The Project Gutenberg eBook of Reis door Noord Amerika

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Reis door Noord Amerika

Gedaan door den Heer Pieter Kalm

Author: Pehr Kalm

Release date: August 20, 2023 [eBook #71453]

Language: Dutch

Original publication: Utrecht: J. van Schoonhoven en Comp. en G. van den Brink Janz, 1772

Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This file was produced from images generously made available by The Internet Archive/American Libraries.)

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK REIS DOOR NOORD AMERIKA ***
[Inhoud]

[Inhoud]

REIS
DOOR
NOORD
AMERIKA.

EERSTE DEEL.

[Inhoud]

G. Philips Jacobsz. inv. del. et fec. 1772.  

Te UTRECHT by J. v. Schoonhoven & Comp. en G. v. de Brink Jz.

[Inhoud]

Oorspronkelijke titelpagina.

REIS
DOOR
NOORD
AMERIKA,

Vercierd met koperen Platen.
EERSTE DEEL.
Te UTRECHT.
By J. VAN SCHOONHOVEN en Comp.
EN
G. van den BRINK Janz.
MDCCLXXII.

[Inhoud]

AAN DEN
WEL EDELEN HEER
PIETER CRAMER,
KOOPMAN
TE AMSTERDAM,

DIRECTEUR VAN HET ZEUWSCHE GENOOTSCHAP DER WETENSCHAPPEN TE VLISSINGEN,

BEMINNAAR VAN
KONSTEN EN WETENSCHAPPEN,
WORDT
DE NEDERDUITSCHE VERTALING
DEZES WERKS,
TEN BLYKE
VAN ERKENTENIS
EN
HOOGAGTING,
OPGEDRAGEN
DOOR
ZYN WEL EDELENS
ZEER OOTMOEDIGE DIENAREN,

JOANNES VAN SCHOONHOVEN, en Comp.

[Inhoud]
VOORREDEN VAN DEN VERTALER.

VOORREDEN
VAN DEN
VERTALER.

Het was de Baron Bielke, Vice president van het Hofgerigt van Finland, die den eersten voorslag deed aan de Koninglyke Maatschappy der Wetenschappen te Stokholm, om enen man van bekwaamheid naar Siberie, Ysland, en andere gewesten, die op dezelve breedte met Zweden leggen, te zenden, ten einde daar zodanige waarnemingen te doen, en zulke verzamelingen van zaden en planten te maken, als dienstig zouden kunnen zyn om den landbouw, de handwerken, de konsten en wetenschappen in Zweden te volmaken. De Ridder Linnæus keurde den voorslag goed, dog oordeelde dat ene Reis door Noord Amerika van nog uitgebreider nut wezen zoude, dewyl de Amerikaansche gewassen in dien tyd weinig bekend, en niet volgens de konst beschreven waren, en om verscheiden redenen scheen het zeer waarschynlyk te zyn, dat de Noord Amerikaansche planten zeer wel de winters in Zweden zouden kunnen uitstaan; dus dat zeer velen van die gewassen van een zeer groot gebruik schenen te zullen zyn voor den landbouw en de geneeskonst.

Tot dus verre was die Reis niet meer dan een ontwerp, dat egter op nieuws op het tapyt gebragt werd by gelegenheid dat de Kapitein Triewald, een Man in Engeland van wegens zyne bekwaamheden wel bekend, zyne waarnemingen omtrent de zydeteelt uitgaf, en daarin gewag maakte van een soort van Moerbeziebomen, door den Heer Linnæus ontdekt, die de gestrengheden van de lugt in Zweden zo wel konden doorstaan als een sparreboom. En de Graaf Tessin, een Heer van ene alomme bekende verdienste zo wel in de staatkundige als geleerde wereld, Voorzitter van de Koninglyke Maatschappy geworden zynde, bragt te wege dat men eenpariglyk besloot den Heer Pieter Kalm, Professor in de Huishoudingskonst te Aobo, en Medelid van de Koninglyke Zweedsche Maatschappy der Wetenschappen, naar Noord Amerika te zenden. De kosten, die op zulk ene reis lopen zouden, waren in ’t eerst een grote hinderpaal; dog de Koninglyke Maatschappy schreef aan de drie Hoge Scholen in het Ryk om onderstand tot ene zo grote en nuttige onderneming. Aobo zond ene geringe somme, Lund kon niets geven, maar Upsala maakte dit gebrek goed door ene ryke gift.

