[Inhoud]

HOOFDSTUK VII.

In de klauwen van den dood.

Zij keken Raffles en Charly met woeste blikken aan, en eindelijk vroeg een hunner op schorren toon:

—Wat moet dat beteekenen? Wat geeft u het recht om ons te arresteeren?

—Dat zul je later wel zien! zeide Raffles kortaf.

—Toon je politiepenning! riep de andere man.

Zonder een woord te spreken haalde Raffles zijn voortreffelijk nagemaakten politiepenning te voorschijn en liet hem den man zien.

De portier was angstig naderbij gekomen en nu wendde Raffles zich tot dezen beambte met de vraag:

—Dit waren immers de mannen, die den gewonde wilden spreken, die hier gisteren is binnen gebracht?

—Ja, mijnheer,—het zijn dezelfden!

Raffles wendde zich nu tot Charly en zeide:

—Bewaak die kerels goed, collega! Ik moet boven in de zaal eenige inlichtingen vragen.

En terwijl Charly de beide mannen gelastte tegen den muur te gaan staan, en met zijn revolver in de vuist vóór hen plaats nam, ging Raffles met de lift naar boven en haastte zich naar de gemeenschappelijke mannenzaal, waar hij zich dadelijk tot de hoofdverpleegster richtte, die hem met een verbaasde uitdrukking op haar gelaat te gemoet trad.

—Het spijt mij, zuster, dat ik u moet lastig vallen, zeide Raffles met een beleefde buiging, maar het gaat niet anders! Ik ben van de politie!

—Dus dan heb ik zooeven met u gesproken? vroeg de hoofdverpleegster.

—Dat hebt gij! Kunt gij mij nog iets naders mededeelen?

—Niets anders dan wat ik u reeds gezegd heb, mijnheer! De beide heeren zijn hier gekomen en hebben gezegd, dat zij naaste familie waren van den man, die hier zwaar gewond is binnen gebracht.

—Noemden zij een naam? vroeg Raffles.

—Zij vroegen naar William Brown—zoo heette de man! zeide zij.

Raffles haalde de schouders op.

—Zij hadden even goed Green of Black kunnen zeggen, zeide hij. Die zoogenaamde heeren waren … enfin, zij waren niet voor wie zij zich uitgaven, zuster! Zij kwamen om dien man daarginds iets af te persen en op het oogenblik staan zij geboeid in de vestibule.

—Daarom hebt gij mij dus gevraagd om hen hier zoo lang mogelijk vast te houden?

—Daarom, zuster!

—Het spijt mij wel—maar ik wist op het laatste niets meer te bedenken en hun tegenwoordigheid scheen onzen gewonde zeer op te winden. [28]

—Gij zijt natuurlijk niet bij het gesprek aanwezig geweest?

—Neen—die heeren zeiden mij, dat zij intieme familie-aangelegenheden te behandelen hadden, en het spreekt vanzelf, dat wij ons toen teruggetrokken hebben.

Raffles wendde zijn blikken naar de zijde waar Beaupré op zijn sponde lag, en zag, dat twee bedden rechts van hem en één bed links onbezet waren—de bandieten hadden dus gemakkelijk even ongestoord met hem kunnen praten.

Hij wendde zich weder tot de hoofdverpleegster:

—Heb ik het goed verstaan, dat de gewonde de man is, die aan de telefoon stond, om te informeeren of een zekere miss Bispham nog in het hotel „Het Vergulde Hert” vertoefde?

—Ja, zoo is het, mijnheer!

—Ik begrijp het al, bromde Raffles vóór zich heen. Beaupré heeft zich natuurlijk willen overtuigen of de schurken hem niet bedrogen! Ik geloof, dat ik lont begin te ruiken.

Hij wendde zich opnieuw tot de verpleegster en vroeg op zachten toon:

—Wilt gij mij toestaan, zuster, dien zoogenaamden Brown een paar vragen te stellen?

—Als gij belooft, dat het niet te lang zal duren, ga dan uw gang, mijnheer! Het gesprek van zooeven schijnt hem zeer te hebben aangegrepen!

—Ik beloof het u! Vijf minuten zullen voldoende zijn.

Raffles liep snel naar het bed toe, nam naast Beaupré plaats, greep zijn hand en keek hem strak aan.

Toen zeide hij op fluisterenden toon, zoodat alleen de gewonde hem kon hooren:

—Zeg mij spoedig alles, wat die twee mannen van u wilden—het gaat om het leven van Marthe Debussy!

