uiterlijk van het gebouw wel heeft geleden, maar die het zijn roep van heiligheid niet hebben ontnomen.
Als een pyramide opgetrokken, bevat het drie verdiepingen. Vijftig torens, die aan alle vier zijden hetzelfde kolossale gelaat van Boeddha vertoonen, maken op den toeschouwer een onvergetelijken indruk.
Bij alle Indische tempels spelen trappen een groote rol. Zij bevinden zich aan de buitenzijde der muren en dragen, behalve allerlei andere versieringen, een grooten voorraad steenen dieren. De bouwmeesters van deze geweldige reuzen uit vroeger eeuwen hebben de bedoeling gehad om de tempels nog hooger te doen schijnen dan zij reeds in werkelijkheid zijn. Naar boven toe worden de treden van de trappen steeds hooger en smaller.
De tempel bevat drie poorten, waarboven torengevels prijken, die geen spits hebben en welke rijk versierd zijn. Daartusschen strekt zich een 250 meter lange galerij uit, die door verscheiden pilaren wordt gedragen en die het geheele gebouw omgeeft.
De hoofdingang wordt bewaakt door het reusachtige steenen beeld, een slang met zeven koppen, Naga genoemd, voorstellende.
Niet ver van dit geweldige gebouw ligt, op een weide, de Sala. Zoo heet het toevluchtshuis voor rondreizende priesters, dat in geen enkel Boeddhistisch dorp ontbreekt. Vele priesters trekken sinds de alleroudste tijden predikend en onderwijzend het land door. Als het noodig is, dient de Sala ook als toevlucht voor andere reizigers, wanneer deze er mee tevreden zijn, want de Sala is zeer primitief ingericht.
Op palen rustend, opgetrokken uit riet en palmbladeren, zonder deuren of vensters, is het eigenlijk niet meer dan een kale wachtkamer.
Dit gebouw was nu herschapen in een hospitaal, want men had er de lieden neergelegd, die bij de vervolging der roovers waren gewond. Ook de overblijfselen van den ongelukkigen Boeddhapriester, die door den olifant van Raffles was verpletterd, was door de anderen in het gele kleed van den bedelmonnik gewikkeld en daar voorloopig geborgen.
Een heelkundige, dien men snel had gehaald, hield zich met de gewonden bezig, daarbij geholpen door een Boeddhist.
De anderen begaven zich stilzwijgend, met ernstige, sombere gezichten naar den tempel. Voorop liepen twee broeders met brandende fakkels, daarop volgde een bedelmonnik en eindelijk de schaar van priesters en geleerden. De soldaten, die de vervolgers hadden vergezeld, stelden zich op vóór den tempel, terwijl de stoet [22]priesters in de groote ruimte van het gebouw halt hield.
In het midden hiervan staat een beeld van Boeddha van reusachtige afmetingen. Het geweldige hoofd van het afgodsbeeld reikt bijna tot aan de tweede galerij en het oppervlak van het voetstuk bedraagt negentig vierkanten meter.
In de ruimte bevinden zich vier kleine altaren, waaraan de pelgrims bidden en waarheen het volk uit den omtrek ter bedevaart trekt.
Aan deze altaren werden de fakkels aangestoken en rondom, langs de zuilen, die de reuzenhal omgeven, eveneens brandende fakkels bevestigd.
Het was een tooneel vol eigenaardige, geheimzinnige bekoring. De in duisternis gehulde ruimte, in wier midden de geweldige Boeddha troonde, in het rond de brandende fakkels, welke haar rood, onzeker en spookachtig licht over de met rijk beeldhouwwerk versierde zuilen wierpen.
Voor het Boeddhabeeld waren de priesters in een grooten kring neergehurkt. Zacht mompelden zij hun mantras (tooverspreuken). Een priester met sneeuwwitte haren en langen, golvenden baard, trad naar voren en boog driemaal met uitgebreide armen voor het beeld van de godheid. Daarop richtte hij zich tot de menigte en vertelde aan allen, hoewel zij de gebeurtenissen nauwkeurig kenden, nogmaals, waaraan de vreemde indringers—Raffles en Charly—zich hadden schuldig gemaakt.
