„Wel, ’t is mijn schuld niet, dat je haar hier hebt ontmoet! Waarom bracht je dien jongen mee? Je wist vooraf dat ’t er hem alleen om te doen was Ceciel te ontmoeten.”
„Het is gemakkelijk gezegd. Ik kon onmogelijk van hem afkomen.”
Mevrouw Du Roy keek vreemd op.
„Niet van hem afkomen?”
„Neen. Hij woont bij mij in ’t paviljoentje.”
„Och, zoo.… en?”
„En hij vertelde me heel kalm, dat hij wist waar ik heen ging.”
Zij barstte los in toorn. Nog nooit had ze zoo’n gemeen babbelnest gezien! Geen vinger kon men in de asch steken of Jan-en-alleman had er ’t zijne over te zeggen. Het was een schandaal! Het was beter, dat iedereen zich maar bemoeide met zijn eigen zaken, dan had hij genoeg te doen. Maar ze roerden liever bij een ander het vuil, opdat men den stank van het hunne niet ruiken zou.—Op dat chapiter was ze volmaakt thuis en eenmaal aan den gang, openden zich de sluizen harer welsprekendheid en stortte zij in een eindeloozen woordenstroom de fiolen van haar toorn over de plaats harer inwoning uit.
Van Brakel knikte nu en dan toestemmend, en sprak, waar hij er kans toezag, een enkel hartig woordje mee. Zij had groot gelijk, vond hij; het waren precies zijn ideeën; vroeger had hij nooit geloofd, dat er zooveel kwaadsprekerij in de wereld bestond, maar nu was hij tot de overtuiging geraakt, dat het zoo was.
„Maak je er niet zoo kwaad om,” zei hij vriendelijk tot [82]mevrouw Du Roy, die bleek zag van woede, wat haar volstrekt niet leelijker maakte. „Het volk is het wezenlijk niet waard.”
„Dat is het ook niet,” stemde zij toe, de lampen in de achtergalerij uitdraaiend, „maar ik kan mij er toch woedend om maken.”
„Het is een heerlijke avond,” zei Geerling toen hij met Ceciel het erf afliep. „Een mooie donkerblauwe sterrenlucht. Hoe zoudt u er over denken, als we eens een half uurtje gingen toeren?”
„U hebt niet eens een wagen.”
„Och, daar is gemakkelijk aan te komen, hier op den hoek bij den rijtuigverhuurder.”
„Dank u. Ik ga regelrecht naar huis.”
„Toch niet.”
„Zeer zeker. Het spijt me, dat u tante hebt overgehaald, mij dat leitje te schrijven.”
„Spijt u dat wezenlijk zoo erg?” vroeg hij verwonderd en teleurgesteld.
„Ja. Niet omdat ik u ontmoet heb, maar omdat ik daardoor in gezelschap ben gebracht met dien Van Brakel.”
„Hij is toch zoo kwaad niet!”
„Ik weet niet in welk opzicht hij goed is, maar het is verschrikkelijk voor ons; wij zijn gedwongen wèl te blijven met tante Du Roy, maar het is ten koste van zóóveel, dat het mij ten minste te zwaar wordt.”
Deze plotselinge wending van het gesprek sloeg Geerling geheel uit het veld; maar de vertrouwelijke toon, waarop zij [83]sprak, boezemde hem belangstelling in. Hij wist niet wat te antwoorden.
„Zij is altijd zóó geweest,” ging Ceciel voort, in dienzelfden toon en dicht bij Geerling voortschrijdend. „Reeds als jong meisje speelde zij zoo’n rol. Later, toen ze met oom Du Roy trouwde, dacht de familie, dat het beter zou gaan, maar ze bedroog hem ook, en na zijn dood.… nu, dat ziet ge,” eindigde zij zuchtend. „Maar zij is rijk, en dat zijn wij niet. Pa en ma hebben verplichting aan haar; dáárom moeten wij zulke vernederingen ondergaan; daarom kwam ik van avond bij haar, terwijl ik wist, dat er die gemeene Van Brakel was.”
Er waren tranen in haar stem, en, naar de beweging, welke zij met haar zakdoek maakte, ook in haar oogen.
Het was, vond Geerling, uiterst moeilijk en zeer onverwacht. Hij had alles eer verwacht, dan zulk een deugdzame métamorphose. ’t Viel hem om den drommel niet mee! Zoo spraakzaam en vroolijk hij was, waar hij meende dat steken los waren aan het kleed der braafheid, zoo onbeholpen was hij, nu plotseling bleek, dat er geen torntje te vinden was. Want de ongereptheid scheen hem onbetwistbaar. Aan een dom te kennen gegeven eerbaarheid had hij geen geloof geslagen, maar de correcte en toch eenvoudige wijze, waarop Ceciel hem met half bedwongen smart, de familie-verhouding had uiteengezet, liet, naar zijn opvatting, geen twijfel aan de waarheid toe. Adieu plaisirs! dacht hij met een zucht. Dat Indië was me toch ook een land! Men sprak van avonturen! Hij wilde dan wel eens weten, waar die te zoeken waren. Nu ja, Van Brakel bij die weduwe van veertig jaar. Maar anders? Hij, Geerling, had tot nog toe niet veel [84]anders ontmoet dan Indische dames, die hem erg geblaseerd toeschenen, en Europeesche, die zich erg in acht schenen te nemen. Trouwens, er was, naar zijn opinie, al bitter weinig gelegenheid in een land, waar de huizen bijna geheel open waren, zoodat het was alsof de menschen op straat leefden, en waar men ten overvloede altijd een of meer bedienden in het oog liep. En dan de warmte!
Terwijl hij zwijgend voortwandelde naast het mooie meisje, dat zich bitter beklaagde over haar tante Du Roy, ging dat alles den teleurgestelden jonkman door het hoofd. Neen, heilig dan Holland! Daar kon men toch anders pret hebben! Hoe heerlijk leenden zich Amsterdam en Den Haag voor allerlei genoegens, stille zoowel als luidruchtige. En hoe welwillend waren er de burgermeisjes voor nette jongelui, die trakteeren konden op mooie cadeautjes en lekkere snoeperij! Hij had daar ook gewoond op gemeubileerde kamers. Maar wat was dat gezellig! De jonge dochters van zijn hospes brachten hem ’s morgens zelf het ontbijt op zijn kamer. Het hinderde immers niemand! Meestal trouwden ze toch naderhand met iemand uit hun stand, zonder dat onbescheiden hanen naar vroeger gekakel kraaiden. Hier in Indië kreeg men des morgens zijn eigen ongewasschen huisjongen te zien, en als men een conquête wilde maken, dan was dat heel gemakkelijk, mits men zich wilde bepalen tot de „kleine vrouw” en men de hulp inriep van den zilveren standaard; het bi-metallisme kwam dan vanzelf!
„Ik begrijp het nu,” zei Geerling met een zucht. „Maar u houdt mij ten goede, dat ik het te voren niet begreep.”
„Och, ik neem het u niet kwalijk. De meeste menschen verdenken mij, omdat ik het ongeluk heb een tante te bezitten, [85]die zoo raar.… is. Het is heel ongelukkig, maar het is niet anders.”
Geerling kreeg medelijden. Wat drommel, als ze een fatsoenlijk meisje was—en daaraan twijfelde hij nu niet meer—dan was het toch ook vervloekt hard.
„Het is onaangenaam,” gaf hij toe, „doch u moet het u niet aantrekken. Er is nu eenmaal niets aan te veranderen.”
„Helaas, neen!”
„Welnu, zet u dan er over heen. U bent veel te jong en te mooi om over zulke dingen verdriet te hebben.”
„Het is juist dàt wat het erger maakt; indien ik oud was en leelijk.…”
„Neen, dat is waar!”
„U ziet bovendien aan uzelven, waartoe het leidt.”
Verlegen zweeg hij, en beet op zijn kneveltje.
„Of wilt u soms beweren, dat uw handelwijze van hedenavond voor mij een vereerend blijk van vertrouwen was?”
„Drommels, neen, juffrouw Ceciel,” zei hij in verwarring. „U hebt gelijk. Neem het mij niet kwalijk.… Als ik vooruit had geweten.… Maar u zult mij moeten toegeven, dat men niet alles te voren weten kan. De schijn.…”
Ze lei haar hand vertrouwelijk op zijn arm.
„Ge behoeft u niet te verontschuldigen, meneer Geerling. Ik weet het immers wel, en ik neem het u niet kwalijk.”
