Den volgenden dag omstreeks vier uur in den middag hield een prachtige blauw gelakte limousine stil voor het hek hetwelk het ziekenhuis aan de Sloane street omgaf.
Het hek was slechts op de klink gesloten, en de reusachtig gebouwde chauffeur, die achter het stuurwiel van de auto had gezeten, kon het gemakkelijk openen.
Hij wilde weder op zijn plaats gaan zitten, om zijn wagen langs een der breede oprijwegen tot voor den hoofdingang van het ziekenhuis te brengen, maar een van de beide heeren die in de auto zaten had het portier reeds geopend en zeide nu:
—Laat maar, Henderson—wij zullen dat kleine eind wel te voet afleggen, rijd maar naar huis, en kom over anderhalf uur terug.
Onder het spreken was de eigenaar van de prachtige auto, een rijzig man in de kracht van zijn leven, met een gespierde gestalte, en haar dat aan de slapen licht begon te grijzen, gevolgd door een jongen man van omstreeks vijf-en-twintig of zes-en-twintig jaar, met lichtblauwe oogen en blond haar, die den ander met veel differentie scheen te behandelen.
De chauffeur oogde hen even na, terwijl zij daar naast elkander de breede oprijlaan volgden, nam toen weder achter het stuurwiel plaats, en even later was de prachtige Limousine weder te midden van het groote stadsverkeer verdwenen.
De twee elegant gekleede heeren, die daar naar het gasthuis onderweg waren, schenen hier geen onbekenden te zijn, want de eenvoudig gekleede portier die aan den ingang van de vestibule op post stond, tikte eerbiedig aan zijn pet, en liet de beide heeren zonder iets te vragen voorbijgaan.
De oudste der beide mannen was Lord William Aberdeen, de schatrijke filantroop, in geheel Londen bekend wegens zijn teruggetrokken leefwijze, zijn grooten eenvoud, waarmede hij ondanks zijn rijkdom leefde, en zijn tallooze menschlievende daden.
Zijn metgezel heette Charly Brand, en was zijn secretaris, die een eindelooze lijst van personen moest bijhouden, die in een of ander opzicht hulp en bijstand behoefden.
Het was inderdaad een geweldige boekhouding, maar de jonge man oefende zijn functie blijkbaar met groot genoegen uit.
Het was heden de dag waarop zij een of ander gasthuis plachten te bezoeken, waar voornamelijk lieden uit de volksklasse werden verpleegd.
Dit was een gewoonte van zijn Lordschap, waarvan hij slechts zeer zelden afweek.
Na den portier te zijn gepasseerd, bevonden de twee heeren zich in een ruime hal, met een groote lift ter weerszijden, ieder naast een breede, hardsteenen trap gelegen.
Daar zij wisten op de eerste verdieping de groote zaal voor de mannelijke verpleegden te zullen vinden, liepen zij de lift voorbij en bestegen de breede trap.
Zij kwamen nu en dan verplegers voorbij, die hen eveneens schenen te kennen en voor wie zij beleefd den hoed afnamen.
Op de breede gang, welke zij thans bereikten, liep een ziekenverpleger op en neder, die de wacht hield bij de breede toegangsdeur.
Het bezoekuur zou spoedig slaan, en hij moest er voor waken, dat de drukte niet al te groot zou worden.
Hij maakte dadelijk plaats voor den hoogen bezoeker, en zeide glimlachend: Een rijken oogst vandaag Mylord,—de zaal ligt bijna geheel vol.
En hij opende de deur voor de beide bezoekers.
Dezen stonden nu aan het begin van een zeer groote zaal waar honderdtwintig bedden stonden, zestig langs iedere zijde van het vertrek.
Het licht stroomde door een achttal hooge vensters naar binnen.
Een paar verpleegsters liepen zachtjes heen en weder langs den breeden middenloop, die met een dikken kokoslooper bedekt was. [15]
In het midden daarvan stond een kleine tafel met een stoel er voor ten gebruike van de hoofdverpleegster, aan wie het toezicht over de geheele zaal was toevertrouwd.
Er waren ruim honderd bedden bezet, en overal zag men wasbleeke ingevallen gezichten, koortsachtig schitterende oogen, of onrustig heen en weer over de kussens woelende hoofden.
Dadelijk trad er een verpleegster op Lord Aberdeen toe, en de rondgang begon.
De secretaris van zijn Lordschap, Brand, had een notitieboek en een vulpenhouder te voorschijn gehaald, en maakte aanteekeningen.
De verpleegster begon met haar eentonige opsomming van ontberingen, armoede en ellende van allerlei aard, en de jonge man schreef.
Met ernstig gelaat luisterde Lord Aberdeen toe.
Bij ieder ziekbed stond hij een oogenblik stil, nu eens om een paar bemoedigende woorden te spreken tot een zieke die daar al maanden en maanden lag en den rijken bezoeker reeds kende, dan weder om nadere bijzonderheden te vernemen uit den mond zelf der patiënten.
Zoo werd het een geheel verhaal van troostelooze, sombere misère, waarbij alleen de hoofdpersonen anderen waren, maar het drama zelf bijna onveranderlijk hetzelfde bleef.
