[Inhoud]

ZESDE HOOFDSTUK.

De lustrumfeesten.

Eindelijk dan was de feestweek aangebroken; de week, waarnaar de gansche Provincie al maanden en maanden reikhalzend had uitgezien.

Met boerenhuifkarren en op sjeezen, in sport- en dogcarretjes, per stoomtram en per paardentram, met de trekschuit en den trein, per stoomboot, fiets en automobiel waren ze gekomen, de bewoners van de Ommelanden, uit Drente en Friesland.

Want als Groningen feest viert—als de studenten uit Gruno’s veste een groote gebeurtenis gaan herdenken, dan weet men wel, dat een bezoek aan „de stad” der moeite waard is.

De hotels, de logementen, kroegen en pensions waren niet toereikend om de gasten te herbergen.

Zoodat velen, die zich niet weken van te voren tegen grof geld, hadden voorzien van logies, genoodzaakt waren, elken avond naar de plaats hunner inwoning terug te keeren, als ze al niet den ganschen nacht bleven doorjoelen en pretmaken. Want van zulk slag werd een groot aantal aangetroffen onder de boerenjongens en -meiden.

Het Groningsche volk is een stevig ras en aan zoo’n paar uurtjes slaap zouden ze zich niet laten kennen—waarempel niet!

Geen student, die op kamers woonde, of hij had minstens vijf logeergasten te herbergen.

Veldbedden werden opgeslagen op zolders en in de gangen der huizen—tot zelfs op de veranda’s toe, waar de kans niet was buitengesloten, dat een verdwaalde vleermuis de zoete droomen van een Minerva-zoon zou komen storen.

Door de straten der stad bewoog zich reeds vroeg in den morgen een dichte, bonte menigte en vroolijk speelden de warme zonnestralen op de lichte japonnetjes der dames.

Datzelfde Juni-zonnetje verhoogde de warme tinten der versierde gevels en balkons en blikkerde op het schelle wit der vlaggen, die in lange banen neerhingen uit bijna alle huizen.

De grootste drukte heerschte op de Vischmarkt, vóór de Korenbeurs.

Want vandaag, de eerste dag der feesten, zou de historische optocht worden gehouden; de opstelling geschiedde in de Beurs en verder op het plein voor de kerk, die grenst aan de Korenbeurs.

Korven vol bloemen werden aangedragen en met vaardige hand aangebracht tusschen bloemslingers en andere versiering. Spanjolen, Geuzen, schout en schepenen, Rembrandtieke verschijningen, Vlaamsche edelvrouwen en zedige boerinnetjes liepen dooreen om nog te zorgen voor een laatste toiletbenoodigdheid.

Om tien uur zou de opstelling beginnen; om twaalf uur zou de stoet vertrekken.

In een vergulde statiekaros kwam een wonderschoone landsvrouwe aanrijden.

De karos hield stil voor de hooge stoep der Korenbeurs.

Een edelman van prinselijken bloede, prins Maurits, trad de stoep af en opende het portier der statiekoets.

De edelvrouw lachte en stak den ridder haar klein geganteerd handje toe.

„Dag Gerard! Ben je al klaar?”

„Maar Suze—wat een vraag! Ik was hier om vijf uur!”

„De eerste dus?”

„O, neen! De eerste làng niet. Willem de Zwijger was nòg vlugger!”

„Och, natuurlijk! Van Lissen van Duinen is altijd de eerste. Dà’s nog eens een vluggerd, Ger!”

Suze Peepstra, de oudste en tevens de lievelingszuster van „lange Ger” zag er bekoorlijk uit.

Zij was een lang, slank meisje van even twintig jaren.

Haar statiekleed van het zwaarste goudbrokaat en glanzend bruin fluweel vervaardigd, was nog afkomstig uit de zestiende eeuw.

Suze Peepstra had enkele weken geleden kennis gemaakt met de beide nieuwe vrienden van „lange Ger.”

