„Ik wou dat het antwoord maar kwam,” zei hij ongeduldig.

„Ik niet,” antwoordde zij met een zucht, die hem streelde.

„Hou je zoo weinig van me?”

„Dat weet je wel beter, maar ik vrees dat je oudelui hun toestemming niet zullen geven.”

„Och kom! Wat kunnen ze er tegen hebben?”

„Heel veel. Tegen mij persoonlijk natuurlijk niets; ze kennen me niet eens; tegen papa en mama ook niet, tenzij je ouders een rijke familie verlangen.”

„Welnu?”

„Het is alweer tante Du Roy. Je oudelui en andere leden in je familie hebben hier op de plaats gewoond, en natuurlijk kennen ze haar van haar ongunstige zijde.…”

„Maar lieve, beste Ceciel, wat hebben ze toch met dat mensch noodig! Ik heb haar naam natuurlijk niet genoemd. Waarschijnlijk weten ze niet eens, dat je aan die vrouw bent geparenteerd.”

„Alsof hun dit niet van hier zal geschreven worden! Denk je misschien, dat men op je kantoor niet weet, hoe dikwijls je ’s avonds hier komt? Hoeveel mailbrieven zouden er al verzonden zijn naar Holland met particuliertjes over ons?” [121]

Geerling kon het niet ontkennen. ’t Was volkomen waar, dacht hij, maar ’t was sterk, dat ze gedacht had aan zijn kantoor en aan de mailbrieven.

„Nu,” antwoordde hij, „het moge zijn, zoo het wil. Wij trouwen met de toestemming en anders zonder.”

„Het zou me zoo’n leed doen,” zei ze in vollen ernst, de handen over elkaar leggend in de schoot, en met haar mooie oogen omhoogblikkend naar ’t plafond, „het zou me zoo innig spijten, wanneer we op die manier moesten trouwen. Ik geloof wel, dat het zou voorbijgaan, maar toch had ik het liever anders.”

„Maar lieve Ceciel, er is immers nog niets.…”

„Het zal komen, dat voel ik. Ik ben zeker, dat het komen zal. Wie weet hoe? Wie weet hoe ik belasterd ben en wat je over me zult te hooren krijgen.”

Hij nam een harer handen in de zijne en zwoer, dat wat het ook zijn mocht en hoeveel kwaad ook van haar werd gesproken, het nimmer in hem zou opkomen er een letter van te gelooven. Hij kende haar immers goed!

„Dat is het niet, Jules,” ging zij voort op denzelfden toon. „Als ik dacht dat jij ’t zoudt gelooven, zou ik je niet willen hebben; als ik niet overtuigd was van jou goede trouw zou ik je de deur wijzen. Eens en vooral laat dat denkbeeld zelfs nimmer tusschen ons beproken worden. Ik heb je alles gezegd, en ik verlang je vertrouwen, omdat ik er recht op heb; het idee alleen van wantrouwen is beleedigend.”

„Lieve Ceciel, er is immers geen haar op mijn hoofd, dat er aan denkt. Ik zei het alleen.…”

„O ja, ik weet het immers wel! Maar wat ik van jou verg, [122]kan ik niet eischen van je familie; daar trouw ik wel in, maar ik trouw haar niet.”

„Laat ons geen zorgen hebben vóór den tijd. Wij weten er immers nog niets van.”

Zij zweeg en glimlachte; zij wist het immers heel goed! Het antwoord kon niet goed uitvallen; zij zou haar positie in de familie Geerling moeten overwinnen; en dat zou ze, dáár voelde zij zich volmaakt voor berekend. Het eenige, wat haar metterdaad hinderde, was het uitstel, dat een weigering onvermijdelijk zou teweegbrengen. Uitstel leidde zoo gemakkelijk tot afstel, en Geerling, hoe verliefd ook, was geen man van geestkracht en volharding; dat zag ze heel goed in.

Dien avond reed juist voor Geerling’s voertuig een andere wagen het erf op bij Van Brakel, wat den commensaal zeer interesseerde; met nog meer belangstelling zag hij er de vrouw des huizes uitstappen, heel alleen.

„U mevrouw?” vroeg hij. „Nog zoo laat uit geweest?”

„Ja,” antwoordde zij kortweg. „Ik wenschte u tevens nu maar te zeggen, wat ik anders tot morgenochtend had aangehouden. U zult wel zoo goed willen zijn zoo spoedig mogelijk een andere woning te zoeken.”

Hij stond er verstomd van.

„U is wel vriendelijk,” antwoordde hij geraakt. „Ik zal natuurlijk voldoen aan uw verzoek, maar ik zou wel eens willen weten, wat daartoe de aanleiding is.”

„Meneer Geerling,” zei ze van het hooge standpunt eener dame, prat op haar ongerepte deugd, tegenover de vleesch geworden zedeloosheid, „het staat u dubbel leelijk den onschuldige [123]te spelen. Overigens kunt u niet verwachten, dat iemand als ik over zulke verachtelijke dingen met u spreek.”

Zij ging met meer drift, dan ze gewoonlijk aan den dag legde, het huis binnen en liet hem staan.

Hij stond nog een oogenblik verbluft te kijken. Zoo iets had hij nooit van haar verwacht. Welk een bejegening! En hoe volkomen onverdiend! Hij was altijd beleefd en voorkomend tegen haar geweest; had haar zijn kostgeld soms maanden vooruitbetaald, wanneer zij court d’argent was; had nu zelfs getracht haar trouweloozen man terug te brengen van zijn omgang met mevrouw Du Roy, en tot loon.… kreeg hij een standje en werd op hoogst onhebbelijke wijze als het ware de deur uitgezet.

Doch hij wilde het er niet bij laten: den volgenden ochtend zou hij haar om een nadere verklaring verzoeken, al begreep hij reeds heel goed wat ze bedoelde. Natuurlijk had men haar verteld, dat hij, Geerling, dat onschuldige lam van een Van Brakel op den „slechten weg” had gebracht. ’t Was waarlijk om te lachen!

Zijn vooronderstelling was juist.

Lucie, niet wetend wat te doen, buiten staat een krachtig besluit te nemen, en toch in geen geval lijdzaam de rol van publiek bedrogene willende spelen, had zich, toen Van Brakel en Geerling waren vertrokken, gekleed en was naar mevrouw Willert gereden, die vreemd opkeek over het zeer onverwacht bezoek.

De bleekheid en zenuwachtigheid der jonge vrouw konden haar wel doen raden, wat er aan de hand was; het deed haar pleizier, dat Lucie het te weten was gekomen, en ook [124]dat Willert uit was naar een vergadering, zoodat ze samen ongestoord en vertrouwelijk konden praten.

„Wel, wat voert je zoo laat hierheen?” vroeg ze, als wist zij van den prins geen kwaad.

„Ik kom u een verzoek doen.”

„Wat zeg je dat ernstig! Is het zulk een zaak van gewicht?”

„Ja, dat is het,” antwoordde Lucie met een bevende stem. „Ik wilde .… ik had u .… gaarne willen verzoeken.…”

Mevrouw Willert zag welk een moeite Lucie had om met haar verzoek voor den dag te komen, en hoe zij streed om de tranen te bedwingen, die met geweld te voorschijn drongen. Ze had medelijden met haar, en nam met iets als moederlijke teederheid haar hand.

„Je wenscht, dat ik Willert zal vragen je man te doen overplaatsen, nietwaar?”

„Ja,” zei Lucie, die voor een oogenblik geheel opging in verwondering, „ja, hoe weet u dat?”

„Wel, ik heb ’t zelf al eens aan mijn man gevraagd; het is voor Van Brakel hier niet goed op de plaats.”

„Maar weet u dan.…?” vroeg Lucie angstig.

„Zeker. Ik weet immers, evenals iedereen, dat je man haast elken avond in de sociëteit zit te dobbelen.”

„Ja, dat is zoo.”

„Welnu, hij werkt zich er op die manier totaal onder.”

„Och, dat zag ik zoo niet in.… Bij mijn papa thuis werd ook veel gespeeld met een hoog tarief.”

„Dat is heel wat anders. Bij ondernemers kan dat; hun heele bedrijf is eigenlijk één loterij; goed of slecht weer [125]scheelt hun duizenden guldens; hooge of lage prijzen eveneens. En te voren weten ze volstrekt niet wat ze krijgen zullen, en ze kunnen er hoegenaamd niets aan doen. Maar bij een ambtenaar met een vast maandelijksch inkomen, is dat anders; die moet niet dobbelen.”

