[Inhoud]

TWEEDE HOOFDSTUK.

Het avontuur uit Brandenga’s leven.

De studenten, joviale gastheeren als ze plegen te zijn, waren aldra de beste kameraden met graaf Van Lissen en zijn secretaris en deze beide heeren, bereisd en belezen als ze waren, hadden binnen korten tijd elk een kring van hoorders rondom zich verzameld.

Men sprak over reizen en trekken, over jacht- en andere avonturen.

Er waren er onder de Groningers die, hoe jong ook van jaren, al heel wat van de wereld hadden gezien en die zooals ieder, die verre reizen doet, veel konden verhalen.

Brandenga’s guitige oogen keken den kring rond.

„Ik wil u”, sprak hij, „als het niet gaat vervelen, een geschiedenis vertellen, waarvan ik bijkans het slachtoffer ben geworden, „een Schotsch avontuur!”

Van allen kant klonken bijvalsbetuigingen met dit voorstel en toen verhaalde de jonker zijn nieuwe vrienden de volgende geschiedenis:

„Het zal nu ongeveer een klein jaar geleden zijn, toen ik een brief kreeg van een vriend, Tommy Cameron.

Hij verzocht me, over te komen om een maand bij hem te logeeren, want het jachtseizoen, zoo vertelde hij in den brief, was dit keer prachtig.

Op een heerlijken Septemberdag kwam ik aan en Tommy haalde me van ’t station.

Na een prachtigen rit van ruim een uur door prachtige streken bereikten we Clinton.

Toen we het huis van Tommy naderden, kwamen twee jonge dames ons verwelkomen; het waren Tommy’s zusters, die het huishouden bestuurden.

De ontvangst was hartelijk, ik voelde me al heel gauw op mijn gemak.

De eerste week van mijn verblijf bracht ik door met wandelen, jagen en visschen in Tommy’s gezelschap. Toen moest hij voor zaken op reis en ik kon genieten [38]van het gezelschap der beide meisjes, Madge en Mary.”

Van Lissen van Duinen keek op.

„En ben je niet verliefd geworden?” vroeg hij op nuchteren toon.

„Hou je mond”, knorde Brandenga, „anders vertel ik niet verder.”

Toen vervolgde hij:

„Ja, Madge was de jongste en de aardigste, ze deed veel aan muziek en aan schilderen. Mary was de eigenlijke huishoudster, die kalm en waardig haar bevelen gaf.

Nu, ik liefhebber ook zoo’n beetje in de kunst! En toen Madge me vertelde, dat ze van plan was, een landschapje in de buurt te gaan schilderen, vroeg ik haar terstond, de eer te mogen hebben, haar van dienst te zijn.

Ze gaf haar toestemming en we begonnen dadelijk aan de schilderij.

Niets is er, dat jongelieden nader tot elkander brengt, dan sympathie voor de kunst en spoedig was ik dan ook tot over m’n ooren verliefd.”

„Natuurlijk”, zei Van Lissen, „nu wordt het interessant.”

„Sst!” klonk het van allen kant.

Brandenga vervolgde:

„De dagen vlogen om en eindelijk kwam Tommy terug.

Toen moest ik weer met hem gaan jagen, visschen, en wandelen en van uitstapjes met Madge kwam niets meer.

Op een morgen, dat ik weer met Tommy aan den wandel was, ontmoetten we een jongen man, dien mijn vriend mij voorstelde als Arthur Clisby.

Na een praatje gemaakt te hebben, verliet hij ons, belovende, daar Tommy het hem verzocht, dien avond te komen dineeren.

Arthur Clisby was de zoon van een groot reeder uit Dundee.

Hij was student geweest aan de Universiteit te Glasgow.

Daar echter had hij niet de gewenschte vorderingen gemaakt, een tamelijk losbandig leven geleid, schulden gemaakt, ruzie gekregen met zijn familie.

Toen had hij zijn toevlucht genomen naar een eenzame plaats in de onmiddellijke nabijheid van Clinton en hier wijdde hij zijn tijd aan vraagstukken, uitsluitend op de electriciteit betrekking hebbende.

Aan het ontbijt vroeg Madge mij hoe ik den kluizenaar vond.

Ze waren gewend, hem den kluizenaar te noemen.

„O, hij lijkt mij wel een aardige jongen toe,” antwoordde ik.

„Of hij aardig is, weet ik niet, ik vind hem vreeselijk stil en ernstig.”

