[Inhoud]

HOOFDSTUK II.

Een onverwachte terugkeer.

Er waren ongeveer twaalf dagen verloopen sedert de verkiezing van den nieuwen chef.

Beaupré was dadelijk met kracht opgetreden en niet alleen was de tucht teruggekeerd onder de leden van het genootschap, maar ook nam de criminaliteit te Londen weder ziender oogen toe.

Er hadden zeer veel aanrandingen en beroovingen op den openbaren weg plaats gevonden en in de meeste gevallen was de politie niet bij machte de daders te grijpen.

Degenen, die in handen van de gerechtigheid vielen, en waarvan de politie bijna zeker wist, dat zij tot een georganiseerde bende behoorden, zwegen echter als het graf en verklapten niets—Beaupré wist orde onder zijn luitjes te houden.

Alle leden wisten, dat hij een sterke hand had, en dat die hand zeer ver strekte.

Eens zou er een dag komen, dat zij weder uit de gevangenis ontslagen werden, en dan wee hunner, wanneer zij soms hun mond voorbij gepraat mochten hebben!

Maar eensklaps bracht de telegraaf het bericht, het ongelooflijk klinkende bericht, dat dr. Fox er opnieuw in geslaagd was, uit de gevangenis te ontvluchten.

Het gevaarlijke bendehoofd, dat zich wel op honderd plaatsen tegelijk scheen te kunnen vertoonen, was dus weder op vrije voeten!

Een oogenblik kon men nog hopen, dat hij achterhaald zou worden als hij zich naar een van de booten begaf, maar de ontvluchte misdadiger scheen voorzichtig te zijn, en had wel begrepen, dat de politie het oog zou houden op de inschepingsplaatsen der groote mailbooten.

Waarschijnlijk zou dr. Fox er voorloopig niet aan denken, naar Engeland terug te keeren, omdat hij wel zou begrijpen, dat de politie daarginds waakzaam was. Maar intusschen was hij toch maar vrij!

Eens zou er een dag komen, waarop hij de waakzaamheid der Amerikaansche politie zou weten te verschalken en weder naar Engeland zou oversteken.

Men had er te New-York niet aan gedacht, het bericht van de ontvluchting geheim te houden, daar men terecht oordeelde, dat een zoo groot mogelijke openbaarheid het beste middel zou zijn, om den schurk weder in handen te krijgen.

Zijn signalement werd dus onmiddellijk naar alle hoeken der wereld getelegrafeerd, ofschoon men er bijna zeker van was, dat dr. Fox in den eersten tijd Amerika niet zou durven verlaten.

Natuurlijk waren ook aanstonds alle leden van de verschillende benden op de hoogte, welke tot het Genootschap van den Gouden Sleutel behoorden.

En even natuurlijk werd het bericht in die kringen met gemengde gevoelens ontvangen.

De vrienden van den meester, die de troonsbestijging van den Franschman steeds met leede oogen hadden aangezien, en slechts met tegenzin zijn bevelen opvolgden, vernamen het bericht der ontsnapping met groote vreugde, welke zij niet poogden te verbergen.

De volgelingen van Beaupré daarentegen waren tamelijk ongerust en voorzagen, het heftig karakter van den Franschman kennende, een noodlottige botsing.

En Beaupré zelf?

Hij bleef onder het bericht volkomen kalm.

Hij rekende er op, dat het Fox zoo goed als onmogelijk zou vallen, den Oceaan over te steken, daar dit gelijk zou staan met zelfmoord—hoe goed ook vermomd, de waakzame politie zou hem zeker aanhouden, zoodra hij den voet op een der Transatlantische zeebooten durfde zetten.

En intusschen ging hij kalm door met het organiseeren van strooptochten in de voorsteden van Londen, het ondernemen van tochten per auto, met het doel om groote banken te berooven, waarbij hij steeds vóór ging, zonder het gevaar te achten.

Er waren ongeveer negen dagen verloopen sedert het bericht der ontvluchting bekend werd, en er had [8]wederom een samenkomst plaats in het onderaardsche dievenhol in de Firestreet.

Ditmaal was er een groot aantal leden present, want er zou over een belangrijk onderwerp beraadslaagd worden, een organisatorische wijziging in het bestuur, door Beaupré voorgesteld, en waardoor de samenwerking der verschillende benden zoowel in, als buiten Engeland vergemakkelijkt zou worden.

Het was omstreeks één uur in den nacht, en er was juist een spreker aan het woord, toen een der deuren van de zaal geopend werd en er een man binnentrad, die zachtjes naar voren trad en een oogenblik achter de groep mannen staande bleef luisteren.

Maar één hunner had een blik achter zich geworpen en riep uit:

—Dr. Fox!

Aller oogen wendden zich naar den persoon, die zooeven was binnen gekomen en allerwege werden luide kreten hoorbaar—van blijde verrassing, of van schrik!

Ja, het was zoo—dr. Fox was teruggekeerd!

Met een zonderlingen glimlach om de dunne lippen en een glans in de grijsgroene oogen, die weinig goeds voorspelde, drong hij door de vergaderden, die eerbiedig en zwijgend plaats voor hem maakten, tot hij de tafel van het bestuur bereikt had en een voet op de verhooging gezet had.

Het was doodstil in de zaal geworden en men had inderdaad een speld kunnen hooren vallen.

In den bestuursstoel zat markies Beaupré, met den voorzittershamer in de hand.

