Op eenigen afstand van het rijtuig, waarin de beide schurken zaten met het jonge meisje, volgde een tweede rijtuig.
Hierin bevond zich slechts één persoon, namelijk de heer die, in dunne zwarte overjas en met den cylinder op het donkere haar, zooeven het Harmoniegebouw had verlaten.
John C. Raffles had eenige korte bevelen gegeven aan den koetsier en met een „Begrepen mijnheer!” had deze weer op den bok plaats genomen.
Het tweede rijtuig bleef op zoo groot mogelijken afstand achter het eerste aanrijden.
In de straten van Groningen lette niemand op de beide voortrollende voertuigen.
Een kwartiertje later hield het eerste rijtuig, nadat het de Steentilstraat was doorgereden en toen een der buitenwegen had ingeslagen, stil aan het Eemskanaal.
Een klein, onaanzienlijk turfscheepje lag er gemeerd.
Op het dek glansde het geelachtige schijnsel van een enkele petroleumlantaarn en in het vale licht onderscheidde men bij de vrij breede loopplank de gedaante van een man in schipperskleeren.
Het was schipper Harmsen.
Hij had aan de beide handelaars in blanke slavinnen zijn turfscheepje afgestaan om het geschaakte jonge meisje naar Delfzijl te voeren. Vandaar zou het dan verder per stoomboot over Hamburg naar New-York gaan.
De handlangers der beide schurken: Roode Jim en Moeder Bessie hadden de noodige bevelen ontvangen.
Zij waren ervan verwittigd, dat Kleyston en Norwald weer een goede vangst op het oog hadden en bij ondervinding wisten ze, dat hun die buit niet licht zou ontsnappen.
Zoo’n beeldschoon meisje—dat zou een aardig winstje geven.
Jim had al berekend, dat hij voor zijn portie heel wat dollars kon opstrijken. En makkelijk verdiend was ’t ook. Logies voor een enkelen nacht—goede, maar uiterst strenge behandeling en bewaking—en dan onder toezicht van Kleyston, den leider van de heele onderneming, ingescheept naar New-York, op de boot van James Baser, die óók al meer dan eens zulke zaakjes bij de hand had gehad en het klappen van de zweep maar opperbest kende.
Schipper Harmsen zag in de verte het rijtuig naderen en hij begreep, dat de beide heeren zouden komen met hun „zuster.” [56]
Hij had terstond gesnapt dat hier van een zuster geen sprake kon zijn.
Twee manskerels met een zuster; mannen, die zoo’n hoop geld hebben, behoefden niet in een turfschip naar Delfzijl te zeilen.
Neen, daar zat een vuil zaakje achter.
„Afijn”, redeneerde Harmen, „wat gait mie dat an? Niks! Daor is de kerke mit oet!”— — —
De koetsier sprong van den bok.
„Hier is je belooning,” sprak Norwald en hij gaf den man een bankbiljet van vijf-en-twintig gulden.
„Haast je nu naar de stad terug.”
Dat liet de koetsier zich geen twee keer zeggen.
Hij legde de zweep over den rug van zijn paardje, keerde en haastte zich naar stal.
De baas zou er niet op letten, dat hij een uurtje langer was weggebleven—’t was nou zoo druk in stad.
En hij had maar fijn een extra’tje verdiend. ’s Jonge, jonge, wat een bof!—
Voorzichtig, uiterst voorzichtig had Kleyston het bewustelooze lichaam, in de bruinzijden domino gehuld, uit de vigelante genomen en met behulp van den stoeren Harmsen, die zware vrachies wel gewoon was, werd het jonge meisje aan boord gedragen, op een grooten stapel dekens neergelegd en door een paar hooge houten kisten onttrokken aan den blik van ieder, die op den wallekant achterdocht mocht kunnen koesteren—al was daarvoor ook niet de geringste kans.
