Aan den Radersingel, een der stille buitensingels van Groningen, zaten in een ruime achterkamer twee mannen bij elkaar.
De kamer, waarin het tweetal zich bevond, was slechts voorzien van de hoognoodige meubelen. Een stevige vierkante tafel stond in het midden onder de helder brandende gaslamp, een viertal stoelen met eenvoudige, rieten zittingen, een schrijftafel met bureaustoel en een breede boekenkast, waarvoor een groen gordijn aan ringetjes was opgehangen, voltooiden het ameublement.
Aan de muren hingen eenige landkaarten. Naast een groote wandkaart van Europa hing een even groote van Amerika en de muur daartegenover werd gedeeltelijk bedekt door een kaart van Nederland.
Op de tafel lagen boeken, reisgidsen en papieren verspreid, schijnbaar zonder eenige orde en regel, terwijl op het geopende schrijfbureau een stapeltje brieven lag, welke blijkbaar pas waren aangekomen, want de couverts waren nog gesloten.
De heer, die aan het schrijfbureau had plaats genomen, had juist de verstelbare gaslamp aan zijn rechterhand aangestoken en haalde nu uit een zwartleeren portefeuille eenige portretten te voorschijn.
Nadat hij op twee ervan een vluchtigen blik had geworpen, legde hij ze met onverschillig gebaar op de schrijftafel neer.
Het derde portret scheen meer zijn belangstelling op te wekken.
Met kennersoog bekeek hij lang het mooie vrouwenkopje, dat erop was gefotografeerd en een roofdierachtige uitdrukking verscheen op zijn gelaat.
Toen stond hij op, begaf zich naar de tafel en legde, zonder een woord te zeggen, het portret vóór den ander neer.
De man, die daar ijverig had zitten bladeren in een groote, zeer uitgebreide reisgids in rooden omslag, af en toe aanteekeningen makende in bijna onleesbare geheimzinnige teekens, keek zijn vriend aan.
Doch toen deze, nog steeds zwijgend, naar zijn schrijfbureau terugkeerde, wierp ook hij een langen, onderzoekenden blik op het portret.
Een grijnslach verscheen op zijn lippen.
Hij was een man van een forschgebouwde, gezette gestalte, met een vaalbleeken tint.
Zijn dunne, vast opeengesloten lippen en zijn scherpe, grijze oogen gaven zijn gelaat een uitdrukking van sluwheid en wilskracht.
Harry Kleyston was in New-York geboren.
Zijn moeder was een Hollandsche geweest, die op zeer jeugdigen leeftijd met haar ouders naar Amerika was getrokken en daar getrouwd was met den schapenhandelaar James Kleyston.
Haar eenige zoon Harry was reeds als jongen een deugniet.
Hij had een wreed karakter en, niet tevreden met het eenvoudige kalme leven zijner ouders, had hij hun woning verlaten en was op achttienjarigen leeftijd met een paar kameraden naar Argentinië getrokken.
Daar begon hij zeer bescheiden als kellner in een groot koffiehuis, waar in een achterkamer veel werd gespeeld.
Nadat hij daar vijf jaar als ondergeschikte had gewerkt, en zoo zuinig mogelijk had geleefd, had hij zooveel oververdiend, dat hij van zijn bespaarde duiten zelf een volkskoffiehuis had geopend in een der buitenwijken van Buenos Ayres.
Ook hij had in een sombere binnenkamer van zijn woning den bezoekers gelegenheid gegeven om er sterken drank te gebruiken en te spelen.
Harry Kleyston zelf speelde nooit.
Hij keek alleen maar naar de spelers en als ze geld noodig hadden leende hij het hun tegen woekerwinst.
Het was hem goed gegaan.
Alles veranderde onder zijn handen in goud.
Waar hij zijn voordeel zag, stonden gemoedsbezwaren hem nooit in den weg.
