Het liep reeds naar middernacht en nog steeds was het, alsof de dansers geen vermoeienis kenden.
Om twaalf uur zouden alle gecostumeerden voor de jury défileeren, de groepen moesten zich daartoe weer tot een geheel samenstellen, dan zou de jury haar oordeel uitspreken en de prijzen vaststellen en daarna zouden allen zich démasqueeren om het souper te gaan gebruiken.
Toen het critieke oogenblik was aangebroken, klonk door de ruime zaal een luid trompetgeschal, het teeken, dat men zich in een lange rij moest opstellen.
De Zigeunerbende vormde reeds weer een schilderachtig geheel, Pierrot en Pierrette liepen arm in arm te keuvelen, een plaatsje zoekend in de lange, bonte rij, een zestal van de meest bekende Europeesche vorsten stelde zich achter hen op, terwijl het Tyrolerpaartje nog geheel vervuld scheen te zijn van het genot van den dans.
Tenminste, het boerinnetje met haar zwartfluweelen keursje, rood rokje en vilten Tyrolerhoedje, kon nog bijna niet stilstaan.
Met haastige bewegingen liep de rijzige gestalte van Faust tusschen de menigte door.
Zijn heldere blauwe oogen keken zoekend om zich heen, doch schenen niet te vinden.
„Is Gretchen niet op haar tijd?” riep Martha hem toe. Zij had haar arm weer door dien van den langen, mageren Mefisto gestoken en hield dezen met een vroolijk lachje haar reusachtigen zonnebloem onder den neus.
„Ik ga even in den tuin kijken!” antwoordde Faust en reeds verdween hij door een der glazen deuren.
Eenige oogenblikken later kwam hij echter alleen terug.
De Romeinsche krijger, die den eersten dans met het blonde Gretchen had gedaan, naderde hem. [58]
„Is Suze er niet bij?” vroeg hij op fluisterenden toon, en toen Gerrit Peepstra, de kranige Faust, hem antwoordde:
„Kerel, ik begrijp er niets van, ik kan haar nergens vinden, ik zoek haar al meer dan een kwartier!” kwam een bezorgde trek op het gelaat van den Romein.
Het was Charly Brand, die zich in het gewaad van een krijgsman had gestoken en wiens hart onstuimig klopte voor de bekoorlijke blonde zuster van den student.
Hij was dien avond te zamen met Faust en Margaretha, Mefisto en Martha naar het gemaskerde bal gegaan, zonder zijn vriend lord Lister.
De Groote Onbekende had geheimzinnig geglimlacht, toen Charly hem had gevraagd, in welk costuum hij dacht te verschijnen.
„Daarover kan ik me niet uitlaten, mijn jongen,” had de Groote Onbekende geantwoord, „misschien kom ik in ’t geheel niet.”
In den loop van den avond had Charly in den rijzigen zwarten domino zijn vriend en meester herkend, maar toen deze, die het costuum van Charly kende, geen enkele beweging maakte om hem te naderen of toe te spreken, had de jonge secretaris begrepen, dat lord Lister alleen wenschte te blijven … … … … … …
Faust had zich weer van den Romeinschen krijger verwijderd en nadat hij nogmaals een toekenden blik langs de lange rij der gecostumeerden had laten gaan, verliet hij weer de zaal, doch nu niet naar de tuinzijde.
Hij doorliep de aangrenzende vertrekken, informeerde bij de garderobevrouwen, vroeg de kellners, doch niemand kon hem iets meedeelen omtrent de dame met de lange blonde vlechten in de lichtblauwe japon met langen sleep.
Hij kwam de zaal weer binnen met bleek gelaat en begaf zich nu regelrecht naar de jury.
„Heeren,” sprak hij tot hen, „ik verzoek u nog een oogenblik te willen wachten met het défilé.
„Ik zoek reeds geruimen tijd tevergeefs naar Margaretha en, daar zij mijn zuster is, begin ik mij ernstig ongerust te maken.”
Verbaasde blikken werden gericht op den jongen man, wiens mondhoeken zenuwachtig trilden.
De krijgshaftige Romein was weer naderbij gekomen en toen hij hoorde, wat Peepstra tot de juryleden zeide, keerde hij zich om en keek met scherpen blik langs de lange bonte rij der bal gasten.