De Graaf Piper werd verzogt ene somme gelds, die uit zyn geslagt jaarlyks aan de Hoge School van Upsala gemaakt was, tot onderstand van deze onderneming ten behoeven van den Heer Kalm te bestemmen. De Graaf stond het verzoek geredelyk toe. Dog de Maatschappy van de Hoge School van Upsala nog ene jaarlyksche somme gelds, door het geslagt van Helmsfield aan dezelve gemaakt, ten behoeven van den Heer Kalm verkregen hebbende, weigerde de Graaf Piper zyne belofte gestand te doen, als zynde het strydig met de wetten der Hoge School, en zonder enig voorbeeld, dat een de zelve persoon twee jaargelden genieten zoude. De laatst overleden Koning van Zweden, toen Kroonprins en Kanselier der Hoge School, schreef over deze zaak, en verklaarde te wenschen dat uit de Schatkist der Hoge School ter bevordering van zo nuttige onderneming duizend Platen, dat is omtrent zestienhonderd guldens Hollandsch geld, geschikt werden. Het verzoek van den Prins werd door de Hoge School ingewilligd, en het geld der Koninglyke Maatschappy ter hand gesteld. Het Komptoir der Handwerken gaf driehonderd Platen, of omtrent vierhonderdentagtig guldens. De Heer Kalm verteerde op zyne Reis zyne onderstandgelden, behalven nog wel vyfduizend daalders koperen munt, dat is ruim dertienhonderd guldens, uit zyn eigen zak, zo dat hy op zyne terugkomst zyne huishouding op enen zeer bekrompenen voet moest inrigten. De overige kosten moest de Maatschappy uit hare eigene schatkist goed maken.

Zie daar in korte woorden een uittreksel uit de breedvoerige Voorreden van den Heer Kalm zelven, waaruit men zien kan, met welken yver voor het gemene belang men in een land is aangedaan geweest daar het geld zo schaarsch is, en welk ene loffelyke drift voor de bevordering der wetenschappen in ’t algemeen, en voor de Natuurlyke Historie en de Huishouding in ’t byzonder, de Hoge Scholen in Zweden, en zelfs byzondere personen in dat Ryk bezield heeft, zo dat zy hunne eigene inkomsten liever hebben willen verteren, dan zulk een nuttig ontwerp optegeven. Diergelyk een voorbeeld hebben wy gezien omtrent den Heer Hasselquist, die, met een ziekelyk en teringagtig lichaam naar Klein Asia, Egypte en Palestina reisde, en zulke schatten van nieuwe planten en dieren verzamelde, dat het Zamenstel van den Heer Linnæus noit zo vele soorten zou bevat hebben, indien die grote Natuurkundige deze rykdommen niet tot zyn gebruik had kunnen aanwenden, welken de Koningin van Zweden zeer milddadiglyk gekoft heeft door het betalen van de nagelaten’ schulden van den Heer Hasselquist, die overleed in ’t midden zyner nuttige navorschingen. De Heer Osbeck heeft ook op zyne Reis naar China zeer vele nuttige navorschingen op zyn’ eigen’ kosten gedaan, en die wereldkundig gemaakt op kosten van zyn Kerspel. De Heer Toreen stierf op de Reis, en heeft zyne brieven, in het werk van den Heer Osbeck, tot bewyzen van zyn uitmuntend vernuft en zyne pryswaardige begeerte ter bevordering van nuttige wetenschappen, nagelaten. In dit Land ziet men op het verspillen van ene matige somme gelds als op niets, dog zo is het niet in Zweden. Zo dat men deze pogingen moet beschouwen als zeer roemrugtig voor het Zweedsche Volk en den groten Linnæus, die in alles wat opzigt heeft op de Natuurlyke Historie de eerste dryfveer is in dat Ryk.