Kleyston was er echter steeds voor, de grootste voorzichtigheid te betrachten en totnogtoe had hij zich daarbij zéér goed bevonden.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
De koetsier, die, zonder dat hij daarvan het minste vermoeden had, aan het volvoeren van de ellendige misdaad had meegeholpen; die de strengste geheimhouding had moeten beloven over alles, wat hij had gezien, daar een der heeren hem had verteld, dat het jonge meisje uit het ouderlijke huis was gevlucht en daar heen nu zoo spoedig, mogelijk weer moest worden teruggebracht—de man op den bok dan had, toen hij zich weer stadwaarts spoedde, een rijtuig ontmoet, toen hij nog niet ver verwijderd was van de plaats, waar, in het Eemskanaal, het scheepje van schipper Harmsen lag gemeerd.
Hij had er geen acht op geslagen.
Hij zag niet, dat een paar spiedende oogen vanuit het geopende portierraampje door de duisternis boorden.
En evenmin lette hij erop, dat de koetsier van dat andere rijtuig zijn vurig paardje tot spoed aanzette.
Het coupétje joeg voort langs het kanaal en het hiel stil in het oogenblik, toen schipper Harmsen de loopplank inhaalde, om daarna met den vaarboom den tjalk van den wal te zullen stooten en op te varen naar het noordwesten.
Maar nog voordat Harmen de breede plank had opgetild, werd het portier van het rijtuig geopend, een slanke gedaante vloog eruit, rende de loopplank over en stond voor het gelaat van drie onthutste mannen, voordat deze eigenlijk wisten, wat geschiedde.
„Halt,” riep de nieuw aangekomene, „halt, wat gebeurt hier aan boord?”
De schipper keek den ander met een brutalen grijnslach aan, terwijl Kleyston en Norwald zich aan de zijde van hun handlanger schaarden.
„Ik vraag, wat hier gebeurt,” herhaalde de vreemdeling.
„Hier gebeurt niks,” zei Harmsen, „wat heb je hier aan boord te doun! Ik verzuik joe om joen biezen te pakken of anders!”
Harmsen wendde zich om en raapte iets van het dek op, dat hij hoog boven zijn hoofd zwaaide.
Het was de scheepszwabber.
De lange vreemdeling greep met zijn rechterhand den opgeheven arm van den schipper, trok dien omlaag, greep met de linker de scheepsschrobber en slingerde het voorwerp twintig meter ver, zoodat een luide plons weerklonk, toen het neersmakte in het Eemskanaal.
„Handen omhoog,” riep de man met den hoogen cylinder uit, „handen omhoog, jullie alle drie, of ik schiet!”
Bliksemsnel had hij uit een zijner jaszakken een browning te voorschijn gehaald en hij duwde het wapen onder den neus van den schipper en daarna onder de oogen van de beide andere schurken.
Geen van drieën verroerde een vin.
Noch Kleyston, noch Norwald waren op zooiets voorbereid geweest en ze hadden er dan ook geen oogenblik aan gedacht zich te wapenen bij deze expeditie.
„Wijst me nu terstond, waar ge het jonge meisje in het kostuum van Margaretha hebt verborgen. Wijst het me oogenblikkelijk, voordat het te laat is en voordat ik alarm sla!”
De schipper antwoordde niet.
Ook Norwald sprak geen woord.
Maar Kleyston, die begreep, dat hij hier met een handig tegenstander te doen had, een tegenstander, die hem in dit oogenblik de baas was—Kleyston sprak:
„We zullen u met genoegen het meisje wijzen, dat wij medenamen om haar aan haar ouders terug te brengen.
„Zij ontvluchtte het ouderlijk huis en ons, als particuliere detectives, werd opgedragen, het zaakje weer in het reine te brengen.”
„Zóó” sprak de ander, doende, alsof hij dit sprookje geloofde, „is dat de zaak.
