„Om je de waarheid te zeggen,” zei ze eenigszins verlegen glimlachend, „kan ik het op het oogenblik heel goed gebruiken.”
Het deed hem pleizier, dat ze het zei.
„Zoo? Nu, als u bij gelegenheid disponeeren wilt, hebt u maar ’n enkel woord te zeggen.”
Het viel dien dag al heel ongelukkig. Van Brakel, nog steeds onder den invloed van het gesprek met zijn chef, begon aan tafel te schelden op particulieren in het algemeen en tokohouders in het bijzonder, en daar Geerling dat niet kon velen, stond deze op en zei: „Ik zal wel wachten met eten, tot je hebt uitgeraasd. Wil me dan asjeblieft laten waarschuwen,” en hij ging, na zich met een enkel woord bij Lucie verontschuldigd te hebben, naar zijn kamer.
’t Malle figuur, dat Van Brakel maakte,—en hij voelde het—was niet geschikt zijn humeur beter te doen worden. Kwaadaardig zag hij Geerling na, en mompelde iets van: „Ook al zoo’n ploert! Misselijke kwajongen!”
Doch dat kon Lucie niet verdragen.
„Je moest je schamen!” riep ze, voor haar gemoedelijken doen zeer heftig. „Je gedraagt je onbeschoft!”
„Wat is dat?” riep hij nu in lichterlaaie uitbarstend. „Begin jij nu ook al! Dan is het uit!” En met geraas zijn vork en mes neerleggend, schoof hij met een ruk zijn stoel achteruit, liep naar zijn kamer, nam dienstpet en stok, en ging, van zijn hond vergezeld, de deur uit.
Met een vol gemoed bleef ze alleen zitten aan tafel, en [42]keek met weemoedigen blik naar de lekkere bloemkool en naar de saucijsjes, die nog onaangeroerd op tafel stonden. Het was zonde van het eten! Och, trek had ze er nu eigenlijk ook niet meer in, maar het was toch „zonde”, en daar deze laatste huishoudelijke overweging bleef zegevieren, liet zij Geerling verzoeken te komen.
„U moet het Van Brakel niet kwalijk nemen,” zei ze. „Hij heeft vandaag zoo’n erg onaangenamen dag gehad.”
Geerling had wel willen en kunnen antwoorden, dat dit zijn zaak niet was, maar hij bedwong zich en vroeg belangstellend:
„Er is toch niets ernstigs met hem gebeurd?”
„Och, ’t is voor het minst heel onaangenaam.”
Hij drong niet verder aan. Blijkbaar wilde zij het niet zeggen. Wat het was, vermoedde hij wel half en half, maar het stond toch niet behoorlijk zich nieuwsgierig te toonen naar aangelegenheden van anderen.
Hij zweeg dus, en Lucie ook, die in elk geval de voldoening smaakte, dat de commensaal de bloemkool eer aandeed, terwijl zijzelve daarin ook niet te kort schoot.
Van Brakel was naar de sociëteit gegaan, en zóó goed was zijn boosheid, toen hij daar kwam, reeds verdwenen, dat hij iets gevoelde als spijt. Daaraan paarde zich het inwendig besef niet genoeg te hebben gegeten, en aangezien het toch veel te vroeg was voor het gewone bezoek, bestelde hij een klein dinertje en dronk er een lekkere flesch bij, ten einde de hem overweldigende levenszorgen weg te spoelen.
Het scheen dien avond, dat zijn hardnekkige déveine voor een oogenblik week. Althans hij won, en dit verdreef [43]de laatste rimpels, die nu en dan zijn voorhoofd nog plooiden. Opgewekter dan in langen tijd, ging hij naar huis. Lucie sliep reeds, maar hij moest en hij zou haar wakker roepen, want hij wilde haar, zoo redeneerde hij, zijn excuses maken, iets wat hij best tot den volgenden ochtend had kunnen uitstellen, indien andere minder lofwaardige plannen hem niet hadden aangezet haar nachtrust voor zijn „excuses” te storen.
Den volgenden morgen verontschuldigde hij zich ook bij Geerling, en, minder verlegen met het geval dan zijn vrouw, vertelde hij meteen wat de reden was geweest van zijn booze luim.
„Het is een beroerde zaak,” meende Geerling ook, maar verder liet hij er zich niet over uit. Ware het een vriend geweest, dan zou hij getracht hebben hem te helpen, doch daaraan dacht hij thans geen oogenblik.
Eenige maanden gingen voorbij zonder andere bijzonderheden, dan dat Lucie meer en meer bij Geerling in voorschot raakte, en Van Brakel meer en meer wegzonk in de schulden. Daarbij was zijn déveine weer krachtig teruggekeerd; nog steeds bezocht hij trouw de sociëteit, maar het kostte hem soms moeite, om, wat hij noemde een „behoorlijk partijtje” te vinden, dat wilde zeggen een, waarin hoog werd gespeeld.
Men zag er tegen op met hem te spelen. Zijn déveine was hinderlijk, omdat hij ’t spel voortdurend wilde forceeren, altijd vroeg en overvroeg of er reden voor bestond of niet, en zoodoende zelf verloor terwijl en omdat hij een ander het winnen niet gunde.
Hoezeer hij den naam had van een onverbeterlijk speler en er nauwkeurig op hem werd gelet, was hij nog nooit [44]op iets betrapt, wat hem ook maar verdacht kon maken als ambtenaar. Zeer streng werd hij in stilte gesurveilleerd, maar dàt wist de hoofdingenieur Willert zeker: wie ook knoeiden met uitbestedingen of leverantiën of arbeidsloon; wie zich ook lieten „smeren” door Chineesche aannemers voor de levering van balken, grind of ander materiaal,—Van Brakel was daarvan vrij; in dat opzicht was hij zuiver als glas, en welke zijdelingsche aanbiedingen hem ook waren gedaan, hij had ze immer met verontwaardiging van de hand gewezen.
Willert respecteerde dat ondanks zijn weinige sympathie voor Van Brakel, en dit ging zóóver, dat hij van dezen opmerkingen en aanmerkingen kon aanhooren, die een ander inferieur ambtenaar zich niet had moeten veroorloven.
Zooals hij dat steeds gewoon was, ging Van Brakel op een ochtend vroeg de deur uit. Even buiten de stad werd de weg in orde gemaakt; hij moest eens zien hoe dat toeging, en hij wandelde er kalmpjes heen. Het was een zware avond geweest. Na afloop van zijn partijtje, was men tot de ontdekking gekomen, dat er een jarig was, en dit had geleid tot felicitatiën en daarmede in onvermijdelijk verband staand drinkgelag. Het was laat geworden. De klok sloeg slechts enkele slagen toen hij thuis kwam, een weinig onvast ter been, en met een gevoel alsof zijn hoofd het draaibord was, waaraan hij des nachts weer een honderd gulden had verloren. Het was sterk, vond hij, en het trof nu net zoo beroerd, dat het zijn laatste geld was, en de maand telde nog geen vijftien dagen. Dien middag zou Lucie hem om geld vragen voor het huisgezin; ze had het ’s morgens reeds gedaan, maar hij had haar met een praatje afgescheept tot den middag. [45]
Hoe heerlijk de frissche ochtend ook was, en hoe weldadig de koelte de dampen verdreef van al de brandy en den wijn, die hem nog eenigszins in den weg zaten,—toch luchtte het hem niet op.
Toen hij op het werk kwam, vond hij zijn opzichter in dispuut met een Indische dame in sarong en kabaja, die haar recht verdedigde om een brugje, dat zij had laten leggen van haar erf naar den weg, te behouden zooals het was, terwijl de opzichter beweerde, dat het zóó onmogelijk kon blijven en op staanden voet afgebroken en veranderd moest worden.
Hij kende haar wel, althans van reputatie. Zij was een vrouw van een veertig jaren, groot en knap gebouwd. Ze moest haar man reeds zeer jong hebben verloren, want weinig menschen onder de tijdelijk verblijf houdende Europeanen, herinnerden zich haar anders te hebben gekend dan als de weduwe Du Roy L’Exant, een mooie Fransche naam, die in vergulde letters prijkte op of liever in een marmeren plaat aan den ingang van haar erf. Er werd nog altijd veel over haar gesproken; iedereen wist iets te vertellen, en nooit iets goeds.
Van Brakel had een hekel aan dat soort vrouwen; nog nooit had hij een groet of woord met de beruchte weduwe gewisseld, en ook ditmaal had hij geen plan daartoe. Doch hij was wel genoodzaakt zich in het geschil te mengen.
Hij hoorde de klachten der weduwe aan en de bezwaren van zijn ondergeschikte, en bekeek het brugje eens.