„Er is toch niets met hem gebeurd?”

„Neen, maar als hij zoo voortgaat, is het t’ avond of morgen onvermijdelijk. Hij dobbelt en verliest, en is toch altijd in den laatsten tijd ruim in middelen. Ik vind dat je groot gelijk hebt, hoor, door overplaatsing te wenschen. Het is hier op de plaats volstrekt niet goed voor je man.”

Een rilling voer Lucie door de leden; het werd haar vreeselijk duidelijk: Herman liet zich betalen.… O, dat was wel het schandelijkste van alles! Onder den druk dier schande boog ze het hoofd. Zij kon het niet langer uithouden; ’t was te erg.

Mevrouw Willert liet haar eerst een poosje uithuilen, richtte daarna haar hoofd op, veegde de tranen van haar gelaat en kuste haar.

„Kom,” zei ze met meer aandoening, dan ze had willen doen blijken, „wees zoo verdrietig niet, kind. Hij is het waarachtig niet waard.”

„Het is ook niet over hem; ik vind het zoo’n verschrikkelijke schande.”

„Ja, fraai is het zeker niet; maar er is voor ’t moment niets aan te doen; dus houd je goed. Naderhand kan je ’t hem wel inpeperen.”

„Nimmer,” zei Lucie. „Ik wil niets meer met hem te maken hebben.” [126]

Ze hadden elkaar niets verteld; de naam van mevrouw Du Roy was niet over haar lippen gekomen, maar toch spraken ze er over in de volle overtuiging, dat zij elkaar volkomen begrepen.

„Eigenlijk,” hernam mevrouw Willert, „is het nog zijn eenige excuus. Ik dacht eerst, dat hij het had gedaan uit voorkeur, en daar begreep ik niets van. Nu ik er meer van ben te weten gekomen, is het me duidelijker geworden; het spel en de schulden hadden hem beet, en die lieve jongen, die bij jullie in ’t paviljoentje woont, schijnt hem gebracht te hebben, waar hij wezen moest.”

„Meneer Geerling?”

„Dezelfde!”

„God, God, hoe is ’t mogelijk?”

Enfin, kindlief, ga jij nu rustig naar huis. Ik zal er Willert straks over spreken, en ’t zou me al zeer verwonderen, als je niet heel spoedig verhuisdet naar een gezonder klimaat.”


De gelegenheid om Lucie nader te interpelleeren deed zich voor Geerling niet dadelijk voor, en hij moest zelf erkennen dat hij er niet hard naar zocht.

’s Morgens scheen de zaak hem in een ander licht, en gevoelde hij zich niet zoo geheel onschuldig als ’s avonds te voren. Hij was bijzonder vroeg op en te gelijk met Van Brakel aan het ontbijt, die in ’t nauwe éénpersoons-ledikant in de logeerkamer haast niet had kunnen slapen, en dat juist terwijl hij voor zijn doen bijzonder vroeg was thuis gekomen. [127]

Lucie deed als gewoonlijk haar huishouden, maar haar gezicht was zoo bleek en stond zoo strak, dat Geerling volstrekt geen lust gevoelde om met haar in pourparlers te treden.

„Dat is nu een mooie geschiedenis,” zei hij nijdig tegen Van Brakel, toen zij naar achter was gegaan.

„Hoe dan?”

„Wel, je vrouw geeft mij van alles de schuld, en heeft me op schrikkelijk onaangename manier zoo goed als het huis ontzegd.”

Van Brakel keek hem aan met een suf gezicht, maar hij zei niets.

„Je begrijpt,” vervolgde Geerling op denzelfden toon, „dat ik er geen gras over laat groeien. Ik pak mijn boeltje en trek straks naar het logement. Als ik nu nog hier aan het ontbijt ben, dan is het alleen omdat ik je het een en ander wilde meedeelen.”

„Och kom,” zei Van Brakel vergoelijkend: „je moet dat zóó niet opvatten!”

„Die vind ik goed!” riep Geerling met hoog opgetrokken wenkbrauwen en vol verbazing. „Die vind ik verdomd goed! Moet ik dat zóó niet opvatten, zeg je! Wel, jij bent een leuke kerel!”

„Wel neen. Doe maar net of je niks hebt gehoord.”

Merci amice! Dank je feestelijk, hoor! Ik heb er genoeg van, ik ga er van door. Wees jij gerust je eigen bliksemafleider. Ik bedank voor de eer en het genoegen.”

Van Brakel glimlachte pijnlijk en loosde een zucht. Het was waar. ’t Speet hem zeer, dat Geerling nu heenging, [128]maar niet omdat hij van ’t jonge mensch hield. Hij zag er tegen op nu met Lucie altijd samen te zijn, en niets te hebben om een houding aan te nemen, dan de kinderen, die erg verwend en lastig waren. Geerling was altijd een geschikte figuur om tegen te praten en zoo, als men ’t liever niet deed tegen elkaar.

„Het staat zoo gek,” zei hij nog. „Men zal er, God weet wat, van zeggen.”

„Nu ja,” zei Geerling op een toon, die duidelijk te kennen gaf, dat zulk een argument in den mond van iemand als Van Brakel geen de minste waarde had.

„Het is niet om mij.”

„Zoo. Nu, mij kan het niet schelen. Ik zal Ceciel wel vertellen, wat er van is.”

„Je schijnt dus nog steeds bij haar te komen?”

„Alsof je dat niet wist!”

„Neen, ik dacht dat je er mee waart geëindigd. Heb je werkelijk nog altijd plan, die relatie voort te zetten?”

„Ik begrijp niet hoe je dat bedoelt,” zei Geerling koel en kort.

„Nu ja,” zei thans Van Brakel op zijn beurt.

Maar Geerling stoof woedend op. Hij verbood Van Brakel op die manier te spreken over een fatsoenlijk meisje, dat het slachtoffer was van een ongelukkige bloedverwantschap; dat paste hem, die daartoe op een schandelijke manier het zijne bijdroeg, wel ’t allerminst. Wie iets zei ten nadeele van dat meisje, wier naam hij zelfs niet in zulk een dispuut wilde brengen, die kreeg met hem te doen, en die zou er onderuit moeten komen, zoo hij een man was.

Van Brakel in doodsangst, dat zijn vrouw het zou hooren, [129]trachtte Geerling te kalmeeren, wat hem eerst met moeite en al zoete broodjes bakkend gelukte. Maar inwendig was hij woedend. Zoo’n aap, zoo’n uitgemergelde kwajongen, dien hij kon maken en breken, stond daar tegen hem op te spelen en aan te gaan! O, als hij niet bang was geweest voor Lucie, hij zou dat kereltje mores hebben geleerd.

Nog opgewonden ging Geerling naar zijn kamer, waar het weder emballeeren zijner talrijke bibelots hem ruimschoots gelegenheid gaf te bedaren. Toen hij klaar was, nam hij een bad, kleedde zich keurig netjes en ging naar binnen, waar Lucie met haar naaister linnengoed zat te herstellen.

„Ik wenschte u wel even alleen te spreken, mevrouw,” zei hij bedaard en beleefd.

Zij zond de meid weg.

„U hebt me gisteravond aangezegd, dat ik zoo spoedig mogelijk een goed heenkomen moest zoeken, en u ziet dat ik aan uw verlangen dadelijk heb voldaan.”

„Dat is maar goed ook,” zei ze snibbig. „Hoe eer hoe beter.”

„Ik begrijp wat de reden is van de beleedigende manier, waarop mij door u de deur wordt gewezen.”

„Ja, dàt geloof ik wel.”

„En ik ben alleen hier gekomen om u te zeggen, dat uw man reeds lang bij mevrouw Du Roy aan huis kwam, voordat ik het wist, en dat ik hem meermalen heb aangeraden, zijn omgang met die vrouw te staken en er niet meer aan huis te komen.”

Zij stond op en glimlachte met minachting. [130]

„Juist, ik begrijp dat. ’t Was anders niet noodig mij met zulke leugenachtige praatjes lastig te vallen. Ik ben te goed op de hoogte.”

„Mevrouw Van Brakel, ik geef u mijn woord van eer.…”

„Ik dank u, meneer Geerling; ik heb uw verzekeringen of eerewoorden niet noodig; ik weet er alles van. Als u mij niets meer te zeggen hebt, dan groet ik u, en ik hoop u nimmer weer te ontmoeten.”

