[Inhoud]

NEGENDE HOOFDSTUK.

RAFFLES ALS WASCHVROUW.

In het oosten begon de hemel helder te worden. De schaduwen van den nacht weken voor de zegenrijke stralen der zon en de natuur ontwaakte uit haar sluimer.

Lord Lister was de eerste, die zijn legerstede verliet, juist toen de zon boven de zee opging. De ongestoorde nachtrust had hem weer nieuwe kracht gegeven en met volle teugen ademde hij de frissche, verkwikkende zeelucht in. Daarop ging hij naar Anunda, die de laatste nachtwaak had en vroeg hem, of er gedurende den nacht iets bijzonders was geweest.

Anunda antwoordde ontkennend en Raffles begon toebereidselen te maken voor den onderzoekingstocht op het eiland.

Hij spreidde een kaart voor zich op den grond uit en nam uit zijn borstzak een kleine reep perkament, waarop de geheimzinnige teekens:

70,5°—12,2° Mangalur +++ 13,1

stonden.

Terwijl hij nauwkeurig deze opgaven met de kaart vergeleek, mompelde hij tevreden:

„Ik kan mij niet vergist hebben. Hier moet ik den schat vinden en eindelijk het geheim van den ring ontsluieren.”

Charly Brand, die intusschen ook ontwaakt was en zich op eenigen afstand door een zeebad had verkwikt, kwam naar zijn vriend toe, hem vroolijk goeden morgen wenschend.

„Charly, ik geloof stellig, dat wij het doel nu spoedig bereikt zullen hebben. De drie kruisjes voor 13,1 zijn een waarschuwing voor de Serostresbank en 70,5—12,2 wijst blijkbaar op Tscherbanyani.

Hier moet de schat te vinden zijn, dien Ellens vader, de Indische vorst, heeft begraven en dien die schurk van een Blakhorst de arme wees wilde ontstelen.”

„Ach, Edward, ik zou hartelijk blij zijn, als wij den beiden vrouwen haar eigendom konden ter hand stellen. Wat zou Blakhorst wel zeggen, als hij wist, hoe dicht wij bij den schat zijn, waarvoor hij gedurende een menschenleeftijd misdaad op misdaad heeft gestapeld.”

„Nu, in elk geval zou het hem weinig genoegen doen. Maar geloof niet, dat hij het niet te weten zal komen. Zoodra wij weer goed en wel in Londen zijn, deel ik hem mee, dat wij den schat aan de rechtmatige eigenaars ter hand hebben gesteld.”

„Dat zou ik in jouw plaats niet doen, Edward, want de booswicht zal het dan stellig de arme vrouwen lastig maken.”

„Laat dat maar aan mij over, ik zal de vrouwen weten te beschermen en bovendien denk ik den schurk zulk een souvenir te geven, dat elke gedachte aan wraak hem verre zal blijven. Mijn eerste werk na onze terugkomst zal zijn, met hem ook de andere menschelijke duivels uit den weg te ruimen en de maatschappij van die hyena’s te bevrijden.”

Bij de herinnering aan de misdaden, waarvan Raffles de sporen had ontdekt in de hollen dier vervloekte wezens, overweldigde hem zijn woede en als een god der wraak stond hij tegenover Charly.

Hassan, de Turksche bediende van Lord Lister, werd gewekt en maakte, daar hij de plaats eener keukenmeid innam, het ontbijt gereed.

Ook Kysagotami verscheen weldra en eenigen tijd later zat het geheele gezelschap in de vroolijkste stemming aan de kust van Tscherbanyani, een prachtig uitzicht hebbende over de Arabische Zee.

Het was een heerlijke morgen, geen wolkje vertoonde zich aan den horizont. Een zachte zuidwesten wind rimpelde de golven, die van een prachtig donkerblauw waren. In het zuiden en westen doemden donkere strepen in de zee op; dat waren de naastbijgelegen eilanden.

Charly Brand, die met zijn rug tegen een vijgenboom leunde, wilde juist een boterham, belegd met geconserveerd vleesch, naar den mond brengen, toen hij plotseling [25]een geweldigen stoot tegen zijn rechterarm kreeg. Het brood viel op den grond en een bruin wezen wierp zich midden tusschen het gezelschap op het brood.

Kysagotami had een zachten kreet geslaakt en Raffles was opgesprongen. De beide Indiërs aten echter rustig door en keken met een vroolijken grijns de anderen aan.

