De Firestreet behoort tot een der onoogelijkste buurten van Londen.
De bewoners zijn voor een gering deel wat de Engelschen unskilled labourers noemen, dat wil zeggen, arbeiders zonder speciale vakopleiding, zooals kadewerkers, sjouwers, enz., maar voor het grootste gedeelte oefenen zij een beroep uit, hetwelk niet nauwkeurig te omschrijven valt, maar dat zeker niet tot de eerbiedwaardige gerekend mag worden.
Over het algemeen woont hier een lichtschuw volkje, dat pas te voorschijn komt als het daglicht heeft plaats gemaakt voor het kunstmatig schijnsel der straatlantaarns, die hier overigens spaarzaam zijn aangebracht.
Dan zwermen de mannelijke zoowel als de vrouwelijke bewoners van deze straat uit, evenals de bijen uit hun korf, met dit onderscheid evenwel, dat zij pas naar hun woningen terugkeeren op het oogenblik, dat de nijvere insecten zich gereed maken om uit te vliegen.
De politie heeft het alles behalve voorzien op deze buurt, want zij weet zeer goed, dat daar misdadigers van allerlei aard bijeen hokken, inbrekers en dieven, ladelichters, zakkenrollers, souteneurs, chanteurs van diverse pluimage en voorts een groot aantal gelegenheidsdieven, die den arbeid schuwen, en van allerlei bronnen leven, die het daglicht niet kunnen velen.
Somtijds worden er razzia’s ondernomen in deze straat, die niet geheel en al zonder gevaar zijn, want het ergste gespuis heeft een zeer vlotte hand van schieten, en ontziet zich niet, de bedreigde vrijheid met revolverschoten te verdedigen.
Maar toch is de politie er van overtuigd, dat zij er nog altijd niet in geslaagd is, tot den haard van al deze ongerechtigheden door te dringen.
Zij weet dat er ergens een haard moet bestaan, een kern, een middelpunt, de plek, waar de spin moet zitten in die webbe van de misdaad.
Zij weet dat hier ergens een verborgen plaats van bijeenkomsten moet zijn, waar tal van misdaden worden uitgebroed.
Zij kent ook den naam van de vereeniging, die een zeer groot aantal misdadigersbenden omvat, welke ever de geheele wereld verspreid zijn. [2]
Het Genootschap van den Gouden Sleutel, zoo luidt die naam.
Dat alles weet de politie en zij acht het zeer weinig.
Want zij weet niet wie er aan het hoofd staat van dit genootschap, zij weet niet wie er de voornaamste leden van zijn, kortom, zij weet niets van de geheele samenstelling, de organisatie van dit machtige lichaam.
Er is een man, die er meer van weet; zijn naam is John Raffles.
Maar John Raffles, de gentleman-inbreker, is de natuurlijke vijand van de politie en slechts zelden heeft hij haar deelgenoot gemaakt van wat hij weet.
Hij deed het nooit anders dan om zichzelve te verdedigen tegen een hoogst gevaarlijke concurrentie, ofwel als er een misdaad was gepleegd die wegens haar bloedig karakter om wraak riep.
In de Firestreet staat, ongeveer honderd meter van de Theems-kade, sedert eeuwen een drankhuis, dat vroeger echter een fatsoenlijk logement is geweest, hetwelk zich destijds aan de grens van de stad bevond en waar de reizigers afstapten, die met post-chaise, diligence of eigen reiswagen van Dover waren gekomen.
In den loop der jaren echter had dit logement al zijne goede hoedanigheden verloren, en thans was het niet veel meer dan een ellendige kroeg, waar een versleten muziekautomaat van tijd tot tijd haar deuntjes jengelde, en die bij de politie in zeer kwaden reuk stond.
Zij had in „De Roode Leeuw”—de naam van de gelegenheid was het eenige wat uit vroegere eeuwen was behouden—reeds eenige malen een inval gedaan, met afwisselend succes.
Maar zij was er volkomen onkundig van, dat deze kroeg, waar overdag veel kadewerkers een glas bier of whisky kwamen drinken, een doorgang vormde naar een der voornaamste plaatsen, waar het bestuur van het zooeven genoemde genootschap geregeld zijn bijeenkomsten hield.
Het was op een regenachtigen Novemberavond, terwijl stormvlagen het dorre loof van de boomen langs de Theems deden opwarrelen, toen eenige mannen, als arbeiders gekleed, met de handen in de zakken de gelagkamer van den „Rooden Leeuw” binnentraden.
Het was er vrij vol, en bijna alle tafeltjes waren bezet.