Ze stonden voor de deur harer woning, die open was; er brandde nog licht, schoon mama reeds naar bed was en alleen een bediende de wacht hield.
Hij zag haar fraai gevormde blanke hand op zijn arm en hij zag ook haar mooi gezichtje in het zachte licht. Heer in [86]Den Haag, wat was het toch eeuwig jammer, dat het nu dáárop moest uitloopen! ’t Was een beeldje, vond hij.
„Ik zal toch,” zei hij, „het genoegen hebben u nog wel eens te zien?”
„Och waarom?”
„Wel.… wel.…” het was satansch moeilijk er een behoorlijk antwoord op te geven. „Wel, ik vind u zoo beminnelijk .… zulk een engel.”
Wat was het toch lastig tegenover zoo’n „fatsoenlijk” meisje geen mal figuur te maken!
„Een engel,” zei ze glimlachend. „Een engel en.… te degradeeren.”
„Neen, waarachtig niet. In ernst juffrouw Ceciel, ik denk aan zoo iets niet. Ik hoop dat u gelooft.…”
„Ik weet het niet, ik weet niet of ik u kan gelooven.”
„Gerust. Laat mij u ’n visite komen maken bij uw oudelui.”
Ze scheen te aarzelen.
„Soeda, ik zeg ja noch neen, adieu.”
Zij stak hem de hand toe.
Heel graag had hij haar een kus gegeven, iets, vond hij, dat zelfs was overeen te brengen met het fatsoen, doch hij deed er zelfs geen poging toe.
In haar kamer zat Ceciel nog lang te pikiren. Zij was over zichzelve tevreden. Als hij nu kwam, zou ze wel verder zien; kwam hij niet, dan had zij zich in geen geval gecompromitteerd en kon hij niets dan goeds van haar zeggen. Hij was haar meegevallen. Ze had wel eens meer van die ontmoetingen gehad, en dan hadden de teleurgestelden altijd getracht de vrije liefde te verdedigen, die voor te stellen als [87]de onschuldigste zaak ter wereld, en, ondanks al haar redeneeren, allerlei pogingen aangewend om hun doel te bereiken. En als ze het vruchtelooze van hun praatjes ten slotte inzagen, dan waren ze na de plechtigste verzekeringen hunner liefde, heengegaan en nimmer teruggekomen.
Geerling had zich fatsoenlijker gedragen, dat stond vast. Of hij zou terugkomen was niet te zeggen, maar zoo er ooit iemand épris was geweest van haar, dan was het dit jonge mensch, meende zij.
Lucie sleet haar leven in een kalme eentonigheid, die haar echter niet hinderde en waaraan ze gewoon was. In den laatsten tijd was het met den berenstrijd zeer gunstig gesteld, en dat verheugde haar, hoe licht zij overigens dien strijd ook tilde. Als ze geld te kort kwamen, dan had ze maar te spreken, en Herman gaf het haar. Wat zou ze meer verlangen? Ze behoefde tegenwoordig Geerling niet meer lastig te vallen, en dat was te aangenamer, omdat hij van zijn kant niet meer zoo erg voorkomend en gedienstig was. Hij bleef niet meer napraten als het diner was afgeloopen, maar ging ook uit. Nu, dat deed haar pleizier, want dan kon ze naar bed gaan. Maar toch had het haar aandacht getrokken. En wat haar ook bevreemdde was het gedrag van Herman. Niet het feit, dat hij tegenwoordig weleens thuis kwam als het ochtendschot viel,—een uurtje vroeger of later in den nacht hinderde haar niet. Aan zijn uithuizigheid was ze gewoon; niet aan zijn ingetogenheid. Doch ook dáárover beklaagde zij zich niet; haar natuur was passief van aard. Zij was een huismoedertje; en daar zij die bestemming meer dan voldoende had bereikt, [88]waren haar wenschen vervuld en vroeg zij ’t leven nog slechts om een bescheiden deel van genot; veel zou haar niet eens hebben gesmaakt.
Hoe Van Brakel aan geld kwam? Wel, ze dacht er nooit over na: het waren zijn zaken; als zij maar kreeg wat ze noodig had, dan achtte zij zich verder niet gerechtigd hem te vragen uit welke bronnen hij putte.
En toch overviel haar op zekeren dag een geweldige vrees.
„Dat is een leelijk geval met den ingenieur Enne, hè?” zei Geerling aan tafel.
„Ja,” antwoordde Van Brakel, „’t spijt me voor hem; hij was ’n beste vent en uitstekend op de hoogte.”
„Dat hoor ik algemeen zeggen. Het is geen kleinigheid ook.”
„Neen, vijf en twintig mille is een mooie som.”
Verwonderd keek Lucie haar man aan.
„Waar heb je het over? Wat is er gebeurd met Enne?”
„Hij heeft een tekort in kas,” zei Van Brakel.
„Je hebt me er niets van verteld.”
„Ik had het vergeten.”
„Er moet nogal aardig gestolen zijn, meen ik zoo,” zei Geerling, „want het heele werk was maar twee ton.”
„Twee en een halve,” verbeterde Van Brakel.
„Maar dat doet er niets toe: het is en blijft een even beroerde zaak.”
Zij praatten er op door, doch Lucie zei geen woord meer. Er was haar plotseling een verschrikkelijk denkbeeld voor den geest gekomen. Het gebeurde haar niet elken dag, dat ze een eigen idee had, maar als dat voorviel, dan overrompelde het haar ook geheel. Waarom had Herman haar dat [89]verzwegen, hij, die anders dadelijk al dergelijke dingen aan zijn vrouw vertelde? Ver van het vermoeden, dat dit verzuim was te wijten aan de omstandigheid, dat zij niet meer zoo geheel en al zijn vrouw mocht heeten, zag zij een mogelijk verband tusschen die achterhoudendheid en de ruimte van geld in de laatste maanden. Zij kon niet eten; het was alsof ’t haar in de keel bleef steken.
„Hoe is het,” vroeg Van Brakel, toen ze haar vork neerlei, „smaakt het je niet vandaag?”
„Neen, ik heb niet veel eetlust.”
„Heeft het verhaal van Enne dien bedorven?” vroeg Geerling zonder erg.
Zij trok de wenkbrauwen samen en zag den jongen man bijna angstig aan.
„Waarom vraagt u dat?”
Hij was er verwonderd over.
„Och, zoo maar. Het is heel onpleizierig, als men zulke dingen hoort.”
„Ja, het is verschrikkelijk!”
Van Brakel gevoelde zich niet op zijn gemak. Het was hem thans duidelijk, dat zijn vrouw had nagedacht; hij verweet zich zijn onvoorzichtigheid, het was verkeerd geweest zich zoo coulant te toonen; maar hij had het gedaan uit goedheid, om haar in zekeren zin schadeloos te stellen; het moest haar ten slotte toch bevreemden, dat hij niet meer klaagde over geldgebrek, zijn schulden betaalde enzoovoort. En nu vreesde zij, dat hij zich ook had vergrepen aan ’s Lands gelden; dat ook hij de verleiding niet had kunnen weerstaan. Hij wilde haar gerust stellen. Bovendien [90]was het een fraaie gelegenheid om een kranig figuur te maken, en die mocht hij niet ongebruikt voorbij laten gaan.
„Wat hadt je toch daar straks?” vroeg hij toen ze alleen waren.
„Niets.”
„Dat is maar gekheid. Er was wel iets. Iets dat je erg hinderde, zoodat je er niet van eten kon.”
„Och neen, het was niets.”
„Wees nu niet kinderachtig en vertel het me.”
Ze keerde zich naar hem toe, bleek en met de oogen vol tranen, sloeg haar armen om zijn hals en zei weenend:
„O Herman, het is niets!”
„Een mooie manier om te bewijzen dat het niets is,” zei hij lachend. „Wil ik je wat zeggen?” En zijn mond bij haar oor brengend, fluisterde hij: „Je bent bang, dat ik evenals Enne mijn kas heb nagezien.”
Ze kon het niet ontkennen, al begon zij zich reeds over het vermoeden te schamen.
„Nu,” ging hij voort, terwijl hij haar eerlijk gezicht in beide handen nam en haar in de betraande oogen zag: „maak jij je maar niet ongerust, hoor Luus. Bij hetgeen wij uitgeven is geen cent gestolen geld, noch van ’t Gouvernement, noch van iemand anders.”