Er voer een schok door het lichaam van Beaupré en zijn wenkbrauwen trokken zich openlijk samen.

Toen antwoordde hij op heeschen toon:

—Wie zijt gij, dat gij dit weet? Kan ik u vertrouwen?

—In deze zaak, zeker! antwoordde Raffles op dringenden toon. Zeg het mij spoedig—het is wellicht een zaak van minuten. Ik weet wie die mannen waren!

De gewonde sloot even de oogen, en antwoordde nauwelijks hoorbaar:

—Zij kwamen mij zeggen, dat Marthe zich in hun macht bevindt, en dat zij haar gevangen hadden genomen, omdat zij een gewichtig geheim van de bende zou hebben verraden. Zij dreigden mij, dat zij ter dood zou worden gebracht als ik niet onmiddellijk een duren eed zwoer, dat ik voor goed zou afzien van het leiderschap van ons Genootschap, en dat ik eenige geheimen van mijn eigen bende te Parijs zou verraden.

—Dat moet een vreeselijke tweestrijd voor u zijn geweest, Beaupré, fluisterde Raffles.

—Wat! Gij weet mijn naam?

—Ik weet alles! antwoordde Raffles eenvoudig. Ik weet ook waarom men uw minnares gevangen heeft genomen en haar nu met den dood bedreigd—zij heeft het plan voor een inbraak bij Roger Maxwell aan Raffles verraden, opdat deze zich aldus zou kunnen wreken op dr. Fox!

Beaupré had Raffles met verschrikte oogen aangekeken en vroeg nu op schorren toon:

—Hoe weet gij dat alles?

—Ik ben John Raffles, kwam het zacht over de lippen van den Grooten Onbekende.

Een oogenblik bleef het zeer stil, en men hoorde in de groote zaal niets dan het tikken van de klok en het zacht gekreun van eenige zieken.

Beaupré had de oogen gesloten, maar nu opende hij ze weder en zeide, met een zonderlingen glimlach om zijn bleeke lippen:

—De wegen der Voorzienigheid zijn ondoorgrondelijk! Ik meende, dat wij elkander nooit weder zouden terug zien, en nu zit gij hier, en komt mij zeker uw hulp aanbieden?

—Ik kom u aanbieden uw minnares uit de klauwen van den dood te redden!

Beaupré kloonde de lippen op elkaar en uit zijn half gesloten oogen druppelden een paar heete tranen.

In het verharde gemoed van den bandiet was een weeke plek—en dat was de liefde voor Marthe.

Hij wist, dat zij zich in doodsgevaar bevond—deze man was in vrijheid en beschikte over ongelooflijke hulpbronnen—hij was de eenige, in staat om de jonge vrouw te redden.

Zijn bevende hand tastte over het dek, tot zij die van Raffles gegrepen had en moeilijk kwam het over zijn lippen:

—Ik kan niet anders—ik heb haar zoo lief—ik stel mijn en haar lot in uw handen—red haar—en [29]ik zweer u, dat ik u nooit willens en wetens een haar op het hoofd zal krenken!

Raffles knikte den gewonde toe, en hernam:

—Ik beloof u, dat ik alles zal doen, wat in mijn vermogen is, en dan doe ik niet meer dan mijn plicht, want het is mijn schuld, dat zij zich thans in dezen vreeselijken toestand bevindt. Mag ik weten, wat gij aan de twee mannen geantwoord hebt?

—Ik heb hun het eenige geantwoord wat er te antwoorden viel, hernam Beaupré zachtjes. Ik heb gezegd, dat ik geen aanspraak zou maken op het leiderschap zoolang dr. Fox aan ons hoofd stond, en hun beloofd, dat ik al de geheimen van mijn eigen Genootschap zal trachten uit te vinden en hun mede te deelen, zoodra ik hersteld was.

—Namen zij daar genoegen mede?

—Zij wilden, dat ik morgen in geheim geschrift naar Parijs zou laten telegrafeeren!

—Maar gelooft gij nu in ernst, dat uw minnares nu veilig is, nu gij die eischen hebt ingewilligd?

Een droge snik welde uit de keel van den zwaar gewonde en opnieuw gleden twee brandend heete tranen uit zijn oogen over zijn bleeke wangen.

Wanhopig riep hij uit:

—Neen, dat denk ik niet! O, ik ken de ellendelingen! Ik ken het karakter van dr. Fox. Hij is een duivel in menschengedaante! Voor verraad kent hij geen genade—en als die schurken zooeven de waarheid hebben gesproken—dan is het lot van Marthe beslist, want hij kent geen medelijden en al mijn eeden zouden daar niets aan veranderen—hij is zelf zoo slecht, dat hij onmogelijk zou kunnen gelooven, dat ik mijn eed zou houden!

