Als hij, Willert, daartoe zijn maatregelen niet nam, dan achtte hij zich zedelijk niet verantwoord tegenover de Regeering.
Lucie liep, toen haar man weg was, ongeduldig en zenuwachtig het galerijtje op en neer. Hun kamers waren in de bijgebouwen; langs een slordig schoongemaakte goot, die voor het roodsteenen galerijtje liep, stond een rij boompjes geplant, de afgevallene bladeren lagen in die goot te rotten; er heerschte altijd een zoetachtige, vochtige humuslucht, en het was, nu de invallende Westmousson zware plasregens omlaagzond, erg vochtig. Maar dat deed geen kwaad. ’t Plaatsje lag vrij hoog; ’t was er koel, en de vochtigheid was niet zoo kwaadaardig als in de heete kustplaatsen, waar zij miasmen kweekt bij milliarden.
Maar ’t was toch onaangenaam. Alles voelde klam aan; ’t was of de tafels en stoelen in ’t galerijtje het koude zweet uitbrak; men kon er met den vinger figuren op strepen; de kussens in de bedden schenen door lijken te zijn beslapen, zoo kil waren ze. Druilig en laag hing de lucht, en daar de weinige gasten, die vast in het kleine logement woonden, naar hun bezigheden waren gegaan, hoorde men in het huis en op het erf niets, dan de doffe slagen van het eentonige toemboequen, nu en dan afgewisseld door ’t schreeuwen van een aap of ’t schel geroep van een papegaai.
Zij had met opzet de meiden uitgezonden met de kinderen, om rustig te kunnen nadenken over de manier om dat ellendige geld terug te geven; maar hoe krachtig ook haar argument was, dat het moest,—de wijze waarop het kon gebeuren bleef haar verborgen, en hoe zij dien ochtend ook [161]peinsde en dacht, zij kwam er niet toe; ze hield ten slotte haar arm hoofd vast met beide handen en zuchtte diep en nog eens diep. Dat nare geld! En als nu papa Drütlich nog maar in goeden doen was, maar in zijn laatsten brief schreef hij op zijn eigenaardige kromme manier dat hij „ganz und gar durch die verdammte Kaffeelaus aufgefressen” was; dat hij zelfs voorzag spoedig genoodzaakt te zijn ’t vroeger zoo winstgevende land te verlaten. Lucie had het gelezen en er bij gehuild. ’t Lieve land! Haar geheele onbezorgde jeugd ging haar als een panorama langs de oogen. Wat was ze daar gelukkig geweest! Hoe velen hadden daar in het toen zoo gastvrije huis haars vaders volop genoten. Zij was er ontwikkeld tot een flinke, krachtige, jonge vrouw, die uren te paard reed zonder vermoeienis, die wandelingen berg-op deed als een tourist, die elken dag dook in het ijskoude water, dat hoog van de toppen der bergen kwam afstroomen en op het land door pantjoerans in een zwembad werd geleid. Het lieve land, met zijn prachtigen bloementuin, waar het geheele jaar door een rijkdom van de schoonste rozen prijkte, waar in een weelderigen moestuin Europeesche groenten welig tierden, waar de aardbezieplant zich thuis gevoelde als in het Westen en haar kruipende loten vrijpostig naar alle kanten uitzond. Dáár was altijd overvloed geweest; dáár was de goedang steeds wèl voorzien van spijzen en dranken; daar weidden de groote uit Holland aangevoerde lakensche koeien op de altijd groene heuvelen, want zelfs in ’t hart van den Oost-mousson viel er nu en dan een malsch buitje; dáár was het volk altijd rustig en vriendelijk, medegenietend als het deed in de welvaart, die de vrije koffieteelt er verspreidde. [162]Zij zag nog het lachend en onbezorgd gezicht van haar vader, als hij zijn „afrekening” kreeg van ’t kantoor uit de stad, en als hij zoo met een enkel woord iets zei van „snijden doet men met een mes,” maar er dadelijk bijvoegde, dat het er minder op aan kwam, want er werd toch genoeg verdiend.