Wat was dat? Ook de zwarte domino, dien hij als zijn vriend, den Grooten Onbekende, had herkend, was niet meer onder de aanwezigen, en zonder dat hij er zichzelf rekenschap van kon geven, verminderde zijn gevoel van ongerustheid.
Wat zou er zijn gebeurd?
Waar was lord Lister gebleven?
Of zou hij zich dan toch vergist hebben dien avond, toen hij zoo zeker meende, onder het zwarte masker de intelligente oogen en den vastberaden mond van zijn vriend te herkennen?
Een angstig gefluister liep nu door de lange rijen der gasten en van mond tot mond ging de mededeeling, dat Margaretha plotseling verdwenen was.
„Wie is zij?”
„Kent u haar?”
„Men zegt, dat het de beeldschoone zuster van den student Peepstra is!”
„Een dochter van den schatrijken industrieel?”
„Ja, Suze Peepstra.”
Daar kwam uit een groepje van drie Zeeuwsche boerinnetjes een van het drietal naar voren.
Het jonge meisje liep haastig naar Faust, die nog steeds rusteloos heen en weer liep, toe en sprak tot hem:
„Ik zag zooeven, dat er een dame bewusteloos werd weggedragen. Kan dat uw zuster misschien zijn geweest?”
„Hoe zag die dame er uit? Zag u haar van dichtbij? Wanneer was het?”
Gejaagd kwamen deze vragen van de lippen van „lange Ger”, wien de emotie te machtig was geworden en die het roodsatijnen masker had afgenomen.
Met zijn zakdoek veegde hij zich het klamme voorhoofd af en vol spanning keken zijn trouwhartige blauwe oogen de spreekster aan.
„Ik denk, ongeveer een uur geleden: een heer in avondcostuum en zonder masker droeg de bewustelooze dame weg.”
„Was zij gekleed als Margaretha?”
„Dat weet ik niet. Zij was geheel gehuld in een donkerbruinen domino, haar hoofd was verborgen in een witten avonddoek.”
„Kon u niets van haar gelaat zien? Zag u het goudblonde haar dan niet?”
„Neen, ik heb verder niets kunnen onderscheiden. Het geval leek ook niet belangrijk, want de heer vertelde, dat zijn vrouw plotseling een flauwte had gekregen en dat hij nu met haar naar huis terug ging.”
„Neen, dan was het mijn zuster niet. Suze is niet getrouwd,” antwoordde Gerrit Peepstra.
De feeststemming was nu geheel verdwenen.
De meesten der gasten dachten niet meer aan een défileeren om in aanmerking te komen voor een prijs.
Angstige ontsteltenis had zich van velen der aanwezigen meester gemaakt.
Verschillende groepjes hadden zich gevormd; velen drongen om Peepstra heen en ook Charly had zich bij hen gevoegd.
Allerlei veronderstellingen werden gemaakt.
Per telefoon was reeds geïnformeerd naar het woonhuis van den student, waar men, om geen noodelooze ongerustheid te wekken, de dienstboden had ondervraagd, maar het antwoord, dat juffrouw Suze nog niet thuis was, vermeerderde nog de angst en ontsteltenis in de balzaal … … … … … … … … … .…
Daar verscheen plotseling aan den ingang der groote [59]zaal een heer, gekleed in donkere demi, den cylinder in de rechterhand.
Zijn gelaat was bleek en zijn oogen zochten in de opeengedrongen, bontgekleurde schare de figuur van Faust.
Toen hij dezen ontdekte te midden van de druk fluisterende en gesticuleerde menigte, trad hij haastig naar voren.
„Peepstra! Je zuster is thuis. Er is geen reden om je ongerust te maken!”
Kreten van verrassing en menige zucht van verlichting werden gehoord.
Lange Ger haastte zich weg uit de hem omringende belangstellenden en ook de Romeinsche krijger spoedde zich naar den brenger van het goede nieuws.
Het drietal verwijderde zich uit de danszaal, waar na enkele oogenblikken de jolige stemming van te voren was teruggekeerd en de gemaskerden zich weer en file schaarden om voor de juryleden te défileeren.