Zij was in zulk een opgewonden toestand geraakt, dat het onmogelijk scheen haar tot een andere opinie te brengen.

Hij haalde de schouders op, maakte even een buiging en ging heen.

Het werden moeilijke dagen om te doorleven.

Lucie zag er slecht uit, al hield ze zich goed. Zij trachtte haar leed te verzetten met werken en veel drukte en beweging te maken in huis. Het gelukte haar een beetje. Maar somtijds viel ze op een stoel neer in haar kamer en keek er versuft rond. Dan scheen het haar, alsof het een droom was; alsof het niet mogelijk was, dat haar vreedzaam en rustig huiselijk geluk in zulk een peilloos ravijn te pletter was gevallen.

Van Brakel zag ze haast niet. Als ze geld moest hebben, liet ze ’t hem vragen, en dan gaf hij het. Ze ontving het met een rilling van afgrijzen. Wie weet hoe hij aan dat geld kwam! O, als zij geen kinderen had gehad! Hij vermeed haar. ’s Morgens heel vroeg ontbeet hij, en dan zorgde zij, dat alles klaar stond, maar zelve verscheen ze niet in de achtergalerij; daar kwam ze eerst, als zij de bendy hoorde wegrijden; ’s middags rijsttafelde zij met de kinderen zeer [131]vroeg, en hij kwam eerst tegen twee uren uit de sociëteit met een soms veel te zware lading bitter in de maag; hij dronk zijn thee in de logeerkamer en zij achter. In den vooravond ging hij uit en alleen ’s avonds te acht uren ontmoetten ze elkaar aan tafel.

Zij zag hem niet aan, en als hij een enkele maal trachtte een woord in het midden te brengen, gaf zij geen antwoord; zoo bemerkte ze ook niet, dat hij er hoe langer hoe gemeener begon uit te zien, dat zijn gezicht meer opgeblazen was dan anders en zijn oogen steeds rooder en gezwollener waren, door het dagelijksch misbruik van spiritualiën, dat al ’s morgens begon en meestal eerst des nachts eindigde. Hij bespeurde wel, dat ze vermagerde en bleeker was dan ooit. En dat deed hem zielsleed, zóó dat hij meermalen zijn uiterste best moest doen om niet te schreien. Hij was zichzelven niet meer, dan alleen bij het spel. Een „fijntje” om een gulden het fiche met een oploopenden pot of een poeterpartijtje, dan wel een partij biljart om een ringit de carambole—dàt was met een brendy-soda, nog het eenige, dat hem kon ontrukken aan den invloed van het beroerde leven, en daarom zocht hij er meer dan ooit zijn troost bij.

Of daar iets kwaads in stak? Het idee kwam zelfs niet bij hem op. Integendeel, hij vond het onder alle omstandigheden bijna het eenige, wat een mensch had.

Lucie had een briefje gekregen van mevrouw Willert. „Het” was in orde; de overplaatsing was telegraphisch bericht geworden; zij moest maar dadelijk haar voorbereidende maatregelen nemen. Nu het zoover was, zag ze er toch tegen op, en terwijl ze met den brief in de hand voor zich uitstaarde, [132]drong al de soesah en de moeilijkheid dier verre overplaatsing naar een standplaats in het binnenland, zich aan haar geest op; ze had daar eigenlijk geen lust in; een gevoel van moedeloosheid en melancholie overviel haar, en zuchtend keek ze droomerig naar de haar omringende omgeving; die was niet opwekkend; de ondergaande zon was achter een dikke laag loodgrijze wolken gezonken, die rustig aan den horizon lag en waartegen de kampong aan de overzijde van den weg grauw en prozaïsch zijn breedgebladerde pisangboomen afteekende; maar uit den dikken wolkenrand schoot een breede roode lichtstroom, die in het zenith tot het teederste rose vervloeide, en waarvan de weerschijn in het zuiden en noorden vreemde lauwe kleuren tooverde, purper en violetachtig; de smalle sikkel der opkomende maan kwam in die kleurenvermenging uit met een ziekelijk bleekgroen tintje. En dit melancholische namiddagtafereel, snel wisselend met afnemende lichtsterkte, werkte niet mede om de arme Lucie de toekomst met meer hoop en opgewektheid te gemoet te doen zien.

Met een diepen zucht trachtte zij die neerslachtigheid af te schudden. Komaan, het moest; het was ’t beste. En toen ze zich dat eenmaal goed in het hoofd had geprent, zette zij haar bedienden aan het werk, en liet de kisten en koffers voor den dag halen, die met stof en spinrag overdekt in de bijgebouwen in een rommelkamer stonden.

Het viel Van Brakel op, dien avond, dat er leege kisten stonden bij de achtergalerij. Wat zou er nog meer gebeuren? Zou zij heengaan en hem in den steek laten? Maar dàt zou hij in geen geval toestaan. Doch wat zou hij vragen? [133]

Onder het eten verwonderde het haar zeer, dat hij niets zei; ze verkeerde in de vaste vooronderstelling, dat zijn overplaatsing hem bekend was, en haar verbazing steeg ten top, toen hij haperend vroeg:

„Moet er iets gebeuren met die koffers?”

„Ja, ze zijn schoongemaakt.”

„Anders niet?”

„Voor het moment niet.”

Het was niet de manier om verder te komen, maar hij durfde niet meer vragen, want de antwoorden klonken allesbehalve aanmoedigend. En wat zou hij ook zeggen? Hoe moest hij tot een nadere verklaring komen? Hoe anders dan door zich tot het diepste te vernederen, en zonder in staat te zijn beterschap te belooven. Het kon tot niets leiden. Hij zou tot alles in staat zijn geweest; op zijn knieën had hij haar willen smeeken, weer voor hem te zijn, wat ze altijd voor hem was geweest; hij had haar bij al wat hem dierbaar was kunnen bezweren, dat hij nooit een andere vrouw had liefgehad dan haar; dat zij nog de eenige was en dat altijd zou blijven.

Wat zou het baten?

Het zou alleen teweegbrengen, dat hij haar opnieuw beloog en bedroog, want hij kon immers van mevrouw Du Roy niet af!

Van Brakel was onrustig en zenuwachtig; hij vertrouwde de aanwezigheid niet dier leege koffers. Den volgenden morgen stond hij ze al vroeg te bekijken; de deksels stonden open, en de witte voering, met breede blauwe strepen, die er zoo fonkelnieuw uitzag, en de nog zoo zindelijke, haast [134]ongebruikte riemen en grijze banden met roode streepjes, zagen er reislustig en vroolijk uit. Ze brachten hem den tijd in herinnering, toen hij met zijn jonge vrouw van Batavia kwam. Welke heerlijke dagen! Toen homberde hij nog niet elken avond in de sociëteit; dat was later gekomen. Toen speelde hij nog enkel maar met Lucie.

Den geheelen dag waren hem die koffers niet uit de gedachte, en ’t werd er niet beter op, toen hij, ’s middags thuis komende, zag dat er twee gesloten waren. Hij voelde er aan en tilde er een op aan den eenen kant; de koffer was zwaar gepakt. De bediende zei, dat mevrouw er witte barang in had gedaan; goed dus van het huishouden. Het duurde langer dan gewoonlijk dien dag vóór hij in zijn kamer zijn dutje kon pakken. Eerst tegen vier uren sliep hij in en wel zoo, dat het reeds donker was toen hij ontwaakte. Haastig baadde en kleedde hij zich; het was toch reeds te laat om nog te wandelen. Daarom liet hij maar licht maken in de voorgalerij, en nam de courant, welke hij het eerst opensloeg om even de telegrammen in te zien.

Overgeplaatst: Van Brakel, ingenieur bij de Burgerlijke Openbare Werken.…”

Hij keek als geloofde hij zijn eigen oogen niet, en las en herlas het bericht; hij ijlde met de courant naar achter.

„Wil je dat eens even zien?”

Zij nam het blad papier, sloeg er een blik op, maakte een onverschillige beweging met hoofd en schouders, en lei het neer, zonder een woord te spreken. Maar Van Brakel barstte los. Hij had in den laatsten tijd zoowat onder ieders plak gezeten en zich in alle opzichten moeten ontzien; hij [135]vreesde zijn vrouw, hij vreesde mevrouw Du Roy, hij vreesde Willert en Geerling,—en dat alles zat hem vreeselijk dwars in de maag; maar zóó zijn eigen overplaatsing in een courant te lezen, zonder dat hij er iets hoegenaamd van wist, dàt was te erg. Als ambtenaar had hij in geen geval zulk een bejegening verdiend; integendeel, hij had altijd zijn plicht gedaan, en nooit was er eenige aanmerking op zijn dienst te maken geweest. En dan zóó behandeld te worden! Hij vloekte en tierde als een bezetene. Alles wat hij had moeten verkroppen, gaf zich op een geweldige wijze lucht.