En nu moest papa van het land af, omdat een luis.… Ajakkes! Het was, vond ze, verschrikkelijk, dat zulk een nietig ongedierte zulke rampen kon teweegbrengen; het was meer dan erg! Waarom ook stelde het Gouvernement geen ambtenaren aan om die luizen te vangen! Die arme oudeheer! Wat moest hij beginnen? Als zij hem nu nog maar onder dak kon nemen, maar dat ging ook niet; ze zaten zelf in een logement en nog tot overmaat van ramp erg in schulden. Weder peinsde ze op een middel om die gemeene slet Du Roy dat geld terug te geven, doch altijd bleef dat middel ontbreken.
Eindelijk moedeloos en moede van het denken, bestelde zij een halve flesch portwijn in het hotel; zij zou zich anders nog suf pikiren, meende zij.
Van Brakel vond, toen hij ging kijken naar het metselen van de landhoofden, waaraan was begonnen, een pas aangekomen prauw en een reusachtig houtvlot, beide vastgemeerd.
Met den stroohoed in de hand en een allervriendelijkst gezicht trad de Chinees, die met de prauw was gekomen, op hem toe. Het was de leverancier van materialen voor de Gouvernementswerken. De man onderscheidde zich in niets van een anderen op Java geboren Chinees; slechts zag hij er netter en zindelijker uit dan anders meestal het geval is, en hij droeg een soliden gouden horlogeketting. Hij moest zorgen [163]goede vrienden te blijven met den ingenieur, want die kon hem zooveel bevoordeelen en benadeelen als hij maar wilde, en de kongsi, waarin deze Chinees zat, wist reeds van een andere kongsi, die ook met leverantiën aan den lande belast was, dat de ingenieur Van Brakel een lastig man was, die soesah maakte en met wien weinig ving aan te vangen; ja, indien zijn kongsi te voren had geweten, dat hij, Van Brakel, met keuren der materialen ware belast, dan zou ze wellicht, althans zeker niet zoo laag, hebben ingeschreven.
„Wel, heb je nogal een goede reis gehad?” vroeg de ingenieur, terwijl hij van den hoogen oever den blik liet gaan over ’t vaartuig en het houtvlot.
„Het gaat wel, ingenieur; ’t vlot is gevaarlijk voor de prauw.”
„Dat dunkt me; er zit al aardig gang in de kali. Hoe is het hout?”
„Uitstekend, ingenieur. Ik hoop dat u het zult goedkeuren.”
„Hm! We zullen morgen eens kijken.”
Al pratende liepen zij den dijk op; Van Brakel moest naar het in aanbouw zijnde schoolgebouw; de Chinees liep maar mee. Hij praatte veel over al de roegie, welke hij bij deze leverantie nu weer zou hebben, en waardoor hij met een bankroet werd bedreigd, alles om den ingenieur gunstig te stemmen, maar dat lukte niet.
„Nu ja, man,” zei Van Brakel met een slim gezicht, „daar weten we alles van; jullie wordt allemaal rijk van de roegie, die je hebt in Indië, en wij, Europeanen, worden straatarm van de oentoeng! Neen, ouwe heer, die mopjes behoef je mij niet te vertellen hoor; jullie, Chineezen, kunnen verduiveld [164]goed rekenen; beter dan wij. En als je inschrijft, dan weet je drommels goed wat je doet.”
„Soengoe mati.….”
„Psst!” floot Van Brakel hem in de rede: „laat ons er niet verder op doorgaan; ik kan er toch niets aan doen, en het kan me ook niets schelen.”
De Chinees vroeg hoe het den ingenieur beviel op diens nieuwe standplaats.
„Och, ’t plaatsje is zoo kwaad niet, en er is werk genoeg, dat is zeker. Het ligt niet aan het plaatsje.…” eindigde hij zuchtend.
„Is u niet lekker, of de njonjah, of de kinderen?”
„Neen, wij zijn gezond.… Maar soesah, man, soesah! Denk je, dat jij die alleen hebt?”
Hij lachte, de leverancier der materialen van het Gouvernement. ’t Was hem alsof hij grond voelde. Doch hij schudde ongeloovig het hoofd; dat kon niet zijn; iemand als de ingenieur kon geen geldelijke soesah hebben, zooals hij, handelaar; de ingenieur had immers een vast inkomen, en indien hij ergens geld voor noodig had, dan had hij immers maar te spreken.
