Als man van de wereld, was Raffles ruim een kwartier voor het afgesproken uur op den hoek van Marble Arch aanwezig, in dezelfde vermomming, welke hij dien morgen had gedragen. Het was immers mogelijk dat Marthe Debussy een weinig voor den afgesproken tijd zou komen en hij mocht haar niet laten wachten.
Maar toen het op een naburige kerkklok zes uur sloeg, was er niets te zien van de jonge vrouw.
Raffles wachtte een kwartier, een half uur—nog steeds was er niets te zien.
Het werd kwart voor zeven—het werd zeven uur …
Raffles was in zich zelf reeds begonnen met allerlei verontschuldigingen te zoeken voor het wegblijven van Marthe Debussy.
De beraadslaging kon nog langer geduurd hebben dan zij verwacht had, men had haar misschien een opdracht kunnen geven, welke zij ten uitvoer had moeten brengen om geen argwaan te baren, wellicht ook had de hartstochtelijke jonge vrouw zich niet kunnen bedwingen en was tusschen haar en dr. Fox een woordenwisseling gevolgd.
Maar toen het bijna half acht was, begreep Raffles dat er iets ernstigs moest zijn voorgevallen.
Hij stond vlak bij de halteplaats der taxi’s, waar zich een telefoonpost bevond, en het zou haar als zij om een of andere reden verhinderd was geweest, gemakkelijk zijn gevallen om zich telefonisch met hem in verbinding te kunnen stellen.
Het was reeds lang duister, en overal brandden de straatlantaarns en de winkeletalages.
Raffles raadpleegde voor de zooveelste maal zijn horloge en wierp nogmaals een blik om zich heen.
Toen bleef zijn oog gevestigd op een straatjongen, die tegen het hek leunde, dat Hyde-park omgaf, dicht bij een van de groote marmeren bogen, die hier den uitgang van het beroemde park vormden.
Nu was Raffles reeds zeer argwanend gestemd en ongerust, en het zien van dien straatjongen prikkelde hem.
Waarom?
Eenvoudig omdat hij dienzelfden jongen daar reeds gezien had, toen hij om kwart voor zessen op de plaats verscheen.
Wat drommel voert die jongen daar toch uit? mompelde Raffles in zich zelf, dat gluiperige gezicht bevalt mij niets.
Hij deed een paar passen in de richting van den straatjongen, maar eensklaps scheen deze iets zeer bijzonders te zien, dat op eenigen afstand voorviel, want hij liep snel weg, en was het volgende oogenblik tusschen de menschenmassa verdwenen.
Langzaam keerde Raffles weder naar den rand van het trottoir terug en stond een oogenblik in gedachten.
—Dat bevalt mij niet, bromde hij! Dat bevalt mij in het geheel niet.
Dat wegblijven van Marthe Debussy zegt mij niet veel goeds, en dan die straatjongen, die hier twee uren gestaan heeft en eensklaps op den loop gaat als ik hem [24]nader, dat is ook niet in orde. Het dient echter tot niets als ik hier blijf staan, want zij komt zeker toch niet meer! Er moet iets gebeurd zijn.
Hij ging naar een klein wijnhuis op den hoek van Piccadilly Circus, en telefoneerde naar Het Vergulde Hert.
Hij kleedde zijn vraag in naar de zogenaamde Miss Bispham, en vernam, dat zij omstreeks half drie in den middag het hotel had verlaten, en niet was teruggekeerd, ofschoon zij gezegd had, om vijf uur nog even te zullen terugkeeren.
Met een bezwaard hart hing Raffles het toestel weder aan den haak, betaalde, trad naar buiten en riep een auto aan.
—Zoo vlug je kunt naar de Regent Street, op den hoek van Pall Mall, riep hij den chauffeur toe.
Maar reeds de volgende seconde had hij er spijt van, dit bevel op zoo luiden toon te hebben gegeven, want juist toen hij wilde instappen zag hij op een meter afstand den straatjongen staan, die hem met een valschen lach op zijn bleek gezicht stond aan te kijken.
Raffles gevoelde veel lust den jongen een muilpeer te geven, maar hij begreep, dat dat in de gegeven omstandigheden al zeer onvoorzichtig zou zijn, daar de jongen blijkbaar zeer goed wist wien hij voor had, en niet zou nalaten bij het eerste teeken van vijandschap de toesnellende voorbijgangers van zijn kennis deelgenoot te maken.
De gevolgen zouden niet te overzien zijn.
