Het was warm geworden in de balzaal.
De zachte zomerlucht, die door de geopende deuren naar binnen kwam, bracht slechts weinig koelte aan en de waaiers der dames deden druk dienst.
De tafeltjes onder de lange veranda’s waren alle bezet. Kellners droegen verfrisschende dranken aan en menig paartje gaf er de voorkeur aan om langzaam op en neer te wandelen.
In het voorste gedeelte van den tuin, tot daar, waar de muziektent zich bevond, was het helder verlicht. In het stuk, dat daarachter lag, brandde slechts een enkele gasvlam.
Het was door den breeden muziek koepel als ’t ware gescheiden van het overige feestterrein.
Slechts enkele wandelaars begaven zich daarheen; men bleef liever in het verlichte, gezellige gedeelte, waar gedanst, gelachen en pret gemaakt werd.
Een der paren had juist de warme zaal verlaten.
Het was de bekoorlijke Margaretha, die, moe van het dansen en snakkende naar wat buitenlucht, in druk gesprek met een eenvoudigen bruinen domino, zich naar den tuin begaf.
„Dus u hebt den souperdans al besproken?” vroeg de heer, die naast haar liep, op teleurgestelden toon.
„Ja, het spijt mij voor u, maar u komt daarvoor een beetje laat. Het is, geloof ik, al elf uur!”
„Om u de waarheid te zeggen, weet ik niets van den tijd. Als men in het gezelschap is van zooveel bekoorlijke jonge dames, weet men alleen, dat de tijd veel te snel vervliegt!” antwoordde de heer met het bruinzijden masker.
„Hebt u er iets op tegen, den tuin verder door te loopen?” vervolgde hij, toen het jonge meisje wilde terugkeeren.
„Het is daar niet meer gezellig, allen blijven hier, in het verlichte gedeelte,” klonk het aarzelend.
„De tuin is zoo klein, laten wij onze wandeling zoo ver mogelijk uitstrekken. Of voelt ge u niet veilig in mijn geleide, Margaretha?”
Een helder lachje klonk van haar lippen.
„De tuin van de Harmonie onveilig?” herhaalde zij. „Kom, ik zal het er dan maar op wagen!”
Schertsend liepen zij verder, hij vertelde haar van een gemaskerd bal, dat hij eens in Parijs had bijgewoond.
„Het was een zoogenaamd Apachenbal,” sprak de heer, terwijl hij met spiedenden blik om zich heen keek.
„Gij kunt u niet voorstellen, hoeveel werk er gemaakt was van de costuums, die alle uit de fijnste, kostbaarste stoffen waren vervaardigd, terwijl zij toch den indruk maakten van waardelooze lompen.
„De groep Zigeuners van vanavond herinnerde mij onwillekeurig aan dat schitterende Parijsche feest.”
Zij waren nu, zeer langzaam voortloopende, tot achter de muziektent gekomen.
Het was daar inderdaad, zooals Margaretha had gezegd, eenzaam en vrij donker. Zij waren op dat oogenblik daar de eenige wandelaars.
Plotseling haalde de bruine domino van onder zijn wijden mantel een klein voorwerp te voorschijn.
Bliksemsnel sloeg hij zijn rechterarm om het middel van het jonge meisje en in hetzelfde oogenblik hield hij haar een geopend fleschje onder den neus.
Zonder eenig geluid te geven hing zij bewusteloos in zijn arm en terwijl uit de duisternis van een groepje, hooge struiken een tweede donkere gedaante snel te voorschijn kwam, die handig de bewustelooze in zijn eigen bruinen domino hulde, welken hij reeds van te voren had losgemaakt, nam hij het bewustelooze lichaam in zijn armen over en begaf zich met haastige schreden naar den uitgang.
Zijn helper liep langs den anderen kant naar de richting van de balzaal terug, terwijl hij eenige oogenblikken later het gebouw, waar de feestvreugde bijna haar toppunt had bereikt, verliet.
Geen der beide mannen had opgemerkt, hoe in het onzekere licht achter de muziektent geen enkele hunner bewegingen was ontgaan aan de scherpe blikken van een persoon, die zich op een donker plekje had schuil gehouden.
Lord Lister, alias John C. Raffles, de Groote Onbekende, had, gehuld in zijn dunnen zwarten mantel, het gelaat nog steeds ten deele bedekt door het zwarte masker, in den bruinen domino, die aan de zijde van Margaretha liep, terstond een der beide samenzweerders uit de kleedkamer herkend.
Toen hij de zuster van den student Peepstra met een van de schurken door de zaal had zien wandelen, had hij onmiddellijk begrepen, dat nu het plan der beide kerels ten uitvoer gebracht zou worden, het plan, in de kleedkamer afgeluisterd. [55]
Op eenigen afstand van hem, schijnbaar met onverschillige blikken naar de bonte menigte kijkend, die zich kostelijk amuseerde, had Raffles den anderen bruinen domino zien zitten, die dichtbij het Japansche scherm had staan praten.
Blijkbaar wachtte hij totdat zijn kameraad zich met het jonge meisje naar den tuin zou begeven om hen dan volgens afspraak daarheen te volgen.
Zoo snel als hij zich door de menschenvolte heen kon werken, had Raffles de feestzaal verlaten en toen hij zich had verborgen in een uiterste hoekje van den tuin, waar het onder de zware struiken zoo donker was, dat niemand een menschelijke gedaante zou vermoeden op die donkere plek, wachtte hij op de dingen, die komen zouden.
Zijn geduld was niet lang op de proef gesteld.
Toen hij zag, op welke wijze de beide vreemdelingen zich meester maakten van het jonge meisje, omklemde zijn band in een plotselinge opwelling van woede den browning, die in zijn zak verborgen was.
Maar neen—nòg was het oogenblik niet gekomen om te handelen en zoo snel mogelijk uit zijn schuilhoek te voorschijn komende, haastte hij zich om eerder dan de man, die het lichaam van het bewustelooze meisje wegdroeg, bij den uitgang van het gebouw te komen.
In een oogwenk had hij in de kleedkamer zijn maskerademantel verwisseld voor zijn dunne overjas en, met den glimmenden cylinder op het hoofd verliet hij de Harmonie.
Eenige minuten later reed een rijtuig door de Oude Kijk in ’t Jatstraat, waarin twee heeren zaten, die een bewustelooze dame bij zich hadden.
Het was Harry Kleyston en Martin Norwald gelukt om zonder opzien te verwekken het gebouw te verlaten.
Wel hadden bij de helder verlichte veranda eenige nieuwsgierigen geïnformeerd naar hetgeen was voorgevallen, maar de heer, die in onberispelijk avondtoilet was gekleed, deelde hun mede, dat zijn jonge vrouw, waarschijnlijk ten gevolge van het drukke dansen en de kolossale warmte in de zaal, een lichte flauwte had gekregen.
Daar zijn rijtuig toch wachtte, zoo vertelde hij verder, was het maar het verstandigst om met haar naar huis terug te rijden.
Het blonde hoofd met de prachtige, zware haarvlechten was geheel verborgen in den kanten avonddoek, die Suze Peepstra reeds voor het verlaten van de balzaal om had geslagen en haar lichtblauw kostuum was bedekt door de donkerbruine domino.
Daar niemand den vreemden heer kende, werd er niet veel notitie van het geval genomen.
Men had het te druk met dansen, pret maken en intrigeeren!