Toen hij van het wonderdadige oog van den god Siwa sprak, wierpen allen zich met het gelaat ter aarde, sloegen zich met de vuisten op de borst en trokken zich de haren uit.
De grijze Boeddhapriester wendde zich nu tot een Brahmaansch geleerde en vroeg, welke straf de roovers volgens de heilige wetten moesten ondergaan.
De man was opgestaan, had, volgens het gebruik, driemaal voor het afgodsbeeld gebogen en sprak toen:
„Den Boeddhisten wordt geleerd jegens alle menschen zonder onderscheid dezelfde lijdzaamheid, goedheid en broederlijke liefde te betrachten.”
„Leert de heilige niet ook, wie niet in staat is zijn geest verder te ontwikkelen en nimmer het Nirwana zal bereiken?”
Wederom boog de geleerde en sprak:
„Zoo sprak Boeddha: de moordenaars van vader, moeder en heilige Arahats, bhikkhoes (bedelmonniken), zij, welke tweedracht stichten, zij, die Boeddha durven beleedigen en zij, die te zinnelijk zijn, zullen niet tot het Nirwana worden toegelaten.”
„Kennen wij toestanden van pijn, waarin zij zullen geraken?”
„Ja, wijze vader.”
De priester gaf een wenk en de geleerde ging weer naar zijn plaats terug.
Zes fakirs vingen nu weer een van hun woeste dansen aan, terwijl zij om het beeld van Boeddha draaiden, luide kreten uitstieten en hun lichaam met messen verwondden.
Gedurende deze plechtigheid zaten de anderen volkomen stil, onophoudelijk tooverspreuken en gebeden mompelend.
Na ongeveer een half uur waren de fakirs zoo uitgeput, dat zij ineenzakten en nog slechts zachte, klagende geluiden voortbrachten.
Nu stond de grijze priester weer op en sprak tot de menigte:
„Gij weet nu, welke straf den ongeloovigen wacht, die zich hebben vergrepen aan het allerheiligste. Boeddha kijkt op ons neer en eischt van ons wraak voor de heiligschennis. Wij zijn uitverkoren om Brahma te beschermen en wij moeten daarom handelen. Zooals dat voorgeschreven is in onze heilige leer, zullen wij den schat, het wonderdadige oog van Siwa, weer moeten heroveren. Wie van u wil zich van deze heilige taak kwijten?”
Op deze vraag van den priester stonden allen op van hun plaatsen ten teeken, dat geen van hen wilde achterblijven.
De grijsaard knikte voldaan en koos daarop twee jongere priesters uit, terwijl hij de leiding aan den bedelmonnik opdroeg.
De drie uitverkorenen moesten zich nu van hun kleeren ontdoen en zich naakt voor het beeld van Boeddha op den grond werpen. Daarop naderde de grijze priester en zalfde het hoofd van elk hunner met gewijde olie. Daarna stonden de mannen op en kruisten de armen. De priester boorde hun elk in de spieren van den bovenarm drie naalden. De Indiërs ondergingen dit zonder met de oogen te knippen.
Intusschen waren de fakirs weer gaan dansen, onder luid geschreeuw rondom de drie uitverkorenen draaiend.
Nu beklom de priester het voetstuk van het Boeddhabeeld en sprak op die plek een gelofte uit, die door het drietal werd herhaald.
„Heer der wereld, gij ziet in onze harten, want gij zijt de Alwetende. Wij zweren u, de roovers te zullen [23]volgen door landen en zeeën, over uwe bergen en afgronden, en niet te zullen rusten, eer wij het wonderdadige oog van den heiligen Siwa zullen hebben gevonden. Geen onzer zal ooit zalig worden en uw Nirwana zal voor ons gesloten blijven, zoolang wij onze gelofte niet zijn nagekomen.”