Hij was een weinig bleek geworden, toen hij dr. Fox zag naderen, maar anders had niets zijn ontroering verraden.

Eenigen tijd keken de beide mededingers elkander strak aan.

De vier overige leden van het bestuur waren onmiddellijk opgerezen en bleven nu in half gebukte houding achter de tafel met het sombere, zwarte kleed, staan.

Toen sprak dr. Fox langzaam:

—Markies Beaupré schijnt het niet noodzakelijk te achten, zijn teruggekeerden chef te begroeten?

Beaupré klemde de lippen dicht opéén, en een straal van woede en haat flitste een oogenblik uit zijn zwakke oogen.

Hij wist zich echter te beheerschen en zeide op kalmen toon:

—Het verheugt mij voor u, dr. Fox, dat gij, niettegenstaande het dreigende gevaar, naar Londen hebt weten over te steken—maar ik kan niet inzien, waarom ik als president—als wettig gekozen voorzitter—zou moeten opstaan, om u buigend te begroeten.

—Zijt gij als president gekozen? hernam dr. Fox tergend langzaam. Wel, dat is iets nieuws voor mij! Of liever gezegd: nieuw is het niet, want ten eerste verwachtte ik wel iets dergelijks, en ten tweede is het mij eenige uren geleden medegedeeld door één mijner vrienden! Ik behoef u zeker niet te zeggen, dat deze verkiezing onwettig was?

—Onwettig? herhaalde Beaupré met dreigend samengetrokken wenkbrauwen. Men heeft mij in een geheime en directe stemming zonder dat iemand invloed kon uitoefenen, met een aanmerkelijke meerderheid gekozen—noemt gij dat onwettig?

—Mijnentwege was zij het niet, hernam dr. Fox met stemverheffing. Wij willen daarover niet twisten. In ieder geval kon uw functie slechts zoolang duren, als ik afwezig was. Ik ben teruggekeerd—gij treedt dus automatisch weder af en ruimt de voorzittersplaats voor mij in!

Een onheilspellende stilte volgde op deze woorden.

Iedereen gevoelde, dat er iets in de lucht hing, iets dreigends, waaraan nog geen naam kon worden gegeven.

Het gelaat van Beaupré was als uit marmer gehouwen, zoo wit en onbewegelijk, en alleen zijn oogen schenen te leven en vlammen te schieten.

Toen barstte hij uit:

—Gij zoudt mij dus willen dwingen, mijn taak als chef van het Genootschap weder neer te leggen?

—Wat hadt gij dan gedacht? riep dr. Fox toornig uit. Ik heb levensgevaar getrotseerd, om aanstonds weder naar Engeland terug te keeren. Ik heb, vermomd als stoker, een plaats weten te krijgen op een particulier jacht, dat naar een Spaansche haven voer. Ik ben vandaar als blinde passagier door geheel Frankrijk gereisd, en ben van Parijs tegen betaling van een ongehoorde som per vliegmachine naar Londen overgestoken—alleen maar om mijn taak weder op mij te kunnen nemen. En gij zoudt durven ontkennen, dat ik daartoe het recht heb? Kort en goed—ik raad u aan, om aanstonds den voorzittershamer aan mij over te geven!

—Ik weiger! Ik ben er—ik blijf er, zooals een goed rond gezegde in mijn taal luidt! [9]

Dat was duidelijk!

Het was een gezegde, dat niet voor tweeërlei uitleggingen vatbaar was. Hier stonden twee vijanden tegenover elkander, en iedereen gevoelde, dat zich hier een felle strijd om het hoogste gezag zou ontspinnen.

Vroeger werd de chef van het geheime Genootschap van den Gouden Sleutel steeds door de zeven leden van het bestuur gekozen, chefs van even zoovele groote benden, en die alleen het recht hadden, den leider ongemaskerd te zien en te spreken, en geen der andere leden had ooit geweten, wie de hoofdaanvoerder eigenlijk was.

Dat was echter in dit geval niet mogelijk geweest, want John Raffles had al zeer spoedig de politie op de hoogte gebracht van de identiteit van het Hoofd, en ten overvloede had de Amerikaansche politie een zeer nauwkeurig signalement van hem gegeven.

Het mocht dus wel nutteloos heeten, nog langer geheimhouding tegenover de leden te betrachten, en Fox had terecht ingezien, dat hier slechts een openlijk optreden kon baten, daar de Franschman zichzelf reeds een aanzienlijken aanhang zou hebben weten te verwerven.

Dit bleek ook spoedig genoeg, want er klonk hier en daar een gemor in de zaal, dat hem niet veel goeds voorspelde.

Hier moest ingegrepen worden—met krachtige hand!

Beaupré weigerde om heen te gaan—welnu, dan zou hij hem echter moeten dwingen.

Dr. Fox was met gekruiste armen op de bestuurstafel toegetreden, en stond nu vlak tegenover zijn vijand, dien hij met zijn grijsgroene oogen doorborend aanzag.

—Ik heb u goed verstaan? Gij weigert mijne rechten te erkennen?

—Ik weiger niet ze te erkennen—ik weiger slechts er rekening mede te houden! antwoordde Beaupré met een spottend lachje, hetwelk het bloed van den Meester aan het koken bracht.

—Gij wil dus zeggen, dat ge mij tart? schreeuwde hij.

—Gij moogt het noemen, zooals gij verkiest—ik heb deze zware taak niet op mij genomen met het voornemen, haar zoo spoedig weder te laten varen! [10]