„Het zal ’n beetje veranderd moeten worden,” zei hij, „voor den afloop van het water. Maar maak u dáárover geen zorgen. We zullen dat wel in orde maken.” [46]
„Heb ik er dan niet weer onkosten aan?”
„Neen, mevrouw,” zei hij op zijn gewonen goedigen toon: „’t zal zonder dat wel gereed komen.”
„Nu, dan heb ik er niets tegen.—’n Kopje koffie, ingenieur?”
Hij keek eenigszins vreemd op bij het aanbod, en draaide een oogenblik verlegen aan zijn knevels, terwijl hij schuin naar den opzichter keek. ’t Was nog vroeg, en onder zijn omstandigheden ook niet te verwonderen, dat hij een razenden trek kreeg in een lekkeren kop koffie.
„Heel graag,” zei hij en volgde haar over het nette, goed onderhouden erf. Zooals ze daar voor hem uitging, kon hij zich best begrijpen, dat ze veel last van de leelijke sekse had gehad in haar weduwlijken staat. Haar blanke huid, die door haar zwarte haren en oogen nog blanker scheen, kon gerust met die der blondste blondine wedijveren, en menig jong meisje mocht haar het nette postuur en de zekere cranerie in gang en houding benijden. En netjes was ze! Onwillekeurig kwam hem zijn vrouw voor den geest. Wat kon die des ochtends smerigjes door ’t huis loopen! ’t Was pas zes uren en hoe keurig zag die weduwe Du Roy er uit in haar kabaja met geborduurde strooken, waarover een donkerrood fluweelen met zwart afgezet; in haar kostbare Solosche sarong, met haar goud-geborduurde slofjes met vergulde hakken.
Het was een „kranig wijf” malgré tout, vond hij.
Zij gaf hem een stoel in de binnengalerij, waar het er ook alles even net en zindelijk uitzag. De bladen der marmeren tafels glommen als waren ze pas gepolijst, de Palembangsche wipstoelen en de fraai gebeeldhouwde kasten blonken als spiegels. Eenigszins verwonderd zag hij rond. Hij was dat [47]zoo niet meer gewoon. Het deed hem denken aan den tijd toen hij nog ongetrouwd was en te Batavia bij moeder Sleeks in het commensalenhuis woonde, waar ook altijd zoo’n Hollandsche zindelijkheid heerschte.
En hoe lekker was de koffie, hoe sterk en geurig! Hij had ze in lang zoo niet gedronken.
„Ik maak u mijn compliment, mevrouw!”
„Is de koffie goed?”
„Ook over de koffie; die is heerlijk!”
„Komaan, dat doet me pleizier. En waarover nog meer?”
Wel, men mocht toch wel een aardigheid zeggen tegen een dame, vond hij, en daarom zei hij:
„in de eerste plaats over uw persoon; u ziet er charmant uit.”
Heel goed ging het hem niet af; hij was in het complimentjes-maken nooit een held geweest, maar in de laatste jaren was hij het geheel ontwend.
Zij lachte zachtjes.
„Dat is een compliment in den vroegen morgen. Is er soms nog iets?”
Haar oogen lachten hem toe, en hij was woedend op zichzelven toen hij voelde, dat hij onder dien half aanmoedigenden, half spottenden blik een kleur kreeg. Maar bij vermande zijn kinderachtige verlegenheid.
„Zeker is er nog iets. U is hier allerliefst ingericht; nog nooit zag ik een zoo keurig onderhouden inboedel.”
„Och ja! Ik heb niet anders te doen. Als het er bij mij niet netjes uitzag, waar zou het dat dan doen?”
„Ja,” antwoordde hij zuchtend, „in een huishouden met [48]kleine kinderen is het eenvoudig onmogelijk den boel altijd proper te houden.”
„Vooral niet bij u.”
„Waarom vooral niet bij mij?” vroeg hij, denkend aan een hatelijkheid op Lucie.
„Wel.… als men de kleintjes krijgt bij meer dan één te gelijk.…”
Zij keken elkaar aan en lachten. Zulke zinspelingen deden hem altijd goed en streelden zijn ijdelheid.
„Helaas, ja,” zei hij met een komieke uitdrukking van wanhoop, „’t Is wel wat bar.”
„Nou, dat vind ik ook. Ik zou er voor bedanken.”
Van Brakel haalde de schouders op, bewerende dat er niets aan te doen was; maar daartegen protesteerde zij; ’t was domheid, vond ze.
„Met dat alles,” ging hij voort, „is zoo’n snel toenemend huisgezin een ware ruïne.”
„Ja, ik begrijp nog niet hoe het menigeen mogelijk is rond te komen.”
„Het is er dan ook naar.”
„Dat moet wel. Mijn hemel, ik ben maar alleen, en ’t huishouden kost me toch veel. Nu kan ik het gelukkig betalen.…”
Er vloog hem een idee door ’t hoofd. Zij had fortuin, dat was bekend. Hij was reeds opgestaan, maar ging nu weer zitten.
„Ik wou dat ik het ook kon zeggen, maar daar zit juist de knoop. Indien men geen achterstand had.…”
Zij glimlachte. Nu, dàt kon zooveel niet wezen, meende zij. Maar hij hield vol, schetste haar een beeld van zijn ellendigen [49]toestand, en daar ze met aandacht en belangstelling luisterde, zonder op haar gelaat eenig spoor te toonen van de vrees, die gefortuneerden overvalt, als niet-gefortuneerden hun nood klagen, omdat het einde meest een aanval op de beurs is, ging hij verder, en rekende haar precies uit, hoe hij alle moeielijkheden zou te boven zijn, indien hij maar een zekere som kon krijgen, die hij dan geleidelijk zou kunnen terugbetalen.
Geduldig liet ze hem aan het woord, en daar al pratend zijn gezicht verhelderde en hij er al minder en minder „katterig” begon uit te zien, kwam ze meer en meer tot de slotsom, dat hij wel degelijk een flinke knappe kerel was, wat ze trouwens altijd had gevonden. Ze kon hem wel helpen aan dat geld, als ze wilde, maar om dat zoo ineens te doen,—daarin had ze weinig zin.
„Het is,” zei hij, „tegenwoordig moeilijk geld te krijgen, als men het noodig heeft.”
„Och, dat is het altijd, meneer Van Brakel; het is altijd moeilijk te krijgen, wat men wil hebben. Maar onmogelijk is ’t daarom niet.”
Hij zuchtte diep.
„Ziet u er de mogelijkheid van in?”
„Misschien wel.”
Wat drommel, meende de ingenieur, zij was slechts een vrouw, en ze waren alleen; waarom zou hij niet recht op het doel afgaan!
„Zoudt u me kunnen helpen?” vroeg hij snel. Toen het er uit was, voelde hij zich aanmerkelijk opgelucht.
Zij trok een eenigszins bedenkelijk gezicht; ze moest haar lachen inhouden. Wat een rare ochtendvisite! Een man, dien [50]ze voor het eerst in haar leven sprak—gezien had ze hem dikwijls—dronk bij haar koffie, vertelde en passant zijn moeilijke omstandigheden, en vroeg haar geld te leen.
„Zoo heel veel kan ik niet missen te gelijk,” zei ze aarzelend. „Ook begrijpt u dat ik mijn geld niet renteloos kan uitleenen.”
Renteloos! Wie sprak van renteloos! Neen, maar dat was zoo klaar als de dag! Hij had het niet eens renteloos willen hebben. Integendeel, ze moest een goede rente hebben, dat begreep hij opperbest, en in het aangenaam vooruitzicht uit den momenteelen nood te worden geholpen, weidde hij uit over de risico’s, die zij liep, wanneer ze hem geld leende, dat het scheen alsof hij zichzelven beschouwde als de incarnatie van insoliditeit.
„Ik zal je behandelen als mijn broer,” zei ze glimlachend en met een coquette zijbeweging van het hoofd. „Maar ik kan je op ’t oogenblik niet meer geven dan duizend.”
Alle moeilijkheden, die zich nog konden voordoen, waren voor het oogenblik verdwenen. Hij volgde haar in een kamer, waar een kleine schrijftafel stond, schreef er een schuldbekentenis, ingericht naar een renteberekening van anderhalf percent ’s maands, en kreeg de belofte, dat hij binnen drie maanden het bedrag te leen zou krijgen, dat hij noodig had om van alle schulden vrij te komen.
Toen hij het huis verliet, drukte hij haar met groote innigheid de hand. Als hij gedurfd had, zou hij haar gekust hebben, en al zag ze er niet uit, alsof ze daar iets tegen had, hij durfde niet; maar in zijn dankbetuigingen was hij zeer overvloedig, en in den toon zijner stem trachtte hij instinctmatig [51]die teederheid en dat gevoel te leggen, welke hij berekend achtte op dit van nature toch reeds gevoelig weduwen-hart indruk te maken.
