[Inhoud]

ELFDE HOOFDSTUK.

De weddenschap gewonnen.

Het was in den avond van 30 Juni.

Voor de geopende ramen van de studentensociëteit zat een aantal jongelui in druk gesprek bijeen.

Ditmaal was de magere roodharige Smitten het middelpunt van het gesprek.

Op een luidruchtigen toon en hevig gesticuleerend, zat hij te betoogen en menig glas koppigen Bourgogne had hij geleegd.

„Kerel,” zei Jansman, „ik geloof nu toch, dat je gelijk begint te krijgen.”

„Een reuzenboffie, Smitten!” lachte Emmius, „en dat net na de feesten, nu je zoo’n hoop duiten hebt stukgeslagen. Ik wou, dat ik in jouw schoenen stond!”

„Jullie bent kerels van niks!” snoefde Smitten.

„Wie was de eenige, die de weddenschap aandurfde met graaf Van Lissen? Toen ik hem vanmorgen sprak en hem aanmaande om vanavond, als hij hier komt, zijn beurs te spekken, keek hij heel zuinig en een zuurzoet lachje vertelde mij, dat hij al zeker was van zijn verlies.”

„Een zuurzoet lachje?” herhaalde Peepstra, „dat is niets voor graaf Van Lissen. Dien man hebben we van zoo’n heldhaftigen kant leeren kennen, dat ik hem niet aanzie te kniesooren voor een paar duizend gulden.”

„Ja, dat was een kranig stukje,” beweerde Emmius, „die redding van je zuster!”

„Hij heeft onze politie een prachtige vangst bezorgd en tegelijkertijd een lesje in het opsporen gegeven.”

„En van eenigen dank wil hij niet hooren,” vertelde Peepstra.

„Die schipper Harmsen,” zei Jansman, „zal voor heel wat jaren de kast indraaien.

Het is nu gebleken, dat hij een oude bekende van de politie was. Hij heeft zich jaren geleden al schuldig gemaakt aan koppelarij.”

„Wat denk je met de twaalf duizend pop te doen, Smitten?”

„Ik denk, een reis naar Tunis en Algiers te gaan maken. Dat is allang mijn ideaal, maar de pipa weigerde de dubbeltjes.”

„Je kost hem toch al genoeg!”

„Kan wel,” zei Smitten op onverschilligen toon. „’t Zal mijn ouwen heer niets hinderen als hij per jaar vijf mille voor me uitgeeft.”

De kleine, roodharige haalde z’n horloge te voorschijn.

„Elf uur,” zei hij, „nog zestig minuten en de twaalf duizend gulden zijn mijn!”

„Als het jou maar niet gaat als de clubleden, die indertijd de weddenschap aangingen met wijlen Phileas Phogg. Ook zij meenden, dat het geld reeds hun was, maar jawel, in het laatste oogenblik kwam de ontgoocheling”, zei Jansman.

„Die vergelijking van jou gaat mank,” grinnikte Smitten. „Raffles zou al een heel sterk stukje moeten uithalen als hij in dit ééne uur nog even in onze stad kwam werken!”

Nauwelijks had de kleine Smitten deze woorden uitgesproken of een kruier trad het sociëteitslokaal binnen.

„Meneer Smitten!” zei de man.

„Present!” piepte de roodharige.

„Een brief voor u, meneer!” [60]

En de man overhandigde den kleinen Smitten een groote vierkante, witte, stevig verzegelde enveloppe.

„Van wien?” informeerde de kleine student.

„Weet ik niet, meneer. Goeien avond, heeren!”

De man verdween.

„Dat ziet er interessant uit,” zei Emmius. „Maak open, Smitten!”

Smitten keek eerst nog eens langdurig naar de flinke mannenhand, waarmee het adres was geschreven.

Toen eindelijk verbrak hij de zegels, die het dooreengeslingerde monogram E. L. vertoonden.

„E. L.?” fluisterde Smitten.