Raffles bedwong zich dus, stapte in, maar gaf goed acht, dat de jongen niet achter op de auto sprong, waartoe hij inderdaad aanstalten scheen te hebben willen maken.
De auto was echter nog geen tien minuten onderweg, of Raffles tikte tegen de voorruit, wenkte den chauffeur om stil te houden, stapte uit en betaalde.
Hij overwoog dat de straatjongen wel eens getelefoneerd kon hebben naar een medeplichtige, die hem op den hoek van Regent Street en Pall Mall zou opwachten, en hem zou volgen, om te zien waar hij bleef.
Met tegenstanders als dr. Fox moest men steeds de grootste voorzichtigheid in acht nemen.
Hij riep dus een tweede auto aan, nadat de eerste uit het gezicht was verdwenen, en gaf den chauffeur last hem naar de Bishopstreet te brengen, op den hoek van de Wellington street.
Daar gekomen zond hij den chauffeur weg, overtuigde zich dat men hem niet gevolgd had en richtte zijn schreden haastig naar een klein huis, waarvan de blinden gesloten waren en dat twee uitgangen had.
Het behoorde hem toe, en hij maakte er menigmaal gebruik van als hij zich in omstandigheden als deze bevond.
Hij opende de voordeur met een sleutel dien hij bij zich had, ging naar binnen en verkleedde zich vlug in een der vertrekken gelijkvloers, waarop hij het huis door den tweeden uitgang weder verliet.
Hij kon er nu wel zeker van zijn dat in geval men hem werkelijk gevolgd had, de achtervolgers zijn spoor wel bijster zouden geworden zijn.
Voor de derde maal riep hij een voorbijrijdende auto aan, maar thans liet hij zich tot ongeveer het midden van de Regentstreet brengen, zond daar de auto weg, en ging te voet verder.
Het was kwart over negenen toen hij eindelijk de kleine deur opende van den tuin, die zich achter zijn huis uitstrekte.
Hij liep haastig door langs de duistere paden, trad de achterdeur van het groote heerenhuis binnen en begaf zich naar de rookkamer, waar hij Charly in groote ongerustheid aantrof.
De jonge man trad hem met uitgestoken handen tegemoet en vroeg:
—Waar ben je toch geweest, Edward? Ik wilde juist uitgaan om te zien waar je bleef, je gelaat staat zoo strak, is er iets ernstigs voorgevallen?
—Dat moet ik vreezen, Charly. Marthe Debussy is niet op de plaats van de afspraak verschenen.
Charly schrok en riep uit:
—Dan moet er zeker iets hebben plaats gegrepen, wat het haar belet heeft, anders zou zij zeker wel gekomen zijn.
—Dienzelfden indruk heb ik ook gekregen, en de verschijning van dien straatjongen zegt mij weinig goeds. Hoe het ook zij—wij moeten dadelijk een onderzoek gaan instellen.
—Waar dan?
—Allereerst in het hotel, waar Marthe Debussy gelogeerd heeft. Daar zullen wij wel een en ander ontdekken, dat ons op een spoor kan brengen. Dit is in ieder geval duidelijk, op de een of andere wijze zijn de schurken achter ons gesprek gekomen.
—Is het ondenkbaar, dat de jonge vrouw verraad jegens je gepleegd kan hebben? [25]
—Dat acht ik onmogelijk. Waartoe? Waarom? Wat had zij daarmede bereikt? En waarom dan niet op de plaats van afspraak gekomen en mij in een valstrik gelokt? Neen, ik blijf er bij—zij verkeert in gevaar. En omdat ik zelf daartoe aanleiding heb gegeven, is het mijn plicht, haar te redden. Als inderdaad op een wijze, welke ik nu nog niet kan verklaren, ons gesprek in de hotelkamer is afgeluisterd, dan verkeert die vrouw in levensgevaar. Je kent de beginselen van het Genootschap van den Gouden Sleutel, de dood voor den verrader. En Marthe heeft zeker nog minder genade te wachten, daar zij de minnares is van een doodsvijand van Fox.
Raffles bleef even in gedachten staan, en richtte eensklaps het hoofd weder op.
—Daar valt mij iets in! riep hij uit. Even voor ik het vertrek zou binnentreden, waar Marthe Debussy mij wachtte, zag ik een kellner op eenigen afstand staan, die blijkbaar nieuwsgierig naar mij keek, en toen ik binnenging, liep de man die mij den weg gewezen had, naar dien kellner toe, en deelde hem iets mede. Wie kan zeggen, of die kerel geen spion van de bende is geweest. Nu, wij zullen het spoedig weten.