Hij had nog in stilte gehoopt, dat ze hem met een enkel woord zou gelijk geven; dat ze evenals vroeger zou toegeven, dat hij een miskend man was; maar het gebeurde niet, en toen zij bleef zwijgen, liep hij kwaad weg, zeggende dat hij niet bleef eten, dat hij wel ergens anders eten zou. Nu had hij geen rust; hij moest naar mevrouw Du Roy; die zou ten minste zijn verontwaardiging wel deelen. Het was te bar van Lucie, vond hij, in het overstelpend gevoel van het ongelijk hem aangedaan; nu, ze moest het dan ook maar zelf weten. En snel voortgaande, bij zichzelven toornige woorden mompelend tegen zijn hoofdingenieur, dien gemeenen vent, stond hij plotseling stil. Die koffers, voor den dag gehaald, schoongemaakt en reeds gedeeltelijk gepakt, maakten hem nu althans zooveel duidelijk, dat zij het had geweten; daarom was ze ook zoo volkomen onverschillig geweest, toen hij haar het bericht had laten lezen onder de telegrammen.

Hij stormde bij mevrouw Du Roy het huis binnen.

„Heb je het gezien?” [136]

„Neen, wat dan?” vroeg ze schijnbaar zeer verbaasd.

„Hier,” zei hij, haar courant van de tafel nemend en met zijn vuist op de noodlottige plaats slaande, bijwijze van aanwijzing: „hier!”

Zij keek met Indische kalmte naar het bericht en toen naar zijn woedend gezicht.

„Dat hadt ge me wel wat eer kunnen zeggen.”

Hij ving opnieuw aan met zijn gemoed uit te storten in heftige bewoordingen; hij, hijzelf had het ’t eerst vernomen uit de courant.

„Och, kom!” zei ze sarcastisch.

„Je gelooft het niet! Dat kan ik me begrijpen; het is ook haast ongelooflijk, dat iemand van mijn positie zóó wordt behandeld als een kwajongen. En dat koopje heeft niemand anders me geleverd dan mijn vrouw: de koffers stonden al gepakt.”

„Ei, ei! En zou jij nu denken, mijnheer de ingenieur, dat je slim genoeg waart om mij te foppen? Het is waarachtig anders niet onaardig verzonnen! Heeft nu je vrouw het gedaan, die lieve, brave vrouw, over wie ik nooit iets mocht zeggen! Heeft dat die nette vrouw van je gedaan, die je met uitgerafelde boordjes en kapotte overhemden liet loopen? Och kom, is dat beste, goeie mensch zoo slecht geworden? En wou je mij dat mopje op de mouw spelden? Wel, Van Brakel, je bent toch niet zoo dom als je er uit ziet, hoor! Het tegendeel is waar, je bent nog veel dommer.”

„Ik geloof, dat je krankzinnig wordt!” riep hij woedend.

„Dat zou je wel willen, hè? Dan was je meteen op ’n gemakkelijke manier van me af. Neen man, ik ben niet gek. [137]Ik heb al lang gezien, waar je op uit waart. En nu heeft je vrouw het gedaan, nietwaar? en jij wist volstrekt van niets! Wel het is niet kwaad verzonnen, maar als je mij wilt bedriegen, moet je vroeger opstaan; ik ben zoo’n domme gans niet als zekere mevrouw Van Brakel. Als je dat soms hebt voorondersteld, heb je het mis gehad.”

„Maar dat is geheel een mal à propos, dat.….”

„Dat.… dat.… weet je wat, meneer Van Brakel, dáár is mijn deur, en voor het oogenblik heb je niet anders te doen, dan te zorgen, dat je er zoo spoedig mogelijk uit komt.”

Het hielp Van Brakel niet of hij bij hoog of laag bezwoer, dat zij het mis had; zij wilde naar geen reden luisteren en hield met nijdigheid en smaad vol, dat het een gemeene streek van hem was.

„Maar je bent nog niet van mij af,” voer zij voort. „Dáár,” riep ze met uitgestrekten arm naar de openstaande deur harer kamer wijzend, „dáár liggen je schuldbekentenissen. Heb je geld om me te betalen, wat je me schuldig bent?”

Mistroostig haalde hij de schouders op.

„Neen, hè! Natuurlijk! Zoo’n kale rot! Kom, maak maar dat je weg komt. Tjies!

Hij sprak geen woord meer en ging; hij was in zijn doen en laten te veel „meneer” geweest voor een mevrouw Du Roy, en dat was in liefde zoowel als in haat, iets dat ze altijd tegen hem had gehad. Hij stond haar reeds lang niet meer aan, en ze had deze gelegenheid met beide handen aangegrepen. Zij begreep heel goed, dat het waar was en dat de overplaatsing door zijn vrouw was bewerkt; maar de gelegenheid was te schoon om in onmin te raken, dan dat ze die ongebruikt [138]kon laten voorbijgaan; zij kon nu handelend optreden om zooveel mogelijk haar geld en de rente binnen te krijgen. En ze was van hem af, wat ook dringend noodzakelijk was, daar ze in den laatsten tijd al een paar malen bezoek had gehad van een onderofficier, die haar veel beter aanstond; die een beetje ruw was in zijn praten en in zijn manieren, wat zij heerlijk vond; die haar grappen vertelde om te gillen van het lachen; die veel opgewekter was en die bovendien een verandering opleverde in het menu. En vooral naar dat laatste gevoelde zij steeds een onweerstaanbaar, ziekelijk verlangen.

Toen Van Brakel vertrokken was, kleedde zij zich snel en liep naar de woning harer zuster, waar ze alleen Ceciel aantrof.

„Ziezoo,” zei ze, „dat is uit.”

Het meisje zei niets, en vroeg niets.

„Die kerel verveelde me al lang. Foei, wat een naar sujet is dat.”

„Ik heb zijn overplaatsing gelezen.”

„Het komt net goed. Ik had er anders toch een einde aan gemaakt.”

„’t Zou beter zijn geweest er nooit mee te beginnen.”

„Zeg, zanik niet asjeblieft! Je weet heel goed dat je ook niet altijd.…”

„Bent u hier gekomen om ruzie te maken?”

„Wel neen,” zei mevrouw Du Roy, die een beetje bang was voor den vinnigen toon en de pasklare antwoorden van haar nichtje. „Wel neen, dat weet je wel beter, Ciel. Maar als ik Van Brakel niet had gekend, hadt jij dien Geerling niet zoo [139]netjes aan den haak kunnen slaan, zie je. Is dat waar of niet?”

„Laat het zijn.”

„Het is nu maar zaak te zien, dat ik mijn geld terugkrijg.”

„Ik geloof niet dat daarvan veel zal terecht komen.”

„Dat denk je maar.”

„Nu, wat wilt u doen?”

„Vooreerst begin ik met beslag te doen leggen op het vendu-accept.”

„En dan?”

„Daarna leg ik beslag op zijn traktement.”

„Doet u dat allemaal zelf?”

„Neen, daar bemoeit zich mijn advocaat mee. Ik heb er geen omkijken naar.”

„Zoo.”

„En ik ga er dadelijk werk van maken. Anders visch ik nog achter het net. Adieu!”

Ceciel liet het handwerkje rusten, waaraan zij bezig was, en dacht na; zij dacht over dat beslag leggen op het vendu-accept. En de menschen moesten een verre reis doen en in een vreemde plaats zich opnieuw inrichten met hun huisgezin. Voor Van Brakel kwam het er niet op aan; dien man mocht ze niet, maar het was toch erg, vond ze, voor de arme vrouw; zij had Lucie slechts enkele malen gezien, maar ze voelde sympathie voor haar. Zou er niets aan te doen zijn?

Zij zou het eens aan Geerling vragen.

Een tien minuten later kreeg deze een kort briefje:

„Beste Jules! Kan je niet even bij ons komen? Ik wou je graag spreken.

Je Ciel.”

[140]

Hij was er in een wip, en zij vertelde hem de plannen, die mevrouw Du Roy smeedde tegen de Van Brakels. Vrij kalm hoorde hij het aan.