De Heer Kalm, verlof van den Koning verworven hebbende om voor enigen tyd ontslagen te zyn van het waarnemen van zyn ampt als Hoogleraar, en paspoorten, nevens brieven van voorschryving aan verscheiden’ Staatsdienaars van wegen Zweden aan de Hoven van Londen, Parys, Madrid, en in den Haag, gekregen hebbende, vertrok van Upsala den 16. October 1747. Den 11. December ging hy onder zeil van Gothenburg, dog wierd door enen geweldigen storm gedwongen te Gromstad in Noorwegen intelopen, van waar hy den 8. Februari 1748. onder zeil ging, en den 17. van die maand te Londen aankwam. Hy bleef in Engeland tot den 15. Augustus, doende ondertusschen een reisje naar Woodford in Essex, en naar Little Gaddesden in Hertfordshire, de verblyfplaats van William Ellis, enen Man zeer bekend door zyne uitgegeven’ werken over den Landbouw, dog wiens werkdadige Huishouding de Heer Kalm niet vond te beantwoorden aan zyne leerstellingen daaromtrent in zyne werken. Ook bezogt hy Ivinghoe in Buckinghamshire, Eaton, en verscheiden andere plaatsen, en beschouwde alle de zeldzaamheden en de tuinen in en omtrent Londen. Eindelyk ging hy naar Philadelphia, waar hy den 16. September aankwam. Het overige van dat jaar besteedde hy tot het verzamelen van zaden, en het doen van verscheiden springtogtjes rondom Philadelphia. Den winter bragt hy onder de Zweden door, die te Rakoon in New Jersey woonagtig waren. Het jaar 1749. reisde hy door New Jersey en New York, langs de Rivier Hudson naar Albany, en van daar naar Montreal en Quebec in Kanada, toen in de magt der Franschen. Tegens den winter van dat zelve jaar keerde hy weder terug naar Philadelphia, en zond ene nieuwe lading van zaden, planten, en andere zeldzaamheden naar Zweden. In ’t jaar 1750. bezogt hy de westelyke delen van Pensylvanie en de kust van New Jersey. Zyn Reisgezel Lars Jungstrom bleef den gehelen zomer over in het eerst genoemde Landschap om zaden te vergaderen, terwyl de Heer Kalm zelf door New York en over de Blauwe Bergen heen naar Albany toog, en van daar, langs de Rivier de Mohawk, naar het Land der Iroquoizen of der vyf Volken, waar hy kennis maakte met de Mohawks, de Oneidas, de Tuskaroras, de Onandagas en de Kayugaws. Hy bezogt en bevoer toen het grote Meer Ontario, en zag den beroemden Waterval van Niagara. Op zyne terugreis trok hy de Blauwe Bergen op ene andere plaats op nieuws over, en bereikte Philadelphia weder in de maand van October.

In het jaar 1751. den 13. Februari begaf onze Reiziger zig te Newcastle aan boord, en landde, naar enen zeer gevaarlyken togt van wegens allergeweldigste stormwinden, den 29. Maart te Londen aan. Den 5. Mai ging hy op reis naar Gothenburg, bereikte die plaats den 16. van die zelve maand, en den 13. Juni Stokholm, na op dezen waarlyk nuttigen togt drie jaren en agt maanden te hebben toegebragt. Hy keerde van daar weder naar Aobo, waar hy in zynen eigenen tuin enige honderden van Amerikaansche planten aankweekt, dewyl ’er nog in die plaats geen openbare tuin is ten dienste der Hoge School. Hy gaf het verhaal van zyne Reis by tusschenpozingen uit, ter oorzake van de kosten, die te hoog lopen zouden indien hy het gehele werk op eens gemeen maakte, in een Land daar men slegts weinig Boekverkopers vindt, en daar de Schryver zelf dikwyls het werk van den Boekverkoper doen en merkelyke sommen schieten moet.

