[Inhoud]

HOOFDSTUK V.

Een gesprek dat gevolgen heeft.

—Ik ben blij dat je geslaagd bent, Charly, zeide Raffles eenvoudig. Ik denk dat ik die vrouw noodig kan hebben! Zoolang de wereld draait is een schoone vrouw, een vrouw met temperament, een scherp wapen geweest in de handen van een bekwaam man die het wist te hanteeren—zie bijvoorbeeld maar eens naar de minnaressen van de groote Fransche koningen! Madame Dubarry, La Pompadour, om er slechts twee te noemen, zijn beiden door sluwe intriganten geëxploiteerd om invloed op den koning uit te oefenen, soms zonder dat ze er zelf van bewust waren.

—Zou Marthe Debussy op de hoogte zijn van wat er met haar minnaar geschied is?

—Maar dat spreekt immers van zelf, dat is natuurlijk dadelijk uitgelegd. Voor een vrouw die werkelijk lief heeft kan men dergelijke dingen onmogelijk geheim houden. Ik heb op haar gelaat gelet, terwijl zij naast het bed van den zwaar gewonde geknield lag, en daarop kon men lezen als in een open geslagen boek. Er waren vele gevoelens op dat gelaat afgespiegeld: blinde liefde voor den man die daar zwaar gewond ter neder lag en woeste haat jegens den man die hem in dien toestand gebracht had. Fox behoort evenmin tot mijn vrienden en te zamen met die vrouw die natuurlijk op wraak zint, zullen wij wel in staat zijn den schurk machteloos te maken! Ik hoop dan slechts, dat [18]de Engelsche gevangenissen een weinig moeilijker zullen zijn te verlaten dan de Amerikaansche.

—Ja, daar schort nog al het een en ander aan, zeide Charly minachtend. Dat men eenmaal uit een gevangenis ontsnapt, kan ik mij nog begrijpen, maar het is mij volkomen duister hoe men daarin een tweede maal kan slagen.

—Dr. Fox had daar machtige helpers, hernam Raffles schouderophalend, die bende schijnt over de geheele wereld te beschikken over zeer bekwame bondgenooten, tot in de gevangenissen toe! En nu zullen we eens handelen, mijn jongen.

—Wat wil je doen?

—Ik wil die vrouw gaan bezoeken!

—En denk je dat ze je hulp zal aanvaarden? Vergeet niet dat de Beaupré ze heeft afgeslagen!

—Dat vergeet ik niet, maar hij was trotsch. Hij was een man, en hij meende het alleen wel af te kunnen in zijn strijd tegen den meester! En tot op zekere hoogte kan ik die gevoelens waardeeren. Zij is echter een vrouw, zij staat alleen, zij heeft niet alleen Fox, maar ook zijn vrienden tegen zich en zij zal dus eerder geneigd zijn de hulp aan te nemen van een man die over machtige middelen beschikt!

—Ook dan, als die man verklaarde vijand te zijn van de dievenbende, waarvan ook haar minnaar lid is?

—Ook dan! Je mag ook niet uit het oog verliezen, dat Fox en Beaupré persoonlijke vijanden zijn, en dat die vrouw natuurlijk niets liever zou willen dan dat Fox voor goed werd verslagen en haar minnaar aan het hoofd van het machtige misdadigersgenootschap mocht komen te staan. Het eergevoel is juist bij dergelijke vrouwen zeer sterk ontwikkeld, al is het dan een eigenaardig eergevoel. En nu genoeg gepraat. Zeg mij nu waar zij woont dan ga ik er heen.

—Zij heeft haar intrek genomen in een tweederangs hotel in Lincoln. Het heet „Het vergulde Hert”. Het is een logement dat zeker uit het begin van de zeventiende eeuw dateert en waaraan bijna nog niets verbouwd is. Jij als liefhebber van oude gebouwen zult er zeker je hart aan ophalen:

Maar à propos, je zult er toch zeker niet naar toe gaan dan na je duchtig te hebben vermomd?

—Daar kun je zeker van zijn!

—En zul je je ware hoedanigheid openbaren?

—Dat zal wel moeten, antwoordde Raffles, anders zal ze mijn hulp zeker niet aannemen, zij zou voor een valstrik vreezen!

—Maar zal ze gelooven, dat je werkelijk John Raffles bent?

—Daaraan twijfel ik niet; ik kan haar voldoende zaken mededeelen waaruit onaanvechtbaar blijkt, dat ik John Raffles moet zijn omdat die dingen alleen aan hem bekend kunnen zijn.