—Kan ik je bij je onderzoek van dienst zijn, Edward, vroeg Charly.
—Ik zou het inderdaad op prijs stellen, als je medeging, mijn jongen, antwoordde Raffles. Wij kunnen ons uitgeven voor particuliere detectives, en aan den eigenaar van het hotel zeggen, dat er vrees bestaat, dat zijn huurster het slachtoffer eener ontvoering is geworden. Kom, laten wij ons haasten. Iedere minuut kan kostbaar zijn.
Binnen een kwartier hadden de beide vrienden alles voor hun onderneming in gereedheid gebracht.
Henderson, de chauffeur, had zijn instructies ontvangen en nu verlieten de twee mannen het huis en namen een auto, welke hen spoedig voor „Het vergulde Hert” afzette.
De portier geleidde hen, nadat zij zich als detectives hadden aangemeld, naar het woonvertrek van den eigenaar, een gemoedelijk man, met een rond, blozend gelaat, die niet weinig verschrikt keek, toen de twee gewaande politiebeambten hij hem binnentraden.
—Wij zullen u niet lang ophouden, mijnheer! begon Raffles op zakelijken toon, waarachter hij zijn ongerustheid verborg—want al was die vrouw een misdadigster—hij was schuld, dat zij thans in groot gevaar verkeerde. In uw hotel heeft een Miss Bispham gewoond, waarvan wij vermoeden, dat zij ontvoerd is door schurken van de ergste soort. Wilt gij ons eenige mededeelingen doen?
—Natuurlijk, mijnheer! stotterde de eigenaar. Vraag slechts.
—Zijn al uw kellners lang in uw dienst?
—Neen, enkele zijn hier pas sedert eenige dagen.
—Zijn die hier nu?
—Neen—een hunner is vanmiddag vroeg vertrokken, en nog niet teruggekeerd.
—Had hij daar verlof toe?
—Zeker niet.
Raffles en Charly wisselden een snellen blik met elkander, het vermoeden van den gentleman-inbreker was maar al te juist geweest.
—Wilt gij mij toestaan, even de kamer van die dame te onderzoeken? ging Raffles voort.
—Welzeker. Ik zal u er zelf even heenbrengen.
Vijf minuten later stonden de drie mannen in het logeervertrek.
Raffles keek rond, en wendde zich toen tot den eigenaar met de vraag:
—Waren de kamers hiernaast bezet?
—Slechts een!
—Dan zou ik gaarne de onbewoonde willen zien.
—Tot uw dienst.
De drie mannen traden nu een vertrek binnen, dat volmaakt geleek op dat, waar de verdwenen vrouw gewoond had.
Raffles ging recht op een wandkast toe, en trok de deur open.
Hij verlichtte het binnenste met zijn zaklantaarn en mompelde:
—Ik heb het wel gedacht.
—Wat is er dan, mijnheer, vroeg de eigenaar op angstigen toon.
—De achterwand van de kast is doorboord, en het gat gaat ook door den muur. Het is nog geheel versch en zeker nog vandaag gemaakt. Wie zijn oor hier tegen legt, is slechts door een dunnen wand, namelijk het behangsel, van de kamer hiernaast gescheiden, en kan duidelijk alles hooren, wat daar gesproken wordt.
—En—wat zou dat dan, mijnheer? vroeg de hotelier, zeer bevreesd voor den goeden naam van zijn inrichting.
—O, het verklaart slechts eenige dingen van ondergeschikt [26]belang! antwoordde Raffles schouderophalend, maar Charly zag wel, hoe die ontdekking hem geschokt had.
Met gefronste wenkbrauwen verliet hij het vertrek weder, en even later stonden de drie mannen weder in het vertrek, waar zij ontvangen waren.
Raffles wilde juist weder een vraag stellen, toen de telefoon ging.
—Veroorloof mij een oogenblik! zeide de hotelier, terwijl hij naar het toestel ging.
Hij had ternauwernood eenige woorden gesproken, toen hij Raffles wenkte, en zeide:
—Neemt gij liever den hoorn, mijnheer. Ik geloof, dat dit uw zaak is.
Raffles trad snel naar de telefoon, en luisterde met gespannen aandacht.
Het gesprek was zeer kort, en duurde ternauwernood eenige seconden.