Sindsdien had ze, met een paar vriendinnen, al menig roei- en fietstochtje gemaakt in gezelschap van haar broer, een paar Groningsche studenten en de beide adellijke heeren, die zoo’n opgang maakten in Groningen.

„Stel je voor,” bespraken de jonge dames, „nu heeft Van Lissen een auto laten komen, een pracht-auto gewoonweg. Blauw gelakt!”

„En van binnen heelemaal gecapitonneerd!”

„Een wapen is erop geschilderd!”

Natuurlijk! Hij is toch een lord!”

„Ben je al meegeweest, Suus, in de auto!”

„Ja, zalig, zeg. We hebben gisteren een tocht naar Zuidlaren gemaakt en zijn over Paterswolde terug getuft!”

„Heeft de lord een chauffeur?”

„Welneen—hij stuurt zelf!”

„Gunst, wat knap!”

„Knap,” zei Suus, „alles wat Van Lissen doet, is knap?”

„Hoor Suus eens!”

„Suus is verliefd!”

„Verliefd op den knappen lord!”

Suze bloosde en lachte, maar ze ontkende niet!

Willem de Zwijger trad op de schoone landsvrouwe toe.

„Heeft juffrouw Suze wel gerust?”

„O, ja, graaf! En u waart hier al weer zoo vroeg?”

„Zóó vroeg! Ik was hier om vier uur vanmorgen!”

„Lieve hemel!” [51]

„Vindt u dat zóó vroeg? Hebt u dan in den zomer nooit de zon zien opgaan? Zoo over de bergen—of uit zee?”—

„Ja—eens! Op den Rigi! En u?”

„Ik? In Nice en op Shetlandsche eilanden—en aan Kaap de Goede Hoop en in Astrakan en ja, waar niet al!”

„Hebt u zóóveel gereisd?”

„Nog veel meer! Maar ’t is nu niet de tijd, juffrouw Suze, om daar over te praten. Later vertel ik u eens een heeleboel van mijn zwerven over de aarde!

Mag ik u nu vast naar binnen geleiden en u een verfrisschenden drank aanbieden?”

„Kerel”, viel nu „lange Ger” in, „ik vind het toch zoo verdraaid gezellig van je, dat je je hebt laten overhalen om mee te doen aan den optocht. En je zult furore maken, Van Lissen, je zult bepaald de aandacht trekken tusschen ons, boerenkinkels! ’t Is voor den eersten keer, dat we hier ook anderen dan studenten en reunisten laten meedoen aan den optocht. In dat opzicht heb je dus alweer geboft!”

Er moest nog heel wat worden afgewerkt, vóórdat de optocht gereed was, maar dank zij het flinke optreden van Peepstra en zijn helpers vlotte alles uitnemend en om twaalf uur vertrok de stoet van de Korenbeurs om allereerst over de Vischmarkt en Groote Markt door de oude Ebbingestraat en vandaar langs de Singels te trekken.

Het was een fraaie stoet.

Aller oogen werden geboeid door de mooie kleurschakeering, door de schoone groepeering der wagens en door de bekoorlijke gezichtjes der jonge vrouwen, die haar medewerking verleenden.

De slanke, elegante figuur van den persoon, die Willem de Zwijger voorstelde, trok de aandacht der Groningers in sterke mate.

Wie was hij?

Men kende dezen jonge prins niet als een figuur uit de Groningsche studentenwereld.

Men herinnerde zich niet, hem bij vroegere studentenfeesten te hebben gezien.

En de enkelen, die in het fijne aristocratische gelaat boven de breede plooikraag de trekken herkenden van graaf Van Lissen van Duinen maakten vergelijkingen tusschen hem en de studenten uit de hoofdstad.

En dat vergelijk viel dan niet altijd in het voordeel der Groningers uit, hoewel hun stoere figuren zich weer uitstekend leenden voor het uitbeelden van de robuste geuzen.

Maar de allermeeste aandacht trok een wagen met een reusachtig groot groen varken, de honderdvoudige vergrooting van een steenen kinderspaarpot.

