Weer ontstond een gespannen stilte op deze woorden.
Toen hernam dr. Fox langzaam en alsof hij ieder woord woog:
—Wat men u ook moge verwijten—zeker geen gemis aan duidelijkheid! Welnu, ik wil in dat opzicht niet voor u onder doen, ik zal even duidelijk zijn! Gij hebt u reeds bij een vroegere gelegenheid mijn bitterste vijand betoond, en ik verdenk er u zelfs sterk van dat gij mij aan de politie hebt willen verraden! In het kort—een van ons beiden is te veel! Is u dat duidelijk genoeg?
—Zeker, Fox! antwoordde markies de Beaupré spottend. Gij spreekt naar mijn hart—gij windt er geen doekjes om! Het is inderdaad maar beter als een van ons beiden verdwijnt. Gij moet inzien, dat het voor mij een al te harde noot te kraken zou zijn, als ik nu deze post weder moet verlaten, om voor u plaats te maken, nadat ik reeds eenige veranderingen heb ingevoerd—die volgens mijn oordeel verbeteringen zijn.
—Welnu, dan zullen wij consequent moeten zijn, en onze conclusies hieruit trekken! vervolgde dr. Fox koeltjes. Het komt in het kort hierop neer, dat wij zullen moeten duelleeren.
—Het staat mij aan! riep de Franschman uit. Dat is een ridderlijke wijze om geschillen te slechten. Zullen wij den degen kiezen?
Dr. Fox schudde zwijgend ontkennend het hoofd.
—Het pistool dan?
Nogmaals een ontkennend hoofdschudden.
—Noch het pistool—noch de degen? vroeg De Beaupré verwonderd. Voor den drommel—waar wilt gij dan mee vechten?
—Met het mes! klonk het kortaf van de dunne lippen van dr. Fox.
De wenkbrauwen van den Franschman gingen de hoogte in en daarop zonken zij zoo laag, dat zij zijn oogen geheel overschaduwden.
—Het mes? bromde hij verachtelijk. Een zonderling wapen, dat moet ik zeggen.
—Maar een wapen, dat gij toch wel hanteeren kunt, niet waar? zeide dr. Fox.
—Ik ontken het niet!
—Nu, dan staan wij in dat opzicht gelijk! Ik erken eerlijk, dat ik niet zeer sterk ben in het hanteeren van degen en duelleerpistool—en daar ik besloten ben om u te overwinnen—zoo heb ik het mes gekozen.
Beaupré haalde na eenig nadenken de schouders op, en zeide toen:
—Het zij zoo! Ik begrijp uw voorkeur voor het mes wel—gij zijt immers geneesheer? Laat ons dan de zaak maar niet uitstellen—de zaal is groot genoeg. Ik heb wel geen mes bij mij, maar een van de leden zal wel zoo vriendelijk zijn, mij er een te leenen!
—Een oogenblik! klonk nu een stem uit de vergadering.
Allen wendden den blik naar den spreker, een man met een fanatiek gelaat, diep in de kassen gezonken oogen en een rafelige, laag neerhangende snor.
Het was een Mexicaan, die een half jaar geleden uit zijn land was gevlucht wegens moord op een ranchohouder en zijn dochter, naar Engeland was gevlucht, waar hij in veiligheid hoopte te zijn.
—Ik stel voor, dat het een Mexicaansch duel zal zijn! ging de man voort.
—Wat is dat? werd er van verschillende kanten geroepen.
—Heel eenvoudig—de duellanten worden opgesloten in een stikdonker vertrek, waar geen enkele lichtstraal mag binnendringen en dat niet grooter mag zijn dan drie meter in het vierkant. Zij krijgen ieder een even sterk en groot mes in de vuist—de deur wordt gesloten—en een half uur later gaat men eens kijken hoe het zaakje staat!
Een huivering van ontzetting was door de meeste aanwezigen gegaan, hoe gehard ook, want zij begrepen dadelijk alle afschuwelijkheden van zulk een duel in een [11]tastbare duisternis, waar de dood onzichtbaar loerde.