„Goddank!” zei ze en toen hij heenging—het was zijn avond bij mevrouw Du Roy—kuste ze hem als het ware met dankbaarheid. Ze had niet verder gevraagd; ze had ook niets verder willen weten. Of hij bij het spel had gewonnen, of misschien een cadeau in geld had geaccepteerd van een aannemer, of op welke andere wijze hij aan het geld kwam,[91]—zij bemoeide er zich niet mee. Als het dàt maar niet was. Want het eerste was uitstekend, en dat was het laatste nu wel niet, maar daar waren er zoo veel, die zich smeren lieten, zonder dat het hun ooit in eenig opzicht nadeel had gedaan.
Terwijl Lucie zich gereed maakte om haar gewone nachtrust te nemen, dacht ze zoo daarover na, en dribbelde van het eene vertrek naar het andere. Zij nam één voor één de kleintjes eens op met een zekere bedoeling, waaraan de slaapdronken kinderen als werktuiglijk voldeden. Zij had nog honger, nu de brok van schrik uit haar keel was verdwenen; ze ging nog even naar de achtergalerij, waar juist een bediende zijn blaastalent aan het uitdooven der lampen wilde wijden. Er was nog wel het een en ander in de kast, om de schade in te halen.
Een paar minuten later deed zij zich gemoedelijk te goed aan een miniatuur hutspot, toen de looper van het postkantoor de brieven bracht. Als ze naar bed was, schoof hij ze gewoonlijk maar onder de voordeur naar binnen, maar nu de man licht had gezien, bracht hij ze achter. Hij lei ze met een „Tabeh njonja, pos njonja!” op de tafel en ging. Toen ze gegeten had, keek ze eens op de adressen, of er geen brief van haar vader bij was. Doch dat was het geval niet.
Toch zag ze er een aan haar adres van een fijne vrouwenhand. Het poststempel was van de plaats. Wat kon dat wezen? Lucie opende het couvert; met verbazing zag zij dat de brief geen aanhef had en geen onderteekening droeg.
„Mevrouw L. Van Brakel-Drütlich wordt in haar belang en in dat van haar man ten dringendste aangeraden hem van zijn nachtelijke uitstapjes af te houden. Het is nooit veel [92]zaaks, wat mannen des nachts buitenshuis doen, maar als mevrouw Van Brakel-Drütlich niet oppast, dan zal zij vooral de grootste huiselijke onaangenaamheden krijgen, ten gevolge van het uitloopen van haar man, die zich aan een slecht levensgedrag schuldig maakt.”
Daar! dacht Lucie; daar kwamen waarlijk die ongelukkige geldquaestie en de speelzucht van Herman weer in een anderen vorm op het tapijt; de vrees voor finantiëele moeilijkheden was nauwelijks de deur uit of ze kwam door ’t venster naar binnen.
Wat was het nu weer? Had hij weer veel verloren in de laatste dagen en opnieuw schulden moeten maken?
Maar dan zou hij het haar toch wel gezegd hebben! Zij had hem nooit aanmerkingen gemaakt. En bovendien: hij was tegenwoordig volstrekt niet slecht bij kas. Hoe kon ze zich daarover ook bezorgd maken! Het was lasterlijke verdachtmaking, anders niet. Wat ging het een ander aan of hij wat laat in de soos bleef en daar gaarne een partijtje maakte? Het was, vond zij, voor velen te wenschen, dat ze waren zooals hij. Een oogenblik stond ze op het punt ’t briefje te verscheuren, maar daartoe kwam ze toch niet. Zij nam het mee naar haar kamer en lei het tusschen haar kabaja’s in haar kast. Meer en meer drong zich de overtuiging bij haar op, dat het laster was, maar toch kon ze er niet van slapen.
Toen ze evenwel den volgenden dag Van Brakel zag, zoo kerngezond en vroolijk als altijd, verdween ’t laatste spoor van bezorgdheid, en ze besloot hem ’t maar te vertellen.
„Het schijnt,” zei ze lachend, „dat jij tegenwoordig fraaie stukjes uithaalt.” [93]
Hij stond verstomd en kreeg een kleur.
„Hoe.… bedoel je dat?”
„Ja, ja, je denkt maar dat ik van niets weet, omdat ik altijd thuis ben en weinig menschen zie.”
„Wat bedoel je dan, Lucie?”
„Nu, houd je maar zoo onnoozel niet, ik weet het toch.”
Wanneer de klapperboomen op het erf een polka waren gaan dansen of zijn paarden een lied van Schubert hadden aangeheven, had hij door verbazing niet erger getroffen geweest kunnen zijn, dan thans. Ze wist HET toch, en.… ze sprak daar zóó over, op luchtigen, lachenden toon!
„Zeg me dan toch, wat je meent.”
„Och niets, vent. Niets anders, dan dat ik een anoniemen brief heb gekregen.”
Nu werd Van Brakel zoo wit als een doek. Zij had een anoniemen brief gekregen!
„En?”
„O, hij is allesbehalve vleiend voor je; maar ik wil hem je toch wel laten lezen.”
Hij liep haar na, naar haar kamer, en rukte als ’t ware het papier haar uit de hand.
Een zucht van verlichting ontsnapte hem, en in een oogenblik was hij weer meester van zichzelven. Hij knikte langzaam met het hoofd, haalde de schouders minachtend op en lachte.
„Wel, het is heel mooi.”
„Wie zou het geschreven kunnen hebben?”
„Het is een dameshand,” zei hij, het schrift haast met welgevallen bekijkend. „Weet je wat ik denk?”
„Nu, wat dan?” [94]
„Dat de vrouw van een der leden van ons partijtje vruchteloos heeft beproefd haar man thuis te houden en nu tracht de anderen tot wegblijven te nopen, opdat haar man, bij gebrek aan medespelers, vanzelf thuis blijft.”
„Hemel, dat is best mogelijk,” zei Lucie.
„Welzeker. Nu, als jij er op gesteld bent, Luus, wil ik ’s avonds wel bij je thuis blijven zitten, als je me maar tot ’n uur of één gezelschap houdt, want vóór dien tijd kan ik niet slapen.”
„Ik dank je hartelijk, hoor! Ga jij gerust in de soos zitten homberen; ik moet veel te vroeg op, en ik heb het veel te druk om zoo laat naar bed te gaan.”
Toen Van Brakel dien dag uitging, liep hij direct naar het postkantoor en verzocht voortaan alle brieven voor hem of zijn vrouw maar aan te houden; hij zou ze ’s morgens wel door een bediende laten afhalen.
Hoezeer hem deze maatregel een gevoel van gerustheid gaf, was hij toch zeer ontstemd over dien brief. Wie zou de laaghartigheid hebben gehad hem te verraden? Vruchteloos ging hij in gedachten hun kennissen na; niet één harer rechtvaardigde het vermoeden, dat ze zoo boosaardig wezen zou. Want hij zag er niets goeds in. Slechts een streven om twist en tweedracht te zaaien, om een ongelukkig huwelijk te maken.
Bah! Wat had men toch een gemeene lui in de wereld!
Hij vertelde het aan mevrouw Du Roy, en deze ging een licht op. Het hinderde haar reeds lang, dat Van Brakel in zulke goede termen bleef met zijn vrouw. Niemand, dacht ze, kon twee heeren dienen, en dus kon niemand het ook twee dames doen. Ze had al eens spottend daarop gezinspeeld, en [95]dan zag ze heel goed dat Van Brakel zich daarover boos maakte; dat hij een houding aannam, alsof zij sprak over iets, waarover zij niet spreken mocht. Ook hinderde het haar, dat hij altijd pertinent weigerde een woord te zeggen over zijn vrouw. Een stil vermoeden had ze, dat zijzelve eigenlijk niets anders was en bleef dan een noodzakelijk kwaad, waarvan zich Van Brakel zekerlijk graag, hoe eer hoe liever, zou afmaken, als hij maar kon; dat haar persoonlijkheid ten slotte niets meer voor hem was, dan een verhoogde rente van geleend geld. Zij kende mevrouw Van Brakel wel, en toen ze haar den eersten keer zag in een toko—’t was nog vóór ze Van Brakel geld leende—toen had ze met één oogopslag gezien, dat die blonde vrouw met haar eenigszins onverschillig uiterlijk aantrekkelijke eigenschappen moest hebben. Thans besefte zij dat levendiger dan ooit. Hoe schoon ze ook zelve was, met haar zuiver profiel, haar fraaien lichaamsbouw en prachtige haren,—ze voelde zich nog altijd overwonnen, en dat ontstemde haar geweldig.