Reeds op jeugdigen leeftijd was hij getrouwd met Mina Willers, een sterke, forsche boerenmeid, die flink de handen uit den mouw kon steken.
Zijn vrouw maakte en braadde uitstekend worsten, kookte de eenvoudige pot, die de bezoekers van zijn „volkslogement” verlangden, smakelijk en had voor iedereen altijd een vriendelijk woord over.
In de achterkamer van het huis kwamen mijngravers, veehouders en allerlei ruw volk mijlen ver uit den omtrek bijeen om worst te eten … maar vooral om te spelen.
Soms speelden zij om klompen goud.
Het was een woeste bende, die om mensch noch duivel iets gaf, maar Kleyston wist ze met zijn stekende grijze oogen en zijn steeds geladen revolver wel in bedwang te houden.
Dikwijls reeds hadden sommige der vaste bezoekers samen besloten hem te berooven of hem onverhoeds te vermoorden, maar als het er op aankwam om te handelen, had geen enkele hunner nog ooit gedurfd.
Maar meer gehaat dan Harry Kleyston was waarschijnlijk niemand in geheel Amerika.
Zijn vrouw daarentegen was bemind.
Bij al haar werk wist zij altijd nog tijd te vinden om zieke buren, die zij niet eens kende, op te zoeken en moed in te spreken, terwijl zij hun zooveel mogelijk van dienst trachtte te zijn. [47]
Hoe menige arme kraamvrouw in de volkswijk, waar het logement van Kleyston was, dacht met een gevoel van innige dankbaarheid aan de stille weldaden, die zij genoot van de vrouw van den alom gehaten herbergier.
Veel ruwe kerels spaarden Harry Kleyston alleen, omdat diens groote, forsche vrouw goed was geweest voor hun echtgenooten en kinderen.
Kleyston had wel eens gelezen of hooren beweren, dat vriendelijkheid jegens zijn medemenschen en edelmoedige zelfverloochening noodzakelijk zijn voor een gelukkig leven, doch hij was het met deze opvatting totaal niet eens.
Hij wist beter, want hij had onder menschen geleefd en niet onder boeken, beweerde hij met een honend lachen.
Hij was gevreesd en gehaat, maar hij verdiende veel geld en dat was het eenige, wat hij van de maatschappij verlangde.
Jaar in, jaar uit vermeerderde hij zijn kapitaal, doch hij bleef altijd even zuinig leven, zich alle persoonlijke genot, ieder gemak ontzeggende. Heinde en ver was het bekend, dat de „kroegbaas”, zooals zelfs de trouwste van zijn bezoekers hem noemden, schatrijk werd te hunnen koste—alleen zijn vrouw wist dat niet.—
Mina Willers was in haar hart nog altijd met haar gedachten op de kleine boerderij, waar zij was geboren en grootgebracht.
Nog steeds zag zij zichzelf als jonge boerenmeid met blozende wangen in een katoenen jak met haar juk en emmers door het natte gras loopen om de koeien te gaan melken en soms draaide zij den zwaren trouwring aan haar dikken vinger om en om, ten einde zich ervan te overtuigen, dat niet straks het werk in de melkerij of in den stal haar wachtte, dat werk, dat zij tot haar achttiende jaar met zooveel lust en ijver had gedaan.
Doch een ruwe uitdrukking van haar man, een kort bevel brachten haar plotseling tot de werkelijkheid terug en zij voelde soms een stekende pijn in het hart als zij zwijgend getuige was van de onmenschelijke handelwijzen van haar man, dien ook zij vreesde.
Onverwacht echter was een dreigende wolk den gelukshemel van den fortuinzoeker komen verduisteren.
Een van zijn slachtoffers, tot het uiterste gedreven door den gewetenloozen bloedzuiger, was niet meer van plan, de onmenschelijk hooge woekerrente te betalen, die Kleyston meedoogenloos van hem vorderde.