Met een grooten sprong was de bruine indringer met het brood in den bek tegen den stam van den vijgenboom opgeklauterd en eenige oogenblikken later reeds tusschen de bladeren verdwenen.

Het was een aap van ongeveer een meter lengte, die waarschijnlijk was gelokt door de lekkere beetjes en die nu eens wilde zien, welke kostbaarheden de vreemdelingen daar beneden hadden.

In elk geval scheen de buit hem niet te bevallen, want plotseling kwam de boterham naar beneden en viel juist in een met chocolade gevuld kopje, dat Raffles in de hand hield.

Het kopje wankelde en het bruine vocht vloeide over de witte burnous, welke Raffles droeg, deze met grillige figuren kleurend.

Een vloek klonk van Listers lippen. Het overige gedeelte van het gezelschap, dat reeds bij den diefstal van het brood in lachen was uitgebarsten, schaterde nu zoo hartelijk, dat hem niets anders overbleef dan maar mee in te stemmen.

Hij ging tot daar, waar de golven het strand bespoelden en trachtte de bruine vlekken met zeewater weg te wasschen.

En nu moest Raffles bekennen dat hij niets wist van de practische bekwaamheden eener huisvrouw, want het zeewater bereidde hem een onaangename verrassing. Wel verbleekte de chocoladekleur een beetje, maar allerlei andere vlekken ontstonden in de witte stof en Raffles zag vol spijt de helderheid van zijn mooie burnous verdwijnen.

Charly Brand, die van zijn zitplaats naar het werk van zijn vriend keek, lachte luidkeels en riep:

„Edward, ik zou je willen kieken en een afdrukje met het onderschrift: „Raffles als waschvrouw” aan onzen goeden inspecteur Baxter in Scotland Yard zenden.”

Lord Lister had schik in dezen grappigen inval van zijn vriend en gaf eindelijk zijn pogingen op, waarvan hij het vruchtelooze inzag.

Men maakte zich voor den tocht gereed. Raffles en Charly lieten zich nu vergezellen door Anunda; terwijl Kysagotami achterbleef, beschermd door den anderen Indischen bediende en den trouwen Hassan, welke intusschen het middagmaal gereed zou maken.

De drie wandelaars sloegen een Oostelijke richting in, omdat Raffles meende, dit uit de opgaven op het perkament te moeten begrijpen.

De plantengroei is zeer weelderig op de eilanden der Arabische zee.

Dichte wouden en uitgestrekte, vruchtbare, velden bedekken het land. De wandelaars hadden dikwijls moeite, zich een weg te banen door het dichte kreupelhout.

Plotseling bevonden zij zich bij een kleine open plek, waaromheen de niagrodhaboomen een bijna gelijkzijdigen driehoek vormden.

„Ik geloof stellig, dat wij de juiste plek bereikt hebben; hier zullen wij gaan graven.”

Lord Lister, die nauwkeurig had rondgekeken en den stand der boomen met de geheimzinnige aanduidingen van het briefje had vergeleken, sprak met groote beslistheid. Het kleine driehoekje op het perkament kon slechts betrekking hebben op den driehoek, welke door de boomen werd gevormd.

Men wilde juist beginnen den grond met houweelen en spaden, die Anunda had meegenomen, te bewerken, toen Charly zijn vriend een wenk gaf.

Niet ver van de plek, waar de schatgravers hun heil wilden zoeken, verhief zich, van boomstammen en loof gebouwd, een kleine hut, die gedeeltelijk in den bodem scheen te verdwijnen.

Lord Lister liet dadelijk Anunda zijn werk staken en alle drie begaven zich naar het gebouwtje.

Raffles had den ingang het eerst genaderd. Alles bleef stil, niets bewoog zich. Daarom besloot hij, door de lage deur de hut binnen te gaan.

Dit was echter niet ongevaarlijk, want wat zou het huisje bevatten? Was het bewoond, dan huisde hier misschien een vijand; was het dat niet, dan scheen het gevaar nog grooter, want het kon de woonplaats van het een of andere roofdier zijn.

Raffles hield daarom dan ook zijn Browningpistool gereed, terwijl hij zijn electrische zaklantaarn liet branden.

Door jarenlang gebruik was de bodem trapsgewijze uitgeloopen en Lord Lister kon zeer gemakkelijk naar beneden gaan. Hij had een paar schreden afgelegd, toen een zacht gekreun en onverstaanbaar gemompelde woorden zijn oor bereikten.