Van Brakel’s verhaal hoorde zij zwijgend aan, en het bevestigde haar opnieuw, hoe hij voor moeilijkheden met Lucie terugbeefde, als voor het ergste, dat hem kon overkomen. Zijn eerste angst, zijn vreugde toen hij zag dat niets was ontdekt; zijn spoed om maatregelen tegen herhaling te nemen,—zij gevoelde heel goed, waaruit dat alles voortsproot: zij begreep, dat ze hem haast geen grooter dienst zou kunnen doen, dan door te zeggen, dat ze genoeg van hem had en hij niet behoefde terug te komen.
Een oogenblik had ze er lust in, maar zij verwierp het plan dadelijk. Als ze daartoe overging, dan zou hij ook tevens [96]weten, dat hij onder haar plak stond; dan zou die genegenheid voor zijn vrouw op hem gewroken worden, al zou het hem ook zijn betrekking kosten. Eigenlijk was voor haar al veel van de aardigheid af. Van Brakel was haar in het geheel niet meegevallen! Ze vond hem een man van geusurpeerde reputatie; iemand die zijn krachtig uiterlijk en zijn antecedenten geen eer aandeed. Had zij op het moment ander gezelschap op het oog gehad, dan had ze hem met genoegen laten gaan. Dan, van de eenzaamheid was ze zeer afkeerig.
„Zij is een gansje,” antwoordde ze lachend, toen Van Brakel zijn verhaal eindigde.
„Ze kon toch de waarheid niet ruiken.”
„Dat niet. Maar iedere vrouw, die een man vertrouwt, is een domme gans en waard dat ze bedrogen wordt.”
„Nu ja, da’s ook wat moois!” zei Van Brakel. Hij had haar graag het bekende spreekwoord van den waard en diens gasten naar het hoofd geworpen, maar hij durfde niet.
„Wat moois! Het is een waarheid die je bovendien zelf bewijst. Kijk eens, Herman. Ik houd heel veel van ’n man, ja, maar het is gemeen volk, zie je, en die er een bedriegt, verdient een stoel in den hemel.”
Het vervulde hem met afschuw haar zóó te hooren spreken. Was dat nu taal voor een vrouw? Enfin, het was er dan ook een vrouw naar!
„Laten we er niet verder over spreken. Het is Goddank alweer voorbij.”
„Goddank?” zei ze spottend.
„Ja zeker.” [97]
„Heere, heere, wat zit je er toch over in, dat zij het zal te weten komen!”
„Natuurlijk.”
„Zoo, vindt je dat natuurlijk? Weet je hoe ik het vind? Ik vind het laf.”
Zij stond vlak voor hem, met haar gezicht dicht bij het zijne, ’t Was of haar oogen gloeiden van kwaadheid; haar lippen zagen wit en om haar mond vertoonden zich de trekken, die haar leeftijd markeerden. Van Brakel werd niet boos; hij bezag haar met aandacht en vond haar leelijk.
„Kom,” zei hij kalmeerend, „maak geen ruzie; wat heb je daaraan; het dient immers nergens toe?”
Zonder te antwoorden ging ze haar kamer binnen en dronk een glas water. Wat een kerel! Ze had hem een lafaard genoemd, en hij gaf haar niet eens een klap! Hij zei: „Maak geen ruzie; wat heb je er aan.” Wat waren mannen toch voor wezens! Als hij haar een pak slaag had gegeven, zou ze hem gerespecteerd en liefgehad hebben.
Nu verachtte zij hem; maar zij zou ’t hem wel inpeperen!
Toen ze weer achter kwam, was hij aan de tafel gaan zitten en las in een courant.
„Je hebt eigenlijk gelijk,” zei ze, „waarom zouden we ruzie maken?”
Het deed hem maar half genoegen; hij had wel gewenscht, dat het tot een vreedzame scheiding ware gekomen; tot een soort van modus vivendi, waarbij zij zich van haar kant verbond hem noch om geld noch om genegenheid lastig te vallen; wat dan van zijn kant zou komen, stond hem niet recht duidelijk voor den geest. [98]
Maar zij dacht daar niet over; ze had geheel andere plannen, en ze had ook geduld genoeg om te wachten tot het geschikte moment dáár zou zijn om die plannen uit te voeren.
Hij had er geen oogenblik langer aan gedacht, de hoofdingenieur Willert; toen hij den opzichter den mond sloot, meende hij inderdaad, dat de man lasterde. Van veel had hij Van Brakel kunnen verdenken, maar daarvan niet. Zelfs toen eenige weken later zijn vrouw met een verslagen gezicht vroeg:
„Heb je dat gehoord van dien Van Brakel,” had hij met eenige ergernis, vermoedende wat het wezen zou, gezegd:
„Neen, ik heb niets van hem gehoord.”
Willert had zoo zijn eigenaardige opvattingen. Het scheen hem toe, alsof men hem door kwaadsprekerij in het harnas wilde jagen tegen iemand, die zijn sympathie niet had, en daartegen moest hij zich verzetten.
„Het is anders geen geheim, de heele stad weet het.”
„Maar kindlief, wat weet dan de heele stad?”
En nu volgde het verhaal, dat, eenige overdrijving daargelaten, groote overeenstemming opleverde met de werkelijkheid. Het viel niet te loochenen, vond Willert, dat, zóó bezien, het een schijn van waarheid had. Ware mevrouw Du Roy arm, dan zou hij het denkbeeld dadelijk hebben verworpen; maar juist de omstandigheid dat zij gefortuneerd was, sterkte de verdenking.
„Ik weet niet,” zei Willert, „of ik het kan onderzoeken. Met welk recht kan ik mij in die zaken mengen, als ik er officiëel niet mede in aanraking kom?”
„Je kunt toch wel zorgen, dat hij wordt overgeplaatst.” [99]
„Ja.… zie je.… ook dat vind ik niet gerechtvaardigd. Als ambtenaar is hij hier zeer goed op zijn plaats.”
„Kom, kom,” zei mevrouw, die, waar het zulk een aangelegenheid betrof, het zwak had van alle dames en het officiëele niet van het particuliere wist te onderscheiden, „dat is maar gekheid. Hij is hier niet op zijn plaats. Een ingenieur, die zulke dingen doet, moet weg.”
Maar Willert, die zwaar op de hand was, wilde er nog niet aan. Hij moest het nog overwegen, en hij had ook de zekerheid nog niet, dat het waar was. Nu was het zijn vrouw niet zoozeer te doen om Van Brakel van de plaats weg te krijgen. In tegenstelling van haar man mocht ze hem wel, en hij was ook tegen haar altijd even beleefd en voorkomend geweest.
Alleen vond zij zijn gedrag nu onvergeeflijk, en het was dááraan dat ze een eind wilde maken, door Van Brakel eenvoudig zijn overplaatsing te bezorgen, waarmede zij inderdaad alleen een goede bedoeling had.
Nu haar man had geweigerd, wist ze dat er een zware wijs zou opgaan om hem van opinie te doen veranderen. Hij hield altijd zoo stijfhoofdig vast aan eene eenmaal bij hem gevestigde meening. Toch kon zulk een schandelijke toestand niet blijven voortduren. Zelve ingenieurs-vrouw, trok zij het zich aan, dat er op de plaats in den betrekkelijk kleinen kring van Europeesche ingezetenen op die manier over werd gesproken. Eerst wilde zij naar Lucie gaan en haar waarschuwen. Doch wat was dat moeilijk! Ze waren volstrekt niet intiem; ze zagen elkaar zoo weinig mogelijk. En dan een bezoek te gaan afleggen om met zulk een mededeeling te eindigen. Mevrouw Willert zag er tegen op: het idee alleen maakte haar zenuwachtig. [100]Neen, dàt was onmogelijk. Ten slotte schreef zij het briefje met eenigszins verdraaide hand. Het kwam er ook niet op aan, dacht ze, hoe het gebeurde,—als de arme, jonge vrouw maar op een discrete manier tot het vermoeden werd gebracht, dat het met haar man niet in orde was en zij hem in het oog moest houden. Toch woog die anonieme brief haar zwaar op het gemoed, toen hij verzonden was, en ze kon niet nalaten nog eens op de praatjes over Van Brakel terug te komen toen des middags Willert van zijn bureau te huis kwam.
„Wel, heb je er niets nieuws van gehoord?”
„Je bedoelt van Van Brakel? Ja, ik heb het zoo stil mogelijk onderzocht.”
„En.…”
„Wel, ik had mij de moeite kunnen besparen van het langs een omweg te doen. Het is waar, en iedereen weet het, zooals je van morgen zei.”
„Zie je wel! Zoo’n gemeene kerel!”