In zijn woede en wanhoop had hij de politie op de hoogte gebracht van het schandelijke bedrijf, dat daar in de geheimzinnige achterkamer van het zoogenaamde volkslogement werd uitgeoefend.
Kleyston met zijn speurhondenneus rook nog juist bijtijds lont en vond op het uiterste oogenblik nog de gelegenheid om, voordat de justitie een inval deed in zijn speelhol, te verdwijnen.
Onder medeneming van al zijn geld in geldswaardige papieren was hij gevlucht, zijn arme, bedrogen vrouw zonder eenig bericht achterlatende.
Nimmer was het de politie gelukt, eenig spoor van hem te ontdekken.
Op de vrouw van den voortvluchtige viel niet de minste verdenking van eenige strafbare handeling en toen zij na het huis en den inboedel te gelde te hebben gemaakt, alles wat zij bezat onder de ongelukkige slachtoffers van haar man verdeelde, zegende menigeen haar naam op hetzelfde oogenblik, dat hij dien van haar echtgenoot vervloekte.
Armer dan zij er was gekomen, verliet de brave vrouw Buenos-Ayres, om de pachthoeve van haar ouders weer op te zoeken, waar zij zoo’n gelukkige jeugd had doorleefd.
Een half jaar nadat dit was voorgevallen, was Harry Kleyston, die zich toen in Zuid-Afrika bevond, onder een valschen naam in onderhandeling getreden met een der grootste inrichtingen van Argentinië, een inrichting, die handel dreef in blanke slavinnen.
In overleg met den chef der firma was hij naar Europa gereisd om te trachten, zooveel mogelijk „zaken te doen” in de verschillende Europeesche landen.
Frankrijk, Spanje, Italië en Oostenrijk had hij reeds bezocht en in elk dier landen ettelijke goede zaakjes gedaan; nergens echter vertoefde hij langer dan hoog noodig was, steeds weer verder trekkende, zooveel mogelijk slachtoffers makende en zich telkens vertoonende onder een anderen naam.
In Weenen had bij zich aangesloten bij een anderen vertegenwoordiger van zijn firma en te zamen waren de beide kerels naar Nederland gereisd, hopende, ook hier hun slag te kunnen slaan.
Eenige maanden hadden zij in Amsterdam vertoefd, maar het geluk had hun niet gediend in de Amstelstad.
Toen vernamen zij van de op handen zijnde lustrumfeesten in Groningen en onmiddellijk waren zij besloten, zich daarheen te begeven, want daar, te midden van feestgewoel en menschenvolte zou het hun misschien gelukken, hun menschonteerend bedrijf uit te oefenen.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Harry Kleyston hield nog steeds het portret in de hand en liet het volle licht van de gaslamp erop schijnen.
Het mooie meisjesgezichtje, waaruit een paar groote onschuldige oogen hem aankeken, scheen geen enkele betere gedachte in hem op te wekken.
Met een wreede uitdrukking op het gelaat stond bij op, naderde zijn kameraad, die met den rug naar hem toegewend, de aangekomen brieven opende en doorlas, en legde hem de hand op den schouder.
De man aan de schrijftafel keek niet op.
Hij bromde iets onverstaanbaars tusschen de tanden en ging door met lezen.
Hij was een man in de kracht van zijn leven.
Het kortgeknipte haar en de kleine donkerbruine knevel pasten volkomen bij het vierkante gelaat met de loerende bruine oogjes en den korten, stompen neus. De dikke lippen volmaakten het ruw-brutale uiterlijk, terwijl de beenige handen, die aan gespierde polsen zaten, gereed schenen te zijn om een prooi vast te grijpen. [48]
Zware wenkbrauwen waren boven den neus als ’t ware saamgegroeid—het lage voorhoofd en de uitstekende jukbeenderen maakten het uiterlijk van den man nog ongunstiger.
Martin Norwald legde den brief, dien hij juist tot het eind toe had gelezen, voor zich neer en draaide zich half in zijn stoel om.