Madge vertelde mij in den loop van het gesprek, dat zij hoopte, spoedig de schilderij af te hebben. Ze wilde haar mij dan cadeau geven.

Ik zei haar, zich niet te overwerken en liever te wachten tot ik weer eens gelegenheid zou hebben, haar te vergezellen.

Het etensuur kwam, daarmede verscheen ook de gast.

Inplaats van den vroolijken, aardigen jongen van des morgens was hij nu stil, benauwend stil zelfs. Hij sprak alleen, als het woord tot hem werd gericht en antwoordde dan zoo kort mogelijk.

Nog nooit had ik zulk een verandering bij iemand waargenomen.

We brachten den avond genoeglijk door, voor zoover zijn drukkende, vervelende stilte dit toeliet.

Toen hij vertrok, verzocht hij mij, zoo spoedig mogelijk zijn woning en werkplaats te komen zien.

„Kom dan des avonds”, zeide hij, „dan wordt de omtrek verlicht.”

Eenige dagen daarna besloot ik, aan zijn uitnoodiging gevolg te geven.

Ik begaf mij op weg naar de woning van den kluizenaar.

Ver behoefde ik niet te wandelen en bijna had ik de plaats van bestemming bereikt, toen ik werd opgeschrikt door een stuk steen, zoo groot als een voetbal, dat van den top van een bijna loodrechte rots, twintig voet boven me, voor mijn voeten neerviel.

Ik ging verder en ontdekte bij een bocht van den weg in de verte den kluizenaar, die daar stond met over elkaar geslagen armen.

Zoodra hij mij zag, kwam hij naar mij toe en nam beleefd zijn hoed voor mij af.

„Wonderlijk,” zeide hij, „maar ik verwachtte u half en half vanavond.”

Ik antwoordde niet en hij vervolgde:

„Ik kwam hier om de zon te zien ondergaan. Elken avond toef ik hier een poosje, dat is een groote ontspanning na de vermoeiende bezigheden in het laboratorium.

Een poosje bleven we staan, totdat de zon achter de verwijderde heuvels verdwenen was; toen gingen we naar zijn woning.

Het huis was merkwaardig ingericht.

De geheele bovenste verdieping was één groote kamer, die gebruikt werd als laboratorium.

Het was als het ware een magazijn van wetenschappelijke toestellen:

Electrische en chemische apparaten vulden tafels en planken, electrische gloeilampjes verspreidden een zacht licht en in het midden, op een verhoogd platform, stond een groote telescoop.

Clisby leerde mij de namen en het gebruik van de instrumenten en vertelde mij ook het een en ander van zijn welgeslaagde proefnemingen.

Hier was de zonderling op zijn plaats en toen wij samen zaten te praten, kleurde zijn gelaat.

Zijn oogen schitterden en hij sprak vol geestdrift.

Ons gesprek werd gebracht op het gebied van terechtstellingen door middel van electriciteit en [39]Arthur Clisby zeide:

„Ge zult u misschien nog wel herinneren, hoe de eerste man door middel van electriciteit werd terechtgesteld en welke ondraaglijke pijnen men hem liet lijden.

Ik was er bij en ik heb alles gezien! Het was doodgewoon afgrijselijk! Het was vreeselijk!

De dokters! bah! het zijn alle gekken!

Onmiddellijk nadat ik het vreeselijk schouwspel had bijgewoond, zette ik mij aan den arbeid om een methode uit te vinden, die den dood ten gevolge zou hebben zonder de minste foltering, zoowel lichamelijk als geestelijk. Reeds een jaar heb ik aan dit plan gewerkt.

Ik moet nog slechts enkele wetenschappelijke formaliteiten in orde brengen, voordat ik mijn uitvinding aan het oordeel der autoriteiten kan onderwerpen.”

Wij verlieten het huis, liepen een eind door de open lucht en kwamen aan een deur.

Arthur Clisby ontgrendelde haar, trad binnen en tastte eenige oogenblikken rond om den stroomsluiter te vinden.

Even daarna was de kamer hel verlicht.

Ik gevoelde ter zelfder tijd een prikkelende aandoening in mijn keel, ik kuchte, Arthur hoorde het, lachte en zeide:

„Dat is de damp van de batterijen, die ge in de keel voelt. Dit is de batterijenkamer; deze cellen houden voeding in voor het licht hier en in het andere huis. Accumulatoren zijn een groot gerief, want zij maken nachtarbeid onnoodig!”

Wij doorliepen nu een gang en kwamen in een grootere kamer.