Raffles was onder het spreken opgestaan en wendde zich nu naar de deur.

—Ik hoop over een paar uren terug te zijn, Charly, maak jij intusschen een lijst op van de gezinnen der zieken die wij vanmorgen bezocht hebben, zoodat wij die in een enkelen dag kunnen bezoeken en daar doen wat er te doen valt.

Hij knikte Charly nog eens toe, sloot de deur en begaf zich naar zijn groot slaapvertrek, waarvan de drie ramen uitzagen op den grooten tuin achter het huis.

Hij opende een geheim vak in den wand, of liever de deur van een zeer groote kast, bijna een kamer, waar een zeer groot aantal kleederen keurig waren gerangschikt; uniformen van leger en vloot, van politieagenten en van matrozen, livreien, afgedragen kleederen—kortom, alles wat iemand als John Raffles noodig kon hebben om zich onkenbaar te maken.

Daarbij behoorde een groote hoeveelheid voortreffelijk vervaardigde pruiken, baarden en knevels.

Raffles stond eenigen tijd in beraad en koos toen een eenvoudig zwart costuum, een weinig versleten, waarin hij er, met een grijze pruik en een korten ringbaard zou uitzien als een diaken of een ouderling.

Hij besteedde groote zorg aan zijn vermomming en toen hij zich een half uur later in den grooten spiegel bekeek, kon hij tevreden zijn over zichzelf. Hij geleek in niets meer op den man die zooeven het vertrek was binnengetreden. Zijn gelaatskleur, zijn houding, zijn gebaren waren veranderd, ja zelfs de vorm van zijn gezicht en de vorm van zijn oogen schenen een wijziging te hebben ondergaan.

Hij sloot het vak weder met de grootste zorg en verliet het slaapvertrek door een tweede deur, die uitkwam op een smalle gang, welke hem naar een trap bracht, die regelrecht naar een deur in den zijmuur van het huis voerde, zoodat hij dit ongezien kon verlaten, zonder door Gaston, zijn grijzen kamerbediende, te worden opgemerkt.

Hij liep de doodstille zijstraat vlug door en riep vervolgens [19]een huurauto aan, hij gaf den chauffeur het adres van het kleine hotel en ongeveer twintig minuten later stond de auto stil voor het „Vergulde Hert” in Lincoln.

Charly had er niet te veel van gezegd, het was inderdaad een zeer fraai oud gebouw, uitstekend onderhouden, en dat in den loop der eeuwen slechts zeer geringe veranderingen had ondergaan.

Alleen vertoonde zich aan den ingang de onvermijdelijke portier in zijn groene jas met de blinkende knoopen en den gouden band om zijn pet, die wel wat afstak met de prachtige eikenhouten lambriseering in de ouderwetsche, ruime hal met zijn geweldigen schoorsteen, waarin een groot houtvuur vlamde.

Er was nog meer geofferd aan den geest des tijds—en zoo werd Raffles niet ontvangen door een deftigen, vriendelijken waard, een kuitbroek, met een kastanjekleurig staartpruikje op, en in hagelwitte hemdsmouwen, maar door een geblankette jonge dame, die achter een soort toonbank gezeten was, waarop een lijvig register lag.

Plotseling viel Raffles in, dat Marthe Debussy waarschijnlijk niet haar eigen naam zou hebben opgegeven en zoo was hij wel genoodzaakt een beschrijving van haar persoon te geven.

Er werd een vestibule-kellner bijgehaald, en toen ook nog de portier en toen wist men wel, wie de bezoeker bedoelde. Hij kwam zeker om Miss Bispham.

Raffles had dus wel gelijk gehad, de minnares van den Franschen markies had een valschen naam opgegeven—of liever een anderen naam dan Debussy, want als zoodanig zou zij ook wel niet vermeld staan in het Fransche register van den Burgerlijken Stand!

Men was wel een weinig verbaast, dat de bezoeker den naam niet eens scheen te weten van de dame welke hij wenschte te spreken—en achter zijn rug gaf men elkander een knipoogje—die oude heer in het zwart en met zijn eerwaardig uiterlijk, kneep zeker de kat in het donker.

Er werd nu een étage-kellner geroepen en deze bracht Raffles door een doolhof van gangen, voor het meerendeel met door ouderdom bijna zwart geworden eikenhoutbeschotten en langs een aantal tamelijk donkere trappen naar het vertrek, hetwelk de zoogenaamde Miss Bispham bewoonde.