Maar aan den anderen kant verlokte het voorstel door zijn bloedige romantiek, en reeds gingen er van alle kanten kreten van instemming op.
—Ja—het moet een Mexicaansch duel zijn! werd er geschreeuwd. Dan zal het lot spreken! Wie het overleeft, wordt onze leider!
De beide vijanden hadden met bleek gelaat naar deze dierlijke kreten geluisterd—dezelfde kreten, die eenige eeuwen weerklonken op de steenen banken der arena’s waar de eerste Christenen ten prooi aan de wilde dieren werden geworpen.
Bloeddorst lag op ieders gelaat—en de beide mannen lazen daar als in een opgeslagen boek, dat zij op mededoogen niet behoefden te rekenen.
Men had besloten, dat het een Mexicaansch duel zou zijn—en daartegen zouden zij vruchteloos zich verzetten.
Deden zij het niet, dan liepen zij groote kans, dat zij beiden wegens gebrek aan moed zouden worden verjaagd.
Beaupré was de eerste die weder sprak, zijn stem trilde slechts weinig, toen hij zeide:
—Het is goed—ik stem toe! Het is geen tweegevecht naar mijn smaak, want thans zal het blinde lot ook een woordje meespreken, maar als gij het wilt, dan zal ik mij er in schikken.
De toebereidselen waren spoedig getroffen.
Twee leden van het Genootschap, broeders, bezaten twee volkomen gelijke, sterke, knipmessen, met een hoorn heft en een lemmet bijna een halven centimeter op den rug dik, en vier centimeter breed, vlijmscherp geslepen en dat onmogelijk kon dichtklappen als het eenmaal geopend was.
Het waren vreeselijke wapens, in de handen van een geoefend vechter.
Aan de groote vergaderzaal grensde een klein kamertje, dat eveneens steeds kunstmatig verlicht moest worden, en dat voortreffelijk voor het doel geschikt was.
Er lag een tapijt op den vloer, er stond een tafel, een paar stoelen, een kastje en nog een enkel meubelstuk.
De tafel en de stoelen werden er uit weggehaald—de draad van het electrisch licht werd doorgesneden, uit vrees dat de strijdenden het misschien zouden willen doen ontgloeien—zij kregen ieder een mes in de hand, waarop zij ieder in een tegenover gestelden hoek van het vertrek werden geplaatst, en daarop werd de deur gesloten.
De twee doodsvijanden waren alleen.
Zij waren vaak in het donker geweest, maar een bijna tastbare, afschuwelijke duisternis als deze, hadden zij nimmer beleefd.
Het was alsof zij als lood op hen drukte en hen omving als de golven een drenkeling die onder de oppervlakte van het water is verdwenen.
Zij hoorden niets dan elkanders stootende ademhaling en het gesuis in hun ooren, de aandrang van hun bloed.
Beiden hielden het vreeselijke mes in de vuist geklemd alsof zij het sterke hoorn mes wilde verbrijzelen—want wie zijn wapen verloor, die was ten doode opgeschreven.
Niemand hunner waagde aanvankelijk een stap te doen—want die eerste stap kon den dood brengen.
Dr. Fox stiet een doffen, half gesmoorden kreet uit—zijn voet was onder het tapijt geraakt—en hij struikelde, want in deze vervloekte duisternis was men zijn bewegingen niet meester.
Dadelijk was Beaupré bij hem en zwaaide zijn gewapenden arm met kracht vooruit.
Maar hij raakte het ledige—en een oogenblik later viel hij languit over het uitgestrekte been van zijn vijand.
Bijna was het mes aan zijn hand ontglipt.
Zijn hoofd bonsde tegen den wand en even duizelde het hem.
Toen voelde hij zich bij zijn korte jas grijpen—en weer stak hij woedend naar de hand die hem beet had gevat.
Een schreeuw van pijn—de greep werd losser—het mes had blijkbaar de grijpende hand geraakt.