Van Brakel klemde de lippen stijf op één, alsof hij bang was, dat hij tegen wil en dank op die manier spreken zou; hij trok de wenkbrauwen samen, en zijn geheele wezen teekende verzet; onwillekeurig verhaastte hij zijn tred, als wilde hij iets ontloopen, en al voortgaande ranselde hij met zijn stok het gebladerte van den pagger, die langs den weg liep, alsof daarin iets moest doodgeslagen worden.
De grijze wolkenmassa verdeelde zich en de zon schoot [165]gloeiende stralen op de vochtige aarde; de helle lichtstroom vroolijkte het landschap op en deed de schuimende rivier er veel vriendelijker uitzien.
Van Brakel’s verbeelding, zoo weinig als hij die had, begon te werken; hij zag de vreugde op ’t gezicht van Lucie, als hij haar kon zeggen, dat het hem was gelukt een middel te vinden om mevrouw Du Roy te betalen; hij stelde zich voor, hoe gelukkig haar dat zou maken en welke aangename dagen er dan voor hen beiden zouden volgen; hij drong dat alles in gedachten op den voorgrond, en de gemoedsbezwaren naar achteren.
De Chineesche aannemer had moeite om den ingenieur bij te houden, zulke groote stappen nam deze, en de man was verbaasd toen de ingenieur plotseling stil stond en hem bij een knoopje zijner kabaja vast hield.
„Heb je geld?” vroeg hij hem op den man af.
Met moeite verborg de aannemer de vreugde, die hem doorstroomde. Oentong, oentong! juichte het in zijn binnenste; de aanneming van anderhalven ton was gered!
„Ja, ingenieur. Hebt u wat noodig?”
„Wat? Neen niet wat, maar een heelen boel.”
Het gezicht van den Chinees betrok.
„Ik zal je een acceptatie er voor geven,” zei Van Brakel driftig; „ik wil het niet cadeau hebben.”
Met een gebaar alsof dàt de quaestie niet was, haalde de Chinees de schouders op, en het viel Van Brakel mee, toen de man volstrekt niet schrok van het bedrag.
„Ik kan het u niet in eens geven; ik heb zooveel contanten niet.” [166]
„Dat hoeft ook niet.”
In stilte berekende de aannemer hoe lang de leverantie duren zou: zes maanden. „Ik kan het u geven in zessen; elke maand één zesde, te beginnen met vandaag.”
„Vandaag?”
„Ja ingenieur, laat ik het maar dadelijk afdoen.”
Al pratende, haalde hij een oude lederen portefeuille, dik van bankpapier, uit den zak.
„Ben je gek? Berg gauw weg! Hier op den publieken weg?”
„Er is toch niemand.”
„Nu, spoedig dan.… Dank je wel, hoor!… Natuurlijk zal ik je helpen.”
„Anders is niets noodig. Als de ingenieur maar een beetje wil helpen. Daar heeft niemand last van, en wij allebei hebben er genoegen van.”
De aannemer boog en stak hem de hand toe.
„Wat is het? Keer je terug?”
„Ja, ingenieur. Ik zal vast laten beginnen met lossen. Mijn mandoor zocht koelies en het is nu droog weer.”
„Goeden dag, dan.”
Langzaam wandelde hij voort, met het hoofd eenigszins gebogen. De Chinees liep vlug en verheugd terug, overtuigd, dat hij uitstekende zaken had gemaakt, en dat elk gevaar voor een ongunstig resultaat der leverantie, waarvoor zijn kongsi zoo bevreesd was geweest, nu bezworen was. Van Brakel was het, als drukte hem een zware last. Zijn ongerepte goede trouw als ambtenaar, zijn onkreukbare eerlijkheid als dienaar van het Gouvernement, die zijn trots waren en die hem sterk maakten tegen alle verwijten van [167]superieuren, waren thans bezweken. Hij voelde dat hij geen achting meer had voor zichzelven; dat geen sophismen en geen cynische redeneeringen, geen vergoelijkingen of wereldwijsheid hem het idee van eer kon teruggeven, welke hij daareven van zich had afgeslingerd om een handvol geld.
Van het werk zag hij niet veel; het ging hem dien dag alles machinaal af; zijn gedachten waren er niet bij; hij had haast om thuis te komen.
Lucie zat bij ’t portfleschje; zij had hem nog in lang niet verwacht.
„Hoe jij zoo vroeg?”