Raffles boog het hoofd—hij vreesde maar al te zeer, dat Beaupré gelijk had en dat hier een afschuwelijke comedie werd opgevoerd, die alleen ten doel had hem een paar kostbare geheimen af te zetten.

—Ik dank u voor uw openhartigheid, hernam Raffles fluisterend. Wij zullen elkander zeker nog wel eens ontmoeten—en niet altijd als vrienden, maar dezen keer schrijden wij zij aan zij—om het leven van Marthe Debussy!

Raffles was opgestaan, want hij zag, dat de gewonde reeds veel van zijn krachten had gevergd. De hoofdverpleegster kwam nu toeloopen en Raffles zeide:

—Zoodra het gelukt is, zal ik het u telefonisch laten weten!

Beaupré wierp hem zonder een woord te spreken een dankbaren blik toe, en Raffles verliet het vertrek, uitgeleide gedaan door de hoofdverpleegster.

Beneden in de vestibule wachtte Charly hem met de beide arrestanten.

Raffles gaf hem een wenk en daarop namen zij de beide schurken tusschen hen in en verlieten het ziekenhuis.

—Zal ik soms om assistentie vragen, mijnheer, vroeg de portier gedienstig.

—Dat is niet noodig, mijn vriend, wij kunnen het wel alleen af, antwoordde Raffles op grimmigen toon.

De huurauto stond nog altijd te wachten en de twee geboeide kerels werden naar binnen geheschen.

—Zeker naar Scotland Yard, vroeg de chauffeur, die de geboeide polsen had gezien, grinnikend.

—Neen—eerst naar de Bishopstreet op den hoek van de Wellingtonstreet! beval Raffles. Ik moet daar in gezelschap van deze kerels een onderzoek instellen.

Het portier klapte dicht en de auto zette zich in beweging.

—Gij zoudt u met uw boodschap zeker begeven hebben naar de gewone plaats van samenkomst in de Firestreet? begon Raffles onmiddellijk zijn ondervraging.

Hij kreeg geen antwoord.

—Gij weigert mij te antwoorden? vroeg Raffles dreigend. Wel, des te erger voor u!

Hij had onder het spreken de hand in den zak gestoken en er een klein étui uit genomen en geopend.

Hij nam er een zeer fijne injectienaald uit en vóór de twee schurken goed wisten wat er met hen gebeurde, had hij hen beiden met het vlijmscherpe voorwerp in den pols geprikt!

—Vervloekt! Wat doet gij daar? riep een van de schurken. Hebt gij ons vergiftigd?

—Neen, zoo erg is het niet—ofschoon ik er geen seconde berouw van zal hebben als het wel zoo zou wezen, antwoordde Raffles verachtelijk. Ik heb u eenvoudig een middeltje van mijn vinding ingespoten, waardoor gij binnen vijf minuten bewusteloos zult zijn en naar waarheid zult antwoorden op alle vragen, die ik u zal stellen—want gij zult zeer goed kunnen hooren, alleen niet kunnen zien, en u ook niet kunnen bewegen. En wilt gij mij nu antwoorden?

—Nooit! brulde de man. Gij zijt geen echte rechercheur! Ik had het aanstonds moeten begrijpen. Gij zijt Raffles! [30]

—Misschien hebt gij het wel geraden! zeide Raffles droogjes. Ik zou u echter willen verzoeken, niet zoo hard te schreeuwen, want ik heb hier een revolver in mijn hand—en die mocht door den luchtdruk eens afgaan!

De bandiet zweeg, maar als blikken hadden kunnen dooden, dan zou Raffles geen seconde meer geleefd hebben!

Het kwam juist zoo uit als Raffles gezegd had—binnen vijf minuten bevonden de twee bandieten zich in een zeer zonderlingen toestand—hun oogen waren geopend, maar hun blikken hadden alle uitdrukking verloren. Hun ledematen waren slap gebleven en toch schenen zij zich niet te kunnen bewegen.

Maar nu stond de auto stil—en Raffles sprak eenvoudig op bevelenden toon de woorden:

—Stap uit, gij beiden.

En waarlijk, de twee schurken stapten uit met automatische beweging als reusachtige speelgoedpoppen.