En opnieuw begon het afschuwelijk tasten in het duister, het hijgend ademhalen, dat de twee strijdenden zooveel mogelijk voor elkander trachtten te verbergen, uit vrees hun aanwezigheid te verraden, en het kruipen langs den grond en langs de wanden.
Deze vreeselijke minuten schenen eeuwig te duren.
Eenmaal bleek het, dat de beide doodsvijanden achter elkander op handen en voeten het vertrek waren rondgekropen.
Bij het voor zich uittasten greep Fox het been van Beaupré even boven den enkel en hij hield het krampachtig vast ondanks het schoppen van den ander, die zich uit alle macht trachtte los te maken. [12]
De volgende seconden hadden de twee mannen zich als slangen om elkander heen gekronkeld en staken zij onder het uiten van de vreeselijkste verwenschingen op elkander los.
En bijna even plotseling hadden zij elkander weder losgelaten en stonden hijgend, bloedend, terwijl een roode nevel voor hun oogen op en neer golfde, ieder in een hoek van het vertrek weder stil.
Opnieuw begonnen hun voeten tastend vooruit te schuifelen, hielden zij hun adem in om niet de plek te verraden waar zij stonden en den ander onverhoeds te kunnen neerstooten.
Toen voelde Beaupré plotseling hoe het was, alsof de grond onder hem wegzonk en het volgende oogenblik begreep hij het.
Zijn verraderlijke tegenstander had het kleine vloerkleed bij een der hoeken vastgegrepen en het met een ruk naar zich toegetrokken.
De Franschman viel achterover—en ditmaal vloog het mes uit zijn handen!
Een schorre kreet ontwrong zich aan zijn keel.
Het was hem, alsof er nu overal rossige vlammen oplaaiden.
Als waanzinnig trachtte hij de dichte duisternis vruchteloos met zijn wijdgeopende oogen te doorboren.
Zijn slapen klopten alsof zij zouden barsten, en zijn hart hamerde hem met pijndoende slagen in de borst.
Beaupré was voorzeker een moedig man, maar de toestand waarin hij zich thans bevond was werkelijk vreeselijk!
Hij bevond zich in een zeer klein vertrek, waar niet de flauwste lichtstraal binnen drong—en op eenige meters afstand van hem wist hij een meedoogenloozen vijand, gewapend met een vlijmscherp knipmes, en die hem zeker zou dooden—want hij zelf was nu ongewapend.
Met een doffen kreet liet hij zich op de knieën vallen, en begon met koortsachtige haast over den vloer te tasten, in de hoop dat hij zijn eigen mes zou terugvinden.
Dr. Fox moest zeker het vallen van het wapen van zijn tegenstander gehoord hebben, want hij stiet een duivelsch lachje uit, en Beaupré hoorde hem nader sluipen.
Het volgende oogenblik zou hij het koude staal wellicht in zijn lichaam voelen binnendringen, zonder zich ditmaal te kunnen verdedigen.
Hij wierp zich plat op den grond, steeds met beide handen rondtastende.
Toen voelde hij hoe de voet van zijn doodsvijand tegen zijn beenen stiet en hoe dr. Fox het evenwicht verloor.
Hij sprong ijlings weder overeind, voor zijn vijand in den val had kunnen toestooten of zich herstellen, maar op zijn beurt struikelde hij opnieuw en viel voorover.
Maar een zijner handen was op een scherp, koud voorwerp terecht gekomen.
Hij slaakte een dierlijke kreet van vreugde—het toeval had hem juist het mes weder onder zijn bereik gebracht.
Hij wendde zich bliksemsnel om, en greep zijn tegenstander vast, terwijl hij woedend naar hem stak.
Maar tegelijkertijd slaakte hij een kreet van afschuw en schrik.
Hij gevoelde, dat dr. Fox zijn bovenlichaam en zijn arm met het dikke tapijt had omwikkeld, ten einde zich zoodoende te beschermen.
—Jij laffe verraderlijke hond! schreeuwde hij heesch, en nogmaals hief hij het mes op en stak in den blinde toe.