De Reis van den Heer Kalm kwam oorspronglyk in het Zweedsch in ’t ligt. De Voorreden van zyn eerste Deel was getekend te Aobo den 13. Juli 1753. Twee Broeders, Murray genoemd, zetteden het Werk in het Hoog Duitsch over, in drie Delen in groot Octavo, waarvan het eerste in ’t jaar 1754. het twede in 1757. en het derde in 1764. te Gottingen het ligt zagen. De Heren Murray zyn Zweden, en een van hun is Leerling geweest van den Ridder Linnæus; zo dat men op hune overzetting zo wel als op het oorspronglyke kan staat maken. In Engeland vond deze fraye Reisbeschryving enen uitmuntenden Vertaler, in den persoon van den Heer John Reinhold Forster, enen Man wiens kundigheden, byzonderlyk in de Natuurlyke Historie, en alle de Wetenschappen daartoe betrekkelyk, uit meer dan een van zyne Werken bekend zyn. Deze gaf deze Reisbeschryving insgelyk in drie Delen in groot Octavo in het jaar 1770. en 1771. uit, voorzien met verscheiden fraye en geleerde aantekeningen, en met agterlating van vele zaken, die den Engelschen Lezer niet zeer aangenaam of nuttig zouden geweest zyn. De Heer Kalm geeft in zyn Eerste Deel ene zo breedvoerige beschryving van den Landbouw en de Huishoudingskonst in Engeland, dat de Reis naar Noord Amerika eigenlyk niet dan op Bladzyde 112. van het Twede Deel der Hoog Duitsche Overzetting begint. Dit was van veel nut voor zyne Landsgenoten de Zweden, dog zou van gering voordeel voor den Engelschen Lezer geweest zyn. Ook is de Heer Kalm vry wydlopig in het beschryven van zyne overvaart uit Engeland naar Amerika, tekenende, ten gevallen zyner Landslieden, tot de minste omstandigheden der Reis aan, welken hun, die deze togten zelden doen, nieuw en van belang konden wezen, dog die in Engeland vervelend zouden geweest zyn. De Heer Forster heeft om die reden alle die byzonderheden rakende Engeland, en verscheiden’ anderen, aangaande den overtogt over den Atlantischen Oceaan, agtergelaten. Van de aankomst des Reizigers te Philadelphia af heeft hy den Schryver stipt gevolgd, alleen in enige weinige byzonderheden uitgenomen, die van zeer weinig belang waren, als, by voorbeeld, de manier van oesters te eten, van appelen in te leggen, en diergelyken.

Wy hebben ons van beide de Uitgaven, de Hoog Duitsche en de Engelsche, naarstiglyk bediend, de ene met de andere zo nauwkeurig vergelykende als het ons mogelyk was. De redenen, waarom de Engelsche Vertaler het Werk omtrent een derde bekort heeft, zo wel van kragt ten opzigte van den Neder Duitschen als van den Engelschen Lezer zynde, zyn wy daarin voor ’t grootste gedeelte het voorbeeld van den Heer Forster gevolgd, en hebben onzen Lezer het verdriet willen sparen van breedvoerig de beschryvingen te moeten lezen van het maaksel van enen ploeg of ene egge in Engeland, en diergelyke dingen meer. Wy hebben maar een kort berigt gegeven van des Schryvers Reis van Upsala tot Londen. Zynen overtogt uit Engeland naar Pensylvanie hebben wy ook verkort, dog egter enigsins breedvoeriger dan de Heer Forster doet gelaten. Maar sedert de aankomst van den Reiziger te Philadelphia hebben wy niets overgeslagen, of het moest de ene of andere byzonderheid wezen die ons van geen belang ter wereld toescheen, of die de Schryver by herhaling zynen Lezer geeft, gelyk ettelyke reizen gebeurt, en waartoe zyne wyze van schryven by een Dagverhaal aanleiding gegeven heeft.