„’t Is treurig, dat is zeker.”
„En ge zijt nu niet van plan daar iets aan te doen? Wilt ge er je toe bepalen het „treurig te vinden?”
„Ik heb je van ochtend al gezegd, dat ik er officiëel niets tegen kan uitrichten, Hij zou me heel beleefd kunnen verzoeken mij niet te bemoeien met zijn particuliere aangelegenheden, en hij is daar zeer zeker brutaal genoeg voor.”
„Maar als ge eens een geheim rapport zondt naar Batavia?”
„Daar houd ik niet van. Ik doe ’t nooit.”
„Je kunt het toch zoo niet laten.… Als we zijn vrouw eens waarschuwden?” [101]
„Ik? Alsof ze mij dat in dank zou afnemen! Heb jij er misschien lust in?”
„’t Is waar, Willert, maar iets moet er toch worden gedaan. Hoe denk je over een brief?”
„Maar kindlief, hoe is het mogelijk? Wat zou dat voor een houding hebben?”
„Ongeteekend.…”
Daar stoof Willert op.
„Doe me één pleizier, hè, en laat het nu hiermee uit zijn. Ik begrijp niet hoe je aan zoo iets schandelijks kunt denken. Een anonieme brief! Wel foei, je moest je schamen!”
Schamen deed ze zich niet, want ze was overtuigd met een goede bedoeling te hebben gehandeld, maar zij begreep wel, dat het zeer dom zou zijn hem iets te vertellen. Indien hij ’t had goedgekeurd, zou zij het dadelijk hebben gezegd; nu achtte zei het ’t verstandigst te zwijgen. Willert kwam zelf op de zaak weer terug.
„Er woont bij hem in ’t paviljoentje een zekere Geerling, een jongmensch, dat op een handelskantoor is.”
„Ja wel, ik ken hem. ’t Is zoo’n overdreven net manneke.”
„Hm! Nu, die twee doen samen.”
„Hè?” vroeg mevrouw Willert. „Wat bedoel je?”
„Wel, die amuseert zich met een nichtje van die mevrouw Du Roy.”
„Och, zoo!”
Mevrouw moest in zichzelve lachen. Die Willert kon zich toch zoo zonderling onbeholpen uitdrukken!
Het deed mevrouw Willert aan den eenen kant genoegen, dat ze geen gevolgen vernam van haar anoniemen brief, [102]schoon het toch pijnlijk was, van de andere zijde beschouwd, daar zij weldra genoodzaakt zou wezen de Van Brakels te inviteeren. Haar man was namelijk vijf en twintig jaren in ’s lands dienst, en ofschoon ZIJ nu niet vond, dat dit een zaak was om feestelijk te herdenken, stond hij er op; het kon hem niet schelen, had hij gezegd; iedereen wist en mocht weten, dat hij als intellectueel ontwikkeld man zichzelven gevormd had; daar was hij trotsch op.
’t Zou een groote partij wezen.
De ambtenaren, die onder Willert dienden, hadden besloten een cadeau te geven. Er was een vergadering belegd; eerst hadden zich krachtige stemmen verheven om nu eens niet te doen, zooals iedereen bij zulke gelegenheden altijd deed; de discussie was lang geweest en hardnekkig, tot ten slotte was besloten een pièce de milieu te geven en een prachtalbum met de portretten, een besluit, dat het hart van den eenigen photograaf ter plaatse van vreugde sneller deed kloppen, toen hij het des avonds uit de courant vernam.
Het was voor de Willerts een drukke tijd. Van alle kanten regende het gelukwenschen. Een klerk van den Waterstaat zat dag in, dag uit adressen te schrijven op enveloppen om kaartjes p. r.; thuis hadden de bedienden den moed geheel verloren; de sepèn en de binnenjongen hadden plechtig verklaard, dat als ze zóó hard moesten werken, zij liever brenti vroegen, een bedreiging, die mevrouw Willert met een portret des Konings in wel gedepreciëerd, maar toch edel metaal wist te bezweren; zijzelve was één en al bedrijvigheid en toen de groote dag dáár was, gevoelde zij zich doodmoe en af; maar het huis was keurig ingericht om feest te vieren. [103]
Bij al die buitengewone bedrijvigheid had ze in het geheel niet meer gedacht aan de Van Brakels, en toen ze hen in den stroom van gasten zag binnenkomen, gunde zij zich geen tijd aan hen te denken, ja scheen haar op dat gewichtig moment het geheele geval eigenlijk de moeite niet waard.
„Dag mevrouw,” zei Van Brakel met zijn gewone bonhomie, „mag ik er u en den hoofd-ingenieur nog vijf en twintig bij wenschen?”
’t Vloog haar door het hoofd, dat ’t jammer was, want hij was toch wel een goeie, knappe man.
„Dankje,” zei ze. „Apropos Van Brakel, ik moet je in den loop van den avond even spreken.”
„Heel graag, mevrouw. Mag ik dan meteen een quadrille verzoeken?”
„Ik dacht, dat je niet danste.”
„Het gebeurt me ook zelden; maar op deze partij.…”
„Ah zoo!”
Hoe kwam het toch, dacht ze, dat haar man zoo’n hekel aan hem had. Hij was wezenlijk niet onaardig.
Lucie zag er weer uit om te stelen; zij was niet alleen een knappe vrouw overdag, maar ze was er nog kaarsmooi bij. Alleen: ze begon alweder meer en meer haar figuur te verliezen; maar ’t was toch zoo erg niet, dacht ze, of ze kon nog wel meedansen. Terwijl bij den aanvang van het feest de dames in de binnengalerij stonden en zaten, en met haar fraaie kleurrijke toiletten en haar blanke halzen en armen, het licht nog lichter schenen te maken, hoopten zich in de voorgalerij de heeren opeen, evenals een veelhoofdige zwarte massa, slechts gebroken door witte dassen en vesten, en [104]hier en daar bekroond door het glinsteren van brilleglazen en het blinken van kale hoofden onder het licht der kroonlampen.
Nu en dan opende zich de massa en verleende doorgang aan nieuw aankomende families, die de gastvrouw en den gastheer begroetten en geluk wenschten; dan zagen de dames om naar haar kennissen, en voegden zich daarbij, terwijl de heeren het gezelschap vóór vergrootten, waar gerookt en een pousse café gedronken werd.
Eenige valsche tonen door het inlandsche muziekcorps ter plaatse uitgestooten, waren het sein voor de danspartij. Mevrouw Willert had liever de schutterijmuziek gehad, welke veel beter was, maar alle dames die ze sprak, hadden eenparig verklaard, dat het veel lekkerder dansen was op de „ronzebons”, en dus had zij de zoogenoemde ronzebons dan maar geëngageerd.
Willert opende het bal met de vrouw van den resident, waarna de resident volgde met de vrouw van den afdeelings-commandant, welke laatste dame zich verschrikkelijk verongelijkt achtte, omdat de Regeering de snoodheid had gehad te verklaren, dat de resident de préséance had, zelfs al was de afdeelings-commandant een generaal, een bepaling, welke ook terugsloeg op de positie van de wederhelften dier autoriteiten. Mevrouw Willert had zich moeten excuseeren; zij kon onmogelijk mede het bal openen, want er was juist een boodschap van achteren gekomen, dat een reusachtige schaal met croquetten, die de voorhoede zouden uitmaken van een wandelend souper, was verongelukt in de goot, welk feit den leverancier van het souper, die voor de bediening zorgde, zoo woedend had gemaakt, dat hij bezig [105]was den schuldigen inlandschen bediende halfdood te slaan.
Behalve dit en enkele kleine ongevalletjes, slaagde overigens het feest uitmuntend; mevrouw Willert was daar zeer tevreden over, toen Van Brakel haar kwam vragen voor de beloofde quadrille.
Toen de nummers hunner dansrijen in rust stonden, en mevrouw Willert gevoelde, dat zij Van Brakel toch een verklaring schuldig was, overviel haar een gevoel van spijt. Het was haar maar zóó ontvallen, in een onbewaakt oogenblik; nu ze voor de noodzakelijkheid stond dezen jongen man te kapittelen over zijn onzedelijk gedrag, schroomde zij te beginnen, en wist eigenlijk volstrekt niet hoe ze het lastige en teere onderwerp zou aanvatten. Ze was zelve wel niet zoo jong meer, maar toch behoorde ze nog volstrekt niet voor een man van omstreeks dertig jaren tot de „oude dames;” zij was nog zoo diep niet in de veertig, en daarbij goed bestand gebleven tegen den „tand des tijds.” Zij keek zoo eens in den spiegel tegenover haar aan den muur. Wel, ze had desnoods best voor zijn vrouw kunnen doorgaan, vond ze, zonder dat het gek zou gestaan hebben. Van Brakel was nieuwsgierig. Wat kon mevrouw Willert hem te zeggen hebben? De gedachte, dat het over de „firma” Du Roy kon wezen, kwam zelfs in het geheel niet bij hem op.