„Ik heb het wel gedacht. Als je in zulke handen valt …”

„Maar is er niets tegen te doen?”

„Heel moeilijk.”

„Weet je niemand, die bijvoorbeeld hun goed ondershands zou willen koopen?”

Hij lachte om het naïeve idee.

„Neen, hoe zou ik dat weten? Maar.… zou je zoo heel graag willen, dat haar plan met dat accept mislukte?”

Zij knikte toestemmend.

„Welnu, laat het dan maar aan mij over; dan zal het gebeuren, al zou ik ’t zelf opkoopen.”

Ceciel deed wat ze anders nooit deed: ze sloeg haar armen om zijn hals en kuste hem, dat hij schitterde van vreugde. Nu zou hij in staat zijn geweest zich voor haar te ruïneeren.

„Ik zal er dadelijk werk van maken, weet je,” zei hij heengaande. „Ik heb wel kasian met mevrouw Van Brakel al heeft ze me heel onaangenaam en onrechtvaardig bejegend.”

Onder de bekoring der mooie oogen van Ceciel had Geerling iets beloofd, dat hem zeer moeilijk viel na te komen. Op ’t kantoor zat hij den volgenden dag er over te denken. Hij zou het doen, dat stond vast, maar hoe? Hij was wel geen koopman in zijn hart, maar hij had toch eenig verstand van zaken, en daarom zag hij ook wel in hoe de opkoop het voordeeligst kon geschieden. Aan de kas durfde hij het geld niet vragen. Er was met de laatste mail een brief gekomen van zijn vader, waarin pertinent geweigerd werd toestemming [141]te geven tot het huwelijk; waarschijnlijk stonden daar nog andere instructiën ook in, want men had hem vrij duidelijk te kennen gegeven, dat hij wat goedkooper moest leven. Een weigerend antwoord wilde hij niet ontvangen, en dus zou hij aan die deur niet kloppen.

Een akelig kantoor toch! Vuil en vies! Aan den eenen kant die smerige monstertafel met een rooden lap bedekt alsof het een stuk van een kermiskraam was, en aan de andere zijde de stopfleschjes met koffie met etiquetten er op; voor de rest een half vergaan schutsel, oude lessenaars en stoelen, alles verwaarloosd en krukkig. Wat deed hij toch in zoo’n hok? Waarom dwarsboomde hem zijn vader? Hadden ze allen geen geld genoeg? En dat was niet zoo maar een idee,—maar ’t was hoogst reëel. Afgescheiden van de zaak, hadden de Geerlings een groot persoonlijk vermogen.

Hij nam zijn hoed en ging naar het kantoor van den Waterstaat. Dat was daar heel anders: alles was even keurig en net en goed onderhouden; de muren waren verblindend wit, op de zoldering en de deuren glinsterde de grijze verf alsof ze er zoo pas was opgesmeerd; tafels, lessenaars en stoelen blonken den binnentredende tegen van het politoer. En te midden van dat kantoor troonde Van Brakel, die heel verwonderd was over het bezoek.

Geerling keek eens rond, en toen hij zag dat er niemand anders was, zei hij tegen Van Brakel, net alsof er niets tusschen hen was voorgevallen:

„Zeg, ik kom je kwaad nieuws brengen.”

„Ik zou wel eens willen weten,” antwoordde Van Brakel diep neerslachtig, „wie mij goed nieuws brengen zou.” [142]

„Ze wil beslag leggen op de opbrengst van je vendutie.”

„’t Kan me niet.…” begon Van Brakel in arren moede te roepen, maar hij bedacht zich. Het was, integendeel, verschrikkelijk, want hij had dat geld dringend noodig.

Hij zuchtte luid.

„Wil ik je wat zeggen, Geerling? Ik wou dat ik dood was!”

„Ja, dat is nog zoo kwaad niet.”

Het viel Van Brakel niet mee. Metterdaad bleef hij heel graag leven, en hij vond zichzelven een noodig en nuttig lid der maatschappij; hij zei het zoo uit behoefte aan eenig medegevoel; maar dàt kwam faliekant uit.

„Ik weet waarachtig niet, wat ik doen moet.”

„Wel, daarover kom ik je juist spreken; je moet den boel ondershands verkoopen.”

„Aan wien?”

„Dat weet ik nog niet. Aan een commissionnair bij voorbeeld.”

„Maar dan krijg ik er niets voor.”

„Neen dat zal wel; ten minste niet veel. Er zit niets anders op.”

„Laat ik me er nog eens op bedenken.”

„Ga je gang. Als je wilt, zullen we samen er een zoeken.”

„Heel graag,” verzekerde Van Brakel, die wel deze plotselinge bereidwilligheid volstrekt niet begreep, maar er toch graag gebruik van maakte, omdat hij wist hoe weinig slag hijzelf had van dergelijke dingen.

Hij pikirde er over tot den volgenden dag, maar ’t hielp niet, en ten slotte gelukte het hem zijn inboedel door de hulp van Geerling te verkoopen aan een commissionnair, die er ruim de helft voor gaf van wat het vermoedelijk op [143]vendutie zou hebben opgebracht, en die contant betaalde.

Daartoe waren ze thuis geweest; Lucie begreep wel, dat het ’t verkoopen van het goed betrof, maar meer ook niet en zoolang de drie mannen in huis waren, bleef zij onzichtbaar in de bijgebouwen.

„Ziezoo,” zei Geerling tevreden, „dat is afgedaan. Je bent eigenlijk nog zoo kwaad niet af. Het is zuivere winst, want moeder Du Roy betaal je toch haar duiten niet terug.”

„Natuurlijk doe ik dat wel.”

„Dan ben je ’n uil, mon cher.”

„Ik heb schuldbekentenissen geteekend.”

„Welnu? Je zegt maar, dat je de bedragen hebt voldaan par des services rendus. Adieu!

Van Brakel slikte het; hij was reeds aan slikken gewoon; de moeilijkheden, waarin hij altijd zat, hadden de scherpe kantjes afgesleten; hij was niet gevoelig meer. En hij tastte met welbehagen naar het pakje bankbiljetten in zijn zak; dat was op zichzelf iets, waarin hij geluk vond. Als hij maar weer wat gereed geld in handen had, was hij een geheel ander mensch; dan scheen hem het leven veel lichter, al maakte datzelfde geld, zooals nu, het ook eigenlijk veel zwaarder.

„Wel?” vroeg Ceciel toen Geerling binnenkwam.

„Het is al in orde.”

„Dat is vlug! Heeft het je veel geld gekost?”

„Och,” zei hij aarzelend, „niet erg.”

„Toe, zeg eens, hoeveel wel?”

Geerling kon zich niet goed houden; hij trok zijn mond samen en barstte daarna in een schaterlach uit. [144]

„Een kwartje voor een dos-à-dos.”

„Och!” zei ze ongeloovig.

Het was, vond ze, toen hij haar alles had verteld, heel verstandig van hem, en zij bewonderde zijn slimheid. Maar in haar hart was ze wel een beetje teleurgesteld.

Doch deze teleurstelling zou weldra vergeten zijn, uitgewischt door grooter gebeurtenissen, waarbij zijzelve voor eenigen tijd door iedereen besproken werd.

Juist op den dag van het vertrek der Van Brakels werd Geerling op ’t kantoor aangezegd, dat hij op last zijns vaders onverwijld naar Nederland moest terugkeeren.

Toen hij het Ceciel kwam vertellen, werd zij zoo wit als haar kleedje, wat hij vol vreugde opmerkte en uitlegde als een bewijs van liefde voor zijn persoon. Zij was er werkelijk hevig door verschrikt, want zij zag haar ideaal om een fatsoenlijk huwelijk te doen, in het niet zinken. Als hij in Holland was, zou het wezen: uit het oog uit het hart, en, bewerkt door zijn familie, zou hij haar spoedig vergeten voor andere meisjes in Holland.

„Dus ga je heen?” zei ze droevig.

„Neen, dat doe ik niet, Ceciel; dat weet je wel!”

„Maar je papa verlangt het immers?”

„O ja, papa verlangt het niet alleen, hij gelast het. Papa ziet in zijn zoons niet anders dan ondergeschikte beambten, die men maar te bevelen heeft; die op zijn aanwijzingen leven, trouwen, komen en gaan. Ik bedank er voor. Nog ’n goed halfjaar en ik ben meerderjarig. Dien korten tijd laat ik me niet op zulk een manier behandelen.”