„Een geschikt exemplaar, duivelsch knappe meid!” sprak hij, nu eindelijk zijn vriend aankijkend.
„Dat kan een voordeelig zaakje worden, als het lukt,” antwoordde de ander, met een harden ruk een stoel naar zich toe trekkend en naast het schrijfbureau plaats nemend.
„Hoe oud is ze en uit welken stand?”
„Twintig, een brunette, sierlijke gestalte, dochter van een rijken industrieel.”
„Hm!” bromde Kleyston, „wordt het niet te gevaarlijk?”
„Durf je niet? Lafaard!” klonk het smalend uit den mond van den ander. „Zijn tot nu toe niet al onze werkjes gelukt?”
„Durven doe ik alles!” riep de Amerikaan uit, maar de zuster van een rijken student, kerel, het lijkt me een verduiveld, waagstuk vooral in zoo’n betrekkelijk kleine stad.…..
„Volstrekt geen waagstuk! Luister—ik zal je alles vertellen, wat ik heb uitgevorscht en welke maatregelen ik reeds heb genomen. Tijdens jouw uitstapje naar Berlijn, waar je dat laatste zaakje handig hebt opgeknapt, heb ik hier ook niet stilgezeten.”
„Vertel maar, ik luister!”
De twee schurken staken ieder een verschen sigaar op en toen begon Norwald zijn verhaal.
„Het toeval was me gunstig. In de groote biljartzaal van „Harmonie” maakte ik kennis met twee studenten. Ik speelde eenige partijen met hen en natuurlijk kwam al spoedig, toen wij daarna samen zaten te bitteren, het gesprek op de lustrumfeesten van de volgende week. Die kwajongens zijn daar zoo vol van, dat ze aan niets anders denken.
„Ik wist heel handig het gesprek op de jonge meisjes en vrouwen te brengen, die op het gemaskerde bal zouden verschijnen en liet hen er zooveel van vertellen als ze maar wilden.”
„En dat was zeker niet weinig?” viel de andere hem in de rede.
„Neen, dat ging als van een leien dakje. Ze konden mij, als vreemdeling, niet genoeg vertellen van de knappe gezichtjes van hun zusters en de vriendinnen daarvan.
„Ik trok een ongeloovig gezicht, veronderstelde, dat hun geestdrift en bewondering wel een beetje overdreven zouden zijn en bereikte mijn doel, want de jongste van het tweetal, een lange, breedgeschouderde jonge kerel, die zich aan mij had voorgesteld als de student Peepstra, haalde uit zijn portefeuille deze drie portretten te voorschijn, mij vol trots vertellende, dat het zijn zuster en twee van haar vriendinnen waren.
„Dat zijn de beide vriendinnen,” vervolgde hij, met een handgebaar naar de als onbelangrijk terzijde gelegde portretten wijzende.
„Dus is dit de zuster van den student?” sprak Kleyston nogmaals, het portret van het bijzonder mooie meisje opnemende en het met een kennersblik lang bekijkende.
„Ja, dat is Suze Peepstra, die op den avond van het gemaskerde bal in onze handen moet vallen.”
„Maar hoe ben je in het bezit gekomen van deze portretten? Die gaf de student toch niet aan den eersten den besten vreemdeling!”
„Het toeval was mij ook in dezen gunstig. Ik zat juist alleen met Peepstra aan het tafeltje, de ander was naar aan der aangrenzende zalen gegaan om een ouden vriend te begroeten, toen een paar heeren binnenkwamen, die mijn nieuwen kennis schenen te zoeken. Waarschijnlijk hadden zij weer gewichtige besprekingen te houden over de groote feesten, want de heeren schijnen voorname rollen te spelen in den historischen optocht. „Ger!” riepen ze hem al van verre toe, „een oogenblikje asjeblieft, dringende aangelegenheid! Zullen je echter niet lang storen!”
„De student verontschuldigde zich en liet mij alleen, in zijn haast en opgewondenheid de drie portretten vergetende.