Het geld zat in zijn borstzak; hij voelde er nog eens naar, toen hij het nette erf afliep, in zooveel aangenamer stemming als hij ’t was binnengegaan. Bij den uitgang keerde hij zich nog eens om en groette. Zij stond in de voorgalerij en knikte hem vriendelijk toe; hij was, dacht ze, bepaald een flink en knap man; een beetje gezetheid stond hem goed, en dan vond ze zijn opgeruimd, vroolijk gezicht en zijn blonden krullebol zeer aardig.
Hij dacht niet langer aan de weduwe Du Roy toen hij eenmaal op den weg was. Alleen nam hij zich voor er niets van te zeggen tegen Lucie. Wie weet of ze niet jaloersch zou zijn; de vrouwen zijn zoo raar! De opzichter kreeg prentah zich hoegenaamd niet in te laten met het brugje van „die dame.” Van Brakel zei de laatste woorden met opzet op een toon, als sprak hij van een zeer voornaam mensch; dat de opzichter aan zijn knevels trok om zijn lachen te verbergen, ontging den ingenieur; hij had het veel te druk met eigen zaken om op ondergeschikten veel acht te slaan.
’t Was waarlijk een buitenkansje; hij spoedde zich naar den tokohouder, die beslag had gelegd, en betaalde een groot gedeelte, waarop deze per telegram zijn aanvraag introk; des middags kreeg Lucie haar huishoudgeld, en ’s avonds kwam hij welgemoed en met geld in den zak in de sociëteit een partijtje maken.
Toen Van Brakel dien ochtend de weduwe Du Roy zoo vroeg netjes gekleed zag, kon hij niet bevroeden dat ze al [52]uren aan het werk was geweest, en dat, door een poortje achter haar huis, reeds tal van kleine zaken, die te zamen een groote maakten, waren afgedaan. Te vier uren, als nog iedereen sliep en er van eenig daglicht nog geen quaestie was, zat mevrouw Du Roy bij een lampje in haar achtergalerij, en kreeg daar bezoek van dozijnen inlandsche vrouwen, die met leege manden onder den arm, bevreesd en onderdanig door het poortje binnenslopen. Ze kwamen allen geld leenen en wel voor één enkelen dag; ze kwamen het kleine bedrijf-kapitaal halen, dat dienen moest om rijst, suiker, stroop, tabak enz. in te koopen, waarvan ze dan koekjes, limonade en strootjes maakten en die met winst verkochten op den pasar aan koelies en wie daar verder spijzen en dranken koopen. Des avonds, tegen het vallen der duisternis, kwamen allen terug, en wie des morgens een gulden had geleend, betaalde één gulden vijf en twintig cents. Op deze wijze bracht die gulden er in het jaar een en negentig op, en mochten er al eens enkelen niet aan de verplichte restitutie voldoen,—welnu, dàt kon er wel af. Zij behoefde het reeds lang niet meer te doen, want zij was rijk genoeg, maar ’t was een soort van gewoonte geworden, en het bracht zoo „lekkertjes” op. En dan,—ze had soms groote onkosten, door haar voortdurende ondeugende relaties. Het speet haar geweldig, dat ze zulke neigingen had, maar het was niet anders; ze kon het niet laten; het was, meende zij, meer een soort van kwaal, dan wel een fataliteit. Zoo gaarne had ze daaraan ontsnapt en haar eenmaal goede reputatie behouden; doch ’t ging niet, en ’t was of het met de jaren toe-, in plaats van afnam. Nu weer die Van Brakel! Duizend gulden! Wel beschouwde ze [53]het geld als totaal verloren, als weg; weggesmeten in de grondelooze beurs van een aartsdobbelaar, en toch,—zij, die voor een halven gulden, die haar door een arme inlandsche vrouw te weinig werd teruggebracht, in toomelooze woede kon losbarsten, glimlachte bij de gedachte aan die af te schrijven duizend gulden, en, wat nog erger was, aan het andere geld, dat deze aardigheid haar zou kosten. Wel, dacht ze, ze zou er pleizier van hebben, en habis perkara!
De hoofdingenieur vernam het intrekken der aanvraag om beslag op Van Brakels traktement met genoegen, schoon hij maar niet kon begrijpen, waar het geld vandaan was gekomen. Maar niet van den Waterstaat oftewel ’s Lands Burgerlijke Openbare Werken, dat wist hij zeker, want daartoe keek hij te nauwlettend toe, speciaal op Van Brakel.
Hij dacht er juist over, toen hij zijn kantoor binnentrad en een opzichter hem namens den ingenieur een boodschap kwam brengen. Als selfmade-man hield hij er veel van nu en dan met het ondergeschikt personeel een praatje te maken.
„Ben jullie daar haast klaar?” vroeg hij, doelend op het werk aan den weg.
„Ja meneer; nog maar ’n dag of vier. Als er ten minste niets moet gedaan worden aan dat brugje.”
„Welk brugje?”
„Och, voor het huis van die mevrouw Du Roy.”
„Wat is er met dat brugje?” vroeg de hoofdingenieur verstrooid, zijn brieven inziende.
„Het ligt niet goed voor het water, maar de ingenieur zegt, dat het zoo moet blijven liggen. Mij is het wel.”
„Als de ingenieur vindt, dat het zoo blijven kan.…” vervolgde [54]Willert nog steeds meer verdiept in zijn papieren, dan in het gesprek.
„Nu ja,” hernam de opzichter, „maar dat is het niet. Meneer Van Brakel weet ook wel, dat het zóó niet deugt.”
Verwonderd zag de hoofdingenieur den man aan, zonder iets te begrijpen van den verborgen zin zijner woorden.
„Het is maar,” ging deze voort, „dat meneer Van Brakel met die madame Du Roy zulke dikke vrienden is.”
Willert fronste de wenkbrauwen en wierp den onbescheiden prater een boozen blik toe.
„Zoo,” zeide hij droogjes. „Heb je niets anders? Niet? Ik ook niet. Goeden morgen.”
Het had hem niettemin zeer getroffen. Zou het dan uit die bron wezen, dat Van Brakel de middelen putte om voort te gaan met zijn levenswijze en niettemin zijn schulden te betalen?
Hij vond het ongelooflijk. Iedereen wist hoe goed hij en zijn vrouw samen leefden; het denkbeeld aan een scheeven toestand op dat gebied klonk bijna ongerijmd en dwaas. En de hoofdingenieur berispte in stilte zichzelven, en beschuldigde zich, dat hij te veel toegaf aan zijn mindere sympathie voor Van Brakel, dat hij daarom te spoedig gehoor schonk aan de gemeene verdachtmaking door een praatziek ondergeschikte. Hij wierp het idee van zich. ’t Was te erg.
’t Was een duistere avond toen Van Brakel precies zooals hij met hond en stok gewoon was naar de sociëteit te stappen, zijn weg nam naar de woning der weduwe om het tweede gedeelte te ontvangen van de som, die zij hem zou leenen. Hij geneerde zich een beetje; toen hij dicht bij het [55]huis was, keek hij eerst voorzichtig overal rond, en sloop toen, meer dan hij liep, het voorerf over.
Er was geen licht in de voorgalerij. Zou ze het vergeten hebben? Het denkbeeld viel hem koud op het lijf. Hij had er immers op gerekend en reeds voorlang beloften en toezeggingen gedaan. Aarzelend tikte hij op de glazen deur; eerst zacht, daarna harder.
Hij zag een donkere schaduw gaan door de binnengalerij, de sleutel knarste in het slot en de deur ging open. Er werd geen woord gezegd, wat hij gek vond. ’t Was waarlijk of hij op een galant avontuur uit was, in plaats dat hij kwam om geld te leenen.
„Bonsoir,” klonk het hem toe met zachte stem, en onwillekeurig antwoordde hij op denzelfden gedempten toon, schoon er toch vermoedelijk niemand was, die hem hooren kon.
Zij zweefde hem vooruit, de smalle gang door, tusschen de kamers, en ging in hetzelfde vertrek, waar het kleine lessenaartje stond.
„Ga zitten,” vervolgde ze, altijd op dienzelfden half fluisterenden toon.
Zelf nam ze plaats op een divan.
Het trof hem, dat ze hem geen stoel gaf, en ook, dat er iets geheimzinnigs in haar wijze van doen lag en in de geheele omgeving. Het licht uit een doffen ballon, die aan den zolder hing, was zacht en niet veel meer dan schemerend.
Wel, hij zou de blijkbare bedoeling volgen en ook op den divan plaats nemen, maar overigens, als zij verder strekkende plannen had.… dàt nooit.
