„We krijgen honderd man marechaussées extra in de stad tijdens de lustrumfeesten,” vertelde, wat later in den middag, het kroeglid Jansman, „de kerels zullen er zeker de orde wel in houden!”
„Onze politiemannen zijn anders niet voor een kleintje vervaard,” kwam de magere Emmius daar tegen op. „Bij een bezoek aan andere steden ben ik steeds tot de conclusie gekomen, dat de Groningsche politie een kranig korps vormt. Maar over politie gesproken—ik las vanmorgen, dat de Rotterdamsche recherche al vier weken vergeefs zoekt naar den moordenaar van de 80-jarige weduwe en haar 50-jarige dochter. ’t Blijft een hopeloos werkje.”
„Nederland moest een Sherlock Holmes onder z’n bewoners tellen,” zei Peepstra lachend.
„In ernst Ger,” ging Emmius hier op door, „jij maakt er een grapje van, maar zulke kerels zijn toch maar een geruststelling voor een groot deel van het [42]volk!”
„Geloof jij dan aan het bestaan van zulke mannen, die zijn geschapen door de fantasie van een of anderen schrijver?”
„Ik weet niet”, verklaarde Emmius, „of Sherlock Holmes ooit heeft geleefd, maar aan het bestaan van den grooten, onbekenden Raffles geloof ik zeker. Ik ben ervan overtuigd, dat die lord Lister, waarover zooveel geschreven wordt, wel degelijk in Londen woont en leeft en arbeidt en dat hij daar al heel wat lugubere zaakjes aan het licht heeft gebracht, waar politie en justitie geen gat in zagen, en geen weg mee wisten.”
Emmius wond zich àl betoogende op. Een hoogroode blos gloeide op zijn wangen toen hij voortging:
„Ik heb herhaaldelijk gehoord en gelezen van dien gentleman, die er werk van maakt, de verdrukten en onrechtvaardig bejegenden te helpen en hunne belagers te straffen! ’t Is waar, hij doet dat op een andere wijze dan de justitie het zou doen; hij straft op zijn manier, doch op geen onrechtvaardige! Ik bewonder hem en ik stel vertrouwen in hem en ik kan het voor ons land slechts betreuren, dat wij niet prat kunnen gaan op zoo’n man!”
Toen, zich wendend tot de beide vreemdelingen:
„Ik zou in dezen uw oordeel wel eens willen hooren, mijne heeren, want ik geloof, hier alleen te staan!”
Op het blozende gelaat van Brandenga verscheen een verlegen trek. Hij zweeg en keek even naar zijn vriend.
Graaf Van Lissen van Duinen tipte de asch van den sigaar, die hem zoo even door Jansma was geboden.
„U vraagt mijn meening in dezen?” vroeg hij en in zijn oogen tintelde een uitdrukking vol spot, „ik ben het volkomen met u eens, meneer Emmius. Want ik hoorde en las niet alleen van Lord Lister verhalen, ik had ook het voorrecht—ik althans noem het een voorrecht—om hem persoonlijk te leeren kennen. Lord Edward Lister, alias John C. Raffles, is mijn vriend en mocht ik uw aller misnoegen misschien mij op den hals halen, ik moet hier ronduit verklaren dat Lord Listers praktijken mijn volle sympathie hebben!”
Eenige oogenblikken heerschte stilte in den vriendenkring.
Toen echter stond lange Ger op en, zijn glas hoog houdend, waarin de Bourgogne purper fonkelde, stiet hij aan met Van Lissen en riep uit:
„Ik drink op Lord Edward Lister!”
Dat was voor de andere Groningers het sein ook hun glas te ledigen op den Grooten Londenschen Onbekende. Vroolijk klonk het nu dooreen:
„Op den gentleman-dief!”
„Op Raffles!”
„Hoera voor dien kranigen Engelschen lord!”
En allen stieten aan met den slanken edelman.
„Wel,” lachte nu Emmius, „het verbaast me eigenlijk geenszins, graaf Van Lissen, dat ge zooveel sympathie gevoelt voor dien Londenschen gentleman. Al zou die toegevendheid alleen maar voortvloeien uit de treffende gelijkenis van uwe namen. Eduard van Lissen—Edward Lister!—Aardig is dat!”
„Nietwaar?” Graaf Van Lissen van Duinen keek den spreker even aan met z’n innemenden glimlach en Emmius voelde zich onweerstaanbaar aangetrokken tot den sympathieken Lord.