Raffles betaalde snel den chauffeur, gaf hem de overeengekomen fooi, en daarop brachten hij en Charly de twee kerels snel het huis binnen.

Binnen een kwartier hadden zij van kleederen verwisseld, en hun gelaat een verandering doen ondergaan, die de twee schurken ontzet zou hebben doen staan als zij ze hadden kunnen zien—zij geleken op hen als twee droppels water.

Toen deze gedaanteverwisseling had plaats gehad ging Raffles voor zijn dubbelganger staan die zooeven geweigerd had te antwoorden en zeide:

—Geef mij antwoord op de volgende vragen. Waarheen moest gij u begeven met het antwoord? Wat is voor heden het wachtwoord? Waar bevindt zich Marthe Debussy? Wanneer zou ze ter dood worden gebracht?

En het antwoord kwam, met toonlooze stem:

—Naar de Firestreet! Dood aan de verraders! In een kelder van het wijnhuis. Morgen bij het aanbreken van den dag!

Raffles wendde zich tot Charly en sprak rustig:

—Meer hebben wij niet noodig te weten. De rest zal kinderspel zijn.

—Kinderspel? herhaalde Charly. Nu, het is maar een opvatting. Hoelang blijven deze kerels bewusteloos?

—Zoolang tot ik hun zelf een tegenmiddel ingeef. En ga spoedig mede, want bij dit zaakje moeten wij Henderson hebben.

De twee vrienden lieten geen tijd verloren gaan, maar snelden het huis weder uit, na alle lichten te hebben gedoofd, namen op straat een huurauto en lieten zich tot op eenige meters afstand van Raffles’ huis in de Regentstreet brengen.

Zij traden binnen en dadelijk werd Henderson door middel van de huistelefoon gewekt en op de hoogte gebracht.

Tien minuten later stond de reus gekleed en wel, met zwarte vegen in het gelaat en een pet met een breede klep op het hoofd, die hem een verre van gunstig uiterlijk verleenden, en in iederen zak een revolver.

Maar voor zij het huis zouden verlaten nam Charly Raffles ter zijde en vroeg zacht:

—En de inbraak bij Sir Maxwell?

—Dat loopt niet weg—dat is voor een volgende gelegenheid. Wij kunnen niet alles tegelijk doen. Als wij Marthe gered hebben, dan weet ik dat wij wezenlijk onzen dag niet zoo kwaad besteed hebben. En nu: Op marsch.

—Als wij de honden eens meenamen? stelde Charly voor.

—Te gevaarlijk, die zijn te bekend als de honden van Lord Aberdeen. Wij moeten het ditmaal maar met onze revolvers, onze vuisten en een beetje goed geluk af doen. Ik heb bovendien nog een paar kleine handgranaten in mijn zak, bij wijze van versnapering.

Opnieuw nam de tocht dwars door Londen een aanvang. Een huurauto bracht de drie mannen tot in het hart van Houndsditch, de volksbuurt waar ook de Firestreet te vinden is.

De belofte van een buitensporig hooge fooi bewerkte dat de chauffeur op diezelfde plaats zou blijven wachten, ook al duurde het een uur.

En nu snelden de drie mannen weg en hadden spoedig het wijnhuis bereikt.

Het was toen bijna half vier in den nacht.

Red Peter, de vuurroode waard, ontving de drie mannen met een slaperig gezicht.

Hij scheen Raffles en Charly aanstonds te herkennen, maar keek Henderson wantrouwend aan.

—Het wachtwoord? vroeg hij.

—Dood aan de verraders! antwoordde Raffles dadelijk. Is de meester er nog?

—Neen, die heeft zijn geduld verloren en is weggegaan; [31]hij was woedend op jullie omdat je zoo lang weg bleef. Wat de meid betreft, die gaat er morgenochtend aan.

Een snelle wenk van Raffles was noodig om Henderson te beletten den rooden bandiet de hersens in te slaan op deze woorden, en daarop gingen zij langs den ons reeds bekenden weg naar de verzamelplaats onder den grond.

Zij vonden daar een twaalftal mannen bijeen, en Henderson zeide, bijna hardop en met een minachtend schouderophalen:

—Is dat alles? Maar dan hadt gij gerust kunnen gaan slapen, mylord, en het grapje aan mij over laten.

Joe Burns was aanwezig, maar als secretaris had hij wel wat beter op zijn houding mogen passen, want hij lag voorover met zijn hoofd op tafel te snurken.

Hij werd echter wakker gestompt door een van de andere bandieten, die aan het dobbelen en kaarten waren, en keek de binnenkomenden met lodderige oogen aan.