„Ik heb het gevonden, jongens, het is het geld van de weddenschap. Net zooals ik dacht.

Kijkt maar naar het cachet: E. L.—Eduard van Lissen! Daar zal je dus de twaalf duizend pop hebben!”

Uit de groote enveloppe kwam een brief te voorschijn.

„Voorlezen!” commandeerde Peepstra.

„Doe jij ’t maar,” zei Smitten, die „Lange Ger” graag in alles de leiding gaf.

„Met plezier, kerel! Geef maar op!”

En met luide stem las Gerard Peepstra het volgende voor aan de verbaasde, ontstelde, maar tevens ook ten zeerste verraste Groningsche studenten:

Aan Herman Smitten,

De weddenschap luidde:

„John C. Raffles, de Groote Onbekende, moet binnen den tijd van zes weken een bezoek van minstens een week aan de stad Groningen brengen.

John C. Raffles, de Groote Onbekende, moet op „de Kroeg” worden geïntroduceerd, met de clubleden kennis maken en als bewijs van zijn aanwezigheid in de stad het een of ander sterke stukje uithalen op politioneel gebied.

Onder welken naam lord Lister hier zal worden geïntroduceerd en welk waagstuk hij zal bedrijven, kan nog niet worden meegedeeld.

Ge zult dat echter vernemen, als daartoe de tijd gekomen is.

Is de maand Juli aangebroken (dus op den 1en van die maand) en Raffles heeft in Groningen geen sporen van zijn arbeid achtergelaten, dan is de weddenschap door mij verloren.

Inderdaad heeft Raffles een bezoek van zeven weken aan Groningen gebracht.

Hij is geïntroduceerd op „de Kroeg”, hij heeft met u allen kennis gemaakt.

Het waagstuk, door Raffles in Groningen uitgehaald, was het bevrijden van mejuffrouw Suze Peepstra uit de handen van een paar gevaarlijke en bekende slavenhandelaren.

De weddenschap werd door mij dus gewonnen.

Uw twaalf duizend gulden aanvaard ik echter niet.

De helft daarvan moet gij storten in de kas van het Doofstommeninstituut.

De kroegleden mogen beslissen, wat met het overige geld zal geschieden.

Ik groet u allen zeer.

Met mijn secretaris heb ik, als gij dezen ontvangt, de stad uwer inwoning reeds lang verlaten.

Ik neem de aangenaamste herinneringen mede aan mijn verblijf in Groningen.

Een extra groet voor „lange Ger.”

Lord Edward Lister, alias John C. Raffles, de Groote Onbekende, alias graaf Van Lissen van Duinen.”

„Heilige Minerva!” kreet de kleine Smitten met doodsbleek gelaat, terwijl groote zweetdroppels op zijn voorhoofd parelden.

„Ik dacht het wel,” zei Emmius.

„Wat dacht jij, snoever?” schreeuwde Jansman.

„Ik dacht wel, dat Smitten te vroeg had gejuicht,” vulde Emmius aan.

Peepstra was een oogenblik stil.

„In ieder geval,” zei hij, „merkte je toch, dat een bijzonder persoon hier heeft vertoefd. Het spijt me, dat hij er vandoor is.”

„Mij niet!” snauwde Smitten, „zeven weken hebben we met een misdadiger omgegaan. Mooi gezelschap voor ons!”

„Als je met mij goede vrienden wilt blijven,” dreigde lange Ger, en zijn gelaat kreeg een sombere uitdrukking, „dan spreek je nooit meer op dien toon over mijn besten vriend.”

„Laat ons drinken op de gezondheid van den Grooten Onbekende,” stelde Emmius voor, „en dan beraadslagen, wat Smitten met de andere helft van zijn verloren kapitaal moet doen.”

Lange Ger was de eerste, die den roemer vulde en die het glas hoog hief om te klinken op de laatste nobele daad van

John C. Raffles. [61]