De kellner verzocht Raffles even te wachten, en vroeg toen:

—Miss Bispham verwacht u zeker?

—Neen! antwoordde Raffles kortaf.

De wenkbrauwen van den kellner gingen een eind de hoogte in en daarop hernam hij:

—Mag ik uw naam weten als-tu-blieft?

—Die komt er niet op aan—de dame kent mij toch niet, zeg maar dat iemand, die belang in haar stelt haar om een zeer ernstige reden moet spreken.

Er was nu niemand in de buurt om tegen te knipoogen en daarom haalde de kellner zijn neus maar eens op, keek den bezoeker schuin aan, en klopte.

Daarbinnen antwoordde een vrouwestem: Binnen! De kellner ging binnen, en kwam terug met de boodschap of de bezoeker niet aan hem kon mededeelen, wat hij verlangde.

—Onmogelijk, antwoordde Raffles eenigszins ongeduldig. Ik moet de dame absoluut zelf spreken. Zeg maar dat het een zaak van het hoogste gewicht betreft.

Schouderophalend ging de kellner nogmaals naar binnen, en een oogenblik later keerde hij terug.

—Miss Bispham verzoekt u binnen te komen, zei hij.

Hij maakte plaats voor Raffles, die, voor hij binnentrad nog juist zag, dat de goede man tersluiks een collega wenkte, die aan het eind van de gang nieuwsgierig toezag, waarschijnlijk om hem het schandaaltje mede te deelen, dat een oud man, die er naar het oog zoo eerbiedwaardig uitzag, bezoeken kwam brengen bij een dame, die er nu niet bepaald als een heilige uitzag.

Raffles had de deur achter zich gesloten en stond nu in een vrij eenvoudig gemeubelde hotelkamer, met tamelijk kleine ramen, en een open haard.

Zelfs wat de verwarming betreft scheen de eigenaar van het hotel er niet toe te hebben kunnen besluiten de prachtige ouderwetsche schoorsteenen te vervangen door leelijke radiators, of nog leelijker kolenkachels.

Dicht bij een der ramen stond een jonge, bleeke vrouw, met groote zwarte oogen, welke Raffles aanstonds zou hebben herkend, ook al had hij niet geweten wie hij hier zou vinden.

Zij had hoed en mantel, welke zij in het ziekenhuis droeg, nonchalant op het bed geworpen, en scheen juist op het punt te staan, weder uit te gaan.

Zij keek den binnenkomende met lichtgefronste wenkbrauwen aan, en vroeg, terwijl zij ongeduldig met den kleinen voet trappelde: [20]

—Wilt gij mij spoedig mededeelen, mijnheer, wie gij zijt en wat de reden van uw komst is; ik moet u bekennen, dat ik weinig tijd heb.

Raffles was het vertrek wat verder binnengetreden, keek de jonge vrouw een oogenblik doordringend aan en zeide toen op zachten toon:

—De reden van mijn bezoek zal u reeds iets duidelijker worden, miss, als ik u aanspreek met den naam, waaronder ik vroeger reeds eenmaal het genoegen heb gehad met u kennis te maken, Marthe Debussy!

De jonge vrouw deed een stap achteruit, keek Raffles verschrikt aan, en vestigde toen haar blik op de deur alsof zij vreesde dat iemand dien naam had kunnen hooren.

Toen trad zij dicht op Raffles toe, en zeide op fluisterenden toon:

—Als gij mij bij dien naam noemt dan moet ge mij goed kennen; zeg mij spoedig wat gij wilt!

—Ik wenschte uw hulp, zeide Raffles, terwijl hij de jonge vrouw aandachtig aankeek.

—Mijn hulp? hernam Marthe verwonderd, in welk opzicht kan ik u van dienst zijn?

—Gij kunt mij helpen in den strijd tegen een man, dien gij als uw doodsvijand moet beschouwen, omdat hij de doodsvijand van uw minnaar is.

De jonge vrouw deinsde nu met de hand op het hart gedrukt achteruit, en stamelde:

—Gij zijt van de politie? Gij zijt een detective? Want er is maar een man ter wereld op wien gij kunt doelen!

—Ik ben geen detective! antwoordde Raffles glimlachend.

—Misschien een slachtoffer van dien man?

—In zekeren zin, ja, madame! Ik wil u niet langer in het onzeker laten! Ik ben John Raffles!

De jonge vrouw sloot een oogenblik haar oogen en haar ademhaling ging zwaar.

Zij stond nu onbeweeglijk midden in het vertrek en staarde Raffles onafgebroken aan.