„U zei in ’t begin van den avond, dat u me wilde spreken”, ving hij argeloos aan.
„Ja,” antwoordde ze een beetje verlegen, „dat is ook zoo. Maar ik kan me heusch niet meer herinneren waarover.….”
„Neen,” lachte hij, met het onbezorgdste gezicht van de [106]wereld, „dat kan ik me best voorstellen. Op zulk een avond en bij zulk een drukte!”
Mevrouw Willert vond zichzelve kinderachtig; komaan, het moest er maar uit! En een machtige overwinning op haar zenuwen behalend, zei ze kortaf en snel achtereen:
„Ah ja! Nu weet ik wat het is … Er wordt over u gesproken … Men zegt dat u zekere relaties hebt, die niet vereerend voor u zijn. Ik wilde …”
En avant deux! klonk de luide, bevelende stem van den dansmeester; het waren hun dansrijen, die aan de beurt kwamen.
Van Brakel, bleek, verstomd en in verwarring, bewoog zich voorwaarts in een cavalier seul, terwijl mevrouw Willert een oogenblik heel alleen bleef staan in haar rij, maar, zich bezinnend, met een zetje haar cavalier achternastoof.
Toen ze weer op hun plaats terug waren, na de andere dansfiguur geregeld te hebben meegemaakt, zei hij niets. Na afloop der quadrille, bracht hij haar naar haar plaats, boog, mompelde iets van een dankbetuiging en ging naar achteren. Voor hij zijn plaats aan zijn speeltafeltje weer innam, ging hij naar het geïmproviseerde buffet en trachtte met een flesch bier den kemel van mevrouw Willert door te zwelgen, wat echter niet gelukte.
Dat was, dacht hij, weer die vervloekte kerel, die Willert, die z’n vrouw had opgestookt! Wat duivel bezielde toch dezen man? Eerst had hij hem bespionneerd, als hij ’s avonds mee poeterde om een lapje in de sociëteit, en nu had de gladakker, dacht hij, waarschijnlijk hetzelfde gedaan, als hij, Van Brakel, naar mevrouw Du Roy ging. Geheel ’t gesprek [107]vergetend met Geerling en diens mededeeling, dat de „geheele stad” het wist, schold de ingenieur in gedachten zijn Vorgesetzte voor al wat leelijk was.
Hij vertoonde zich niet meer dien avond. Wel zag hij mevrouw Willert herhaalde malen in de achtergalerij, en dan voelde hij, als het ware, dat ze naar hem keek, maar hij hield zich alsof hij het vreeselijk druk had met de ingewikkeldste spelen, welke een hombreur in handen kan krijgen, ofschoon hij tevens zoo gruwelijk slecht speelde, dat zijn partners hem vroegen „of hij niet lekker was”, dan wel „of hij er nu heelemaal niets meer van kon.”
Voor geen geld had hij de op die manier aangevangen conversatie met mevrouw Willert hervat.
Zij, daarentegen, had dat gaarne gewenscht. Nu slechts het ijs gebroken was, scheen het haar niet moeilijk meer. Inderdaad was ze met opzet naar achteren gegaan om hem een wenk te geven; maar hij keek niet, en ze vond het wel een beetje dwaas hem van zijn partijtje af te halen.
„Wel,” zei ze, toen ze weer bij de dansende paren terugkwam, tegen Lucie, „amuseer je je nogal?”
„O uitstekend. Ik heb haast aldoor gedanst.”
„En hindert het je niet?”
„Och!… ’n beetje; maar soedah!”
„Wees maar voorzichtig, hoor!”
Lucie lachte vroolijk.
„Ik kan er wel tegen. Als ik in die omstandigheden was, heb ik er nooit last van gehad.”
„Ik weet het niet; ik kan er moeilijk over oordeelen, want [108]ikzelve heb nooit in het geval verkeerd, maar het komt me toch nogal gevaarlijk voor.”
Het jonge vrouwtje haalde met een onverschillig gelaat de dikke blanke schouders op.
„Het kan me niet schelen; ik ben maar ééns jong, en daarvan moet ik profiteeren.”
„Ga je gang, kind. Wat mij betreft, hoe meer hoe liever. Ik gun je erg graag genoegen, natuurlijk in de eerste plaats op mijn eigen partij. Heb je al wat gegeten?”
„Neen.”
„Kom dan mee. Ik heb in al de drukte ook nog niets gehad. Om je de waarheid te zeggen, heb ik van agitatie den heelen dag haast niets gegeten, en krijg ik een onaangenaam gevoel in mijn maag.”
„En om u de waarheid te zeggen, gaat het mij ook zoo. Daar ik me kleeden moest, en dat ’n beetje lang duurde, heb ik Van Brakel maar zonder mij laten dineeren.”
Zij gingen gearmd naar een der zijkamers. Van Brakel, die juist over den middel-doorgang zat, zag ze in de verte gaan, en een onaangenaam gevoel beving hem.
Daar zou zonder eenigen twijfel Lucie op de hoogte gebracht worden, en daar zou haar, God weet wat nog meer van hem verteld worden; daar zou je de poppen aan het dansen krijgen! Een pleizierig avondje!
En Van Brakel wischte zich het zweet van ’t voorhoofd; hij had bij zulke gelegenheden altijd erg veel last van de warmte!
’t Zag er den volgenden dag akelig uit in het anders zoo nette huis van den hoofdingenieur Willert. Toen mevrouw [109]een inspectie hield over haar meubilair, kon ze zuchtend de opmerking niet weerhouden, dat in een geheel jaar de inboedel niet zoo leed als door één feest. Er waren vlekken in den marmeren vloer, die er uit zag alsof al de gasten vuile voeten hadden gehad, en die vol strepen was en krassen; de marmeren bladen harer tafels, knapen en consoles zagen er ook verschrikkelijk uit; haar achtergalerij geleek wel een verlaten kroeg, zoo morsig was het van sigarenasch en de bij het openmaken van flesschen en het inschenken van glazen gestorte dranken; op het gepolitoerde hout van de speeltafeltjes teekenden zich uitgebeten kringen; hier en daar op den grond verhief zich en bas relief een plat getrapt saucijzebroodje of eenig ander eten, waarmede een gast een ongelukje had gehad en dat dus de ware bestemming niet had bereikt; op het voorerf waren de randen der gras- en bloemperken door de wielen van rijtuigen geheel verwoest.
Mevrouw Willert was woedend, en dit verergerde nog toen de sepèn haar met een bedrukt gezicht kwam vertellen, dat het zilver niet compleet was, maar dat hij het betoel niet helpen kon.
Toen Willert opstond met zware hoofdpijn door de veelvuldige toosten, die hij, in het gewone leven haast een onthouder, had moeten beantwoorden en bedrinken, was het eerste, wat hij zag, zijn vrouw, die in wanhoop nederzat.
„Die doordrijverij van jou ook,” mopperde ze, „om dat malle feest te vieren! Het is schande zooals mijn arm huis er uit ziet. Het kost niet slechts een handvol geld, maar het is een ruïne voor ’t huishouden. Zie me zulk een boel eens aan! En nog gestolen van het zilver ook … wie weet door wien?” [110]
Hij zei niets en ging stil naar de badkamer, bij zichzelven ook het feest verwenschend, dat hij zich verplicht had geacht te vieren, dat hij had doorgedreven tegen den zin zijner vrouw, en dat hem nu zoo innig katterig had gemaakt, dat het met ziek zijn gelijk stond.
Zij dacht niet meer aan de Van Brakel’s. In geen dagen was mevrouw Willert met iets anders bezig naar lichaam en geest, dan met het herstellen van de schade aan haar huis en inrichting door dat feest toegebracht, en eerst toen alles weer geheel in orde was en even keurig netjes als altijd, gevoelde zij zich in staat aan dit feest terug te denken, zonder verbittering of nijd.