Dat groote, groene varken was gemaakt van bordpapier.

Naast dezen spaarpotwagen liepen twaalf Groningsche studenten en ieder van hen droeg een langen stok, aan het einde waarvan een fluweelen zak was bevestigd.

De jongelui hielden die zakjes voor aan de duizenden toeschouwers en ze staken ze eveneens toe aan de kijkers, die op balkons en achter de hoog opgeschoven vensters van eerste en tweede verdiepingen hadden postgevat.

Telkens leegden ze dan hun zakjes, als deze te zwaar werden boven de wijde opening, die het spaarvarken in zijn rug droeg.

Wat op deze manier vloeide uit de beurzen der duizenden en tienduizenden kijkers in den grooten, hollen buik van het groene dier, was bestemd voor de Groningsche armen.

Het idee om aldus een mooie som gelds bijeen te brengen voor de minder met geld en goed bedeelden uit de feestvierende Academiestad, was uitgegaan van Gerard Peepstra. Suze had toen den wagen ontworpen; ze had een teekening gemaakt van het groote spaarvarken, dat zou staan voor een trog en op een vloer, die geheel was bedekt met zachtgroen mos.

Het geheel was uitstekend geslaagd en het was zoo oorspronkelijk van opzet en zoo hartelijk bedoeld, dat het aller sympathie droeg.

De geldstukken rinkelden voortdurend neer in de fluweelen zakken der onvermoeide studenten, die maar steeds vroegen—altijd meer, altijd meer.

Geen oogenblik rustten ze uit van hun vermoeiende taak en toen omstreeks vijf uur in den namiddag de optocht was geëindigd en de laatste deelnemers weer in de Korenbeurs verdwenen om zich daar te ontdoen van het allerergste stof en de eerste en hevige dorst te lesschen, toen waren er vele duizenden guldens neergevallen in de grage ingewanden van het groene varken.

Dien avond werd een groot bal gegeven door den Senaat van het Groningsche Studentenkorps en den hoofdpersonen uit den optocht werden gouden herinneringsmedailles geboden.

De burgemeester der stad hield een aardige toespraak, toen hij den dames en heeren de medailles op hun schitterende kleedij spelde, want velen droegen—een tikje menschelijke ijdelheid was hieraan niet vreemd—hun kleeren uit den optocht.

Niet alzoo graaf Van Lissen van Duinen.

Uiterst correct in zijn smoking, met flonkerende juweelen knoopjes in zijn overhemd en een enkelen kostbaren diamant aan den pink van zijn linkerhand, droeg de graaf een orchidee in het knoopsgat.

Toen de burgervader hem de gouden medaille wilde opspelden, nam hij de zeldzame bloem van zijn jas weg, bracht ze even aan de lippen en bood ze toen met een hoffelijk gebaar en een innemenden glimlach aan de echtgenoote van den burgemeester.

De schoone, aristocratische dame aanvaardde zeer gaarne deze kleine, maar toch zoo uiterst fijne attentie van den knappen gast van het korps.

En alle in de zaal aanwezige vrouwen benijdden haar dit voorrecht.

Het bal was zeer geanimeerd en de mooie Suze Peepstra was de koningin ervan.

Het was zes uur in den morgen toen het laatste [52]groepje studenten de feestzaal verliet en zij stoorden de nog slapende stadsgenooten, toen hun jonge stemmen, frisch nog, ondanks de genoten feestvreugde, het lied van het Groninger Studentenkorps aanhieven.

Fier en krachtig klonken de woorden:

Dat zwaard moet tijden tarten,

Die vijl zal tijden staan,

Die band om onze harten,

Nog lang zijn kronkels slaan.

Hoe ver uiteen gedreven,

Hoe wijd van deze stad,

Vereend zijn wij voor ’t leven

Door ’t wachtwoord Vindicat.1


1 Het devies van het Groningsche Studentenkorps luidt: Vindicat atque polit: Deze wreekt, gene beschaaft. (Het zwaard en de vijl.)