Toen kwam het toonloos over haar lippen:

—Dan—dan zijt gij ook een vijand van—van hem—van mijn vriend!

Raffles schudde zachtjes het hoofd en hernam:

—Gij kent mij slecht, Madame! Ik ben de vijand van Markies de Beaupré in zooverre hij deel uitmaakt van een bende, die werkt met middelen welke mij zeer tegen de borst stuiten, nog geheel daarvan af gezien dat ze mij concurrentie aandoet! Maar aan den anderen kant ben ik zijn vriend, omdat hij een fel tegenstander is van mijn vijand, dr. Fox. Gij ziet dat ik man en paard noem!

—Ja, als gij dit weet, dan moet gij wel werkelijk John Raffles zijn! zeide de jonge vrouw, terwijl zij eenige malen langzaam met het hoofd knikte.

—Op dit oogenblik is, naar mijn spionnen mij hebben medegedeeld, uw vriend zeer zwaar gewond, nietwaar?

Even scheen Marthe te aarzelen, maar toen antwoordde zij:

—Waarom zou ik er een geheim van maken—het is zoo!

—Wilt ge mij mededeelen, wie hem die wonden heeft toegebracht?

De minnares van den Franschen markies antwoordde niet en klemde de lippen opeen.

Maar haar gelaatstrekken kon zij niet in bedwang houden, en die spraken zoo duidelijk, dat Raffles met een flauwen glimlach vervolgde:

—Gij behoeft niets te zeggen, ik weet het reeds!

Hij wachtte even en vervolgde toen:

—Er heeft dus een strijd plaats gehad tusschen dr. Fox en Beaupré, met het gevolg, dat deze laatste zwaar gewond is. Ik kan mij nu den gang der gebeurtenissen wel voorstellen. Reeds tien dagen geleden meldden de bladen dat de meester uit de gevangenis ontsnapt was, en ik wist wel dat men hem spoedig hier zou kunnen terug verwachten. Waarschijnlijk heeft uw vriend tijdelijk zijn plaats vervuld en na Fox’s terugkomst geweigerd zijn functie weder neer te leggen, waarop waarschijnlijk ten aanschouwe van alle leden der bende een tweegevecht heeft plaats gehad. Heb ik het bij het goede eind?

Marthe Debussy had Raffles voortdurend met groote oogen aangestaard, en stamelde nu verschrikt:

—Het is onbegrijpelijk, het is alsof gij er bij geweest zijt, ja, zoo is het gegaan, die ellendeling heeft Raoul zwaar gewond!

—Ik behoef u zeker niet te vragen, of gij dr. Fox haat? vroeg Raffles, terwijl hij zijn koele grijze oogen onderzoekend op het gelaat van de vrouw vestigde.

—Ik zou hem met eigen handen kunnen dooden! kwam het sissend over de lippen van de jonge vrouw, terwijl zij de kleine vuisten balde. [21]

—Hebt gij veel vrienden, die u zouden kunnen en willen helpen wraak te nemen?

Marthe haalde verachtelijk de schouders op en zeide:

—Er zijn genoeg mannen, die veel liever Raoul aan het hoofd van het genootschap zouden willen zien, maar zij zijn te laf, zij zouden niets tegen Fox durven ondernemen.

—Zoudt gij de hulp willen aanvaarden van een man die dit wel zou durven? vroeg Raffles.

—Onmiddellijk! antwoordde Marthe hartstochtelijk, ik leef slechts in de hoop dat ik mij en Raoul op dien laffen bandiet zou kunnen wreken! Als gij wist op welke wijze hij mijn vriend heeft weten te overwinnen dan zoudt gij mij begrijpen. Noem mij dien man en ik leg mijn hand aanstonds in de zijne en maak hem tot mijn bondgenoot.

—Gij hadt het reeds moeten begrijpen, madame, die man staat voor u! antwoordde Raffles kalm.

Een oogenblik bleef het stil in het vertrek.

Marthe Debussy scheen aan een groote ontroering ten prooi en scheen den man die haar zijn hulp kwam bieden tot in het diepst van zijn ziel te willen lezen.

Maar plotseling scheen zij een besluit te nemen.

Zij trad op Raffles toe, en stak hem een hand toe, die koortsachtig gloeide.

—Ik weet niet of Raoul het zou goedkeuren, maar dat kan mij niet schelen! riep zij uit, ik neem uw hulp aan, en ik wil met u plannen beramen om onzen gemeenschappelijken vijand ten onder te brengen.