Een luid rumoer van schreeuwende en lachende stemmen, waaronder soms plotseling een dreigende ruzietoon opklonk, vervulde de lage gelagkamer, met haar zoldering van zware eiken balken.
Er hing als het ware een grijze mist, veroorzaakt door den rook van vele pijpen en ordinaire sigaretten, zoodat men nauwelijks iets meer dan een paar meter vooruit kon zien.
Rechts van den ingang bevond zich de toonbank, waarachter een zwaargebouwde kerel met een ruw, gemeen gelaat stond.
Dat was de waard, „Red Peter” genaamd, uit hoofde van zijn vlammenden rooden haardos.
Red Peter had al menigmaal kennis gemaakt met de politie, meestentijds wegens heling van gestolen goederen, maar hij scheen onverbeterlijk te zijn, want bijna steeds lag er in zijn kelder een hoeveelheid gestolen goed verborgen, dat daar wachtte op een gelegenheid om veilig te kunnen worden vervoerd.
Stellig was Red Peter een ijverig lid van de Bende der Raven, een der meestberuchte benden van Londen, en in de gevechten met de politie was hij altijd haantje de voorste.
Hij had geweldig zware vuisten, waarvan hij zich op voortreffelijke wijze wist te bedienen, en die door het voortdurend gebruik zoo hard waren geworden als hout.
De drie mannen, die binnengetreden waren, keken even in het rond en slenterden toen langzaam naar de toonbank toe.
Zij gaven den roodharigen waard een knipoogje, welke vriendelijkheid op dezelfde wijze beantwoord werd.
Toen vroeg de voorste der drie mannen op zachten toon:
—Is er nog al wat te doen, Peter?
—De tijden zijn zwaar! klonk het antwoord.
—Hoe is de koers?
—De koers is dalende!
—Waar zijn de vrienden?
—De vrienden zijn overal!
—Goed geantwoord, Peter! Nu is het jouw beurt, zeide de man, die zooeven met zijn twee metgezellen was binnengetreden.
En nu begon de waard te vragen.
—Waar is het voor?
—Voor den nieuwen meester. [3]
—Waar gaat het heen?
—Schuins omlaag!
—Wie is de vijand?
—John Raffles is de vijand!
—Braaf geantwoord, makker! zeide Red Peter, terwijl hij al zijn groote gele tanden in een grijnslach liet zien. De weg is vrij—ik zal jullie doorlaten.
Hij scheen zich even te bukken en aan een klein, rafelig touw te trekken.
Dat touw scheen daar zoo maar toevallig over een roestigen spijker te hangen, maar inderdaad bracht de waard door er aan te trekken, een bel in beweging, die diep onder den grond hing, en die weerklonk zoodra er vrienden in aantocht waren—dat wil zeggen: boeven!
Tegelijkertijd werd door het trekken aan het touw ongeveer twintig meter verder een deur geopend, achter in een smalle gang—geen gewone deur, want zij had noch slot, noch kruk, noch scharnieren, maar een valdeur in den houten wand, die in verborgen sponningen geruischloos op en neder kon glijden.
Door het trekken aan het touw evenwel, rees de deur niet omhoog, maar werd eenvoudig een soort klink losgemaakt, die de deur onwrikbaar op haar plaats hield, zoodat de personen, die het kenden, haar konden oplichten.
De drie mannen knikten den waard toe, liepen nog wat door de gelagkamer en verlieten haar toen door een deur in den achterwand.
Dit was niets bijzonders en gewone bezoekers, die niet tot het misdadigersgilde behoorden, deden het ook wel, teneinde een kleine nevenzaal op te zoeken, waar gespeeld werd, gekaart en gedobbeld.
Men kon deze zaal bereiken door een smalle gang, die slechts door een enkele gasvlam niet al te helder verlicht werd.
De drie mannen volgden deze gang over een paar meters, maar sloegen toen een zijgang in—openden een deur, gingen weer een gang binnen en liepen langs een eikenhouten wand, die voor een verzamelaar van antiquiteiten zeker heel wat waard zou zijn geweest.
Aan het einde van dien wand bevond zich de valdeur.
Degene van de drie mannen, die het korte gesprek met den waard gevoerd had bukte zich, en tilde de deur op, door zijn hand onder een kier van het houten wandvak te steken.
De valdeur was ongeveer tachtig centimeter breed, en bijna anderhalven meter hoog.
Men moest haar omhoog houden, terwijl men door het gat kroop, en de laatste man liet de deur weder voorzichtig zakken.
Aanstonds was er iemand op hen toegetreden, die het licht van een electrische zaklantaarn op de drie mannen liet schijnen.
Dat was een van de bewakers van deze plek van samenkomst.