„Je moet niet weerspannig zijn om mij, Jules; ik kan het [145]denkbeeld niet verdragen, dat je ongenoegen zoudt hebben met je familie om mijnentwil.”

„Lieve Ceciel, maak je daarvan geen gewetenszaak.”

„Dat moet ik wel doen. Wat zullen je ouders van ons denken!”

„Het kan me niet schelen.”

„Alle schuld zal op mij worden geworpen.”

„Ceciel, wil je me weg hebben?”

Zij wendde het hoofd af en scheen met haar zakdoek een traan weg te vegen. Hij nam een harer mooie handen en kuste die.

„Ik ga niet weg. Eenmaal heb ik het gezegd, en ik blijf er bij. Laat mij maar begaan, Ceciel. Over een klein jaar zijn wij getrouwd, en dan komt naderhand alles vanzelf terecht.”

„Maar als je vader nu wil dat je terugkomt?”

„Dan wil ik niet.”

„Ja maar.…”

„Laat mij stil begaan. Het is enkel ’n quaestie van eenig duur geld. Ze zullen me willen dwingen met de dubbeltjes. Ik moet eerst zien, dat ik genoeg bijeenkrijg om tot mijn verjaardag te leven; daarna zeg ik, dat ik er den brui van geef terug te gaan.”

Geerling had het oog op een Chinees; Ceciel dacht aan haar tante Du Roy, maar zij wilde dien naam niet noemen. Toch zei ze:

„Laat dàt de moeilijkheid niet wezen. Als het daarom te doen was.…”

„Ei, ei! Zou jij me dan kunnen helpen?” vroeg hij aangenaam [146]verrast door het denkbeeld, dat zij toch ook „iets” had.

„Misschien,” antwoordde ze met een slim glimlachje.

Doch hij zou die hulp niet hebben aangenomen, en hij kreeg ook spoediger het geld dan hij had gedacht; zijn naam was goed, en ’t was zoo bekend dat hij een rijk erfzoontje was!

Op ’t kantoor ging het minder gemakkelijk toe.

Apropos,” zei hij tegen den chef, zijn bloedverwant: „je hebt me gisteren verteld, dat papa mij zoo spoedig mogelijk naar Holland terug wil hebben.”

„Ja, ik ben al bezig passage te bespreken.”

„Doe dat niet; het is noodelooze moeite.”

„Hè?”

„Ik ga niet.”

„Je moet!”

„Ik ga niet, zeg ik.”

„En ik zeg, dat je moet. Het is de uitdrukkelijke wil van den ouden heer, en daarom moet je gaan!”

Maar Jules Geerling schudde het hoofd.

„De uitdrukkelijke wil van den jongen heer is, dat hij hier blijft en dat doet hij ook.”

De ander zat een oogenblik verstomd; hij kon zich nauwelijks in het geval denken; de wil van „den ouden heer” gold daar altijd voor wet op ’t kantoor. Niemand dacht er ooit aan om als „de oude heer” iets gelastte, dat niet te doen. Niettemin gebeurde dat nu, en het teekende op het gezicht van den chef verbazing, ergernis, medelijden,—alles te gelijk.

„Hoor eens, ik geef je nog heden den tijd om na te denken. Morgenochtend telegrapheer ik naar Holland.” [147]

„Ik zou maar dadelijk telegrapheeren; tijd tot nadenken heb ik wezenlijk niet noodig.”

„Maar hoe is het in Godsnaam mogelijk, dat je zoo roekeloos kunt zijn?”

„Ik ben dat volstrekt niet. Alleen laat ik me niet langer behandelen als een kleine jongen, waarmede men doet, wat men wil.”

Nonsens,” zei de ander, die zich boos begon te maken: „het is alleen om die meid.”

Jules ging vlak voor hem staan en keek hem in de oogen, haast neus tegen neus.

„Welke meid?” schreeuwde hij met opgeheven vuist.

Doodsbleek ging de chef zitten. Hij kon toch, meende hij, ten overstaan van het personeel moeilijk met den opgewonden kwajongen een robbertje gaan kloppen.

„Het is goed,” zei hij koel en uit de hoogte. „Je kunt nu wel naar huis gaan; ik weet wat me te doen staat.”

„Ik ook, en ik wil je groeten,” antwoordde Geerling brutaal, terwijl hij zijn hoed nam en ’t kantoor verliet.

Den volgenden morgen verscheen hij niet, en hij zond ook geen boodschap; de dag ging voorbij en de daaropvolgende ook; de oude heer had in antwoord op het telegram geseind dat Jules moest komen; blijkbaar kon hijzelf zich ook van een besliste weigering geen denkbeeld vormen; dàt was zoo iets ongehoords!

Een beetje ongerust over dat stilzwijgend wegblijven, zond de chef van ’t kantoor een bediende naar het logement; deze kwam terug met de boodschap, dat meneer Geerling reeds een paar dagen te voren was vertrokken, zonder eenig adres [148]achter te laten. Hierover nog meer verontrust, werd onderzocht in alle logementen en commensalenhuizen, doch tevergeefs: niemand wist waar Geerling was; niemand had hem gezien.

Daar waren de poppen aan het dansen! In minder dan geen tijd wist heel de stad, dat de jonge Geerling spoorloos was verdwenen.

En de geheele geschiedenis kwam over de tong; hier zus, dáár zoo, maar altijd meer in het nadeel der betrokkenen dan de werkelijkheid was.

De woede van den chef van Geerling’s kantoor keerde zich geheel tegen „die meid”, en hij hield zich overtuigd dat de weerspannige zich bij haar in huis ophield. In een booze bui ging hij naar haar huis, stormde binnen en zag niemand, dan een baboe, die op den grond zat te naaien; het was juist de tijd, waarop de familie rijsttafelde. Hij kreeg een goed idee en gaf de meid een wenk.

Toean Geerling ada di sini, ja?”

Tida, toean,” zei ze, „tida ada.”

Nu ja, dacht hij, dat lesje was haar voorgezegd, en korte metten makend, nam hij uit zijn portemonnaie een bankbiljet, dat hij haar voor hield.

Brapa itoe?

De knappe, jonge baboe glimlachte en keek hem vriendelijk aan; zij dacht aan iets anders, en zei gemaakt verlegen, haar heupen en schouders heen en weer bewegend en haar hoofd neigend, op een zangerig toontje:

Barangkali, sepoeloe roepia, toean.

Maar toen ze hoorde, wat meneer wenschte, was het uit. [149]Ze moest zeggen dat die jongeheer, die zoo perliep was op de nonna, daar aan huis was, en hij was er niet, zoodat er ook geen de minste kans was om de tien gulden te verdienen. Niet minder teleurgesteld stak de bezoeker het geld weer bij zich, toen de portière, dicht gedaan om de warmte buiten te houden, ter zijde werd geschoven en Ceciel, die binnenkwam, verbaasd bleef staan; ze wist wie die bezoeker was, en wat hij kwam doen, begreep ze.

Hij stond verbluft; hij had „die meid” nog nooit gezien; nu hij haar zag, maakte ze dien diepen indruk op hem, welken de onverwachte verschijning van een wezenlijk mooie jonge vrouw altijd maakt op een man; een indruk, die hem dadelijk stemt tot zekere hoffelijkheid, door de instinctmatige neiging van het eene individu om zich tegenover een ander fraai exemplaar van zijn gunstigste zijde te doen zien.

„Wien heb ik het genoegen.…?” vroeg ze kalm en duidelijk.

Hij stelde zich voor, zij bood hem een stoel en vroeg, wat de reden was van zijn bezoek. Hij vond, dat het moeilijk was te vragen of Geerling ook dáár aan huis was; hij, altijd druk met zijn zaken, had Ceciel vroeger nooit gezien, maar hij vond haar zeer ladylike in houding en manieren; hij had verwacht zoo’n eenvoudig nonnaatje te zullen zien, dat niet uit haar Hollandsch kon komen en niet zou weten wat te zeggen; niettemin moest hij den knoop doorhakken.

„Zie eens, juffrouw,” ving hij aan op den toon van iemand, die zijn besluit heeft genomen en het vasthoudt met beide handen, „u kent sedert eenigen tijd den jongen Geerling, nietwaar? Hij wil u trouwen en de oudelui zijn daartegen.”

Zij knikte toestemmend, heel langzaam. [150]

„Ik weet het; ik zal u verdere moeite besparen; hij is bij zijn verlangen gebleven, heeft geweigerd naar Europa te gaan en is nu zoek.”