„Dit is het turbinehuis,” zeide hij. „Dat daar is de dynamo, uitsluitend bestemd voor het uitvoeren van terechtstellingen.”

Hij wees op een toestel, dat den vorm had van een groot, dun wiel en voorzien was van een groot aantal fijne spaken.

„Kijk,” zeide hij, „ik zal dat toestel eens in beweging brengen en u zijn werking laten zien.”

Hij schroefde de kleppen los, de machines begonnen te werken, de dynamo’s te gonzen.

Ontzettend snel ging alles in zijn werk.

„Het maakt niet eens veel leven, hoort ge wel?” merkte Arthur op en toen:

„Dat toestel daar ginds is van tweehonderd paardekracht. En laat ons nu,” vervolgde hij, „de gevaarlijke kamer en den doodaanbrengenden stoel eens gaan bezichtigen.”

Hij opende een deur.

Wij stonden op den drempel van een klein vertrek, waarin een merkwaardig toestel stond in den vorm van een stoel.

Ik dacht, dat Arthur me zou voorgaan en binnentreden, toen hij eensklaps uitriep:

„Een oogenblikje! Ik moet mijn dynamo’s een weinig tot bedaren brengen.”

Hij ging weer terug.

Ik trad binnen en begon nieuwsgierig de uitvinding te bekijken.

Plotseling hoorde ik een doffen klank en toen ik mij omkeerde, zag ik, dat de deur was dichtgeslagen.

Ik greep naar mijn keel, die als toegeschroefd was en viel op den grond neer.

Een oogenblik daarna kwam ik weer bij en toen ik weer mijn tegenwoordigheid van geest terug had, zag ik, dat ik in den vreeselijken stoel met riemen vastgebonden zat.

Ik dacht, dat het een aardigheid was van Arthur Clisby, maar ik gevoelde mij niets op mijn gemak, want de stoel zat zeer pijnlijk.

Ik beproefde mij te bevrijden, maar ik zat stevig vastgesnoerd, mijn handen ieder in een soort schroef gekneld, leer van buiten, metaal van binnen, zooals ik kon zien en voelen.

De ruimte, gevormd tusschen mijn hand en den stoelwand, was gevuld met een vloeistof, kwikzilver, zooals ik later ontdekte.

Mijn beenen en lichaam waren met riemen aan den stoel vastgemaakt, mijn armen gestoken in een soort buis, aan weerszijden van den zetel aangebracht.

Al deze bijzonderheden nam ik in mij op en terzelfder tijd ging de deur open.

Arthur Clisby trad binnen.

„Ha!” schreeuwde hij, „eindelijk ben je dan gevangen! Nu ben ik tevreden!”

„Maak geen gekheid, mijnheer Clisby,” mopperde ik, „je helsche stoel zal me den rug nog breken.”

„O, als ’t anders niet is,” zei Arthur, „dat kunnen we gauw genoeg veranderen.”

Hij stapte naar me toe.

Maar inplaats van mij te bevrijden, haalde hij den riem om mijn borst nog wat steviger aan.

Dat was meer dan ik verdragen kon en ik dreigde hem, dat ik hem de ribben zou breken als hij mij niet dadelijk los ging maken.

Hij lachte als eenig antwoord en haalde de schouders op.

Toen zeide hij:

„Als je klaar bent met je lawaai zal ik een verstandig woordje met je spreken.

Je denkt, dat ik je vriend ben, nietwaar? Dat ben ik niet! Ik ben je vijand.

Je wilt me Madge Cameron afwinnen en je bent daar al een heel eindje mee op streek.

Ik heb je wel gezien in haar gezelschap, toen je zat te schilderen! Ik heb Madge lief; versta je dat?

Ik ben blij, dat ik je niet gewond heb met dat stuk rots, want nu ben ik tenminste in staat om je voor mijn oogen te zien sterven!

Een oogenblik geleden had ik je ook kunnen dooden! Ik had mijn hand reeds op den stroomsluiter, maar ik heb je weer bijgemaakt en je in dezen stoel gebonden om je naar hartelust te kunnen kwellen en pijnigen. [40]

O, wat haat ik je! Wat haat ik je! Want je wilt mij Madge rooven.”

Toen ging hij vlak voor me staan en staarde mij aan.

„Denk je, dat ik voor niemendal een uitgestootene van de maatschappij ben?” siste hij.

„Denk je, dat ik een jaar aan dit toestel heb gewerkt voor niemendal?

