[Inhoud]

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Het gemaskerde bal.

Voor het gebouw van de Harmonie, in de Oude Kijk in ’t Jatstraat, stond een lange file van rijtuigen.

Slechts langzaam schoven de voertuigen, bij korte tusschenpoozen, voorwaarts en nog steeds kwamen uit alle gedeelten der academiestad andere aan, die bezoekers brachten voor het groote, gemaskerde bal, dat op dien avond de rij der feestelijkheden zou besluiten.

Telkens als het portier van een rijtuig werd geopend, zag men dames en heeren in allerlei fantastische costuums uitstappen, het kleine tuintje vóór den ingang van het gebouw met haastige schreden doorloopen en verdwijnen door de glazen deuren, welke naar de groote concertzaal leidden.

In deze zaal, die prachtig was versierd en die geheel was herschapen in een lustoord, zou het gemaskerde bal worden gegeven.

Achter groen en bloemen verscholen had een gedeelte van het Harmonie-orkest plaatsgenomen.

In de hoeken der zaal waren buffetten en champagnetentjes aangebracht. De glazen deuren naar den tuin stonden alle wijd open.

De veranda’s waren met kleurige lampions verlicht en het geheel vormde, op dezen prachtigen zomeravond een bijzonder feestelijk terrein.

Steeds voller werd het in de groote zaal en aangrenzende ruimten, nog steeds stroomden de bezoekers binnen, vroolijk klonken de stemmen, helder lachen werd onophoudelijk vernomen.

Men nam elkaar met nieuwsgierige blikken op, trachtend te raden, welk bekend gelaat achter de zijden maskers verborgen kon zijn.

Men begroette elkaar, deed elkaar vragen, soms met veranderde stem, meende soms een goeden vriend of lief vriendinnetje te herkennen, om een oogenblik later tot de ontdekking te komen, dat men zich toch had vergist.

Er was een keur van de mooiste, smaakvolste toiletten, naast verscheidene, die allergeestigst waren bedacht, andere, die minder geslaagd waren.

Het binnenkomen van een troepje Zigeuners, op een afstand gezien in havelooze plunje gestoken, die echter in werkelijkheid van de fijnste stoffen was vervaardigd, trok aller aandacht.

Keizer Wilhelm bewoog zich door de zaal, aan zijn arm de kleine Mignon in haar korte rokje rondleidende, koningin Anna van Engeland stond druk te redevoeren met Carmen en een schalksche Pierrette bood een rozeknop uit haar bouquet aan een langen, mageren schaapherder.

Ook vele heeren, eenvoudig in domino gehuld, bevonden zich tusschen de feestvierenden.

In een der kleinere zijvertrekken werd men in de gelegenheid gesteld om zich van een masker en een domino te voorzien en hiervan had menigeen, die ongecostumeerd was gekomen, gebruik gemaakt.

In deze kamer, waarin groote spiegels waren opgehangen en eenige kamerschermen neergezet, opdat de bezoekers er zich ongestoord in hun masker en domino konden steken, was juist een lange, slanke heer binnengekomen, die zich van een zwartzijden domino en dito masker had voorzien en zich hiermede achter een breed Japansch scherm, met gouden vogels geborduurd, had begeven.

Voor den spiegel, die achter het scherm aan den muur hing, schuierde hij den kortgeknipten donkeren knevel op en juist had hij zich het halve masker voor het gelaat gebonden, zoodat alleen de schitterende zwarte oogen er doorheen zichtbaar waren, toen de deur van het vertrek opnieuw werd geopend en twee heeren binnenkwamen.

Ook zij hadden zich van eenvoudige zijden domino’s voorzien en toen zij, op eenigen afstand van het Japansche scherm gekomen, daar fluisterend bleven staan praten, gluurde de eenzame heer met het zwarte masker even door een reet, tusschen twee gedeelten van het goudbestikte schut.

Het vertrek was overigens geheel leeg.

Aan den tegenoverliggenden muur, achter een soort toonbank, zat de juffrouw, die het beheer had over de te verhuren domino’s. Zij verslond met gretige blikken een feuilleton in het „Nieuwsblad van het Noorden” en lette er nauwelijks op of de heeren zich in een rooden, [53]zwarten of violetten mantel hulden.

„Dus je weet zeker, dat zij als Margaretha gekleed is?” fluisterde een der heeren den ander in.

De onbekende achter het scherm talmde wonderlijk lang met het omslaan van zijn wijden, zwarten mantel.

Zijn scherp, geoefend oor verloor geen enkelen klank, geen enkel woord van hetgeen daar gefluisterd werd en steeds meer rekte de lenige gestalte zich uit, toen de ander, een man met kortgeknipt, donkerbruin haar en loerende oogen antwoordde:

„Ja, Peepstra kon het niet langer voor zich houden, dat zei ik je immers. Hij als Faust, zijn zuster als Margaretha.”

„Dus jij vraagt haar te dansen, wandelt met haar in den tuin en dan achter de muziektent …”

Terwijl hij zich den donkerbruinen mantel om de schouders sloeg, wierp de ander een korten, scherp onder zoekenden blik door het leege vertrek en fluisterde terug:

„Je volgt ons ongemerkt, het andere zal wel in orde komen.”

Een honend lachen was het antwoord.