„Juist. Doe u mij nu genoegen, en zeg me waar hij is.”

„Waarom zou ik u een genoegen doen?”

Hij bleef het antwoord een oogenblik schuldig; het was waar, waarom zou zij dat doen?

„Ter wille van zijn ouders dan.”

Zij glimlachte.

„Ik zal u iets zeggen,” antwoordde ze zeer bedaard, maar met een nadruk, die hem verstomd deed staan. „Toen Jules’ ouders hun toestemming tot ons huwelijk weigerden heb ik er op aangedrongen, dat hij zich zou onderwerpen, want ik wilde niet dat hij voor mij in onmin raakte met zijn ouders. Hij heeft niet naar mij willen luisteren. Kunt u dat begrijpen?”

Of hij het begreep? In zichzelven had hij Jules reeds van alle schuld vrijgepleit; zooals hij daar tegenover haar zat, brandde in zijn geest een wierookvat van bewondering voor zooveel charmes. ’t Was maar goed, dat zijn vrouw niets wist van dit bezoek en die bewondering!

Ja, begrijpen deed hij sekuur.

„Welnu, dan zult u ook wel begrijpen, dat ik u niet zeggen kan, waar hij is. Ik besef ongeveer de reden, die zijn ouders tot weigeren hebben genoopt, en dat u daarin ook uw aandeel hebt gehad.”

’t Was niet te ontkennen; hij beet zich op de onderlip. Diantre, die jonge dame sloeg spijkers met koppen! Tien tegen één dat ze beter was in zaken dan Geerling. [151]

„Het is waar, dat iemand in mijn familie een hier beruchten naam heeft. Mijn schuld is dat niet; maar hoezeer u, meneer, noch wie ook, mij persoonlijk iets ten laste kunt leggen, en evenmin mijn ouders, ontziet men zich niet allerlei kwaad van ons te spreken.”

Hij deed er het zwijgen toe.

„En dáárom,” ging zij voort, „moet ik u een genoegen doen, of anders den ouders van Geerling! Omdat u allen er behagen in hebt gevonden mij te benadeelen in mijn eer en mijn goeden naam, beide zoo ongerept als ik hoop dat de uwe is, moet ik meegaand zijn en een handje helpen om te beletten, dat een huwelijk tot stand komt tusschen mij en Jules, van wien ik heel veel houd.”

De bewondering harer schoonheid had plaats gemaakt voor het gevoel, dat hij een tamelijk gek figuur sloeg met zijn verzoek om informaties.

Hij stond op.

„Ja, ziet u, ik kan er niets meer aan doen. Dus u wilt mij niet zeggen, waar hij is?”

„Op dit oogenblik niet. Maar als u hem iets hebt te schrijven, zal ik zorgen, dat hij die brieven krijgt, indien u mij die zelf wilt ter hand stellen.”

„Als u zoo goed wilt wezen; het zullen er niet veel zijn. Mag ik u er morgenochtend een brengen, vóór ik naar ’t kantoor ga?”

„Het is goed.”

En hij ging terug naar zijn kantoor, met twee overtuigingen: de eene, dat die akelige jongen een geweldige boffer was; de andere, dat zijn Amsterdamsche schoonzusters en [152]aangetrouwde nichtjes geen van allen zoo presentabel waren als diezelfde Ceciel.


’t Was winderig, dat wil niet zeggen dat het woei; aan land toch zou men er niets van bemerkt hebben, maar op de kustboot, die kwart geladen en ongeballast door de lichte deining voer, leek het heel wat; de boot slingerde een beetje en deze beweging herinnerde zoo levendig aan een wezenlijke zeereis, dat de dames onpasselijk en „bootziek” werden. Daarbij kwam de warme vetlucht en de bouffées, die uit de buurt van het ruim, de keuken, de latrines en de dierenhokken nu en dan oversloegen naar achteren, en niet rechtstreeks aan Rimmel of Pinaud herinnerden.…

Van Brakel wist daar niets van. Hij at en dronk precies alsof hij thuis was, en hij maakte boven aan dek een „fijn” partijtje met een particulier en een inspecteerend ambtenaar, die zijn halven diensttijd op en neer varende sleet tot heil van „den lande.” Het noodlot vervolgde hem weder: zijn guigne was in vollen gang, en reeds in de eerste twee dagen slonk het beetje geld, dat hij voor zijn inboedel had gekregen, tot op de helft. Maar hij voelde nog bankpapier in zijn portefeuille en zoolang dàt maar het geval was, treurde hij niet.

Doodmoe van al de drukte aan het „opbreken” verbonden, was de arme Lucie bovendien nog erg „bootziek,” en hetzelfde deed zich bij haar kinderen voor, tot zelfs bij de baboe. In haar hut, de grootste aan boord, heerschte een hoogst ongezellige wanorde; de koffers stonden open; vuil en schoon goed lag dooreen. De lucht van half opgegeten [153]manga’s, zóó maar onder de couchettes neergegooid, vermengde zich met andere nog minder aromatische geuren, voortkomend uit de „bootziekte” en de ineengerolde en in een hoek gestopte ontredderde broekjes en baatjes der kleinen; het was een onhoudbare atmosfeer. En Lucie lag krijtwit en levenszat te kijken naar het ronde poortje, dat haast regelmatig wel een meter, dacht ze, naar beneden ging, en dan weer een meter naar boven.…. naar beneden.…. naar boven; het was om er slaperig van te worden en om te vomeeren; en daar dit laatste niet meer ging faute de combattants, gelukte het eerste en sliep ze in, wat gelukkig de kinderen telkens van vermoeienis en akeligheid ook deden.

Zij was dan ook geen „lieve verschijning” toen ze aan den wal stapte op de plaats, van waar zij nog zeventig palen per reiswagen het binnenland in moest. De magang van Van Brakel wist geen raad van de drukte. In Indië geboren, had Lucie, schoon van Europeesche ouders, enkele echt Indische eigenaardigheden, en daartoe behoorde, als ze op reis ging, een ware zondvloed van pakjes en boenkoessans; behalve het groote aantal koffers, waren er allerlei blikken en kartonnen doozen en doosjes, trommeltjes, in doeken en oude sarongs geknoopte pakken en pakjes, groote en kleine krandjangs, ja zelfs in pisangbladeren gepakte zaken,—kortom de arme magang had geen handen genoeg om te dragen en geen oogen genoeg om te waken dat de koelies niets wegdroegen.

Met een kind op den arm en een aan de hand, stapte Lucie over de plank aan wal, gevolgd door de baboe, die er [154]ook een droeg en onder haar arm een groot pak, terwijl Van Brakel, ook belast en beladen, den trein sloot.

Het was onder dat alles voor Lucie onmogelijk geweest niet met haar man in gesprek te komen; daar zij van lieverlede er aan gewoon was geraakt, was de eerst stroeve toon geweken, en thans spraken ze heel gewoon weer met elkaar, ofschoon nog van de oude verhouding geen quaestie was.

Toen de familie in het logement haar intrek nam en een paar ruime kamers kreeg, was ieder voor zich in zijn schik. Tot zelfs de tweelingen gaven luidruchtige bewijzen hunner tevredenheid en kraaiden van pleizier, dat iemand hooren en zien verging.

Doch de vreugde duurde niet langer dan een etmaal. Toen stonden twee oude, op allerlei manieren opgelapte, maar zeker nooit schoon gemaakte rijtuigen voor de deur van het hotel, elk bespannen met vier paarden. In het ééne ging Van Brakel met de oudste kinderen en zijn magang op den bok, in het tweede Lucie met de tweelingen en de baboe en voorts de ontelbare pakjes, nog vermeerderd met eet- en drinkwaren voor „onderweg.”

En voort ging het, hobbel je niet, zoo heb je niet; nu eens in goeden gang, dan weer wanhopig langzaam een hoogte opgetrokken door karbouwen; hier in een razende vaart, zoodat alles rammelde en rinkelde of de oude kast zou uitéénvliegen, terwijl de losse rolsteenen onder de wielen uitschietend met geraas naar weerszijden van den weg sprongen,—dáár minuten onbeweeglijk stil staande, omdat een der paarden verkoos zich dwars in het gareel te zetten en [155]door geen slagen, duwen of schreeuwen van zijn plaats was te krijgen.