Het ontging mevrouw Du Roy niet, dat hij op een eerbiedigen afstand bleef zitten. [56]
„’t Is wel wat gewaagd,” zei ze, „dat ik zoo laat nog visite ontvang van een heer.”
De opmerking scheen hem geruststellend. „Och, wel neen,” haastte hij zich te zeggen.
Maar zij lachte hem uit. Nu, zij vond het dan wel, en ze zinspeelde weer zoo eigenaardig, dat hij zich gevleid gevoelde en mee lachte.
„Wilt u ook iets gebruiken?” vroeg ze.
„Och, doe geen moeite voor mij. Laat ik het u niet lastig maken.”
De waarheid was, dat hij dorst had; hij behoorde tot de soort van menschen, die altijd met succes te vinden zijn om iets te gebruiken. De toon, waarop hij sprak, logenstrafte dan ook zijn woorden.
„Wat zal het zijn: ’n glas bier of wijn of brandy-grog?”
„’t Laatste ’t liefst … maar wezenlijk …”
Ze was reeds opgestaan om het noodige te halen; in een wip was ze terug, en schonk hem in een groot glas de noodige cognac. Toen wilde ze een fleschje apollinaris-water opentrekken, maar daartegen verzette hij zich; dat zou hijzelf doen. Doch ze lachte, en wilde het fleschje hem niet geven. Wat verbeeldde hij zich wel! Ze was zoo zwak niet. Hij hield vol en trachtte haar ’t fleschje af te nemen. Lachend stoeiden ze er om; al doende chiffonneerde hij haar een beetje; toen hij het gewonnen had, viel zelfs haar kondé los.
Van Brakel stond een oogenblik als verstomd over dien buitengewoon rijken haardos; zoo iets had hij nog nooit gezien.
„’t Spijt me,” zei hij, „dat ik uw coiffure in wanorde heb [57]gebracht, maar als ik had geweten dat ik zulk prachtig haar zou te zien krijgen, had ik het met opzet gedaan.”
„Het staat je nogal mooi!” zei mevrouw Du Roy en herstelde voor den spiegel het dérangement, met zeer sierlijke buigingen harer gevulde armen, waarom de fijne, doorzichtige kabaja sloot alsof ze er om was gegoten.
Van Brakel dronk kalm zijn grogje en zag toe. Hij was nog volstrekt niet in de stemming van een Don Juan, en hij had eigenlijk niets liever gewild, dan dat ze hem maar gauw het geld had gegeven, opdat hij zoo spoedig mogelijk naar de sociëteit kon gaan.
Toen ze klaar was voor den spiegel, ging ze rustig zitten.
„Ik heb nog eens gerekend,” zei ze met een zucht, „maar heusch, ik ben wat voorbarig geweest. Het spijt me gruwelijk, maar ik zal u niet kunnen helpen.”
„God, dat is verschrikkelijk,” stotterde hij. „U hebt ’t me beloofd, en ik heb er vast op gerekend.”
„Ja, ik dacht eerst, dat het kon.… maar.…”
„Laat me in ’s Hemels naam nu niet in den steek,” vervolgde hij. „Dat zou nog erger wezen, dan dat ik laatst in het geheel niet door u was geholpen.”
„’t Is jammer. Ik dacht geld te krijgen, maar de menschen laten mij ook in den steek.”
Half wanhopig greep hij haar hand; zij liet hem begaan; hij bad en smeekte; zij glimlachte medelijdend, maar toch met een bedenkelijk gezicht. Het gaf hem hoop. Inderdaad, hoe „dringender” hij verzocht, des te flauwer werden haar weigeringen.
Tot ze eindelijk toegaf, en hem den tweeden leeningstermijn uitbetaalde. [58]
Hoe ook haar gevoelig hart door medelijden en genegenheid was vervuld,—haar „zaken” vergat ze niet, en Van Brakel moest behoorlijk een nieuwe schuldbekentenis op zegel en met een renteberekening als de eerste onderteekenen; hij deed het blindelings, en zonder te hebben gelezen wat hij nu eigenlijk onderteekende. Hij leefde in een roes van vreugde en wellust, die hem evenmin veroorloofde na te denken als in de uren, waarop hij aan de speeltafel zat.
Maar toen hij te twee uren in den nacht naar huis wandelde, bleef hem nog alleen getrouw het gevoel van geruststelling, dat hij ’t geld in zijn zak had.
Overigens was hij mismoedig en bedroefd. De zwaarste verliezen hadden niet zulk een drukkenden last op zijn geweten gelegd, als de overtuiging dat hij den eersten stap had gedaan tot ontbinding van zijn huwelijksleven en tot vernietiging van zijn huiselijk geluk.
Hij wandelde langs de sociëteit en keek met groote belangstelling uit of er nog licht brandde; het was donker en bij die ontdekking zuchtte hij diep. Als daar nu nog slechts gelegenheid was geweest om te drinken en te spelen, dan had hij de onaangename gevoelens, die hem overmanden, kunnen verdringen. Maar alles was even somber en duister. De hooge witte muren in de straten der stad met de gesloten donkere vensterluiken der kantoren en toko’s schenen wel graf-monumenten, en het enkele flauwe lichtje van een der slapende wakers in de voorgalerijen, was alleen in staat de eentonige, sombere duisternis nog meer te doen uitkomen.
Vruchteloos trachtte hij zich door redeneering te overtuigen, dat het niets te beduiden had; dat immers honderden en [59]duizenden precies hetzelfde deden en er niet minder om waren; dat het huwelijk zóó opgevat een hors d’ oeuvre was; dat een man zulke kleine zijsprongen niet ten kwade geduid konden worden; dat ze hem integendeel een zeker cachet gaven en men wel een boerenlummel moest wezen om als man voortdurend zekere éénkennigheid aan den dag te leggen; vruchteloos ook beproefde hij het met zijn geweten op een akkoordje te gooien; zich diets te maken, dat hij er hoegenaamd geen schuld aan had, want dat onder zulke omstandigheden, iedereen had gedaan, zooals hij; zich te bemoedigen door de voorstelling, dat hij feitelijk handelde in het belang van Lucie, die zoo jong was, reeds zooveel doorstaan had, en dus eenigszins gespaard diende te worden.
Het baatte hem niet.
Hij was van nature geen Lovelace. Als jong mensch leefde hij zeer matig, niet uit principe, maar omdat zijn temperament hem niet voerde tot buitensporigheid. Toen hij Lucie leerde kennen, had hij genegenheid voor haar opgevat; niet een liefde, die voortkwam en leefde door het contrast, maar integendeel, door zekere overeenkomst; beiden waren ze blond en blank en kloek gebouwd; beiden waren ze gemoedelijk en goedaardig; beiden kalm van aard, en middelmatig van geestesaanleg.
Als vrouw voldeed zij hem geheel, en hij was zoo volkomen tevreden met haar persoonlijkheid, dat op partijen of in gezelschap de grootste schoonheden, de pikantste en lieftalligste verschijningen hem koud lieten als ijs.
De lust om het tiende gebod te overtreden was nooit bij hem opgekomen, en voor hen, die toonden te lijden aan zulke [60]lusten, was hij altijd streng geweest. Hij had over hen, als ze ter sprake kwamen—en dat gebeurt nogal eens in Indië, evenals elders—steeds onverbiddelijk den staf gebroken. En nu had hijzelf zich zoo jammerlijk vergeten! Neen, het hielp niet, dat hij ’t gebeurde voor zichzelven vergoelijkte, en ook niet dat hij zijn armen hond, wiens vroolijk geblaf hem hinderde, een schop gaf.
Het feit bleef, en drukte hem ter neer.
Wat hij verder zou doen of zou nalaten, wist hij niet. Als hij dááraan dacht, werd het hem nog onaangenamer. En toch, tusschen zijn groote spijt en zijn sombere, neerslachtige stemming, verrees telkens voor zijn geest het beeld van de weduwe Du Roy met haar niet blanke, maar sneeuwwitte huid, haar donkere oogen en ravenzwarte haren, haar coquette bewegingen en eigenaardig glimlachje; en dan beschreef hij met zijn stok een halven cirkel voor zich uit, alsof hij dat beeld met een krachtigen slag op zij wilde slaan.
Geen oogenblik dacht hij aan de geldquaestie en haar oorzaken. Het kwam niet bij hem op zich te beschuldigen als speler, zich voor te nemen den wortel van het kwaad uit te roeien.
De inktvlek door hem op zijn trouwakte geworpen, was alles wat hij zag; het eenige, dat hem tevens een vlek scheen op zijn eer en zijn geweten.