„Ik heb goede tijding.”
„Heb je …?”
„Ja.”
Van Brakel nam een stoel, ging aan den anderen kant van de tafel zitten en zond zijn bediende naar binnen om een bittertje. Zij vroeg niets en hij zei niets; ze zag wel aan zijn gezicht, dat er iets was, dat hem geweldig hinderde, en ze begreep wel half en half wat het was.
„Heb je het van een Chinees?”
Hij knikte toestemmend.
„Van den aannemer?” vroeg ze fluisterend, en toen hij weer knikte, zei ze snel en angstig:
„Wees vooral voorzichtig, Herman, en zorg, dat jij hem en niet hij jou aan het lijntje krijgt. Sta hem niet te veel toe.”
Verrast keek hij haar aan. Het bleek uit haar woorden, dat ze alles reeds overdacht had, en het idee zich te laten „smeren” reeds met al zijn gevolgen bij haar was overwogen en gerijpt. [168]
Maar hij bleef zwijgen, en dat hinderde haar en maakte haar boos. Daar zat hij nu te kijken, gelijk een uil in doodsnood! En wat had hij niet gedaan, vroeger, om aan geld te komen bij mevrouw Du Roy? Dat was, meende zij, dan toch heel wat anders. Toen had hij haar verraderlijk bedrogen; toen had hij zijn huwelijkstrouw geschonden, en hij had er, voor zoover zij zich herinnerde, altijd een vroolijk gezicht bij weten te trekken. Nu, nu hij deed wat zoo velen deden, zonder dat iemand er persoonlijk nadeel of verdriet van had, zat hij voor zich uit te kijken, met een gezicht alsof hij een moord had gedaan.
Zij zei het hem in korte, afgebroken phrasen, zachtjes, opdat niemand het zou kunnen hooren. Maar hij schudde droevig het hoofd en zuchtte opnieuw.
„Ik heb ook een moord gedaan.”
„Je bent gek.…. Je hebt al heel fraaie ideeën.…. Mij heb je niet ontzien.…. Nu er niets slechts is gebeurd, stel je je aan.…. Iedereen doet het hier in Indië.…. Ze hebben gelijk ook.…. Als de een ’t niet doet, doet het de ander.…. Ik wed dat Willert.….”
Hij schudde het hoofd weder.
„Neen, Willert niet; dáárop zou ik durven zweren.…. Enfin, laat ons er niet meer over praten.…. Neem me niet kwalijk, Lucie.…. ’t werd me een moment te machtig.…. ik ben er heel blij om en je hebt gelijk.”
„Waarachtig, heb ik. Wil je nog een bittertje?”
Hij dronk er nog een, en zij, om hem „gezelschap” te houden, dronk nog wat port. Doch na de rijsttafel moest hij haar eerst het geld van den Chinees geven; zijzelve zou het [169]zenden aan dien advocaat, dat stond beter. Als die man zag, dat zijzelve het geld zond, kon hij Van Brakel niet verdenken van hetgeen hij om dat geld had gedaan.
En toen dit was afgeloopen, was de zaak in orde, zóó goed, dat ze beiden weldra zeer gerust insliepen en niet wakker werden voordat de zon ten ondergang neigde, terwijl de meiden reeds weer met de kinderen uit waren gegaan.
’s Avonds echter kreeg Van Brakel het weer te kwaad. In de donkere slaapkamer lei hij lang wakker. Lucie sliep rustig; haar regelmatige ademhaling bewees het. Hem maalden allerlei dingen door het hoofd; de traditie der eerlijke Nederlandsche Van Brakels zat hem in den weg. Welk een klank had die naam altijd gehad! Nog hoorde hij zijn ouden vader, die zoo bang was toen hij, Herman, naar Indië zou gaan. De goede trouw, de onkreukbare eerlijkheid, waarmee in geen enkel opzicht viel te transigeeren, was hun erfdeel geweest van vader op zoon; het waren denkbeelden, overgegaan als eigenschappen: „Nooit geld nemen, dat u niet toekomt,” was een familie-spreuk, die van ziel tot ziel overging, als lichamelijke hoedanigheden van lichaam tot lichaam.