—Ik geloof dat gij daar goed aan doet, madame, zeide Raffles eenvoudig, en laat ons nu spoedig terzake komen! Weet gij niets van dr. Fox, waardoor ik hem in mijn macht zou kunnen krijgen en hem bijvoorbeeld aan de politie zou kunnen overleveren?

De jonge vrouw dacht een oogenblik na, en hief toen plotseling het hoofd op.

—Overmorgen zal er een inbraak plaats hebben in een groot huis in de Drury Lane. Den naam van den man die daar woont ken ik niet, ik weet alleen dat hij lid van het Hoogerhuis is. Fox zou zelf aan die inbraak deel nemen, als het ware om zijn terugkomst te vieren, meer bijzonderheden kan ik u tot mijn spijt niet mededeelen, maar ik kan nog wel meer te weten komen!

Raffles keek de jonge vrouw een oogenblik strak aan en zeide:

—Als gij u op Fox wildet wreken, waarom hebt gij dit dan niet aanstonds aan de politie medegedeeld, zoodat zij hem kon arresteeren?

Marthe haalde de schouders op en antwoordde:

—Ik ben zeker dat men mij wantrouwt en mijn gangen nagaat!

—Maar gij hadt toch kunnen schrijven?

—Ik heb de bijzonderheden pas eenige uren geleden vernomen en bovendien, als het slechts eenigszins mogelijk was, zou ik liever vermijden, dat het ruchtbaar werd dat ik de politie op de hoogte had gebracht, want dat zou de positie van mijn vriend kunnen benadeelen; verraad wordt bij onze bende steeds een groot misdrijf geacht, om welke reden het dan ook zelden gepleegd wordt.

Raffles had glimlachend naar dit staaltje van vrouwelijke logica geluisterd.

De jonge vrouw tegenover hem scheen niet in te zien dat het zeer weinig verschil uitmaakte of zij zelve de politie ging inlichten, dan wel, of zij dit door een tusschenpersoon liet doen, want zij moest toch begrijpen, dat Raffles niet alleen zou handelen, maar zich van de hulp der politie zou verzekeren.

—Gij zoudt het dus goedkeuren, merkte hij op, als ik er voor zorgde, dat deze inbraak niet het verloop zal hebben, hetwelk dr. Fox er van verwacht? Gij zoudt mij vrijlaten, om alles te doen, wat ik noodig acht, om dien man ten onder te brengen?

—Volkomen vrij! antwoordde Marthe met vaste stem. Hij of Raoul! Een tusschenweg is er niet! Ik weet, dat de chef van het Genootschap van den Gouden Sleutel niets liever zou wenschen, dan mijn vriend uit den weg te zien geruimd, al was het door sluipmoord, nu hij weet, dat hij in hem steeds een mededinger naar de macht zal vinden! Ik zal hem vóór zijn, reken daar op! Als gij niet hier gekomen waart, om mij voor te stellen Fox aan te vallen, dan zou ik zelve wel een middel hebben gevonden om mij te wreken!

—Dan zijn wij het eens! Gij zorgt er voor, mij nadere bijzonderheden mede te deelen omtrent de voorgenomen inbraak, zooals het aantal der mannen, die er aan deel zullen nemen, het uur, de wijze, waarop zij te werk denken te gaan, en andere zaken die van belang kunnen zijn!

—Ik beloof het u! antwoordde de jonge vrouw met schitterende oogen. [22]

—Wanneer kunt gij dat alles weten? vroeg Raffles.

—Vandaag nog! antwoordde Marthe. Ik heb gehuicheld, dat ik mij niet al te veel aantrok van de overwinning op mijn vriend, om later des te gemakkelijker dr. Fox te kunnen treffen. Zij wantrouwen mij dus niet. Hedenmiddag zou er opnieuw over de inbraak worden beraadslaagd, en dan zouden de laatste toebereidselen worden gemaakt.

—Waar en wanneer kan ik u ontmoeten?

De jonge vrouw dacht even na en antwoordde toen:

—Op den hoek van Marble Arch, tegenover de halteplaats van de taxi’s om zes uur.

—Het is goed! zeide Raffles terwijl hij opstond. Als ge mij die inlichtingen verschaft, behoef ik verder niets te weten, en kunt gij u ook geheel terugtrekken, ik zelf zal dan wel voor de rest zorgen! Op die wijze loopt gij ook geen gevaar, dat men zich later op u zal wreken, ik zal wel zorgen, dat Fox zeer nauwkeurig te weten komt wie hem deze kool gestoofd heeft!