—Zoo—zijn jullie daar nu pas? Jullie bent laat!

—Voor jullie altijd nog vroeg genoeg! Handen op! beval Raffles op bevelenden toon.

Slechts een onderdeel van een seconde dachten de bandieten aan een misplaatste grap—maar toen er drie indrukwekkende revolvers te voorschijn kwamen, begrepen zij, dat het bittere ernst was!

—Verraad! schreeuwde Joe Burns, terwijl hij opsprong. Verdedig je, mannen!

Dat was echter gemakkelijker gezegd dan gedaan, want de meeste mannen hadden aanstonds verschrikt de handen opgestoken, en zij, die een beweging naar hun zak hadden gemaakt, hadden reeds kennis gemaakt met de harde vuisten van Henderson en konden dus evengoed dood zijn—zij lagen ergens bewegingloos in een hoek, drie in aantal. Een vierde was zoo onvoorzichtig, van onder zijn zakdoek op Raffles te vuren, maar dadelijk velde een kogel van Charly hem neer.

De vijfde, die een poging tot verzet maakte, was Joe Burns in eigen persoon—maar niet veel later had hij er bittere spijt van, want Henderson tilde hem met één hand van den grond, met evenveel gemak als hij het een kind van een paar dagen zou hebben gedaan, en smeet hem daarna in een wijden boog tegen den muur, waar hij met een paar gebroken ribben bleef liggen.

In een hoek van het vertrek bevond zich een kelderdeur en plotseling klonk daarachter de kreet:

—Raffles! De Hemel zij geprezen! John Raffles! Kom mij ter hulp—zij willen mij dooden!

—Maak dat eens even in orde, Henderson! zeide Raffles, terwijl wij de bandieten in bedwang houden.

—Tot uw dienst, mijnheer, zeide de brave reus.

Hij liet zijn revolver in zijn zak glijden en trad op de deur van het cachot toe, waarin zich een luik van ongeveer drie decimeter in het vierkant bevond, hetwelk door staven van ruim een vingerdik, op eenige centimeters van elkander geplaatst, en die aan de buitenzijde van de ijzeren deur waren vastgeklonken, was afgesloten.

Maar dit was voor een man als Henderson slechts een zeer poover beletsel! Hij kneep in ieder zijner reusachtige vuisten zulk een staaf—rukte een paar malen—boog ze krom, alsof ze van lood waren—duwde ze naar binnen—boog ze nogmaals naar buiten—totdat zij los sprongen! De twee andere staven ondergingen hetzelfde lot, de opening was vrij!

—Steek mij uw handen maar eens toe, schoone dame, verzocht Henderson galant. Er zal daarbinnen wel een stoel of een bank zijn, waarop gij kunt gaan staan.

Marthe Debussy gehoorzaamde—en Henderson tilde haar als een kind naar buiten en zette haar behoedzaam neer.

Dit alles had nauwelijks eenige minuten geduurd.

—Breng haar weg, James, beval Raffles, wij zullen je aftocht dekken!

De reus geleidde de half bewustelooze jonge vrouw snel naar de deur en Raffles en Charly vormden de achterhoede en hielden de bandieten met hun revolvers in bedwang, die hen bleek van woede nastaarden.

Zoo bereikten zij de gelagkamer, waar zich niemand anders bevond dan de sluimerende waard, die verschrikt opsprong, toen hij de drie mannen met de geredde vrouw zag naderen.

—Een oogenblik, mylord, zeide Henderson op zachten, smeekenden toon. Mijn rechter hand kriebelt zoo, dat ik het niet kan bedwingen.

Hij schoof de jonge vrouw in de armen van Charly, balde zijn vuist en trof den beklagenswaardigen kroeghouder zóó gevoelig boven op het hoofd, dat de man [32]zonder een kreet te slaken, als een zoutzak neerplofte en achter zijn toonbank verdween alsof hij eensklaps door een valluik zonk.

Henderson wreef zich vergenoegd de handen, en riep met schitterende oogen uit:

—Nu is mijn heele dag goed, mylord! Dat maakt een beter mensch van mij; als u het goed vindt, zullen wij nu maar weer verder gaan—want ik geloof, dat ik in den kelder al iets verdachts hoor aankomen!

Hij nam de half bewustelooze vrouw in zijn sterke armen, en de drie mannen snelden weg en bereikten veilig de auto die juist weg reed, toen de eerste bandieten met een waar gebrul van woede het wijnhuis kwamen uitstormen!