Hij was er ontrouw aan geworden; hij was de eerste, die stelen ging, of aan stelen meehielp,—dat was hetzelfde. Zijn zenuwen werkten abnormaal, toen hij er een tijd lang aan had gedacht. Het was alsof zijn vader en zijn broers vóór hem stonden in de volle eigenwaarde hunner burgerdeugd, en hem met minachting bejegenden en uitwierpen als een rot lid.
Hij kon het in bed niet uithouden. Zacht schoof hij er uit naar buiten. Het was pas elf uren, en er was nog leven in [170]het logement. In de achtergalerij verschenen een paar breedgeschouderde mannenfiguren. Van Brakel stond op en ging naar hen toe.
„Bonsoir!”
„Zoo, Van Brakel, ben je nog op?”
„Ja. Hoe kom jullie zoo hier?”
„Wel, we moeten morgenochtend met den controleur een stuk grond gaan kijken, dat we in erfpacht vroegen.”
„Ah, zoo.”
„Je gaat toch niet naar bed, zeg!”
„Ik had er wel plan op.”
„Kom, ben je gek: laat ons hier een speeltafeltje zetten, en dan maken we nog een prettig partijtje.”
Er werd vrij hoog gespeeld en tot laat in den nacht. Het resultaat was, dat Van Brakel opstond, stil in zijn kamer ging, zachtjes den sleutel wegnam onder het hoofdkussen van Lucie, de kast opende en uit een chub-trommeltje tweehonderd gulden nam; tweehonderd gulden, een deel van ’t bedrag, door hem van den Chineeschen aannemer ontvangen. Daarna ging hij terug en betaalde zijn medespelers.
Zij lachten. Licht, zeiden ze, dat zij er hun reisgeld uitklopten. En Van Brakel lachte ook. Hij zou hun wel krijgen, een ander maal; hij had dien avond weer gruwelijk déveine gehad; geen enkel spel; en als hij eens uit wanhoop een sans prendre waagde, dan zat alles op één hand tegen en was het: codille, ma fille! Maar het was niets; als zij weer kwamen, zou hij bloedig revanche nemen. De planters zaten nog een oogenblik te praten in hun kamer—daar was er in ’t logementje slechts één voor hen beiden disponibel[171]—toen Van Brakel reeds naar bed was, waar hij dadelijk insliep.
„’t Is een van de aardigste kerels, dien ik ken onder de ambtenaren,” zei de een.
„Ja, ’n joviale vent; een prettig hombreur.”
„Nietwaar? Hij chicaneert niet, en zit niet te mopperen of na te spelen.”
„Neen, en hij heeft toch van avond allerberoerdste spellen gehad.”
„Dat heeft hij.”
Des morgens, toen Lucie hem wekte, vertelde hij het haar. Hij dacht, dat ze het zou opvatten als een gewone zaak; ’t was immers het spel!
Maar zij verbleekte en riep woedend:
„Heb je tweehonderd gulden van dat geld genomen?”
„’t Was om mijn speelbeer te betalen. Het is immers niets, ik win het toch weer terug.”
Zij zat op den rand van het bed, met de handen saamgevouwen in den schoot, en ze keek met verslagenheid voor zich uit. Voor het eerst begreep ze, dat het spel een ongeluk kon wezen, zelfs waar het niet werkte als een verscheurend dier, maar knagend, als een worm. Zij had niets aan, dan haar sarong en haar koetang; en dat stond haar goed; hoe minder ze aan had, des te beter was ze, als welgevormde, goed ontwikkelde vrouw, gekleed. Van Brakel vond dat ook, en hij glimlachte met welgevallen. Zijn Lucie zag er toch maar goed uit, zooals ze daar zat; ’t was een lief gezicht, die zacht golvende lijnen van hals, schouders en armen, door de fluweelen blanke huid afgeteekend tegen de neteldoeksche [172]klamboe. Het deed hem weer aan. Hij had bij haar al zijn vroegere viriliteit teruggevonden; er ging voor hem, dacht hij, toch niets boven zijn eigen vrouw. Buiten de deur vond men het ware niet, dat had hij aan mevrouw Du Roy gezien; men zocht ten slotte wat men toch niet vinden kon.
En in de overstelping van zijn gevoel, niet meer denkend aan het speelgeld, dat hij immers toch zou terugwinnen, wilde hij haar naar zich toe trekken, maar zij weerde hem af.