Daar waren metselaars, die van een steiger waren gevallen, en wier gezin reeds weken honger leed, daar waren bejaarde kantoorklerken, door een kwaal overvallen en die niet wisten wat zij moesten doen, als zij weder uit het ziekenhuis ontslagen zouden worden. Daar waren werkloozen, van stadswege verpleegd en in wier woningen sedert lang bittere armoede heerschte en daar waren ten slotte oorlogsinvalieden, die hier als wrakken gestrand waren, zonder hoop, zonder uitzicht op verbetering van den toestand, het hart vervuld van wrok jegens een ondankbare maatschappij, die hen eerst den dood tegemoet had gezonden, en hen nu verstiet, juist nu zij haar hulp zoozeer behoefden.
Geduldig, zonder ooit iemand in de rede te vallen, hoorde Lord Aberdeen deze verhalen van lijden en ontbering aan, terwijl zijn secretaris ijverig schreef.
Maar eensklaps bleef hij stilstaan en hield zijn groote grijze oogen onafgewend op een gestalte die naast een der bedden geknield lag, met het hoofd op een kussen, waarop reeds een ander, stil, bleek hoofd gevlijd lag met gesloten oogen en pijnlijk dichtgeknepen lippen.
Het was een vrouw, tamelijk opzichtig gekleed en met een geschminkt gezicht, maar dat de sporen van een groot smartelijk leed vertoonde.
Zij kon niet veel ouder zijn dan zes-en-twintig jaar, ofschoon een leven van vermaak en van late braspartijen reeds zijn sporen op haar wit gelaat had gedrukt.
Zij zat daar doodstil, waarschijnlijk uit vrees om den man te wekken, die daar zoo stil en bleek terneder lag.
De verpleegster was reeds verder gegaan maar hield nu haar schreden in, om op Lord Aberdeen te wachten, die nog altijd zijn blikken beurtelings op den man in het bed en de vrouw daar voor gevestigd hield.
—Wie is die man? vroeg Lord Aberdeen eindelijk op zachten toon, terwijl hij zich tot de verpleegster wendde.
—Dat weten wij niet, Mylord, antwoordde de verpleegster. Hij is hier vannacht door een paar mannen binnengebracht met een diepe steekwond in de rechterzijde, welke hij moet hebben opgedaan in een straatgevecht.
Daarover verwonderden wij ons wel een weinig, want de man droeg vrij dure kleeren en zijn gelaat ziet er ook niet uit als van iemand die zich op straat in een messengevecht zal begeven.
—Neen, dat doet het zeker niet! zeide Lord Aberdeen, terwijl hij het hoofd langzaam schudde, zonder zijn blikken van den zwaar gewonde af te wenden.
Daarop vervolgde hij fluisterend:
—Wie is de vrouw die aan zijn bed knielt?
—Zijn vrouw of zijn minnares, Mylord, antwoordde de verpleegster even zacht. Zooals gij weet is het bezoekuur nog niet aangebroken, maar zij klaagde zoo luid, en smeekte zoo innig om haar bij dezen man toe te laten, dat wij het niet over ons hart konden krijgen haar weg te zenden.
—Maar als gij den naam van dien man nog niet eens kendet, hoe kon de vrouw dan weten dat haar minnaar of haar man juist hier zou liggen? vroeg Charly Brand nu.
De verpleegster haalde de schouders even op en antwoordde:
—Ik weet niet, mijnheer! antwoordde de verpleegster even zacht. Zij zeide dat zij het van vrienden gehoord had.
—Maar dan moet zij toch zelf den naam van haar minnaar hebben genoemd! hernam Lord Aberdeen verwonderd. [16]
—Neen, dat deed zij niet, ging de verpleegster voort, of liever, wij zijn er van overtuigd dat zij met opzet een verkeerden naam heeft opgegeven.
Lord Aberdeen en zijn secretaris hadden een bliksemsnellen blik met elkander gewisseld, die door de verpleegster niet werd opgemerkt en nu vroeg de eerste:
—Waarom denkt gij dat als ik vragen mag!
—Zij noemde een echt Engelschen naam, Mylord. Brand en de gewonde heeft een deel van den nacht geijld en daarbij voortdurend Fransch gesproken! Bovendien heeft hij ook een buitenlandsch accent.
—Is zijn toestand gevaarlijk?
—Als er zich geen complicaties voordoen en de wondkoorts niet verergert, kan hij binnen een week weder genezen zijn. Het bloedverlies had hem uitgeput, maar hij heeft blijkbaar een zeer krachtig gestel.
Gedurende dit gesprek was het kleine groepje reeds weder verder geloopen, maar Lord Aberdeen zoowel als zijn secretaris hadden van tijd tot tijd een blik achter zich geworpen naar de jonge vrouw, die nog altijd bewegingloos naast het bed geknield lag. De rondgang door de zaal werd toen voortgezet, en eindelijk waren alle bedden bezocht.
Het notitieboekje van den jongen secretaris was voor een groot gedeelte volgeschreven en hij liet het weder in zijn zak glijden toen hij en zijn meester weder bij de breede deur stonden, die zij waren binnengetreden met de wetenschap dat Lord Aberdeen ongeveer met vijfhonderd pond sterling dezen rondgang zou betalen.