Maar eensklaps slaakte hij een doordringenden gil.
Hij gevoelde het staal in zijn rechterzijde dringen!
Hij hoorde nog het satanische lachje van zijn vijand, en diens woesten kreet van zegepraal—en toen zonk het bewustzijn snel uit hem weg.
Hij liet zijn tegenstander los, stond even heen en weer zwaaiend op dezelfde plek en viel toen met een zwaren slag op den vloer, waarbij zijn hoofd tegen den muur bonsde.
—Komt hier, vrienden! riep dr. Fox op heeschen toon, het is gedaan!
De deur van het kleine vertrek werd opengeworpen en een breede lichtstraal drong naar binnen, zoo schel, dat dr. Fox de handen tegen de oogen moest leggen en tegen den muur moest leunen.
Hij bloedde uit verscheidene wonden en was schrikwekkend bleek.
Het lichaam van Beaupré werd opgenomen en naar de zaal gedragen.
Behalve eenige kleinere wonden had hij een diepe snijwond in de rechter zijde.
Een der leden, een student in de medicijnen, die [13]echter te lui was geweest om zijn graad te halen, onderzocht de wonden en zeide op ernstigen toon:
—Hij moest aanstonds naar een ziekenhuis vervoerd worden, geschied dat niet, dan kan ik niet voor de gevolgen instaan.
Dr. Fox keek den spreker met een duisteren blik aan en gromde:
—Ik heb hem overwonnen—laat hij sterven!
Deze woorden verwekten echter een dreigend gemompel onder de vrienden van den Franschman, en dr. Fox, die een menschenkenner was, begreep dat hij niet te ver mocht gaan.
Hij haalde minachtend de schouders op en hernam:
—Doe overigens wat gij wilt, als gij maar zorgt dat geen onzer gevaar loopt, en als gij maar erkent dat ik mij zijn meerdere heb getoond, en dus het recht heb weder de plaats in te nemen die mij toe komt.
Hier en daar gingen kreten van instemming op, waarop de meester vervolgde:
—Draag hem dan spoedig naar buiten, en laat een uwer een auto aanroepen, met hem naar een ziekenhuis rijden, en daar een of ander praatje opdisschen van een nachtelijke aanranding—een straatgevecht of iets dergelijks; ik raad u aan voorzichtig te zijn, want ik ben niet in een stemming om vergissingen en domheden over het hoofd te zien!
Onder het spreken had dr. Fox een dreigenden blik om zich heen geworpen, en ondanks zichzelven voelden alle bandieten een zeker ontzag voor den man die zooeven pas een vreeselijk tweegevecht had moeten doorstaan en nu reeds weder zijn gezag deed gelden, bleek, bloedend, maar niet van zins om ook maar het geringste deel van zijn autoriteit prijs te geven.
Een paar sterke kerels namen het slappe lichaam van den gewonde vlug op en droegen het naar buiten.
Het was reeds zeer laat in den nacht maar het geluk was hen dienstig, want zij troffen vrij spoedig een taxi.
Zij moesten den chauffeur echter een groote fooi beloven alvorens deze zich bereid toonde de beide mannen met den zwaargewonde naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis te vervoeren, ofschoon dit nauwelijks een kwartier rijden van den anderen oever van de Theems gelegen was.
Daar gekomen dischten de twee mannen een verhaal op van een nachtelijke vechtpartij, en Beaupré werd op de gemeenschappelijke mannenzaal in een krib gelegd, nadat hij in de operatiekamer verbonden was.
De twee mannen hadden wijselijk geen naam genoemd—want zij begrepen wel dat hun dat in moeilijkheden kon brengen.
En zoo werd er op de kaart die boven Beaupré’s bed gehangen werd niets ander ingevuld dan de aard van zijn ziekte: „Diepe steekwond in de rechterzijde, met perforatie van den maagwand.”
Daaronder stond, ten behoeve van de verpleegster, in het kort de behandeling aangegeven, maar naam, woonplaats, ouderdom en alle andere gegevens moesten oningevuld blijven. [14]