Zoo ging het voort den ganschen dag, door dorre bosschen van djati langs nederige desa’s en rijk bloeiende sawa’s, over bergglooiingen met een heerlijk uitzicht op het omliggend landschap, en langs uitgegraven wegen tusschen hooge wanden van aarde en steen met woekerplanten deels bedekt.

Het was avond bij hun aankomst op Van Brakel’s nieuwe standplaats. Lucie was als geledebraakt. Zulk een vreeselijke reis had ze nog nooit gemaakt. Ze wist zich naderhand niet meer met juistheid te herinneren, hoe ze het kleine logement binnen en in haar bed was geraakt; maar het gebeurde heel gauw zonder dat er eerst gegeten of gedronken werd, en zij sliep een loodzwaren slaap.

Van Brakel trof het dadelijk naar zijn zin. Terwijl zijn vrouw en kinderen sliepen, ging hij baden, kleedde zich en deed zich te goed, terwijl het hem zelfs gelukte een partijtje te vinden, waarbij hij tot twee uren in den nacht stand hield. Wat hem ook in den steek liet, zijn krachtige constitutie bleef hem getrouw!

Zij zouden geen eigen woning huren en meubelen, maar, ten minste voorloopig, blijven wonen in het logement, dat wel niet groot was, maar waarin ze toch twee vrij goede kamers konden krijgen, tegen niet al te hoogen prijs.

Er viel overigens voor Van Brakel nogal wat te doen.

Het plaatsje was in zijn opkomst en breidde zich uit. Er moest een school gebouwd worden, een nieuw kantoor voor den assistent-resident factotum, en over de kali moest een nieuwe brug worden gelegd. [156]

Hij had het druk, en aan zijn ijver ontbrak niets, dat zag iedereen duidelijk, terwijl zijn ondergeschikten de overtuiging kregen, dat zij „achterna-gereden” werden door iemand, die zijn en hun zaken kende.

Aan den eenen kant voelde hij zijn ambtelijk gewicht meer, en was zijn zelfstandigheid grooter. En wat overigens „het leven” betreft, dat was voor hem vrij wel ’t zelfde gebleven. Er was ook een sociëteit, al was het zonder steenen muren en marmeren vloeren. Maar homberen kon men er uitstekend en daar er zeer dikwijls landheeren kwamen, was er plenty gelegenheid voor „fijntjes,” welke gelegenheden Van Brakel niet gaarne had verzuimd.

Voor Lucie vlood het leven eentonig heen. Bij gemis aan huishoudelijke bezigheden, zat ze den halven dag te lezen, en werd ze verbazend dik en vet.

Op een ochtend kwam de post wat later dan gewoonlijk aan. Van Brakel was reeds naar zijn kantoor. Zij keek de adressen eens na: een paar dienstbrieven en een particulieren, met het naamstempel van een advocaat buitenop.

Wat zou dat zijn? Vroeger had ze er niet aan gedacht zijn brieven te openen; de inhoud interesseerde haar niet. Nu, bij den velen ledigen tijd, dien ze had, en de onaangename verhouding tot Herman, was ze nieuwsgieriger geworden. Waarom zou ze dien brief ook niet kunnen openen? Eigenlijk waren het toch even goed haar zaken als de zijne!

En zij voegde de daad bij de gedachte.

Onder het lezen drukte haar gezicht de grootste verbazing uit. Wat was dat? Een aanmaning tot terugbetaling van [157]door mevrouw Du Roy geleende gelden met de rente en de rente van de rente? Nu begreep zij er in het geheel niets meer van. Hoe ze ook pikirde, het gelukte haar niet dáár een touw aan vast te maken.

Den geheelen ochtend was die brief haar niet uit de gedachte; het maakte haar zoo zenuwachtig, dat ze moeite had om de komst van Van Brakel af te wachten.

Met vragenden blik legde zij hem den brief van den advocaat voor, die zeer onaangenaam gesteld was, waarin een korte termijn van betaling was gesteld en waarbij gedreigd werd met een nieuwe aanvraag om beslag op zijn traktement.

„Kun je me ook zeggen, wat dat beduidt?” vroeg ze met iets crimineels in haar stem.

Op het eerste gezicht van den geopenden brief was hij bleek geworden. Niet, dat het hem onverwacht op het lijf viel,—hij had wel begrepen dat t’ avond of morgen zoo iets hem boven het hoofd hing; dan er waren een paar weken overheengegaan, en hij, die zich zoo licht wiegde in een rustige rust, dacht er in de laatste dagen volstrekt niet meer aan.

Hij streek met zijn zakdoek over het voorhoofd,—zijn gewoon manuaal als hij in ’t nauw zat—en stond een oogenblik besluiteloos.

„Wat zal ik je zeggen!”

„Van Brakel, ik verzoek je me de waarheid te zeggen. Ik ben eenmaal belogen en bedrogen, dat weet ik; maar ik wil het niet langer zijn!”

Het was zoo gemakkelijk niet en hij was ook de man [158]niet voor het ontwerpen eener eenigszins romantische conceptie; er een geschikte novelle van te maken was zijn werk evenmin, en hij biechtte als iemand, die niet geheel op de hoogte is van de geboden en dus niet precies weet, waar het zwaartepunt ligt zijner overtredingen; maar hij deed het eerlijk, zonder achterhoudendheid, en wanneer hij liet uitkomen, dat hij ondanks alles geen oogenblik had opgehouden veel te houden van Lucie, terwijl de andere hem onverschillig was, dan behoorde er luttele menschenkennis toe om den indruk te krijgen, dat wat hij zei de waarheid was.

Hij voelde dat het hem opluchtte, alsof hem een pak van het hart werd genomen.

Lucie zat er bij met een strak gelaat. Och, ze wist wel dat hij niet loog, en ze wilde het hem wel vergeven, maar zij behoorde tot die vrouwen, die niets willen missen en niets gunnen aan een ander, ook niet als ze er zelf hoegenaamd geen genoegen van beleven.

„Wil je het vergeven en vergeten, Lucie?” vroeg hij, erg onderdanig.

„Ik weet het nog niet; ik wil er mijn best toe doen; maar eerst moet dat wijf haar geld hebben; vóór dien tijd heb ik rust noch duur. Al moesten we er ons laatste stuk kleeren voor verkoopen, ze moet en ze zal het geld hebben, dat zwijn!”

Dáárin stemde hij toe. Wel wist hij niet op welke wijze de goocheltoer te verrichten, zelfs niet als ’t laatste stuk kleeren er aan te pas kwam, doch zóó slim was hij wel, dat hij haar niet tegensprak, maar in alles gelijk gaf. Zij kon zich er op verlaten, dat hij het middel zou vinden, dat bezwoer hij bij kris en kras; als zij maar weer wel met hem wilde zijn, gelijk [159]voorheen, dan zou die ongelukkige zaak spoedig uit de wereld komen; daartoe wilde hij alles doen, alles.

Hij kuste haar; zij liet hem begaan, nog bezig met haar eigen gedachten en vóór hem pleitend tegen zichzelve. Alles bijeengenomen, was hij toch nog veel beter dan menigeen; bovendien, alle mannen deden wel eens iets wat niet goed was, en hij was bij slot van rekening er ook maar „ingeloopen”, zonder booze voornemens; zij had wel eens meer gehoord en gelezen van dat soort vrouwen, die knappe, jonge mannen verleiden.… Zuchtend gaf zij hem zijn kus terug.

Dat bracht hem in verrukking en noopte hem nogmaals, zooveel zij gedoogde, te trachten zijn achterstand aan betuigingen van liefde bij te werken.

Prettiger gestemd dan in maanden ’t geval was, ging hij den volgenden morgen naar de werken, die onder zijn toezicht werden uitgevoerd, en waartegenover hij meende geheel de handen vrij te hebben, en baas en meester te zijn.

O, als hij had geweten!

Geweten, dat hij door een oud ambtenaar, die wel onder zijn bevelen stond, maar toch een goede positie bekleedde, zeer nauwlettend werd bespionneerd in al zijn doen en laten! Dat deed hem de hoofdingenieur Willert, en die meende, dat hij daartoe zedelijk verplicht was! Van Brakel was een speler; Van Brakel zat diep in schulden; Van Brakel had niet alleen geldelijke verantwoordelijkheid, maar hij kon gemakkelijk knoeien ten nadeele van „den lande,”—zoo’n man mocht niet zonder scherpe contrôle zijn, en wanneer hij die niet officiëel over hem kon uitoefenen, dan moest het maar officieus wezen. [160]