Thuis werd zijn wroeging nog grooter. In gewone omstandigheden geneerde hij er zich niet voor een beetje leven te maken of Lucie te wekken als ze sliep; thans sloop hij op zijn teenen naar binnen, draaide het slot heel zachtjes om, en ontkleedde zich zonder gedruisch. [61]
Zij sliep rustig door, z’n vrouw, maar hij kon den slaap niet vatten. Wat hij had gedaan, kwam hem nu belachelijk voor. Als men zelf een jonge vrouw heeft, die er goed uitziet, en dan.… een weduwe, die misschien een kleine twintig jaar ouder is! Het was hem als kreeg hij een kleur van schaamte over zoo iets onnoozels.
„Hoe is het, wordt je nooit wakker?”
Verschrikt sprong hij op; de zon stond aan den hemel en Lucie vóór zijn bed.
„Ik.… ik.… schijn me te verslapen,” antwoordde hij stotterend.
„Ja, dat overkomt je ook niet dikwijls. Ben je zoo laat thuis gekomen?”
„Wel neen! ’n Uur of twee.”
Zij lachte ongeloovig, en hij kleedde zich haastig om naar het werk te gaan. ’s Middags ging hij niet naar de sociëteit, maar kocht in een der toko’s een prachtigen armband. Hij wist niet waarom hij zoo plotseling op het denkbeeld kwam, maar instinctmatig scheen hij te beseffen, dat er een zoenoffer moest gebracht worden. Lucie keek verbaasd op, toen hij zoo vroeg thuis kwam om te rijsttafelen.
Ze wierp een blik op de klok, vreezend dat ze zich vergist had in den tijd, maar het was waarlijk pas halféén.
„Scheelt er wat aan, Luus?” vroeg hij bezorgd.
„Neen, hoe zoo?”
„Je ziet bleek, vind ik.”
„Toch niet. Er mankeert mij niets.”
Nu, het mocht wel, dacht ze. Hoe goed hij ook voor haar [62]was, en hoe volkomen hij haar in alles haar zin liet doen,—met oplettendheden van dien aard had hij haar nooit lastig gevallen, en dikwijls, als ze zich eens werkelijk onlekker voelde, had ze gewenscht, dat hij wat meer belangstelling aan den dag had gelegd en maar niet gedaan had, alsof hij niets merkte. Om de goede beweging niet in haar geboorte te verstikken, begreep ze, dat het noodig was het idee harer bleekheid niet geheel te verwerpen.
„Ik heb van ochtend een beetje hoofdpijn gehad, maar het is nu weer over.”
„Je loopt ook altijd zoo in de zon op het achtererf.”
Wederom lachte zij. Wat hem toch scheelde? Het was zoo gek, bezorgdheid van die soort bij hem waar te nemen.
„Ja, ja, lach maar; je zult nog wel meer lachen.”
„Waarover dan?” vroeg ze nieuwsgierig.
„Hier,” zei hij, op zijn jaszak kloppend, „hier zit het.”
Zij volgde hem in de kamer, terwijl hij haar lachend voorging, aanhoudend op dien zak kloppend, wat een korten, doffen klank gaf, waaruit men kon hooren, dat er een hard voorwerp in stak.
„Doe nu je kabaja eens uit.”
„Och, loop naar de maan met je malle kunsten.”
„Neen, betoel Luus, doe nu je kabaja eens uit.”
Zij deed het met een getrouwd sans gêne. Van Brakel opende het met fluweel gevoerd zwart kartonnen doosje, dat, door een optisch bedrog bij de fabricage, op leder geleek, nam er een prachtigen armband uit, vatte haar rechterhand, sloot het sieraad om haar ronden pols, hield dien een eind [63]van zich af, en bekeek, met het hoofd achterover, vol bewondering het een en het ander.
„Wat zeg je er van?” vroeg hij trotsch. Ze vond het prachtig, en het roerde haar te meer, omdat zij wist hoe hij vaak met de geldelijke omstandigheden en peine cruelle zat. Dàt vond ze nu juist zoo lief van hem. En ze dankte hem met een ouderwetschen kus, die hem een nieuw zelfverwijt bezorgde, maar zijn liefde voor Lucie nog meer aanwakkerde. Hij liet haar dien dag letterlijk niet met rust.
„Kom, Herman,” moest ze ten slotte half boos zeggen, „wees nu toch niet zoo mal. ’t Is waarachtig of we in de wittebroodsweken zijn.”
Die opmerking trof hem; er was, meende hij, iets van aan, helaas! Gelukkig besefte Lucie dat niet.
En Geerling zag het met groote verbazing en ergernis, niet meer wetend wat hij denken moest van Van Brakel; niet wetend of hij hem moest houden voor een ploert, of voor een zwaar belasterd man.
Want de vlugge Faam had reeds de ronde gedaan. Van den opzichter, die had verteld welke „dikke vrienden” de ingenieur Van Brakel, als speler algemeen bekend, en de beruchte weduwe Du Roy, óók algemeen bekend, in den laatsten tijd waren, had het gerucht zich verspreid tot bij de hoogste ambtelijke ingezetenen en de notabelste particulieren, reeds lang vóór de thans geldende reden daartoe bestond. En het was gelijk geweest aan den rollenden sneeuwbal, welke ten slotte aangroeit tot een reusachtige massa. Dat het gerucht ditmaal bij de werkelijkheid bleef, was louter toeval; het was er zonder die werkelijkheid niet minder om geweest. [64]
Eerst had Geerling, toen hij ’t hoorde op zijn kantoor, het met verontwaardiging tegengesproken; doch toen hij het van meer kanten vernam, had het ook bij hem ingang gevonden; hij achtte er trouwens Van Brakel niet te goed voor.
Dan, tegenover het betoon van liefde, dat hij dien dag opmerkte, stond zijn verstand stil.
De jeugdige commensaal der Van Brakels wilde er het zijne van hebben; dat had hij zich bepaald voorgenomen. Hoezeer hij dikwerf werd gekweld door een meer en meer toenemende begeerte, had hij zich steeds geheel weten te beheerschen; hij moest Van Brakel’s huisrecht eerbiedigen, vond hij, en hij mocht diens vertrouwen niet schenden. Misschien zouden die overwegingen den doorslag niet gegeven, noch zijn houding en gedrag bepaald hebben, als Lucie een andere vrouw was geweest; als hij in haar doen en laten tegenover hem ook maar eenig spoor van behaagzucht had kunnen ontdekken. Doch het even natuurlijke als correcte in haar houding, overigens gepaard aan een zekere onverschilligheid, hield hem terug van alle andere, dan een zekere vriendschappelijke familiariteit. Zij had, hij wist het, in Van Brakel het meest onbegrensd vertrouwen, dat een vrouw kan stellen in een man. Hoe zou zij zich houden, als bleek, dat het vertrouwen misplaatst was geweest? Hij was er nieuwsgierig naar. Zij zou verdriet hebben, dat was zeker. Welnu, dan was ook zijn rol als trooster aangewezen.
Hij zat dien avond te midden zijner bibelots op zijn gemak een havana te rooken, en dacht er over na. ’t Was juist iets, vond hij, om de gruwelijke verveling te verdrijven. Maar het moest netjes en met overleg worden aangevat. Indien [65]Van Brakel onschuldig bleek, zou hij, Geerling, hem niet trachten te hoornen; anders wèl, en dan zou hij zijn plannetje zorgvol overleggen. Lang dacht hij er over na, tot hij zich, glimlachend en vergenoegd, de handen wreef, zijn sigaar wegwierp en achter de klamboe verdween.
„.… Neem me niet kwalijk, mevrouw.…”
De weduwe Du Roy keek vreemd op toen den volgenden dag een keurig net gekleed jongmensch haar erf opkwam. Ze had juist bezoek van haar nichtje Ceciel, een veel belovende jonge dame, wie het echter, ondanks haar goed uiterlijk, nog jongen leeftijd en aardig vermogen, niet was gelukt een „geschikten” man te vinden, die haar tot vrouw begeerde.
„Wat is er van uw dienst?” vroeg mevrouw Du Roy vrij bits; zij hield niet van zulke jonge lieden, vooral niet als die een beetje „indringerig” waren.
„Ik had gehoord, dat u ’n span sandelwoods te koop had.”
„Dan heeft men u verkeerd ingelicht. Mijn paarden zijn niet te koop.”
„O.… zoo!.… U neemt ’t niet kwalijk, mevrouw.…”
Eenigszins verbluft door de korte, onaangename manier, waarop de vrouw des huizes hem bij zijn gemaakte boodschap te woord stond, wilde Geerling met eene buiging retireeren; maar Ceciel gaf haar tante een wenk.