Er werd nogmaals een kort en voor oningewijden onbegrijpelijk gesprek gevoerd, en daarop kon het drietal zijn weg voortzetten.
Die weg leidde door een lange gang, welke met een flauwe helling naar het inwendige der aarde scheen te leiden.
Het was hier volmaakt donker, en de drie bandieten—want aan hun waren aard behoeven wij nu niet meer te twijfelen—waren genoodzaakt zaklantaarns te gebruiken.
Na nog eenige wachtposten te zijn gepasseerd, bereikten zij ten slotte de groote zaal, ongeveer tien meter onder den grond gelegen, waar dien avond een bijeenkomst zou plaats vinden.
Er bevond zich daar reeds een honderdtal mannen, blijkbaar tot alle standen der maatschappij behoorend.
Sommigen in den zwarten rok, met de monocle in het oog geklemd en fijne sigaretten rookend, anderen als arbeiders gekleed.
De eersten behoorden blijkbaar tot het intellect van de misdadigerswereld, en aan hen werd dan ook het delicate gedeelte van de algemeene taak toevertrouwd.
Zij hielden zich nimmer op met ordinaire misdrijven als laden lichten, valsch munten enz., maar waren bij uitstek geoefend op het gebied der chantage en van de inbraak.
De aanwezigen waren echter lang niet allen langs denzelfden weg gekomen, want deze zaal had nog twee uitgangen, en langs twee verschillende tunnels kon men geheel verschillende wijken bereiken.
Maar ook daar was er voor gewaakt, dat geen onbevoegden konden binnentreden; de bewaking mocht inderdaad zeer streng heeten, en het zou niet gemakkelijk vallen haar te verschalken.
In de zaal stonden de mannen in kleine groepjes bijeen, en voerden een gesprek op fluisterenden toon. [4]
Er hing een eenigszins gedrukte stemming naar het scheen, en men durfde blijkbaar niet luid spreken.
Stoelen waren er in het geheel niet in deze zaal aanwezig, behalve die voor het bestuur bestemd waren, dat uit zeven leden bestond.
Deze stoelen waren geplaatst achter een lange tafel die met een zwart laken was bedekt.
De middelste stoel was fraai gebeeldhouwd, en droeg boven op den rug een eigenaardig kenmerk—een zilveren doodskop, waaronder een dolk, gekruist met een sleutel—beide laatste voorwerpen zwaar verguld.
Voor dezen stoel lag op het zwarte tafelkleed een zilveren voorzittershamer in den vorm van een houweel en daarnevens een tweede sleutel.
Van deze zeven plaatsen was slechts de voorzittersstoel ledig.
Maar plotseling werd het doodstil in de zaal.
Het bestuurslid, dat links van den voorzittersstoel zat, was opgestaan, had den zilveren hamer ter hand genomen en gaf met dezen een zwaren slag op het tafelblad.
Hij was opgestaan en toen het muisstil was, sprak hij met doordringende stem:
—Makkers! Wij zijn hier vergaderd op verzoek van een onzer vooraanstaande leden—markies Beaupré de la Sardogne! Hij wenscht ons een voorstel van groot gewicht te doen, in verband met de afwezigheid van onzen voorzitter, die—wegens bijzondere omstandigheden—helaas verhinderd is, ten minste tijdelijk, om zijn taak als leider van ons genootschap op zich te nemen! Met uw goedvinden zal ik thans ons geacht lid het woord geven.
Wederom viel de hamer, en toen kwam een man van rijzigen lichaamsbouw, die omstreeks vijf-en-dertig jaar oud kon zijn, met een regelmatig geteekend gelaat, dat misschien schoon geweest zou zijn, als het niet den stempel der misdaad droeg, naar voren.
Hij baande zich een weg door de vergaderden en ging met opgeheven hoofd naar de tafel, waar de zes bestuursleden gezeten waren.
Deze tafel stond op een soort verhooging, en nu stak markies Beaupré een heel eind uit boven zijn medeleden.
Hij leunde met een zijner witte aristocratische handen op de tafel en begon, met een accent dat slechts zeer weinig aan zijn Fransche afkomst herinnerde:
—Vrienden! Onze secretaris, Joe Burns, heeft u zooeven reeds gezegd, dat er verband bestaat tusschen mijn verzoek, om u een voorstel te mogen doen, en het feit, dat dr. Fox afwezig is! Dat is ook zoo.