Toen de beide mannen bij de deur afscheid namen van de vriendelijke verpleegster, wierpen zij nogmaals een blik op het bed, waar de zwaargewonde terneder lag.
De vrouw had zich thans opgericht en stond naast het bed met de hand van den man in de hare.
Haar bleeke lippen schenen woorden te prevelen, welke echter niemand verstond.
Het volgende oogenblik viel de deur achter de beide bezoekers dicht.
In gedachten verzonken volgden de beide mannen den breeden corridor, daalden de trap af en stonden weder in de vestibule.
Lord Aberdeen haalde zijn horloge te voorschijn en wierp een blik op het met kostbare juweelen versierde uurwerk.
Van de vestibule uit konden de twee mannen juist de blauwe auto weder zien aanrijden. Henderson, de chauffeur, was juist op tijd, zooals trouwens steeds.
Lord Aberdeen en zijn secretaris liepen den wagen tegemoet, die juist het hek wilde doorrijden.
Lord Aberdeen opende het portier, maar voor hij instapte wendde hij zich tot Charly Brand en zeide zacht:
—Ik rijd alleen naar huis, blijf jij hier wachten, stel je verdekt op en volg die vrouw, je hebt haar natuurlijk herkend!
—Haar zoowel als hem! Hij is Markies Beaupré de la Sardogne die reeds eenigen tijd door de politie van zijn land wordt gezocht, en zij is zijn minnares, Marthe Debussy!
—Dat zag ik ook bij den eersten blik, Charly, je gaat dus die vrouw na, en rust niet voor je haar adres weet.
—Ik beloof het je!
De beide mannen drukten elkander de hand, Lord Aberdeen stapte in zijn auto, na den chauffeur zijn bevelen te hebben gegeven, en de wagen reed snel weg.
Wie was deze man, die dit zonderlinge gesprek had met zijn secretaris?
Niemand anders dan John Raffles, de Gentleman-inbreker, de langgezochte Groote Onbekende, op wiens aanhouding door Scotland Yard een premie van duizend pond sterling was gesteld.
Maar welke Londenaar zou geloofd hebben, dat zich achter den bekenden filantroop, die jaarlijks tienduizenden ponden aan allerlei instellingen van liefdadigheid schonk, en zeker nog veel meer in het geheim, den man verborg, die het de politie jaren lang zoo bitter lastig had gemaakt, en op wiens rekening een aantal inbraken werden gesteld, die door hun weergalooze stoutmoedigheid tot zelfs de bewondering van Raffles’ natuurlijke vijanden, de rechercheurs en detectives hadden gewekt?
Men zou den man, die het had durven beweren, eenvoudig voor gek hebben verklaard!
John Raffles had dus in de auto plaats genomen, die door zijnen trouwen chauffeur Henderson bestuurd werd, en een half uur later bevond hij zich in zijn fraai huis, in het begin van de Regentstreet gelegen, dicht bij Pall Mall.
Een oude bediende met spierwit haar, Gaston, had zijn hoed en overjas in ontvangst genomen, en ontkennend [17]geantwoord op de vraag van zijn meester, of er boodschappen of brieven waren gekomen.
Raffles begaf zich naar de rookkamer, en wachtte daar rustig op de terugkomst van Charly Brand.
Hij ging in zijn gedachten nog eens de omstandigheden na, onder welke hij Markies de Beaupré voor de eerste maal had gezien.
Dat was eenige maanden geleden, toen de verkiezing voor een nieuwen chef van het genootschap van den Gouden Sleutel had plaats gehad.
Raffles had Beaupré toen ontmoet in een toestand van onbeschrijfelijke woede, omdat de keuze niet op hem maar op zijn mededinger dr. Fox was gevallen.
Hij had hem aangesproken, hem gezegd, dat hij hem zijn hulp wilde aanbieden, voor het geval dat Beaupré den nieuwen chef wilde bestrijden.
Eenige weken later was Raffles in de gelegenheid geweest, den eenen tegenstander tegen den anderen uit te spelen, en het had toen maar weinig gescheeld, of dr. Fox had het loodje gelegd.
Sindsdien had hij den Franschman niet terug gezien, tot op dezen dag.
En nu had een toeval hem weder op het spoor van den markies gebracht!
Van dat straatgevecht geloofde Raffles niet veel.
Dat Beaupré onder normale omstandigheden op straat met een mes zou hebben gevochten, kwam hem al heel onwaarschijnlijk voor.
Dat lag in het geheel niet in den aard van den eleganten booswicht!
—Neen, daar zal wel wat anders achter steken—en hij hoopte dat Charly Brand hem aanstonds berichten zou komen brengen, die hem van dienst zouden kunnen zijn.
Nadat Raffles een paar uren gewacht had en besteed aan het bijhouden van zijn correspondentie, keerde Charly weder terug.
Hij ging het werkvertrek van Raffles binnen, waar deze thans voor zijn schrijfbureau gezeten was, deed de deur achter zich dicht en zeide:
—Ik heb haar gevonden.