„Voordat de beide heeren terugkwamen, had ik die natuurlijk allang veilig opgeborgen en vijf minuten later heb ik met hem het Harmoniegebouw verlaten.”
Een ruwe lach klonk door het vertrek.
Toen vervolgde Norwald zijn verhaal, dat door Harry Kleyston vol aandacht werd aangehoord.
„Ik heb onmiddellijk verdere maatregelen getroffen. Schipper Harmsen is gewaarschuwd. Hij komt straks hier om onze verdere bevelen in ontvangst te nemen.”
Met een goedkeurend hoofdknikje legde de Amerikaan zijn sigaar op den rand van een glazen aschbakje en sprak:
„Dus over vijf dagen! Ja, dan hebben we nog ruim den tijd om Rooden Jim in Hamburg en moeder Bessie in New-York voor te bereiden.”
Het gesprek werd nog eenige minuten fluisterend voortgezet, toen een driemaal herhaald bellen weerklonk.
„Daar heb je Harmsen,” sprak Martin Norwald, „regel jij alles maar met hem. Wees vooral voorzichtig, de kerel is bijna zoo geslepen als jij-zelf!”
Op dit oogenblik werd er aan de deur van de kamer getikt en op het „binnen” van Kleyston, die inmiddels weer aan de vierkante tafel had plaats genomen, werd de deur geopend.
Binnen trad een man van een eigenaardig uiterlijk. Het was een persoon van misschien veertig jarigen leeftijd, van middelmatige lengte.
Hij had het voorkomen van de meeste Groningsche turfschippers, maar het vuurroode ringbaardje en het kroeze roode haar, de gluiperige, onrustig rondloerende oogen, die eenigszins scheef in het gelaat stonden en de kromme, spitse neus, gaven zulk een demonische uitdrukking aan het gelaat, dat het onwillekeurig aan dat van een duivel deed denken. [49]
In de groote, wijd uitstaande ooren droeg hij zilveren ringen, ondanks het zoele zomerweer had hij een wollen bouffante om den hals geknoopt en een donkerblauwe wollen trui bedekte zijn bovenlijf.
Op zijn linkerhand was in blauwe inkt een anker getatoueerd en door de aanwezigheid van een tabakspruim achter den linkerwang, was het gezicht als scheefgetrokken, terwijl een bruinachtig sap de onderlip bedekte. Hij was in Scheemda geboren.
Met de pet in de handen bleef hij bij de deur staan, een scherpen blik door het vertrek werpend.
„Kom nader, vriend,” sprak Kleyston, „je bent schipper Harmsen, nietwaar?”
„Joawel, meneer,” klonk het in Groningsch dialect uit den mond van den schipper, „dat bin ik zulf.”
„Die heer daar,” Kleyston wees naar Norwald, die weer ijverig bezig was, de aangekomen brieven te openen en in te zien, „heeft reeds kennis met je gemaakt. Maar ga even zitten,” vervolgde hij, den schipper een stoel tegenover hem aanwijzende.
Hij vestigde een doordringenden blik op het gelaat van den man met het roode haar en sprak toen verder:
„Kun je aanstaanden Zaterdag, in den loop van den avond, met je schip van hier vertrekken naar Delfzijl?”
„Mit mien törfschip, meneer?”
„Ja, met je turfschip en dat moet volgeladen zijn met turf!”
„Joa, dat ken wel, maar wat mot ik mit mien schip in Delfziel? Ik voar op Hoogeveen, da’s een andere kante uut!” antwoordde de man, zijn sluwe oogjes onafgewend gericht houdende op het gelaat van den heer aan de andere zijde van de tafel.