„Enfin, ge zult mij hier moeten laten, totdat mijn rijtuig terug is gekomen. Ik zond den koetsier even naar de stad. Wijs mij nu de ontvoerde jongedame.”
Een oogenblik later zag lord Edward Lister, want hij was het, die Suze Peepstra’s beulen was gevolgd, op een hoop wollen dekens het bleeke gelaat van het jonge meisje.
„Gaat alle drie naar het achterdek,” beval hij de mannen, „ik vertrouw jullie niet in mijn nabijheid.”
Zij gehoorzaamden.
Toen boog Raffles zich voorover, luisterde naar Suze’s ademhaling en was al gauw tot de conclusie gekomen, dat zij door chloroform bedwelmd was, maar dat binnen korten tijd het bedwelmingsmiddel moest hebben uitgewerkt. [57]
Terzelfdertijd naderde in snellen draf een rijtuig van de stad, gevolgd door een tweede.
Enkele oogenblikken later stapten uit dat tweede rijtuig een drietal heeren, die de loopplank overgingen en zich aan dek van de turfschuit begaven.
Raffles trad op hen toe.
„Heb ik ’t genoegen den hoofdcommissaris van politie te spreken?”
„Die ben ik,” antwoordde een heer met een bruinen baard, „ik ontving uw telefonische boodschap en haastte mij naar hier met twee van mijn kranigste rechercheurs!”
„Mijn naam is Van Lissen Van Duinen,” stelde Raffles zich voor, „ik geloof, dat ik u een goede vangst bezorg. De heeren,” hij wees naar de schurken, „hebben juffrouw Suze Peepstra van het gemaskerd bal in de Harmonie ontvoerd om haar, met medewerking van dezen schipper over te brengen naar de een of andere havenplaats—ik vermoed naar Delfzijl.
„Mijnheer de Hoofdcommissaris, ik hoop, dat ge hier de hand hebt gelegd op een paar doortrapte handelaars in blanke slavinnen.”
De Hoofdcommissaris had Raffles aangehoord en terstond ook zijn eigen gevolgtrekkingen gemaakt.
En zoo gebeurde het, dat, nadat Suze Peepstra in het eerste rijtuig was gedragen en neergelegd, een oogenblik later drie politiemannen en drie geboeide schurken stadwaarts reden.
De „firma” Kleyston en Norwald had ditmaal volkomen échec geleden.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Langzaam, bijna stapvoets reed het rijtuig, waarin lord Edward Lister en Suze Peepstra zich bevonden, terug langs den waterkant.
Men had nog geen vijf minuten gereden, toen het jonge meisje de oogen opsloeg en verward om zich heen keek.
„Waar ben ik?” fluisterde zij angstig.
„In goed gezelschap juffrouw Suze,” antwoordde de lord.
Uit zijn zak haalde bij een electrische zaklantaarn te voorschijn, waarmede hij zijn eigen gelaatstrekken verlichtte.
„Graaf van Lissen,” fluisterde Suze, „hoe kwam ik hier—wat is er met mij gebeurd? Ik herinner mij nu den tuin van de Harmonie—den bruine domino—plotseling—een wee-zoete lucht—daarna niets meer!”
Toen vertelde lord Lister het meisje, wat er was gebeurd en hoe hij het rijtuig der misdadige mannen was gevolgd.
„Ge behoeft u thans niet meer zenuwachtig of ongerust te maken,” besloot hij, „u is geen leed geschied.
„Ik zal u thans naar uwe ouderlijke woning brengen. Rust zal u goed doen.”
„Maar mijn broer, mijn arme broer. Gerard zal in de grootste onrust verkeeren. En, graaf, hoe moet ik u danken voor uw heldendaad!”
„Ik wensen geen dank,” sprak Raffles, „geloof mij, juffrouw Suze, het ging alles van een leien dakje. Ik heb wel voor heeter vuren gestaan.
„En wat uw broer betreft—dien zal ik zoo spoedig mogelijk gaan geruststellen.”