„Niettemin kant u de paarden wel eens zien, als u er pleizier in hebt.”
„Heel gaarne.… Als u het permitteert.…”
Zij ging hem met haar nichtje vóór naar den stal. Geerling keek overal rond, en raakte, liefhebber van „roerende goederen” [66]als hij was, in een oogwenk opgetogen. Hij putte zich uit in complimenten. Het was zóó keurig! Alles zag er zoo magnifique uit! Net een mannetje, dacht ze, op een der plaatjes in La vie parisienne, een tijdschrift, waarop ze geabonneerd was en dat ze dolgraag las.
’t Waren mooie paarden, die de weduwe op stal had. Ze mocht er gerust een complimentje voor hebben, wat de bezoeker haar trouwens niet spaarde.
Toen hij zijn naam had genoemd, werd mevrouw Du Roy veel vriendelijker. O, zij kende zijn familie heel goed; ze had zijn vader gekend, toen ze nog jong was; ze kende zijn ooms en tantes, die allen in Indië waren geweest, maar reeds voor jaren naar Amsterdam terugkeerden. Zij wist nu meteen, dat hij geen gewoon geëmployeerde, maar een gefortuneerd jongmensch was, en voor geld had zij eerbied. Na de bezichtiging der paarden werd hem in de achtergalerij een stoel aangeboden en een glas limonade met ijs gepresenteerd, dat hij gaarne aannam.
En daar hij den tijd had, of liever dien nam, als ’t hem conveniëerde, bleef hij zitten praten, zich amuseerend met tante en nicht, die waarlijk geen van beiden verwerpelijke schepselen waren, vond hij. Doch de nicht won het toch verre in zijn oogen; ze leek sprekend op haar tante, maar haar jeugd en frischheid had zij vóór. Hij maakte haar erg het hof, en zij liet het zich gaarne welgevallen, zóó zelfs dat ze hem vergunde den volgenden dag terug te komen om nog een glaasje limonade te drinken.
Toen hij heenging en naar zijn kantoor terugwandelde, bespeurde hij dat de gangen van Van Brakel hem veel minder [67]interesseerden, dan den vorigen avond, en het hem nog slechts weinig kon schelen in hoever deze al dan niet mevrouw Du Roy frequenteerde.
Maar niettemin wilde hij zekerheid hebben, en toen het diner ’s avonds bij de Van Brakels was afgeloopen, en de huisheer, als naar gewoonte, dadelijk na de vruchten opstond om heen te gaan, stond Geerling ook op.
„Ik loop zoo ver met u mee,” zei hij.
„Goed,” antwoordde de ingenieur, wien het gezelschap maar half aanstond. „’t Gebeurt anders niet veel, dat je na het eten nog trek hebt om uit te gaan.”
„Neen, maar ik wil me er voortaan toch aan wennen.”
„Wordt je zóó’n sociëteitlooper?” vroeg Lucie.
Hij glimlachte en keek Van Brakel aan, die ongeduldig met zijn rotting tegen zijn schoenen stond te slaan.
„Dat denk ik niet. De sociëteit kan mij niet bekoren. Ik doe het meer om te wandelen.”
„Zoo, dus als gezondheidsmaatregel?”
„Voor de digestie behoef je het anders niet te doen,” zei Van Brakel spottend: „je eet bijna niets.”
„Waarschijnlijk zal het uitgaan mijn eetlust bevorderen.”
Van Brakel vond het verduiveld lastig. Hij had mevrouw Du Roy beloofd haar dien avond te bezoeken en nu was hij wel genoodzaakt eerst naar de sociëteit te gaan om van dien Geerling af te komen. Maar daar liep hij alle kans gelijmd te worden voor een partijtje, en het zou moeilijk zijn zich daarvan af te maken.
Geerling had zeer goed den weerzin opgemerkt, waarmede [68]de ingenieur zich zijn gezelschap getroostte. Zwijgend wandelden zij voort.
„Ik heb van ochtend een niet onaardige visite gemaakt,” zei Geerling eindelijk.
„Zoo?”
„Ja. Ik ben bij twee dames geweest en heb bij haar limonade met ijs zitten drinken in de achtergalerij.”
Het was, vond Van Brakel, toch een kinderachtige kerel! Wat was dat nu voor bijzonders, een glaasje stroop te drinken met twee dames! Hoe flauw om zich daarop te beroemen. Nu, als hij eens bluffen wou.…!
„Het is een gevaarlijk avontuur,” zei hij lachend. „Ik hoop dat het geen verdere gevolgen voor je zal hebben.”
„Dat weet ik niet. Hopen doe ik het wel. Verbeeld je: ’t was een tante en een nichtje. ’n Heel lieve tante en ’n allerliefst nichtje.”
„Zoo!” zei Van Brakel weer, maar ditmaal op een toon, alsof hij wilde zeggen: houd nu den mond maar; de flauwiteit maakt me onpasselijk.
„Men zegt,” vervolgde Geerling op een bijzonderen toon, „dat er gelukkigen zijn, die het voorrecht hebben de dames op aangenamer tijd te bezoeken dan op den heeten middag; ten minste de tante.”
In de duisternis fronsten zich de wenkbrauwen van den ingenieur en zijn hand omklemde den rotting met kracht. Wat wilde die kwajongen insinueeren? Zou hij, die bij hem in huis woonde, weten.…… Van Brakel bedwong zich en vroeg op kalmen, onverschilligen toon:
„Hoe heeten die dames?” [69]
„Het nichtje heet van haar voornaam Ceciel.”
„En de tante?”
„Nu ja!”
Het zweet parelde Van Brakel op het voorhoofd. Nog altijd hield hij zich goed, en vroeg op verstoorden toon:
„Wat moet dat beteekenen?”
Maar Geerling was niet te overbluffen. Eerst lachte hij even, daarna floot hij zacht, stiet Van Brakel aan met zijn elleboog en zei:
„Laat ons wèl zijn,”
Wat moest hij doen? dacht hij. Met genoegen zou hij ’t jonge mensch in zijn stevige knuisten hebben genomen en hem een half uurtje op den bodem van de kali hebben gehouden. Aan brutaal ontkennen viel niet te denken. Hoe was het toch mogelijk? Nog geen vier malen had hij het „genoegen” gehad een avond-visite te brengen ten huize van de weduwe Du Roy, en reeds was alles bekend tot in zijn eigen huis.
„Hoe weet je het?” vroeg hij zacht en als het ware benauwd.
„’t Werd op ’t kantoor verteld.”
„Anders niet?”
„Welzeker. Eerst wilde ik het niet gelooven en sprak het tegen omdat.…”
„Jawel.… Verder?”
„Daarna hoorde ik het nog van verscheiden kanten.”
„Och, kom.…”
„Op mijn woord. Je kunt me gerust gelooven; iedereen weet het.” [70]
Van Brakel hield niet op, zich het gelaat met den zakdoek af te wisschen.
„En.… wat wordt er gezegd?”
„Wel.… men vond het nogal dwaas.”
„Anders niet?”
„Ja, wat zal ik je zeggen? Hoe wil men er nog anders over oordeelen, ten minste onder heeren? Het is immers geen schande!”
„Neen, dat zou te gek zijn.”
Goddank, dacht hij, dat men het alleen maar dwaas vond; dat zou het ook geweest zijn, als die vervloekte geldquaestie.…
„Och,” ging hij voort, „men kan alles zoo niet zeggen.”
„Neen.… natuurlijk niet.” Geerling dacht een oogenblik na. ’t Was waar! Wie weet was mevrouw Van Brakel niet zelve de oorzaak, dat haar man elders zijn troost zocht.
Doch Van Brakel had nog iets op het hart, dat er, nu het ijs in zoover was gebroken, allernoodzakelijkst af moest.
„Zou je denken,” vroeg hij geheimzinnig en bijna fluisterend, terwijl hij Geerling zoo dicht naderde, dat hun schouders elkaar raakten, „zou je denken dat mijn vrouw er iets van vermoedde?”
„Wel neen! Hoe kom je op dat idee?”
„Als, gelijk je zegt, iedereen het weet.…”
„Dan weet zij het niet. De meest betrokkenen komen altijd in de allerlaatste plaats achter dergelijke zaken.”
„Dus je gelooft het niet?”
„Mijn waarde heer, ik zou in allen ernst durven zweren, dat ze er geen flauw idee van heeft.”
„Dat is gelukkig; het zou verschrikkelijk zijn.” [71]
Geerling trok de wenkbrauwen op en keek hem verbaasd aan. Wat was dat toch een rare kerel! Waarom zou dat nu zoo verschrikkelijk zijn? Het zou een huiselijke scène geven, die, meende hij, weer voorbij zou gaan en Van Brakel toch weinig kon deren.