Neen, neen!

Er moet met iemand een proef op genomen worden en waarom niet met jou?

Want ik haat je!

Lang heb ik naar iemand omgezien op wien ik de proef kon toepassen.

Nu heb ik jou daarvoor!

Ja, ja, ik vind geen toestellen uit voor niemendal!”

Hij verliet mij met een vreeselijken lach.

Nogmaals spande ik alle krachten in om armen en handen los te rukken.

Maar helaas, vruchteloos!

Een oogenblik daarna kwam hij weer terug.

„Je hebt nog een half uurtje te leven. Het is nu half twaalf; met het slaan van twaalf ben je een kind des doods!”

Hier hield Brandenga een oogenblik op.

Hij keek den kring zijner hoorders rond en toen hij uit aller trekken niets kon lezen dan gespannen aandacht, vervolgde hij:

„Wederom liet Arthur Clisby me alleen ten prooi aan de vreeselijkste gedachten.

Was er dan geen enkel middel om te ontsnappen? Zou niemand mij bijtijds de reddende hand komen bieden?

De tijd ging voorbij! Ik dacht aan Madge, voor wie ik moest sterven door de hand van dien gek.

Eindelijk kwam Clisby wederom terug. Hij glimlachte honingzoet en vroeg, of ik nog iets wenschte.

Ik schudde mijn hoofd.

Hij bood mij brandewijn, ik knikte van ja en hij hield mij een glas voor den mond, waarvan ik den inhoud geheel opdronk.

Toen begon hij om me heen te springen als een waanzinnige en met zenuwachtig vertrokken gelaat lachte hij, gillend:

„Nog een minuutje, dan zend ik je naar de andere wereld.”

Hij ging naar den stroomsluiter om me te dooden—ik zat daar, onmachtig, iets te doen.

Plotseling zag ik, dat hij struikelde over de draden, die voerden van den stroomsluiter naar mijn hand.

Hij viel.

In zijn val sloeg hij met de handen in de lucht en deze kwamen terecht op den stroomsluiter.

Een vreeselijke kreet kwam van zijn lippen; hij werd zes voet in de hoogte geworpen en kwam ruggelings op het midden van een groote, platte distributietafel te vallen.

Toen zag ik een opvolging van blauwe vonken en een dunne kolom rook steeg op naar den zolder.

Onmiddellijk daarop sprong de band van het dynamo-wiel en het gonzen hield op.

De brandewijn begon nu bij mij te werken—mijn hoofd stond als in vuur, maar mijn hersens waren uitstekend.

Ik keek nog eens naar het lichaam op de tafel.

Het bewoog zich nog.

De stroom had opgehouden, de reactie was ingetreden.

Het lichaam kromp hoe langer hoe meer in elkaar, totdat het er ten slotte uitzag als een afzichtelijke hoop vodden; het sidderde een oogenblik en toen vielen de armen en beenen als lood op de tafel neer, en het lichaam bleef roerloos liggen.

Een krassend geluid deed mij de oogen naar de turbines wenden; een ervan stond rood-gloeiend.

De machine was vernield, het wiel begon weer te draaien met een snelheid, die ieder oogenblik grooter werd.

Ik hoorde een knal en toen een gekraak en ik zag den stalen band om de dynamo vaneen scheuren als papier en het water drong de kamer binnen met hoeveelheden van wel duizend liter per minuut.

Wat had ik aan Clisby’s dood, als ik verdrinken moest als een rat?

Langzaam rees het water.

Toen het ongeveer zes voet hoog stond, gingen de lichten aan.

Ik dobberde in mijn stoel heen en weer, maar was vastgeankerd aan den stroomsluiter door de draden.

Het water steeg aldoor—hoewel zeer langzaam, daar het ook de andere kamers en gangen moest vullen.

Beneden mij kon ik nog de onbeschadigde turbine hooren werken en ik steeg, totdat het bovenste gedeelte van mijn stoel tegen den zolder schuurde.

Toen voelde ik, dat ik plotseling viel en vlug naar de deur werd gedreven.

De draden hielden me voor een oogenblik nog vast, maar door het rukken braken ze en ik zeilde door de gang naar de batterijkamer en zoo in de open lucht, waar ik na eenige minuten op en neer gedobberd te hebben, gered werd.

Het gewicht van het water had de buitenste deur geopend. Vandaar mijn plotselinge val.

Ik was ontzet uit mijn netelige positie door Tommy Cameron zelf, die, ongerust over mijn lang uitblijven, mij was komen halen.