„Het is schande, Herman, dat je van dat geld hebt genomen!”
„Ik had op ’t moment geen ander.”
„Dat is het eenige excuus; maar nu zorg je ook, dat het vóór hedenmiddag er weer is, hoor!”
Hij trok een leelijk gezicht.
„Dan moet ik het uit de kas nemen.”
„Nu, dat is goed.”
„Ja maar.… als dan de maand om is, heb ik niet genoeg om ’t logement te betalen.”
Zij zuchtte en streek haar hand langs haar voorhoofd.
„In Gods naam, Herman, maar dit geld moet er zijn.”
„Nu, maak je maar niet boos, kind; ik zal het van middag meebrengen. Straks ga ik even bij den architect aan om het te halen.”
De architect keek zeer verwonderd, toen de ingenieur tweehonderd gulden voor zich uit de kas nam. Hij was een bejaard man en zeer geacht bij zijn chefs. Men had hem nooit ingenieur kunnen maken, omdat hij daartoe te weinig elementaire ontwikkeling bezat, maar aan practische bekwaamheid ontbrak het hem niet, en al stond hij in rang onder Van Brakel, dan had hij toch een grooter inkomen. [173]
Met Willert was hij samen als opzichter in dienst getreden, en met den hem sedert zoo ver voorbij gestreefden oud-collega hield hij nog steeds een vriendschappelijke briefwisseling, die ook wel eens dienstzaken betrof. Hij was de man, die „een oogje” moest houden op het doen en laten van Van Brakel en hij wist ook, waarom de hoofdingenieur dat noodig achtte. Dat dit een zeker minder loffelijke spionnage was, zag hij volstrekt niet in; hij meende met Willert, dat diens verantwoordelijkheid tegenover „dan lande” medebracht, dat hij zóó en niet anders handelde.
De architect had van den steiger van het in aanbouw zijnde schoollokaal gezien dat er iets bijzonders was verhandeld tusschen Van Brakel en den Chineeschen aannemer. De afstand was te groot geweest om iets te onderscheiden, maar hij had hen samen zien oploopen langs de rivier, zien stil staan en gebaren maken, en dat had hem lont doen ruiken.
Dienzelfden avond had hij Willert geschreven en juist was hij bezig de enveloppe van den brief te verzegelen, toen Van Brakel om dat geld kwam. Toen de ingenieur weg was, verscheurde de architect zijn brief; hij moest zich vergist hebben; als Van Brakel knoeide met dien rijken Chinees, zou hij geen voorschot behoeven te nemen op zijn traktement.
Jules Geerling zat in een kleine pendoppo genoeglijk een sigaret te rooken en een glas champagne te drinken. Hij strekte de beenen met welbehagen uit over de uitgeslagen armen van een luierdstoel, en glimlachte bij zichzelven om het prettig idee, dat ze nu allen gefopt waren. Het was zoo gemakkelijk geweest! Een vriend.…. nu ja, een kennis, [174]iemand, die hij zag te hooi en te gras, met wien hij nu en dan een praatje maakte of in de sociëteit een partij biljart speelde, had hem in de gelegenheid gesteld zich zoo geheimzinnig weg te goochelen naar dit dicht in het lommer verborgen optrekje, geen tien minuten rijdens van de stad. Het was er zoo lekker, als hij niet dacht, dat het in de laaglanden van Java wezen kon. Slechts tot in het oneindige onderbroken zonnestraaltjes bereikten flauw lichtend de open ruimte onder het dicht gebladerte; het bleef er zoo heerlijk koel, dat men eerst in den namiddag eenigen last kreeg van de warmte; en even ter zijde van het kleine erf ruischte de kali, zacht en gezellig; haast geen ander geluid liet zich hooren; het was, dacht de Amsterdamsche koopmanszoon, alsof ’t hier altijd Zondag was. Nu en dan sloop onder de boomen een inlandsche bediende door of ving een kip haar reproduceerend werk met gekakel aan. Toch zou hij het in die stilte niet hebben uitgehouden, zonder het heerlijk denkbeeld, dat hij bezig was zijn eigen zin te doen à la barbe zijner familie, en dat hij het deed voor Ceciel.