De Heer Kalm ontschuldigt zig in zyne Voorreden aangaande de geringe sierlykheid van zynen styl. “Deze toont,” zegt hy, “op vele plaatsen de afgematheid aan met de welke ik dikwyls zeer laat des avonds de pen gevoerd hebbe.” Het afbreken van ’t verhaal, dat noodwendig door op iederen dag het aangemerkte te gewagen moest veroorzaakt worden, en de herhalingen die daar uit ontstaan moesten, dienen voorzeker niet om den styl enen aangenamen zwier by te zetten. Wy hebben egter hierin gene verandering willen maken, alleenlyk hebben wy het melden van den dag op zulke plaatsen agtergelaten, waar het van genen dienst tot verstand des verhaals was den juisten dag te weten waarop elke zaak is aangetekend.

De Heer Kalm heeft zig by het meten bediend van vademen, ellen, en den Zweedschen voet, die tot den Engelschen voet staat als 1134. tot 1350. en de Engelsche voet staat tot den Rheinlandschen als 11264. tot 11559.

Tot het doen zyner Waarnemingen aangaande het Weder, welken wy aan ’t einde van ons Twede Deel by malkander geplaatst hebben, gebruikte hy den Thermometer van Celsius, van den welken men zig in Zweden gemeenlyk bedient, en de zyne was door den Heer Celsius zelven gemaakt. De tusschenruimte op den zelven tusschen het punt van vorst en dat van kokend water is in 100. gelyke delen verdeeld.

Op het voetspoor van den Engelschen Overzetter hebben wy in ’t noemen der Planten ons van de namen bediend die men in het Specimen Plantarum en ’t Systema Naturæ van den beroemden Linnæus vindt. Wy hebben niet dan by de allerbekendste Planten de Neder Duitsche namen gebruikt, eensdeels om dat de namen van Linnæus by de Kruidkundigen, voor wie voornamelyk dit gedeelte des Werks van belang is, het best bekend zyn, en dat de Planten, by hare gemene namen genoemd, evenwel den meesten anderen daarom niet beter bekend zouden wezen, en anderdeels om dat de konstnamen, sedert het algemene aannemen van het zamenstel van Linnæus, by de meeste Kruidkundigen ook de algemene namen geworden zyn, daar de gemene namen der gewassen dikwyls niet dan op ene zekere plaats verstaan worden.

De beschryvingen, die de Heer Kalm van Dieren, Planten en Delfstoffen geeft, schoon vry breedvoerig, dog egter, in ’t oog van zulk enen Natuurkundigen als hy is, niet zo uitgebreid zynde als hy ze oordeelt te moeten wezen, verontschuldigt hy zig daar omtrent, met den Lezer naar een Latynsch Werk te wyzen, waarin hy dat gebrek belooft opzettelyk te vergoeden.

Wy hebben gedagt den Verzamelaars van Reisbeschryvingen vermaak aan te doen mee dit Werk in groot Quarto uittegeven, vermits de meeste Reisbeschryvingen in het Neder Duitsch in dat formaat gedrukt zyn.

In de Hoog Duitsche Uitgave ontbreekt ene Landkaart, een hoog nodig vereischte om ene Reisbeschryving wel te verstaan. De Heer Forster heeft ene grote en uitmuntende Landkaart in zyne Overzetting ingevoegd, welke men nagesneden en vertaald aan ’t hoofd van onze Uitgave vinden zal. Ook heeft men in ons Werk verscheiden’ Platen geplaatst, die insgelyks, alleen de Waterval van Kohoes uitgenomen, in de Hoog Duitsche Uitgave gemist worden, en uit de Engelsche overgenomen zyn.

Wat de aantekeningen onder aan de Bladzyden aangaat, dezen zyn meest allen van den Heer Forster, alleen enige weinigen uitgenomen. Onderscheidshalven hebben wy die welken van dien Heer zyn met een F. getekend.

Dit Eerste Deel staat binnen kort van het Twede gevolgd te worden, het welk reeds geheel vertaald, en voor een gedeelte afgedrukt is.

[Inhoud]

BERIGT
AAN DEN
BINDER.

De Kaart moet geplaatst worden tegen over Bladz. 1. van ’t Eerste Deel.

Plaat I. tegen over Bladz. 140.
Plaat II. tegen over Bladz. 204.
Plaat III. tegen over Bladz. 206.