We vonden den armen krankzinnigen Arthur Clisby bijna op dezelfde plaats, waar hij gestorven was, gewikkeld in de draden en met denzelfden spookachtigen glimlach op zijn gelaat.

Niemand dan Tommy en ik hebben geweten, wat er op die vreeselijken Septemberavond is gebeurd.

We vertelden de meisjes, dat Clisby een ongeluk was overkomen en dood was.

Een week lang nog moest ik het gebruik van armen en beenen ontberen, ten gevolge van de ongemakkelijke houding in dien vreeselijken stoel.”

Brandenga zweeg. [41]

Hij veegde luchtigjes met den even geparfumeerden zijden zakdoek over zijn voorhoofd.

„Wel, kerel,” zei Gerard Peepstra, „op zoo jongen leeftijd heb jij ook al heel wat achter den rug.

Dat is een geschiedenisje om niet licht te vergeten. En heb je er verder heelemaal geen beroerde dingen van ondervonden?”

Ook de anderen betuigden hun deelneming. Brandenga lachte.

„Niets, niemendal! Alleen heb ik Tommy nadien niet meer bezocht.”

„En de mooie Madge?” vroeg Van Lissen van Duinen.

„Die is een maand geleden in het huwelijk getreden met een schatrijken leerlooier!”

„Dus ze heeft je versmaad?”

Brandenga haalde de schouders op.

„Versmaad? Neen, Eduard, dat heeft ze niet. Ik had haar nog niet van liefde of trouwplannen gesproken.”

„Hadt je dan zóó jong al willen trouwen?”

„Ik? Misschien! Maar nu ik hier van de nieuwe vrienden heb gehoord, dat de Groningsche jongedames zoo bijzonder mooi zijn, ben ik maar heel blij, dat m’n hart nog niet in rozenketenen is geklonken.”

„Onze meisjes?” sprak nu student Andringa, „ja, die mogen er wezen. En vooral lange Ger’s zuster. O, ik ben er van overtuigd, dat juffrouw Suze Peepstra u wel heel spoedig de mooie Madge uit Schotland zal doen vergeten.”

„Ik ben nieuwsgierig,” beweerde Brandenga en met een hoffelijk gebaar legde hij beide handen op zijn hartstreek. „Ik ben zéér nieuwsgierig, heeren, maar— —ik kan wachten, tot de tijd van kennismaken gekomen is.”


Het verhaal van jonker Brandenga had de tongen der jongelui losgemaakt—nog losser dan die doorgaans reeds zijn.

Ieder wist, was het ook al niet uit zijn eigen leven, dan toch wel uit dat van een bloedverwant of van een goeden bekende een of ander waagstuk of belangwekkend avontuur mede te deelen en dan werd de geschiedenis steeds onderworpen aan de critiek der omzittenden.

„Ik had,” zei Deelma, „vlak bij Groningen, in Hoogezand, bijna eens een adelaar onder schot gehad.”

„Wat zeg je?”

„Een adelaar?”

„Deelma, je bent dronken!”

„Zoo vroeg op den dag en al zoo grove leugens!”

„Kerel, wat heb jij een vruchtbaren duim!”

De spreker werd van allen kant uitgelachen en bespot. Hij wachtte echter bedaard, tot de storm van spot en verontwaardiging een beetje was bedaard en toen zeide hij:

„Wat ik zeg, is waar. Een arend, een adelaar onder schot—in Hoogezand.”

„Maar hoe kan dat?” vroeg nu Brandenga.

„Och, heel eenvoudig, het beest moest van de kermis van Groningen, waar het in een kooi te kijk had gestaan, verder getransporteerd worden. In Hoogezand brak het door woest het hok rond te fladderen, een vleugel. De eigenaar was razend van wanhoop, want het dier was voor hem een groot verlies—de attractie uit zijn menagerie.

Ik logeerde toevallig in het dorp en vlak voor het huis waar ik vertoefde bleef de groote verhuiswagen staan.

Ik bood aan, het beest voor den kop te schieten—ik had een revolver in m’n koffer, maar mijn oom, die veearts is, ried den man van het beestenspel den adelaar niet te dooden. De vleugel kon nog best in orde komen.

Ziedaar mijn avontuur.”

Ze scholden allen Deelma voor een flauwen vent, maar hij had de lachers op zijn hand en noodigde zijn vrienden uit, dan maar gevaarlijker en even betrouwbare jachtavonturen te verhalen.