„Luister eens, vriend,” sprak Kleyston nu en hij boog zich eenigszins voorover, „er is een flinke som geld voor jou te verdienen, maar wij moeten op je kunnen rekenen. Antwoord mij dus kort en bondig: ben je bereid om Zaterdagavond of -nacht met je turfschuit de stad te verlaten en ons beiden als passagiers mee te nemen? Je moet ons, zonder dat iemand vermoedt, dat wij aan boord zijn, naar Delfzijl brengen, waar wij je schip weer zullen verlaten. Je kunt dan weer gaan, waarheen je wilt en, zooals ik je reeds zeide, dat reisje zal je geen windeieren leggen.”
„Mot er gain andere bagoazie of passagiers mit als de baide heeren?” informeerde Harmsen voorzichtig.
Norwald, die achter den rug van den schipper zat, wendde snel het hoofd om en wisselde een blik van verstandhouding met zijn kameraad.
Deze had dien blik dadelijk begrepen en hij antwoordde:
„Ja, waarschijnlijk zal een zuster van mij, die zwaar ziek is geweest, met ons meereizen. Doch dat is bijzaak. Vertel ons, wat je voorwaarden zijn en waar je schip ligt.”
„’t Schip ligt nou buuten ’t klaine Poortje, moar ik kan, as de heeren d’r veur willen betoalen, natuurlijk wel argens anders goan liggen. Bieveurbeeld in ’t Eemskanoal, dat is veur de heeren en de zaike juffer ook makkelijker te bereiken!”
Weer trof een loerende blik de grijze oogen van Kleyston, die echter, zonder zijn blik neer te slaan, vervolgde:
„En je condities?”
„Dreihonderd gulden veur de overtocht en de helfte veuroet betoald! Mochten d’r onoangenoamheden van komen—want je ken nooit waiten, is ’t niet woar meneer?—den stoa ik overal buten, ik wait nargens van, want ik leuf nooit dat ’t een fien zoakje is.”
Kleyston stond op.
Even trommelde hij met de vingers van zijn rechterhand op de tafel, toen sprak hij:
„Driehonderd gulden, dat is te veel, vriend, je kunt honderd gulden vooruit krijgen. Bij aankomst in Delfzijl, of liever als wij je schip verlaten—en dat is in de haven van Delfzijl, kun je nog eens honderd gulden krijgen. Geen cent meer! Ben je daarmee tevreden?”
„Tweihonderd gulden, dat is zunig betoald. Moar ik zei ’t moar annemen, want ’t binnen slechte tieden tegenzwoordig. Om hou loat willen de heeren vertrekken?”
„Dat kunnen wij je nog niet met zekerheid zeggen. Zorg in elk geval, dat je tegen acht uur Zaterdagavond kant en klaar bent en dat er niemand aan boord is dan jij. Later in den avond, misschien wordt het zelfs héél laat, komen wij dan met mijn zuster aan boord.”
„Begrepen, meneer!” klonk het van de bruine lippen van den schipper. „Dus ik ontvang nou honderd gulden?”
„Ja, maar je spreekt met niemand hierover, nietwaar?”
„Dat sprekt vanzulf, meneer.”
Kleyston haalde een bankbiljet van honderd gulden uit zijn portefeuille te voorschijn en overhandigde dit den schipper, nadat hij dezen een kwitantie had laten teekenen.
Met glinsterende oogen nam Harmsen het waardevolle stukje papier uit de hand van den Amerikaan. Toen nam hij uit een der zakken van zijn pilowbroek een platte, koperen tabaksdoos en borg het geld daarin weg.
Nadat hij de doos zorgvuldig weer gesloten had, begroef hij haar in een van zijn diepe broekzakken, stopte er zijn grooten rood en witten zakdoek bovenop, en sprak:
„De heeren zellen tevreden over mie wezen.”
„Een van ons komt nog wel bij je om een paar kleinigheden te bespreken,” sprak Kleyston.
„Bestig meneer. Dan ken meneer metain zain, woar ik met de schuut bin goan liggen. Dat is makkelijker veur de heeren.”
Toen zette de schipper zijn glimmende zwarte pet op het kroeze, roode haar en verliet het vertrek. [50]