Hij maakte een diepe buiging voor de jonge vrouw en zijn gelaat had weer dezelfde uitgestreken, schijn-vrome uitdrukking gekregen als er op lag toen hij het vertrek binnen trad.

Hij bleef een oogenblik in gedachten staan, en daalde toen de trappen weder af.

Hij had zelfs eenige moeite om den weg naar den uitgang te vinden in dit ouderwetsche doolhof, en moest een paar keer naar den weg vragen.

Maar eindelijk stond hij toch weder op straat, riep een auto aan, en liet zich weder naar de Regentstreet brengen.

Hij trad zijn huis binnen op dezelfde wijze als hij het verlaten had en eenige minuten later zat hij weder tegenover Charly.

—Hoe is het gegaan? vroeg de jonge man nieuwsgierig.

—Zooals ik wel verwachtte! Men kan een wraakzuchtige vrouw plooien en leiden zooals men wil, als men haar slechts in het vooruitzicht stelt dat zij aan haar wraakzucht zal kunnen voldoen.

En nu deelde Raffles het verloop van het geheele onderhoud mede.

Toen hij geëindigd had, zei Charly:

—Een Hoogerhuislid, dat in Drury Lane woont, kan niemand anders zijn dan Sir Roger Maxwell!

—Is er geen ander? vroeg Raffles vol belangstelling.

—Neen! Ik mag gerust zeggen dat ik de woonplaats van alle Hoogerhuisleden uit het hoofd ken, maar ik zal het voor alle veiligheid nog eens nagaan.

Hij was opgestaan, trad nu op de boekenkast toe, en nam er een klein in rood leder gebonden boekje uit waarin hij eenige oogenblikken bladerde.

Hij klapte het spoedig weder dicht, zette het weg.

—Het is zooals ik zeide, het is Sir Maxwell!

—Zeer rijk, niet waar?

—Buitengewoon rijk! Eigenaar van een renstal met twaalf paarden, landeigenaar met vijf landgoederen en zeven kasteelen, dikke vriend van Zijne Majesteit, groothandelaar in machines en gedurende den oorlog legerleverancier geweest, bezit het grootste motorjacht van Engeland en een particulier vermogen dat op twaalf millioen pond wordt geschat.

—Ik dank je voor je nauwkeurige toelichting, beste Charly, maar ik ben nog niet tevreden, vertel mij nog maar iets meer van zijn persoon, want ik zie wel dat ik jou kan raadplegen als een encyclopedie of een aflevering van „Ioh’s-ioh?”

—Vooruit dan maar! Sir Roger Maxwell is zestig jaar, weduwnaar met een dochter en twee zoons, waarvan er een bij het leger gediend heeft, laatstelijk als kapitein bij de Lanciers. De dochter is verloofd met een Baronet, Reginald Woodham. De oude Maxwell is lid van de twee duurste clubs, bezoekt veel de renbanen en is ook een trouw gast in opera en schouwburg. Voorts woont hij tamelijk geregeld de zittingen van het Hoogerhuis bij en dat is alles wat ik van hem weet.

—Ik dank je voor je inlichtingen, zij zijn zoo volledig als ik maar wenschen kan. Ik behoef zeker niet te vragen welke politieke beginselen onze man is toegedaan?

—Stokstijf conservatief! Hij stemt uit beginsel tegen alle wetten die niet door zijn partijgenooten zijn ingediend, ook al zou een schooljongen hem de voortreffelijke uitwerking van die wetten kunnen aantoonen!

—Ik heb het al gezien, een schitterend object om te worden bestolen, hernam Raffles, en hij liep naar de tafel om een sigaret uit een fraai bewerkte zilveren doos te nemen.

—Maar wij mogen toch niet toelaten dat dat geschiedt! riep Charly verontwaardigd uit!

—Tenminste niet door anderen! hernam Raffles koeltjes.

—Wat wil je daar mee zeggen? [23]

—Ik geloof dat mijn opmerking voor tweeërlei uitleg vatbaar is, Charly, antwoordde Raffles verwijtend. Ik wil zeggen, dat ik het werk van dr. Fox wel zal overnemen! Op deze wijze zou ik twee vliegen in een klap slaan. Fox onschadelijk maken en een ouden conservatieven geldpotter van een deel zijner nuttelooze rijkdommen ontlasten, ik geloof dat het een goede dag voor mij wordt, beste Charly.

De naaste toekomst zou bewijzen, dat de Groote Onbekende zich hierin vergiste.…..