Nadat alle drie deze woorden hadden nagesproken, daalde de priester weer van het Boeddhabeeld naar beneden en sprak:
„De koning der waarheid heeft uw gelofte gehoord! Ik weet, dat gij haar zult houden, want het verlangen naar een leven in den hemel zal u aansporen en uw schreden leiden, zoodat gij weldra uw heilige roeping zult hebben vervuld!”
De drie uitverkorenen werden ten tweeden male gezalfd met heilige olie en eerst nu trok de priester de naalden uit hun armspieren. Nadat zij hun kleeren weer hadden aangetrokken, namen de mannen plaats in den kring bij de anderen en opnieuw vingen de fakirs hun godsdienstige, opwindende, wilde dansen aan.
Toen wierpen allen zich nogmaals neer voor het Boeddhabeeld en de oude priester mompelde heilige gebeden. Daarmee was de handeling afgeloopen.
In plechtigen optocht, evenals zij waren gekomen, verlieten de deelnemers den tempel om zich weer in de Sala te begeven.
De gewonden waren intusschen reeds naar het naaste dorp gebracht en de overblijfselen van den ongelukkigen priester, die door den getergden, wilden olifant zulk een vreeselijk einde had gevonden, waren eveneens daarheen gezonden om te worden bijgezet.
Daar het hier een lid van den stam Pali gold, was deze bijzetting van zeer bijzonderen aard. Het is in Pali verboden, de elementen—vuur, water, aarde, en lucht—te verontreinigen. Daarom mogen zij hun dooden niet begraven, noch verbranden, noch in zee werpen.
Daarom hebben zij groote gebouwen opgericht, veel overeenkomst vertoonend met een oud-Romeinsch amphitheater. Aan vier zijden voorzien van watertoevoer, bestaat het uit een cirkelvormige ruimte, waarin het beeld van de godin van den dood staat. Vandaar loopen straalvormig acht gangen en daartusschen worden de naakte lijken neergelegd.
In den kleinsten cirkel, dichtbij het afgodsbeeld, liggen de kinderlijkjes, daarop volgen de lijken der vrouwen en jonge meisjes en eindelijk, aan het eind, de mannenlijken.
In deze open ruimte blijven de lijken liggen totdat de gieren het vleesch hebben opgevreten en de zon de beenderen heeft verbleekt en tot stof doen vergaan.
Een dergelijke lijkplechtigheid is voor het geheele dorp altijd een groot feest, waarvan niemand weg blijft.
Voor de drie uitverkorenen was er dezen keer geen tijd om aan de plechtigheid mee te doen, want een heilige plicht riep hen.
De bedelmonnik was belast met de leiding der expeditie en hij nam dadelijk zijn maatregelen omdat er zoo snel mogelijk gehandeld moest worden.
Men had gezien, dat de vluchtelingen hun koers hadden genomen naar de eilandengroep der Lakediven. Het was duidelijk, dat zij geen groote reis zouden kunnen maken in het kleine visschersbootje; men mocht dus hopen, hen nog in de nabijheid dier eilanden te zullen vinden.
Een aantal flinke mannen werd uit den troep krijgslieden gekozen en deze moesten het drietal op hun vervolgingstocht vergezellen.
Men waagde het echter niet, in den nacht te reizen en nu trok de geheele stoet naar de haven van Mangalur om bij het aanbreken van den dag zee te kiezen.
Het was een schilderachtig tooneel, toen de troep Indiërs bij het heldere schijnsel der maan zich voortbewoog door de nauwe bergpassen. Helder blonken in het zachte maanlicht de loopen der geweren, de lansen, messen en dolken en op de bruine gezichten stond groote vastberadenheid te lezen om de roovers van den heiligen schat gevangen te nemen, al ware het ten koste van hun eigen leven! [24]