„Zóó erg zou het niet wezen!”
„Dat zou het wèl, Geerling,” zei Van Brakel overtuigend, „dat zou het wèl. Soedah, laat ons er maar niet verder over spreken. Bij gelegenheid leg ik je dat wel eens uit.”
Het jonge mensch was er volstrekt niet nieuwsgierig naar. Wat kon hem dat alles schelen? Hij had alleen ten doel in de gelegenheid gesteld te worden zoo spoedig mogelijk in nadere relatie te komen met Ceciel, de rest was bijzaak.
„Ga je er heen van avond?”
„Ik moet.”
„Neem me mee.”
„Och, ik zou wel willen, maar wat heb je er aan? Ceciel is er toch niet.”
„Maar die woont toch in de buurt; me dunkt het is nog niet laat; haar tante kon haar best nog voor een uurtje laten halen.”
Het was voor Van Brakel geen gemakkelijke taak. Daar hij niet begreep onder welk motief hij op dit uur Geerling ten huize van mevrouw Du Roy kon introduceeren, had hij het verzoek gaarne afgewezen. Wat zou zij zeggen? Zou ze niet ernstig boos wezen? Aan den anderen kant zag hij wel in, dat na de pas gedane confidenties, het gevaarlijk was ’t dringend verzoek van Geerling te weigeren.
„’t Is een lastig geval,” zei hij. „Hoe kan ik je nu meenemen? [72]Wat moet ik als reden van je bezoek opgeven?”
„Reden? Wel niets. Ik zie wel, dat je aan je coup d’essai bent. Net als ik heb gedacht. In een geval als het uwe, doet een man wat hij wil, zonder er rekenschap van te geven.”
„Je hebt gemakkelijk praten,” zuchtte Van Brakel. Voor den drommel, hij kon het jonge mensch nu toch ook niet gaan vertellen, dat hij bij moeder Du Roy onder finantiëele verplichtingen stond.
„Wat gemakkelijk praten? Kom, wees nu niet kinderachtig en neem me mee. Ik verzeker je, dat ik niet lastig of indiscreet zal wezen.”
„Heb nu nog een paar dagen geduld, dan ga ik er weer heen, en dan beloof ik je, dat je meegaat.”
Maar de jonge Geerling wilde geen geduld hebben. Hij zag niet in dat het ergens toe dienen kon. Als Van Brakel hem maar met een of ander praatje binnenbracht, dan zou hij, Geerling, zijn „smoesje”, zooals hij het zeer schilderachtig noemde, wel verder zelf maken.
De ingenieur hoorde hem met verbazing aan. Geerling sprak met de zekerheid en het zelfvertrouwen van een man van ervaring, en dáárvoor was hij toch nog te jong. Hij moest ten slotte wel toestemmen, schoon het niet zonder zorg was, dat hij zijn commensaal meenam over het nette erf en met hem ter zijde van het huis naar achter ging.
Mevrouw Du Roy kwam reeds met de loffelijkste bedoelingen hem uit de achtergalerij te gemoet, toen ze verbaasd stilstond en met groote oogen nu eens naar Van Brakel en dan weer naar het haar bekende jonge mensch keek. [73]
„Mag ik u meneer Geerling voorstellen?” begon Van Brakel eenigszins stotterend.
„Niet noodig, niet noodig!” viel deze in, met den hoed in de hand en een sierlijke buiging. „Ik had reeds het genoegen mij aan mevrouw en aan mejuffrouw haar nicht voor te stellen, U neemt het mij hoop ik niet kwalijk, maar toen ik van avond hoorde, dat meneer Van Brakel u voor zaken moest spreken, kon ik de gelegenheid niet laten passeeren, maar verzocht dringend hem te mogen vergezellen. Ik hoop, mevrouw Du Roy, dat u het mij ten goede zult houden. De welwillende ontvangst, die mij in uw charmante woning ten deel mocht vallen.… de aangename conversatie.… de lieflijke persoonlijkheid van uw nichtje.… enfin mevrouw: me voilà. Nogmaals: duid het mij niet ten kwade.”
Zoo’n kwekkelaar! dacht ze, maar niettemin glimlachte ze, gaarne gevleid als ze was.
„Komt binnen,” zei ze, hen voorgaand in de achtergalerij, waar de hond van Van Brakel, die er thuis was, zich gemakkelijk op een rotanstoel had uitgestrekt. „Wel, ik heb niets tegen uw bezoek, meneer Geerling; alleen zult u het gezelschap moeten ontberen van Ceciel, want die is er niet.”
„Helaas! zou daar niets aan te doen zijn?”
Verwonderd had Van Brakel stil geluisterd, terwijl hij zijn dienstpet op zijn wandelstok zette en dezen in een hoek plaatste. Welk een brutale vent was dat commensaaltje van hem! En dat scheen waarachtig goed te gaan. Hij viel maar dadelijk met de deur in huis!
„Wel neen,” antwoordde mevrouw Du Roy. „Ik kan haar niet hier tooveren.” [74]
Zij was aan ’t smalle eind gaan zitten van de groote eettafel en Geerling had familiaar een stoel genomen en was aan het hoekje bij haar komen zitten, met zijn ellebogen op de tafel en zijn beide handen tegen elkaar voor zijn gezicht.
„Ik weet niet of u tooveren kunt.”
Zij lachte.
„Wel, wel, zie ik er dan uit als een toovenaarster?”
„Dat weet ik niet. Het is al naar ’t geen men daaronder verstaat. Een betooverend mooie vrouw als u, moet ook kunnen tooveren.”
Van Brakel fronste de wenkbrauwen. Niet dat hij zoo verliefd was op mevrouw Du Roy, maar hij vond toch dat Geerling wel wat ver ging. Zij zag, dat het den ingenieur niet beviel; dat deed haar innig veel pleizier.
„Kom,” zei deze tot het jonge mensch, „zeg nu maar waar het op staat.”
„Dus er bestond een afspraak?”
„Dat nu niet. Maar hij is dol van Ceciel en nu is eigenlijk de heele quastie, dat hij je wil vragen om haar nog ’n uurtje hier te laten komen.”
„O zoo, is het dat!”
„Dat is het,” vervolgde Geerling spottend, „en u doet het, nietwaar? U hebt wel medelijden met een armen jongen, die zijn hart heeft verloren en zijn oog heeft laten vallen.…”
„Schei uit,” riep ze lachend. „Als je nog verder gaat, schiet er op ’t laatst niets meer van je over.”
Ze vonden het alle drie aardig en lachten een trio.
„Nu, ik zal eens zien. Beloven dat ze komt, kan ik niet. [75]Het is de vraag of de oudelui het willen hebben. Mijn zuster is soms heel lastig van humeur.”
De zuster van mevrouw Du Roy en de moeder van Ceciel was volstrekt niet lastig van humeur, en liet integendeel het meisje volkomen doen wat ze wilde, gelijk zijzelve dat altijd had gedaan.
Toen het leitje van mevrouw Du Roy kwam, zaten moeder en dochter te lezen; de vader, een gewezen scheepskapitein, was reeds naar bed; de goede man had sedert vele jaren de vaste gewoonte, om als te acht uren het diner was opgedaan, een bord soep te eten, daarna op te staan, zijn vrouw en dochter een „goeden nacht, samen” toe te wenschen, om vervolgens, zooals hij het noemde, „onder zeil” te gaan.
De beide dames zaten te lezen.
„Het is voor jou,” zei mama, ’t leitje aan haar dochter overreikend.
„Van wie?”
„Van tante Nel.”
„Wat wil ze?”
„Ze vraagt of je komt.”
„Nu nog? ’t Is al zoo laat.”
„Er is visite. Ze schrijft, dat er een zekere Geerling ook is.”
Haastig greep Ceciel het leitje. Drommels, die was er vlug bij, vond ze, en ze glimlachte met groote zelfvoldoening. Ze zou gaan, zeker; zij was er het meisje niet naar om zulk een schoone gelegenheid ongebruikt voorbij te laten gaan. Geerling was iemand van fatsoenlijke familie en hij had geld. Persoonlijk was hij haar volmaakt onverschillig. Zij was niet amoureus van aard, en hoezeer zij ook op haar tante mocht [76]gelijken,—in dàt opzicht bestond tusschen die twee een hemelsbreed verschil.