Charly begreep er niets van, en het werd hem niet duidelijker, toen Raffles eensklaps het toestel weder ophing, hem bij den arm greep, en hem medetrok, terwijl hij den verwonderden eigenaar toeriep:
—Bedankt voor uw moeite! Wij zijn reeds op een spoor.
Raffles stormde de straat op, Charly met zich medesleurende.
Hij floot om een huurauto, en riep den chauffeur toe:
—Vijf pond voor jou, als je ons binnen acht minuten naar het ziekenhuis in de Sloane Street brengt.
Acht minuten was een korte tijd voor dien afstand—maar vijf pond was zelfs in dezen tijd van hooge prijzen een mooie fooi en de auto reed dan ook in razende vaart door de straten van Londen.
—Wil je mij nu eindelijk eens zeggen … begon Charly, die van dit alles niets begreep.
—De zaak is in het kort deze, mijn jongen! antwoordde Raffles. Weet je, wie daar zooeven aan de telefoon was? Beaupré! Of liever, een ziekenzuster, die namens hem sprak. En weet je, wat hij van den hotelier wilde weten? Of Marthe Debussy nog hier was.
—Maar wat beteekent dat? riep Charly ten hoogste verbaasd uit.
—Luister! Ik stelde de zuster een paar vragen, en vernam, dat er op het oogenblik twee mannen bij de zwaargewonde zijn, die voorgaven familie van hem te zijn, die hem iets zeer gewichtigs hadden mede te deelen. Daarom liet men hen ook bij Beaupré toe, ondanks het late uur. Ik twijfel er geen seconde aan, of die kerels zijn leden van de bende.
—Maar wat komen die daar dan doen? riep Charly uit.
—Zij komen daar in verband met de verdwijning van Marthe, anders zou Beaupré niet zoo eensklaps navraag naar haar hebben laten doen.
—En waarom rijden wij nu in zulk een razende vaart naar het ziekenhuis?
—In de eerste plaats, om die twee bandieten te arresteeren.
—Wil je hen aan de politie uitleveren, zonder nadere bewijzen?
—Aan de politie denk ik geen seconde! antwoordde Raffles glimlachend. Je zult het wel zien. Daar zijn wij er al. De chauffeur heeft als een duivel gereden en zijn vijf pond wel verdiend.
De auto stond stil voor het groote gebouw, de beide mannen stapten uit, en Raffles riep den chauffeur toe:
—Wacht hier even. Het zal je geen windeieren leggen.
En daarop snelde hij langs het oprijpad naar den ingang, door Charly op den voet gevolgd, die onder het loopen hijgend vroeg:
—Zouden die kerels al niet verdwenen zijn?
—Ik heb aan de zuster gevraagd, hen tot iederen prijs aan de praat te houden tot ik gekomen was.
—Vroeg zij dan geen redenen?
—Zeker—en die heb ik genoemd. Ik heb haar gezegd, dat die mannen beruchte chanteurs waren en dat ik kwam, om hen te arresteeren.
—Maar dat is tamelijk gewaagd! riep Charly onder het voortrennen.
—O, het geluk is aan de stoutmoedigen! riep Raffles uit.
Zij hadden nu juist een groote vestibule bereikt, waar de portier hen tegemoet trad, en naar hun wenschen vroeg.
—Zijn de twee bezoekers er nog, die den zwaargewonde op de algemeene mannenzaal kwamen opzoeken? vroeg Raffles ademloos.
—Ja, mijnheer, antwoordde de man. Is u soms degene, die zooeven aan de telefoon was?
—Ja. Ik kom toch niet te laat?
—Het scheelde niet veel! antwoordde de portier snel en op fluisterenden toon, terwijl hij een blik op de liftkooi wierp, die naar beneden kwam. Het zou mij [27]niet verwonderen, als zij daar juist aankwamen. Ik zou niet weten, wie het anders konden zijn.
Raffles en Charly lieten den ouden man niet eens uitspreken, maar ijlden naar de lift, en plaatsten zich, met de revolver in de vuist, een weinig terzijde, in de duisternis, welke de schaduw van de groote trap daar verwekte.
Het was hoog tijd.
Juist kwam de lift naar beneden, en de jongen opende de ijzeren deuren en liet twee deftig gekleede heeren uitstappen.
Zij waren ternauwernood over den lagen drempel van de liftkamer gestapt, of luid en bevelend klonk de stem van Raffles:
—Steek uw handen op.
Een woeste vloek—een snelle beweging naar een broekzak—het geklikklak van metaal—en de twee mannen voelden de boeien om hun polsen.