„U neemt mijn scherts toch niet kwalijk?” vroeg hij, „ik bedoelde het louter als een grap!”
„Ik drink op uw gezondheid,” repliceerde de jonge man, wederom glimlachend.
„Hoe ziet die gentleman-dief eruit?” informeerde Jansman, „inderdaad als een gentleman—of als een dief?”
„Daarover zoudt ge zelf eens moeten oordeelen. Ik raad u een reisje naar Londen aan!” viel Brandenga in en hij wierp een snellen blik naar zijn vriend, dien deze opving—maar negeerde.
„Zou Raffles niet eens naar Groningen kunnen komen?” informeerde Jansman.
„Kerel, je bent gek,” viel Peepstra in, „Raffles vertoont zich toch nergens onder zijn naam. Dat zou hem, om zoo te zeggen, z’n kop kosten!”
„Ik zal mijn vriend naar Groningen nooden,” sprak Van Lissen, „dan kunt ge hem zien en leeren kennen!”
Allen lachten.
„Graaf Lissen is een onverbeterlijke grappenmaker,” piepte een mager roodharig studentje, „ik wed met hem, dat hij ons een valschen gentleman-boef onder den neus draait. Ik wed om een mooi ding!”
De slanke, lenige gestalte van den lord verhief zich uit zijn stoel en met zijn groote, bruine oogen keek hij den kleinen, nietigen spreker aan.
„Ik ben niet gewoon, onder valsche voorspiegelingen het een of ander te beloven,” begon hij. „Maar u stelt mij voor met u te wedden! Ik neem uw weddenschap aan, meneer Smitten. Hoe veel zet ge?”
„Duizend gulden!”
Met een minachtend schouderophalen wendde Van Lissen zich af.
„Laat ons zeggen, duizend pond, meneer Smitten! Voor duizend gulden zal ik den lord zeker niet naar Nederland krijgen. Afgesproken?”
Smitten keek zuinig.
Hij was de zoon van een schatrijken heereboer uit het Noorden der provincie. Hij was de rijkste van alle korpsleden, maar hij was niet heel royaal. Smitten had alleen héél veel geld over—voor zichzelven en hij stond bekend als een eerste-klas doordraaier.
„Twaalfduizend gulden,” begon hij, „da’s veel graaf, da’s een heeleboel!”
„Maar kerel, je kunt ze toch winnen,” viel Emmius bij, „en dan geef je een gloeiende fuif. Vooruit, ga de weddenschap aan!”
Smitten keek Peepstra eens aan.
„Wat denk jij ervan, Ger?”
„Ik zou ’t doen, kerel, ik zou ’t vast en stellig doen!” zei lange Ger.
„Dan moet ik precies weten, hoe de weddenschap luidt,” zei Smitten met een vrij benepen stem.
Het liefst had hij maar van de heele weddenschap [43]afgezien, maar voor z’n vrienden durfde hij nu niet meer terugkrabbelen.
„Kijk,” zei graaf Van Lissen, „ik stel me de zaak zóó voor. Ik zorg ervoor, dat John C. Raffles, de Groote Onbekende, binnen den tijd van zes weken een bezoek van een week brengt aan de stad Groningen. Ik zal verder er voor zorgen, dat hij, geïntroduceerd op de „kroeg” met u allen kennis maakt en dat hij, als bewijs van zijn aanwezig zijn in de stad, het een of andere sterke stukje moet uithalen op politioneel gebied. Onder welken naam lord Lister hier zal worden geïntroduceerd en welk waagstuk hij zal bedrijven, kan ik u nu nog niet meedeelen. Ge zult dat echter vernemen, als daartoe de tijd gekomen is. Maar als de maand Juli is aangebroken, (dus op den eersten van die maand) en Raffles heeft in Groningen geen sporen van zijn arbeid achtergelaten, dan heb ik de weddenschap verloren. Gij allen hier zijt getuigen van mij en van den heer Smitten!”
„Me dunkt Smitten,” zei nu Peepstra, „dat je tegen dit voorstel niets kunt hebben. Bovendien is het idee van het aangaan van een weddenschap van jou uitgegaan.”
Smitten moest nu wel toegeven, en zoo werd tusschen den vreemden graaf en den kleinen rijken boerenzoon uit Warfum in de Groninger Studentensociëteit een weddenschap van twaalfduizend gulden aangegaan op … John C. Raffles.