Het meisje sloeg een blik in het rond en zuchtte. Onder andere levensomstandigheden zou zij zich de moeite niet hebben gegeven een japon aan te trekken en tien huizen ver te loopen om een jongmensch te ontmoeten, dat haar totaal onverschillig was. Doch als ze zoo rondzag in de vierkante binnengalerij, waar ze met haar moeder zat, dan voelde ze diep, dat ze niets onbeproefd mocht laten om zich te ontrukken aan zulk een doodelijke omgeving. Buiten op den onbestraten Indischen weg wierp een petroleum-lantaarn een flauw schijnsel, zoo flauw dat de open vensters uit de helder verlichte galerij gezien groote zwarte vlekken schenen. Geen rijtuig reed voorbij; slechts nu en dan zwiepte een vervallen dogcar langs het huis. Nijdige muskieten gonsden om haar ooren, of gingen op hun kop staan en staken de angels door het weefsel der fijne kabaja in haar blanke huid. Het licht der lampen schitterde in eentonige verblindheid op de witte muren en de marmeren bladen der tafels, en reflecteerde in de grijs geverfde zoldering, waarvan de breede, zwarte naden tusschen de planken en de veel te talrijke, niet meskant bezaagde balkjes van slordigen bouw getuigden; alles dilettanten-werk! Rond den rotanmat op den vloer, kwam een breede rand roode tegelsteenen uit, door de vocht gevlekt en dof gevlamd en bij het lamplicht in één toon uitloopende met den geteerden rand onder aan den muur, waarboven zich in vuilgeel en vaalgroen allerlei fantastische figuren van uitgeslagen vochtigheid teekenden. Zij zag dat alles nu niet in zijn onderdeden, maar ze kende het al jaren, en ze [77]onderging den verschrikkelijken invloed der eentonigheid en der doodelijke verveling van zulk een omgeving. Haar moeder zat tegenover haar een roman te lezen en sprak geen woord. Zij was een goede vrouw, maar des avonds na het eten las zij geregeld elken avond in een roman en hoe ouderwetscher en hoe aandoenlijker die was, hoe liever. Soms zag Ceciel een paar groote tranen onder haar moeders bril uitvloeien en teekenden zich de trekken van den leeftijd door het medelijden scherper af op het gelaat; als dan het meisje spottend vroeg: of het zoo erg roerend was, dan kreeg zij slechts een afwijzend gebaar tot antwoord, en las mama ijverig voort over de verschrikkelijke lotgevallen eener denkbeeldige, arme, ongelukkige, verleide, verlaten en verstooten Clothilde of Amaranthe of van een miskenden en gepijnigden door verdriet verterenden Eduard of Adolf.
Zij wilde weg uit zulk een archi-saaie omgeving. Daar mochten haar vader en moeder, die een vroolijke jeugd achter den rug hadden, genoegen mee nemen, zij bedankte er feestelijk voor; zij zou niets onbeproefd laten om weg te komen, mits op een hoogst fatsoenlijke manier. Dat het verbazend moeilijk zou zijn, begreep ze. Bij haar ouders kwam nooit iemand aan huis, zoodat er geen gelegenheid was met anderen kennis te maken, en van de eigenaardigheden van tante Du Roy was zij niet gediend; als ze niet van haar had moeten erven, zou ze er nooit aan huis gekomen zijn.
Ceciel was nu de twintig gepasseerd; ofschoon ze niet onbesproken was gebleven, was ze toch in waarheid een fatsoenlijk meisje. En dat verkoos ze te blijven, want het was haar ernstig verlangen een behoorlijk huwelijk te doen. Ze had zooveel [78]modder zien dwarrelen in haar familie, dat zij er een diepen afkeer van gevoelde. Trouwen wilde ze met een man van fatsoenlijke familie; met iemand, die, als hij in Europa kwam, zijn vrouw in nette kringen kon brengen, waar men fashionabel en comfortabel leefde. Het kon haar niet schelen of hij jong zou zijn of reeds van gevorderden leeftijd, mooi of leelijk, rijk of niet bemiddeld, bruin of blond,—als hij voor zichzelf maar een goeden naam had en zijn familie in Europa net en fatsoenlijk was. Tot nog toe was het haar niet gelukt, en de vrees voor het lot van den kieskeurigen reiger, die eerst niet wou kiezen uit den plas, omdat de vischsoorten hem te ordinair waren, maar die zich ten slotte moest behelpen met een vorsch, sloeg haar wel eens om het hart.
Want er was dikwijls genoeg aanzoek gedaan om haar hand, zooals te begrepen was van een mooi meisje met geld. Maar ze bedankte voor een man, aan wiens naam een verchristelijkt inlandsch geurtje was, of voor een pursang met een Amsterdamschen of anderen plaatselijken tongval, of voor een Indischen jongen met een omgekeerden naam. Van dat alles was Ceciel niet gediend. Zij wist precies wat ze wilde; alleen was het haar nog niet gelukt den waren Jozef te bemachtigen.
Geerling kon uitstekend in aanmerking komen. Zoowel in Europa, dat wist ze, als in Indië was zijn familie in deftige burgerkringen geacht. Bovendien had hij alles vóór: zijn fortuin, zijn jeugd, zijn uiterlijk, zelfs ondanks wat geaffecteerdheid en dansmeesterachtige pedanterie.
Dat hij bij tante Du Roy kwam, en nog wel in den avond, was een veeg teeken. Zij begreep wel, hoe hij daar was gekomen en dat was zoo goed als een half mislukken harer [79]plannen. Maar zij mocht, vond ze, de gelegenheid niet laten voorbijgaan, te minder daar ze zelf volstrekt geen gevaar liep er eer of deugd ook maar voor een greintje bij in te schieten. Zij was een flink meisje met een helder verstand; er waren een half dozijn jongelui op de plaats, waarvan de eerste de beste zou geaccepteerd zijn, wanneer hij zich als ernstig pretendent had aangemeld, en onder hen was ook Geerling. Maar zij vreesde geen tête-à-tête met een hunner. Volstrekt niet! Ze was er zelfs zeker van, dat geen hunner zich ongepaste vrijheden zou veroorloven.
Ceciel had een mooie lichte japon aangetrokken, een bloem in ’t haar gestoken en was in een half uur bij mevrouw Du Roy, waar ze met een vriendelijk gezicht binnenkwam, haar tante kuste, Geerling glimlachend de hand reikte en Van Brakel, met een blik vol minachting, die hem hoogst onaangenaam trof, in de gelegenheid stelde haar vingertoppen aan te raken.
Geerling ijlde naar een stoel, en zette dien klaar voor Ceciel; dadelijk schoof hij er naast en ving een druk discours aan, waarvan ’t hem echter spoedig zwaar viel de kosten alleen te dragen.
Mevrouw Du Roy maakte voor de heeren een grog en veroorloofde zich daarbij als in het voorbijgaan allerlei actes de possession tegenover Van Brakel, nu eens door op zijn schouder te leunen, dan weer door hem bij den voornaam te noemen. De ingenieur, nog in zijn leerjaren, keek dan telkens onwillekeurig naar Geerling, alsof hij vreesde, dat die het zien en hooren zou; maar deze lette alleen op de mooie Ceciel, terwijl hij zich uitputte in aardigheden, en met gulzigen [80]blik de som opmaakte van haar bekende en vermoedelijke bekoorlijkheden. Zij was vriendelijk en glimlachte hem tegen; maar uit de plooi kwam ze toch niet. De dubbelzinnigheden verdroeg ze stil, en zij deed alsof zij niets daarvan bemerkte. Soms deed tante Du Roy er aan mee, maar Ceciel sloeg er geen acht op.
Zoo zat men een uurtje bij elkaar; de vrouw des huizes begon de ongelegen visite vervelend te vinden; Van Brakel vond ze ergerlijk; Ceciel zat op heete kolen, en zelfs Geerling, hoe ook opgetogen van bewondering, bespeurde dat er iets gênants begon te komen in het gezelschap.
„Kom,” zei het meisje opstaand, „’t loopt tegen elf uren, ik ga naar huis.”
Mevrouw Du Roy loosde een stillen zucht van verlichting.
„Ja, kind,” zei ze, „anders krijgen we het met mama aan den stok.”
„Mag ik zoo vrij zijn?” vroeg Geerling zijn hoed nemend, alsof hij vond, dat de vraag slechts voor den vorm was, en het antwoord niet anders dan toestemmend kon wezen.
„Als het u genoegen doet,” antwoordde Ceciel. „Wat mij aangaat, is het waarlijk de moeite niet waard. In vijf minuten ben ik thuis.”
Bij het heengaan groot betoon van hartelijkheid van den kant van Geerling, met een blik aan Van Brakels adres, die duidelijk te kennen gaf, dat ze nu beiden eigenlijk pas en bonne fortune kwamen; van de zijde van Ceciel dezelfde onaangename teruggetrokkenheid tegenover den ingenieur.
„Ik vind haar een onuitstaanbaar nest,” zei hij, toen de jongelui weg waren. [81]