Beaupré wachtte even, wierp een blik om zich heen, als om aandacht te vragen, en vervolgde toen:
—Wij allen weten, wat de reden der afwezigheid van dr. Fox is. Hij heeft zich eenige weken geleden naar de Vereenigde Staten begeven, meer in het bijzonder naar New-York, teneinde zich daar persoonlijk op de hoogte te gaan stellen van de werkwijze van de „Bende van het Kwade Oog”, welke daar niet lang geleden werd opgericht, en al spoedig angst en ontzetting in geheel de stad verspreidde.
Een dof gemompel liet zich hooren, dat wellicht bedoeld was als teeken van hulde aan het adres van de genoemde bende, die inderdaad maanden lang groote onrust had teweeg gebracht, niet alleen in New-York, maar ook in andere groote Amerikaansche steden.
—Wij allen weten maar al te goed, wat hem daar wedervaren is! hernam Beaupré, zonder dat zijn stem echter eenige ontroering verried, waaruit zou kunnen blijken dat hij zich het lot van den meester, van den leider van het genootschap, waarvan hij lid was, bijzonder aantrok. De chef kwam daar tegenover John Raffles te staan, die zich eveneens te New-York ophield, en gij allen kent de gevolgen, het duurde niet lang of dr. Fox zat in de gevangenis.
Misschien had de Fransche markies dit laatste, ondanks zich zelf, op eenigszins spottenden toon gezegd, want hier en daar werd afkeurend gemompel hoorbaar, en Joe Burns voegde den spreker op gedempten toon eenige woorden toe, welke niemand verstond.
Beaupré scheen zich echter door deze interruptie volstrekt niet van zijn stuk te laten brengen en vervolgde rustig:
—Ik wil hier niet onderzoeken, in hoeverre dr. Fox hieraan zelf de schuld draagt. Ik ben overtuigd, dat de Amerikaansche bladen ons dienaangaande slechts zeer onvolledig kunnen inlichten. De reden daarvan is eenvoudig deze—dat zij het niet weten! Zij weten het evenmin als de politie, en daarom fantaseeren zij er maar wat op los! Hoe het ook zij—onze aanvoerder raakte daarginds in de gevangenis.
—Maar hij wist toch weer los te komen! riep er iemand achter uit de zaal. [5]
Het gelaat van Beaupré betrok een oogenblik, zijn tanden klemden zich een oogenblik opeen, maar zijn stem had denzelfden vasten klank, toen hij antwoordde:
—Zeker, dat deed hij! Wij moeten echter billijk en eerlijk zijn—dat was niet zijn eigen verdienste! Wij allen weten, dat de middelen om te ontvluchten hem verstrekt zijn door den geheimzinnigen aanvoerder van de Bende van het Kwade Oog—die thans, helaas, eindelijk ontdekt is—alweder door toedoen van dien vervloekten John Raffles!
Nu gingen hier en daar kreten van woede en haat op, die den spreker het voortgaan een oogenblik onmogelijk maakten.
—Ter dood met hem! Dood aan John Raffles! klonk het allerwege.
Toen deze storm weder bedaard was, ging Beaupré voort:
—Dr. Fox maakte dus gebruik van de middelen om te ontvluchten welke men hem op zoo sluwe wijze had weten te doen toekomen en hij herkreeg zijn vrijheid weder, maar slechts om haar nauwelijks een week later opnieuw, en nu naar allen schijn voor goed te verliezen.
Weer werden er hier en daar kreten van afkeuring en protest vernomen, maar Beaupré bleef in dezelfde onverschillige houding staan, bekeek zijn nagels eens, en wachtte rustig tot ook deze kreten verstomd waren.
Toen ging hij voort:
—Ik hoor daar schreeuwen, dat dr. Fox wel weer opnieuw de vrijheid zal herkrijgen, maar ik ben zoo vrij dit te betwijfelen, en daarvoor heb ik goede redenen.
—Noem ze op! schreeuwde iemand achter in de zaal.
Voor het eerst verhief de Beaupré zijn stem een weinig, zij bleef even koel, maar toch lag er een dreigende klank in.
—Ik zal die redenen zeker noemen, maar ik sommeer dien schreeuwer daar achter in de zaal, zijn snavel te houden, of ik zal hem aanstonds eens toonen dat ik als bokser mijn man sta! En nu mijn redenen! Ten eerste is de man buiten gevecht gesteld, die dr. Fox reeds eenmaal de vrijheid heeft helpen herwinnen en ten tweede zal de politie ditmaal de bewaking wel zoo streng maken, dat er aan ontsnappen niet te denken valt! Volgens menschelijke berekening zullen wij dr. Fox waarschijnlijk nimmer terugzien, want als hij daar zijn straf heeft afgezeten, dan zal hij naar Engeland worden uitgeleverd, en hier terecht moeten staan. Gij allen weet, wat dat zeggen wil—dat wil zeggen, dat hij een paar weken later door het hennepen venster zal moeten kijken.