Het was ook waarlijk niet noodig geweest, dat zij zich met de aangelegenheden van Van Brakel inliet. Er was niets meer dat Lucie niet wist. Zij had zich wezenlijk vermaakt op de partij. Den volgenden dag, toen zij vermoeid en met pijn in de beenen op een divan lag uit te rusten, nadat ze tel quel het huishouden had gedaan, dacht ze nog met genoegen terug aan het heuglijk feit, dat ze zoo flink had gedanst en zulke prettige conversatie had gehad. Zij werd in haar herinnering gestoord door een brief, dien haar baboe binnenbracht: een koelie had dien afgegeven. En in dien brief stond ruw weg, dat haar man „het hield met mevrouw Du Roy L’Exant;” het adres dezer „dame” stond er bij, en verder, dat Van Brakel, twee avonden in de week, dat wel eens nachten werden, bij die vrouw doorbracht. Lucie werd onder het lezen bevangen door een koortsig gevoel van kou; ze twijfelde niet aan de waarheid; zonder zich rekenschap te [111]kunnen geven van het wáárom, besefte zij dat dit niet gelogen kon zijn; het verband tusschen dezen ook ongeteekenden brief, schoon van geheel anderen stijl en handschrift, en den eersten was haar thans duidelijk. Het was waar: Herman bedroog haar. Allerlei kleinigheden, die zij sedert eenigen tijd als terloops had opgemerkt, kwamen haar thans voor den geest, als zooveel bewijzen, dat het waar was: de eigenaardige geuren soms van zijn kleederen; kleine voorwerpen, waarvan hij zich nooit een liefhebber had getoond, en waaraan hij nooit behoefte had gehad, kocht hij zich tegenwoordig; zoo had hij, die gouden sieraden voor een man altijd poenerig had genoemd, tegenwoordig een gouden ring en gouden manchetknoopen; nu herinnerde zij zich, dat hij vroeger weleens lachend had gezegd, dat de lui in de sociëteit nooit later wilden blijven dan een uur of twee, en het gebeurde tegenwoordig wel, dat hij tot vijf uren uit bleef. Waar was hij dan?
Zij had hem vertrouwd, ten volle; hij had haar alles ter wereld kunnen wijsmaken, zonder dat zij ooit aan de waarheid zijner woorden zou hebben getwijfeld.
En het was juist dàt wat haar zoo smartelijk trof; hij had dat vertrouwen lafhartig misbruikt en de gemakkelijke gelegenheid aangegrepen om haar voor te liegen en te bedriegen. Het scheen haar toe, dat, als hij eerlijk was voor den dag gekomen met de verklaring, dat hij niet langer van haar hield, maar van een ander, haar dit niet zóó verschrikkelijk zou hebben aangegrepen, als thans.
Nadat zij zóó eenigen tijd doelloos starend op den divan gezeten had, kwamen de tranen, en weende zij lang; toen de [112]tranen de smart hadden verlicht, volgde de verontwaardiging. Zulk een gemeene kerel, dacht ze; zoo’n huichelaar, als hij was! Juist in den laatsten tijd had hij allerlei attenties voor haar, en terwijl hij bij die andere vrouw kwam, toonde hij zich tegenover haar soms zoo.… Neen, maar dàt zou niet meer gebeuren; dàt in der eeuwigheid niet!
Zij zou hem nog niet toonen, dat ze alles wist; neen, ze wilde eerst de zekerheid hebben; ze wilde overtuigd zijn, dat het waar was, en tegelijk met het vaststellen van deze gedragslijn, kwam de wensch bij haar op om die vrouw te zien; om te weten hoe het schepsel er uit zag, dat er in was geslaagd Herman haar te ontrooven.
Van Brakel lette er niet op toen hij ’s middags thuis kwam, dat Lucie er ontsteld uitzag en hem nauwelijks antwoordde, terwijl zij deed alsof ze het met haar huishoudelijke bezigheden erg druk had. Den vorigen avond, na afloop der partij bij Willert, had hij gevreesd, dat de bom zou barsten, maar reeds onder het huiswaarts rijden zag hij, dat hij zich weer had vergist en zijn vrouw van niets wist, hoegenaamd.
Nu ze wèl wist, bemerkte hij dat niet. Men ging aan tafel, en hij, die, als naar gewoonte, in de sociëteit eenige bittertjes had genoten, voerde het woord alleen en praatte over allerlei onbelangrijke dingen en bemoeide zich met de kinderen, die, met weinig zorg opgevoed, alles tegen hem zeiden, wat hun voor de kleine mondjes kwam, waarmee hij zich dan kostelijk vermaakte.
„Ga je niet slapen?” vroeg hij, na het eten.
„Neen.”
„Nou, ik wel! Kom, ik zou ook maar een dutje pakken.” [113]
„Neen, ik heb naaiwerk, dat af moet.”
„Kom,” herhaalde hij op gerekten toon, en wilde haar meetrekken.
Maar ze weerde hem af. Op een anderen dag, nu niet. Nu moest ze iets afmaken voor den kleinen jongen. Hij moest maar slapen gaan en een beetje vroeg opstaan, want zij had wel trek in een wandeling dien namiddag.
’t Viel hem wèl een beetje tegen, maar niet erg. Vroeger zou hij met dat naaiwerk geen genoegen genomen en zich het recht voorbehouden hebben zelf te oordeelen over den spoed van de verschillende werkzaamheden, doch tegenwoordig luisterde dat zoo nauw niet.
„Roep me dan tegen vier uren,” zei hij.
„Als je dan maar dadelijk opstaat, anders ga ik alleen.”
Hij lachte er om.
„Nu, ik zie jou al wandelen, alleen!”
Lucie was zenuwachtig; toen hij zijn kamer was binnengegaan, liep ze doelloos rond in de achtergalerij; nu en dan rolden haar tranen langs de wangen, die ze snel afwischte, soms met haar zakdoek, dan weer gedachteloos met een punt harer kabaja; tegen halfvier baadde zij, en daarna wekte ze haar man. Van Brakel stond dadelijk op, greep, zooals hij dat gewoon was, een handdoek en stormde met verwilderde haren en een rood gezicht naar de badkamer, waar hij dan wel een half uur bleef rondplassen om zich te verfrisschen en de laatste vapeurs van de ochtend-bittertjes te doen verdwijnen.
Toen hij terugkwam, wandelde Lucie reeds gekleed op het voorerf. [114]
„Wat heb je toch ’n haast,” riep hij haar toe. „’t Is pas kwart voor vijven.”
„Ja, in den donker wandel ik niet.”
„Nu, ik zal me ook haasten, hoor! In een wip ben ik gekleed.”
Dat was hij ook, maar ten koste van menigen zweetdroppel, en toen hij naar buiten kwam, scheen het effect van zijn bad reeds geheel verloren.
„Het is gruwelijk warm de laatste dagen.”
„Ja, het is erg warm.”
„Het baden brengt ook geen verfrissching.”
„Neen, het water is niet eens koel.”
’t Was het oude, eeuwige thema van Europeanen in Indië: de warmte, en nog eens de warmte. Zoo spraken zij al voortwandelend over koetjes en kalfjes, en hij lette er niet op, dat zij intusschen de richting aangaf, en nu eens rechts, dan links omsloeg, terwijl hij achteloos meeliep.
Plotseling stond hij stil. Als ze doorliepen, kwamen zij voorbij het huis van mevrouw Du Roy, en dat wilde hij niet. Het zou te gek zijn! Hij wist bovendien, dat als bij toeval die „dame” aan het hek stond, zij in staat was de een of andere familiariteit te begaan.
„We moesten maar teruggaan.”
„Waarom?”
„Wel, we zijn al een heel eind opgeloopen; het is zoo warm.”
„We kunnen nog best een eindje wandelen.”
„Pff!… God, het is zoo vreeselijk benauwd, Luus! Laat ons toch liever teruggaan.”
„Kom, kom! zoo erg is het niet. Het schijnt wel, dat [115]je altijd alleen naar huis verlangt als je met mij uitgaat.”
Na frappeerde hem wel die zonderlinge toon, waarop zij sprak en die haar anders nooit eigen was, maar aan de ware reden dacht hij zelfs nu nog niet. Hij had zich een min of meer bepaalde voorstelling gemaakt van een mogelijke ontdekking door Lucie van zijner relatie met mevrouw Du Roy; daar kwam een scène van, meende hij, met tranen en verwijten, met de bedreiging, dat zij van hem wilde scheiden, en verder met een eindeloos twisten en standjes maken.
Hij kon nu moeilijk weigeren verder te gaan, indien zij er zoo op gesteld was.
„Hoe flauw!” zei hij knorrig. „Alsof ik niet altijd bereid ben met je uit te gaan, wanneer en zoolang je maar wilt.”