De beide donkerbruine domino’s verlieten het kleine zaaltje.

De juffrouw achter de toonbank was juist aan een bijzonder boeiend gedeelte van den roman gekomen en merkte niet eens op, dat van achter het scherm met de gouden vogels en bloemen een lange gestalte in wijden zwartzijden mantel te voorschijn kwam, die nu als een snelle schaduw door de deur verdween.

De zwarte gedaante gleed de balzaal binnen en was weldra in het gewoel der wandelende en dansende paren verdwenen.

Zijn donkere oogen zochten van achter het zijden masker tusschen de zich om hem heen bewegende menigte en weldra scheen hij gevonden te hebben wat hij zocht.

Hij had op een stoel bij een klein marmeren tafeltje plaats genomen en keek vol belangstelling naar een aardig groepje, dat wandelend naderde.

De costuums waren uitstekend gekozen, goed van teekening en snit en de kleine groep trok de algemeene aandacht.

Het waren Faust en Margaretha, die gearmd kwamen aanwandelen, terwijl vlak achter hen Martha aan den arm van Mefisto liep.

Faust was een jonge man van lange gestalte. Het buis en de korte broek waren van donkerblauw fluweel en ivoorkleurig glanzend satijn gemaakt, zijden kousen omsloten de fraai gevormde beenen, terwijl de voeten in kostbare schoenen staken, geheel passend bij het toilet.

Een blauwfluweelen baret met prachtigen, golvenden struisveer bedekte het hoofd. Van het gelaat was alleen de blonde baard zichtbaar, terwijl een paar intelligente blauwe oogen overmoedig tintelden.

Lachend toonde hij zijn prachtige witte tanden en het was geen wonder, dat de jonge meisjes in het voorbijgaan lange blikken wierpen op dezen ideaal-Faust.

De Margaretha aan zijn zijde was een allerbevalligste verschijning.

Het eenvoudige lichtblauwe kleed, van kostbare stof vervaardigd en zwaar achter haar sleepend, omsloot een elegante, sierlijke gestalte, wier volmaakte vormen uitstekend tot hun recht kwamen in dit ouderwetsch gewaad.

Het fijne kopje, dat gedeeltelijk achter een wit satijnen masker was verborgen, droeg een schat van goudblond haar, dat eenvoudig in tweeën gescheiden, in een paar zware vlechten neerhing.

Het fijne witte borduurwerk, waarmede de japon was gegarneerd en het kleine taschje, dat aan haar zijde hing, waren op zichzelf al kunstwerken.

Zij had een gebedenboekje met gouden slot in het fijne, blanke handje en hield, ook terwijl Faust soms teeder met haar fluisterde, het hoofdje zedig terneergebogen.

Een aardig contrast met dit tweetal vormden Mefisto, in zijn nauwsluitend vuurrood gewaad met het korte wijde manteltje, de roode muts met haneveer op het hoofd en Martha, de oude kokette, die met een reusachtige zonnebloem op haar boezem prijkte.

Het bal was nu in vollen gang.

De muziek zette opnieuw in en de verleidelijke tonen van een wals weerklonken door de ruime zaal.

De heer in den zwarten domino was uit zijn stoel opgestaan en slenterde langzaam in de richting van het podium, dat een groot prieel van rozen en klimop geleek.

Daar, in een hoek, bij een der buffetten stonden Faust en Margaretha.

De jonge man had zijn dame juist een glas sorbet aangereikt, dat zij langzaam ledigde.

De zwarte domino was vlak naast hen komen staan. Ook hij dronk met blijkbaar welbehagen een glas van een der verkoelende dranken.

„Nu laat ik je straks aan je lot over,” hoorde hij Faust met welluidende stem zeggen. „Het wordt tijd, dat ik me eens ga wiegen op de tonen van dezen Donau-wals,” voegde hij er lachend aan toe.

„Je behoeft je over mij verder niet ongerust te maken,” antwoordde Margaretha, terwijl zij den Romeinschen krijger, die naast haar geleider stond, aankeek. „Mijn cavalier wacht al met ongeduld.”

„Vermoei je maar niet te veel, sla af en toe eens een enkel dansje over,” vermaande de stem van Faust.

„O ja, in den tuin is het ook zoo verrukkelijk, daar zullen we elkaar weleens ontmoeten!” lachte zij terug en tegelijkertijd nam zij den arm van den forschgebouwden Romein en begaf zich met hem onder de dansende paren.

De zwarte domino had zijn leeg glas neergezet en volgde met de oogen weer de dansers.

Daar zweefde Margaretha hem voorbij, den langen sleep van haar kleedje bevallig opgenomen, met haar rechterhand losjes den schouder van haar danser aanrakende.

Haar kleine, sierlijke voetjes raakten bijna den gladden dansvloer niet en ook nu ging een ongewone bekoring van haar uit. [54]

De eenzame toeschouwer zag, hoe zij zich geheel overgaf aan het genot van den dans, maar tevens ontging het hem niet, hoe op eenigen afstand van hem een heer in donkerbruinen zijden domino evenveel belang scheen te stellen in de danseres met de lange blonde vlechten als hij zelf.

Ook zag hij, hoe deze heer daarna teekenen van verstandhouding wisselde met een tweeden domino, die aan de zijde van een aardig Tyroolsch boerinnetje in zijn nabijheid stond.