Een oogenblik aarzelde hij, daarna echter verder neerdalend, liet hij het licht in de donkere ruimte vallen, [26]waar hij in een der hoeken een ineengedoken, bruine gedaante onderscheidde.

Het was een oude fakir, die, alleen bekleed met een lendeschort, in den donkeren hoek op den vochtigen bodem zat. Het lichaam was tot een geraamte vermagerd; geen enkel lid bewoog zich en alleen de lippen prevelden eentonige gebeden en tooverspreuken.

Het heldere licht der electrische lamp verblindde de oogen van den ouden man; hij sloot ze onwillekeurig, om ze daarna met een verbaasde uitdrukking op den vreemdeling te richten. Met zachte stem vroeg de fakir:

„Wat willen de ongeloovigen bij Bimbisara?”

Lord Lister, die wel zag, dat hij hier met een stervende te maken had, boog zich over den man heen en wilde den krachtelooze wijn laten drinken uit zijn veldflesch.

De Indiër weigerde echter en sprak:

„Weet gij niet, dat het den geloovigen verboden is om wijn te drinken? Bimbisara heeft niets noodig. Zijn lichaam zal sterven, maar hij zal in het Nirwana worden toegelaten.”

Door verder te vragen vernam Raffles, dat de fakir reeds meer dan 50 jaar op het eiland woonde. Hij was door „Simha”—met wien hij blijkbaar een Indisch vorst bedoelde—als wacht aangesteld bij een schat, dien hij moest bewaken, totdat de nakomelingen van den vorst hem eenmaal zouden opeischen.

Deze woorden, welke met moeite werden uitgesproken, werden af en toe door gebeden onderbroken.

Hij smeekte Boeddha, om hem te verlossen van zijn dienst, daar hij anders het Nirwana niet binnen ging.

Raffles had met groote belangstelling naar het verwarde verhaal van den oude geluisterd. Onwillekeurig kwam de gedachte bij hem op, dat er verband moest bestaan tusschen zijn zending en den stervende en daarom besloot hij, den ouden man te vertellen, wat hem hierheen had gedreven.

Toen deze de geschiedenis van den ring hoorde, scheen zijn levenslampje weer op te flikkeren en Lord Lister toonde hem het perkament, terwijl hij hem de geheimzinnige teekens voorlas.

Nadat hij had uitgesproken, knikte de Indiër met het hoofd en zond een dankgebed op naar Boeddha. Daarop sprak hij:

„Ik zie, dat uw zending echt en eerlijk is. De Heer heeft uw schreden naar hier geleid, opdat Bimbisara in vrede terug kan keeren naar het Nirwana. Breng aan de dochter van mijn vriend Simha wat haar eigendom is. Duizend schreden van hier naar het westen zult gij een gebroken zuil vinden. Deze staat voor den ingang van een hol, waarin zich de schat bevindt.”

Opgewonden vroeg Raffles:

„Spreekt gij de waarheid?”

„Bimbisara is een geloovige. Geloovigen spreken altijd de waarheid.”

De Indiër had zich bij die woorden vol trots opgericht. Nu zakte hij weer langzaam in elkaar en sprak op zachten toon:

„Luister verder, vreemdeling. Bimbisara heeft den schat daar verborgen. Opdat geen onbevoegde hem zou kunnen vinden, heeft hij er wachters over aangesteld, die hem goed bewaken. Dood en verderf loeren daar. Gij echter, gij zult— — —”

Een schok doortrilde het lichaam van den fakir, het hoofd zonk op de borst en het hart had opgehouden te kloppen.

De dood had den trouwen bewaker overvallen, nog voordat hij in staat was geweest, voldoende verklaring te geven.

„Wij zullen den armen kerel hier laten liggen en heengaan.”

Toen het drietal weer in het heldere zonlicht stond, sprak Lord Lister:

„In elk geval moeten wij den dapperen Bimbisara dankbaar zijn, dat hij ons de moeite van nutteloos zoeken heeft bespaard en ons den weg gewezen. Jammer, dat hij zijn waarschuwing niet heeft kunnen voleinden. Wij weten nu echter, dat ons bij de gebroken zuil gevaren wachten en wij zullen trachten, deze te ontloopen.”

Het drietal zette zijn weg voort om de door den fakir aangeduide plek op te zoeken. [27]