Zij klemde de lippen opeen, zeide niets en ging verder. Van Brakel keek scherp door zijn bril. Goddank, mevrouw Du Roy stond niet aan den ingang van haar erf; als ze er nu maar voorbij waren, was het niets; dan zou hij met Lucie den anderen kant om naar huis gaan.
Plotseling ontstelde hij. Ze waren nog slechts een paar huizen van het nette erf der huizinge Du Roy verwijderd, toen plotseling zijn hond, die hem als gewoonlijk ook nu was gevolgd, vooruitschoot, voor den ingang van het erf stilstond, en kwispelstaartend zijn meester aanzag, met een uitdrukking in den kop en in de geheele houding, welke volkomen en onmiskenbaar het karakter droeg eener uitnoodiging om binnen te gaan.
„Hier!” bulderde Van Brakel, harder dan noodig en netjes is, als men met een dame wandelt. „Hier!”
Doch de hond stoorde zich er niet aan. ’t Huis, waar hij [116]voor stond, scheen hem lief, en hij holde ondanks de woede zijns meesters het erf over en de trappen van de voorgalerij op.
Lucie was krijtwit geworden. Zij keek het erf op toen ze er voorbijgingen; ze zag in de voorgalerij een vrouw in sarong en kabaja, die op haar hurken zat en den hond streelde, en ze zag, dat die vrouw den eenen arm in de hoogte stak en met de vingers groette op Indische manier.
Er werd verder geen woord tusschen Van Brakel en zijn vrouw gewisseld. Hij scheen nu te begrijpen, dat zij alles reeds wist en dat ze niet bij toeval dien weg had gekozen. Nu en dan bekeek hij haar van ter zijde, en dan deed hem die smartelijke trek op haar gezicht pijnlijk aan. Hij durfde niets te zeggen. Zoo kwamen ze thuis, en toen zij in de kamer ging om van kleeren te verwisselen, bleef hij achter, besluiteloos, niet wetende wat aan te vangen. Hij hoorde zijn vrouw de bedienden roepen, en bespeurde een op dat uur van den dag bijzonder groote bedrijvigheid, welke niets goeds voorspelde. Zou ze heengaan en hem in den steek laten? Zou het een publiek schandaal worden? Na eenige angstige oogenblikken zag hij, dat het zoo’n vaart niet loopen zou: de logeerkamer werd in orde gebracht. Wie de logé zou zijn, begreep hij. Zijn positie in de huishouding werd daardoor voorloopig als vanzelf aangewezen. Hij zag zijn kleeren de eene kamer uit- en de andere indragen. ’t Hinderde hem zoo als ’t ware de deur te worden uitgezet in zijn eigen huis, maar hij dacht niet aan eenig verzet. Als zij het dan toch te weten moest komen, was het maar beter zóó, vond hij. ’t Was wel hoogst onaangenaam, maar in ’s Hemels naam, er was niets aan te doen. Hij kon immers [117]niet anders! Indien hij die vervloekte schuld niet aan mevrouw Du Roy had gehad, dan zou hij.… och, maar dan zou er immers nooit iets zijn gebeurd, want eigenlijk hield hij alleen van Lucie, en kon die andere hem hoegenaamd niets schelen. Het was niet anders. Hij moest varen in het schuitje, waarin hij zat; ’t was onmogelijk iets daartegen te doen, hoe miserabel het ook mocht zijn; à l’impossible, dacht hij, nul n’est tenu.
En daar ophelderingen toch tot niets konden leiden, en hij geen beterschap kon beloven, ging hij, ten einde buiten alle discussie te blijven, maar weer de deur uit, tot het tijd was om te eten.
Geerling had het wel bemerkt. Hij zag zeer goed dat Van Brakel zich onmenschelijk inspannen moest om aan tafel een vroolijken, lossen toon aan te slaan; dat mevrouw Van Brakel koel en kort tegen haar man sprak, maar tegen hem, Geerling, allervriendelijkst en voorkomend was; dat Van Brakel dit laatste met geheimen angst en tegenzin gadesloeg.
Het gebeurde dikwijls tegenwoordig, dat Geerling samen met Van Brakel uitging, maar het jonge mensch ging niet meer naar de woning van mevrouw Du Roy; hij ging naar Ceciel, en zat daar tot elf uren, met het meisje in de binnengalerij, in tegenwoordigheid harer moeder, die een roman las.
In den laatsten tijd had hij zich zelfs meermalen ongunstig over mevrouw Du Roy uitgelaten, en half en half te kennen gegeven, dat hij Van Brakel’s handelwijze afkeurde.
„Is ze er achter?” vroeg hij, toen ze buiten kwamen.
„Het schijnt zoo.” [118]
„Heeft ze dan niets gezegd?”
„Neen, maar als ik je alles vertel, zal je wel kunnen begrijpen, dat ze ’t weten moet.”
„Drommels, ja,” antwoordde Geerling ernstig. „Dat ziet er gek uit. Een vrouw, die het zóó opneemt, is, dunkt me, veel erger, dan een, die scènes maakt.”
Toen Van Brakel zweeg, vervolgde hij:
„Laat ik je een raad geven.”
„Och, wat.…”
„Wezenlijk; je zult me toch niet wijsmaken, dat je die moeder Du Roy prefereert boven je eigen vrouw?”
„Neen, waarachtig niet.”
„Welnu, wees dan ook niet dom. Ik vind er niets in, dat een getrouwd man eens een dwaasheid doet. Men kan niet altijd braaf wezen! Maar laat het gekheid blijven, en niet tragisch worden. Daarvoor moet je zorgen.”
„Ik kan niet.”
„Nonsens!”
„Dat is geen nonsens! Enfin, ik kan het je niet zeggen, maar laat me asjeblieft met rust. Het is waarachtig al beroerd genoeg.”
Geerling haalde de schouders op. Bij zulk een humeur was het maar beter te zwijgen, en met minachting voor den man, die zoo miserabel onder de plak zat van twee vrouwen, vertelde hij Ceciel het gesprek.
„Ik wist het,” zei ze. „Hij heeft gelijk; hij kan niet. Zij heeft finantiëel hem geheel in haar macht.”
„Zoo, is dat de quaestie?”—Hij dacht even na. Zou het haar misschien genoegen doen, als hij zich royaal toonde; [119]zou ze daardoor meer van hem houden? Want daaraan was hem veel gelegen, en in zoover was hij gelijk aan Van Brakel, dat ook hij onder de plak zat, wel op een geheel andere wijze, maar niettemin er onder. Hij had reeds de toestemming harer ouders, en hij had geschreven naar Holland, zoo gedecideerd, meende hij, dat zijn ouders wel zouden inzien, hoe weinig zij vermochten, indien zij wellicht bezwaren of andere plannen hadden.
„Zou het veel zijn?” vroeg hij voorzichtigheidshalve.
„Ik weet het niet; ik spreek tante in den laatsten tijd haast niet; naar vroegere uitlatingen van haar te oordeelen, is het wel een duizend of tien.”
„Als ik Van Brakel eens trachtte te helpen?”
Ceciel dacht een oogenblik na. Als haar aanstaande man—want ze was zeker, dat ze hem daarvoor kon houden—Van Brakel hielp, vloeide het geld terug in de kas van tante, wier erfgename zij vermoedelijk was. Daartegenover stond, dat Geerling het geld kwijt was, want dat een speler als Van Brakel het ooit zou terugbetalen geloofde zij niet.
„Wel,” zei ze, „ik raad het je niet aan. De man is niet te helpen, en tante Du Roy is wel waard, dat ze eens een grooten klap krijgt. Misschien leert het haar die schandelijke caprices af.”
„Volkomen juist. Ik zal het dus maar op zijn beloop laten.”
Eigenlijk was hij er blij om. Wat was zij toch een heerlijk meisje. Men kon haar gerust voorstellen iets dwaas te doen; zij was veel te verstandig het te permitteeren.
Hij had elke gedachte aan iets anders dan een geregelde, fatsoenlijke verstandhouding tusschen hem en haar laten [120]varen. Ceciel had hem klaar en duidelijk aan het verstand gebracht, dat zoo iets met haar onmogelijk was, en Geerling was zóó verliefd geraakt dat hijzelf in staat ware geweest die onmogelijkheid onder eede te bevestigen en het in vrede of in strijd op te nemen tegen iedereen, die het niet met hem eens was. In deze Don-Quichotte-periode ging het hem, al was hij in Holland nog zoo „uit”-geweest, precies als ieder ander.