[Inhoud]
Raffles in Groningen.

Raffles in Groningen.

EERSTE HOOFDSTUK.

In de studentensociëteit.

Het zal nu zoo omstreeks tien jaar geleden zijn, dat in het mooie hooge gebouw van de Groninger Studentensociëteit, door de leden in de wandeling veelal „de Soos” of „de Kroeg” genoemd, een vroolijk gezelschap bijeenzat.

Het was een zonnige dag in Mei. De Groote Markt, het ruime plein, waarop het Stadhuis zoo statig troont met zijn deftigen gevel, baadde in het warme zonnelicht van een vroegen middag. Troepjes schoolkinderen, lustig zwaaiend met boekentasch of ransel, trippelden over het breede trottoir, op weg naar school. Toen de Martinitoren het tweede uur in den namiddag had verkondigd en het speelwerk zijn liedje van het volle uur had doen hooren, viel een stille rust op het Marktplein. Totdat uit de Oude Boteringestraat een drietal heeren kwamen opwandelen naar de Kroeg. Luid klonken hun jonge, frissche stemmen in de klare voorjaarslucht en onder luidruchtig lachen verdwenen ze door de deur der Sociëteit, waar een niet minder uitgelaten gezelschap hen ontving.

„Stil, jullie allemaal”, commandeerde nu een der drie heeren, die zoo juist waren aangekomen, „allemaal je mond houen. Ik breng een paar vrienden mee en als jullie je behoorlijk bedraagt zal ik je voorstellen!”

De spreker was een zeer lange, breedgeschouderde jongeman van omstreeks zes-en-twintig jaren. Zijn blauwe oogen keken met guitigen blik naar de kameraden, waarvan de meesten jonger in jaren waren. Hij zag er bijzonder intelligent uit. In zijn even gebruind gelaat stond de krachtige arendsneus fier gebogen boven het zwarte snorretje en toen hij zijn vrienden al knipoogend toe lachte, liet hij een dubbele rij sterke, witte tanden zien.

Gerard Peepstra was de oudste zoon van een bekend Groningsch industrieel en hij was de ziel van de studentensociëteit.

Als er feesten werden georganiseerd of als de een of andere min of meer onschuldige studentengrap moest worden uitgehaald, dan werd eerst het oordeel van „lange Ger” gevraagd.

Zooals hij erover dacht, zoo gebeurde het veelal en dan was men steeds met het resultaat tevreden.

De toespraak van langen Ger werd ditmaal met een luid bravo beantwoord. Daarna zwegen allen en schaarden zich in breeden kring om Peepstra en zijn introducés.

Lange Ger wees naar de beide heeren, met wie hij was binnengekomen en stelde hen voor:

„Graaf Van Lissen van Duinen! Jonkheer Brandenga!”

De voorgestelde heeren bogen en groetten daarna de verschillende aanwezigen.

Graaf Eduard van Lissen van Duinen was de oudste van het tweetal.

Lang, slank, met groote, levendige bruine oogen in zijn fijn besneden gelaat, uiterst correct in zijn kleeding, zonder ook maar in ’t minst verwijfd eruit te zien, groette hij met een lichte neiging van het hoofd de hem omringende Groningers, die met onwillekeurige bewondering keken naar de beide elegante verschijningen. [37]

Want ook jonker Willem Brandenga trok de blikken tot zich. Evenals zijn oudere vriend, droeg hij een lichte overjas van onberispelijken snit. Hij had een innemend blond gelaat, een blozende kleur en een jongensachtige uitdrukking in zijn blauwe oogen. Hij was ruim twintig jaren; zijn vriend was omstreeks dertig jaar oud.

Het tweetal had in Scheveningen kennis gemaakt met den vroolijken Peepstra, die in de Kurhaus-bar op een middag zooveel goeds van Groningen had verteld, dat bij Van Lissen het plan was opgekomen om zich persoonlijk eens van die gezelligheid te gaan overtuigen. Toen was Brandenga, de vriend en secretaris van den graaf, meegegaan. Dezen morgen waren ze aangekomen. Op de Groote Spilsluizen, vlak bij de Boteringebrug en juist tegenover de Ossenmarkt, hadden ze hun intrek genomen op de eerste étage van een fraai huis, en Peepstra was hen komen halen om allereerst kennis te gaan maken met wat leuke, geschikte studenten, joviale kerels, die van een grapje hielden, zooals lange Ger beweerde, die den kroegleden al heel veel had verteld van zijn schatrijke, chique vrienden: Van Lissen van Duinen, verzamelaar van oude wapens en munten, en diens secretaris Brandenga.

De heeren waren aan elkander voorgesteld, en namen nu rondom de kleine tafeltjes plaats. Heel spoedig al was het ijs gebroken en het duurde ook niet lang of de beide vreemde heeren waren het middelpunt geworden van het gesprek.

„Hoe lang denkt u in Gruno’s veste te blijven?” vroeg een kleine dikkerd.

„Onbepaald,” antwoordde Brandenga. „Al naar ’t ons bevalt.”

„Maar de lustrumfeesten blijft u toch bijwonen?”

„De lustrumfeesten? Wanneer worden die gehouden?”

„Goeie genade, heeft lange Ger u daar dan niets van verteld?”

„Neen!”

„Toch wèl,” viel Van Lissen in, „Peepstra beeft me verteld, dat in de volgende maand heel Groningen feest viert en met de stad ook de provincie!”

„Natuurlijk blijven jullie! De historische optocht—het gemaskerd bal—de versierde gondelvaart—ik laat jullie niet meer los—en de Groningsche meisjes zijn veel te blij, als we een paar knappe jongens aan ze kunnen voorstellen. En aan knappe jongens hebben we hier gebrek!”

Van Lissen lachte eens even.

„We zullen zien,” antwoordde hij. „We zullen zien, of Groningen zóó belangwekkend is, dat het voor mij de moeite loont om er een maand of langer te blijven.” En toen, met een snellen blik naar zijn secretaris, die dezen blik opving en begreep:

„Ik maak nooit langen tijd vooruit plannen!”