Voor de derde maal lieten zich eenige woedende protestkreten hooren.
—Hij beleedigt onzen chef!
—Laat hij zelf maar niet te dicht bij de galg komen!
—Is dat de eerbied, dien men aan onzen leider verschuldigd is?
—Wat wil die vreemdeling!
Deze en dergelijke kreten werden hier en daar hoorbaar, maar de Beaupré liet zich volstrekt niet van zijn stuk brengen.
Hij stak een sigaret op en wachtte kalm af tot de schreeuwers uitgeschreeuwd waren.
Toen begon hij weder:
—De heeren schreeuwers hebben ongelijk. Als men mij bestrijdt, laat men het dan met argumenten doen! Ik kom nu tot het slot van mijn korte toespraak—de zaak, waarom het gaat! Ik herhaal, dat dr. Fox voorloopig uitgeschakeld is, en een vennootschap als het onze kan nooit goed werken, wanneer het eenigen tijd zonder chef blijft, de tucht vermindert en de onderlinge samenhang gaat verloren. Gij weet, dat ik, toen er eenige maanden geleden een nieuwe chef gekozen moest worden, mij als candidaat opwierp, hetgeen toen tegen het gebruik heette te strijden, omdat dr. Fox reeds door het bestuur als meester was voorgesteld. Ik heb toen het onderspit moeten delven—ofschoon ik mij zelf zeer goed in staat achtte, het genootschap te besturen.
Op deze woorden volgde weder een tijd van stilzwijgen, want geen der leden scheen goed te begrijpen, waar de spreker heen wilde.
De Beaupré, nog altijd in nonchalante houding tegen de tafel leunende, liet zijn blikken even over de vergaderden dwalen en besloot:
—Voor de rest kan ik kort zijn. In enkele woorden: ik stel u voor, mij te benoemen tot leider van uw genootschap, nu dr. Fox niet meer aanwezig is—niemand kan zeggen voor hoe lang.
In denzelfden hoek, waar zooeven de interrupties waren gevallen, begon het nu opnieuw zeer rumoerig te worden.
—Geen vreemdeling over ons! [6]
—Wij willen alleen dr. Fox tot leider!
—Gij maakt misbruik van uwe positie en van de afwezigheid van dr. Fox!
Deze en andere uitroepen werden gehoord.
Maar het bleek al spoedig, dat er zich vrij veel bendeleden in de zaal bevonden, die op de hand waren van den stoutmoedigen Franschman en hem zeker een kans zouden geven.
Ook zij begonnen te schreeuwen en binnen enkele oogenblikken was het een kabaal van belang.
Beaupré bleef glimlachend staan, waar hij stond en stak een versche sigaret aan.
Zijn scherp oog had spoedig gezien, dat hij, als hij maar vol hield, over een meerderheid zou kunnen beschikken, althans in deze vergadering.
Hij moest dus het ijzer smeden, terwijl het heet was.
Wat er daarna zou gebeuren, dat interesseerde hem minder.
Als hij eenmaal aan het hoofd van het Genootschap stond, dan zou hij zijn post wel weten te handhaven.
Er verliepen ongeveer 10 minuten onder een heidensch kabaal en het was goed dat men hier zoo diep onder den grond was.
Maar eindelijk kon de vice-president weder kalmte verkrijgen en riep met een stem, bevend van woede:
—Men kan inderdaad wel zien, dat hier een sterke hand noodig is, en dat er een krachtig man aan uw hoofd staat. Dr. Fox zou zulk een lawaai niet geduld hebben. En nu wat het voorstel van Beaupré betreft. In zekeren zin heeft hij gelijk, er moet een beslissing worden genomen, want ons genootschap mag niet hoofdeloos blijven. Ik voor mij heb er niets tegen, dat hij ons regeert, natuurlijk tot het tijdstip waarop dr. Fox weer in ons midden zal zijn—of anders hoogstens een half jaar, want na dien tijd moet er een vrije stemming plaats vinden.
Beaupré had met gefronst voorhoofd toegeluisterd en zeide toen spottend:
—Wie dan leeft, wie dan zorgt! Zoudt gij nu niet tot stemming kunnen laten overgaan?
De noodige toebereidselen werden gemaakt en de stemming vond plaats.
Er verstreken twintig minuten—en toen maakte de vice-voorzitter onder doodsche stilte bekend, dat volgens de stemming markies Beaupré de la Sardogne met 57 tegen 41 stemmen tot plaatsvervangend chef van het genootschap was gekozen. [7]