Zij was hem komen opzoeken, en ze had hem dien brief gebracht, vol van oude bekende praatjes over den „ouden heer,” en zijn, Jules, duren plicht om altijd naar de pijpen van dien ouden heer te dansen; maar tot zijn verwondering vond hij geen enkele zinspeling op „die meid.”
Ceciel moest hem het bezoek haarfijn vertellen, en hij gierde het uit en draaide met zijn lichaam van pleizier, toen hij hoorde hoe zij den chef van zijn kantoor de waarheid had gezegd. Zij moest het woord voor woord herhalen, en daarbij keek hij haar voortdurend aan, vol bewondering voor die kalme, welbespraakte [175]schoonheid met albasten gelaat en de groote, donkere oogen. Met belangstelling vernam hij ook, dat zij hevige standjes had gehad met mevrouw Du Roy, die woedend was geweest toen Ceciel haar lachend vertelde, waarom de vendutie van Van Brakel niet was doorgegaan en tante dus geen beslag kon leggen op het vendu-accept.
Mevrouw Du Roy was kwaad weggeloopen, maar toen ze hoorde van de geheimzinnige verdwijning van Geerling, hield ze het niet langer uit, sloeg een sjaaltje om de schouders en ijlde naar het huis van haar zuster.
„Zeg, Ciel, zeg, waar is-t-ie?”
Zij dacht voor ’t minst, dat hij zich onder het ledikant van haar nichtje verborgen hield.
„Ik kan het u niet zeggen.”
Mevrouw Du Roy werd bleek van drift; haar oogen fonkelden.
„Het staat je nogal mooi, Ciel, mij zóó te behandelen.”
„Ik weet niet eens, dat ik u behandel.”
„Ja, je bent vinnig genoeg. Maar ik heb je altijd goed behandeld, zie je, van dat je een klein kind waart, en nu doe je alsof ik een vreemde ben. Ciel, dat is niet goed van je, hoor! Het is gemeen en leelijk.”
Het meisje glimlachte. Wat moest ze het mensch antwoorden? Het was waar, dat tante Du Roy altijd erg royaal tegenover haar was geweest, maar ’t had ook slechts weinig gescheeld of de omstandigheid, dat deze luxurieuze vrouw haar tante was, zou haar, Ceciel, een plaats hebben bezorgd in den kapperswinkel der heilige Catherina. Aan den anderen kant echter woog de toekomstige erfenis. [176]
„Wat wilt u dan?” vroeg ze. „Hier is Geerling niet, dat spreekt vanzelf.”
„Kom, kom! Waarom zou hij niet hier wezen? Hij kan immers nergens beter zijn. Toe, Ciel, zeg me nu eens waar hij is. Laat me eens kijken waar je hem verstopt hebt! Ik zal het waarachtig aan niemand zeggen!”
Haar heele wezen lachte toen ze sprak. Zij vond het nu toch zoo’n heerlijk idee een jongen man te verbergen in een vrouwen- of meisjeskamer! Wat haar betrof,—zij had er met het grootste genoegen een dozijn verstopt, als het noodig was geweest.
„Hij is heusch niet hier, tante; geloof me dan toch,” hield Ceciel vol, zich halfdood ergerend.
„Hè, wees toch niet zoo flauw! Wat komt het er nu opaan? Je behoeft voor mij immers zoo kinderachtig niet te wezen. Je weet heel goed, dat ik je graag alles gun. Toe Ceciel, laat me nu eens zien waar hij zit.”
Het meisje zuchtte. ’t Was onmogelijk, dat zag ze wel, haar tante te overtuigen.…
„Nu, kom dan maar mee.”
Mevrouw Du Roy volgde Ceciel in haar kamer. Zij liep zachtjes op haar teenen en vol nieuwsgierigheid met vooruitgestoken hoofd.
Het zag er lief en comfortabel uit. Ceciel ging zitten, nam uit een la van haar toilet een sleutelbosje en wierp het op de tafel.
„Ziedaar tante, daar hebt u al mijn sleutels; zoek nu zelve maar overal of u Geerling vinden kunt. Anders gelooft u me toch niet.” [177]
De uitdrukking van zelfvoldoening op ’t gezicht der tante viel als het ware, en werd gevolgd door een van teleurstelling.
„Maar ben je hem dan kwijt, Ciel? Waar is hij dan?”
„Hij is bij een vriend van hem buiten de stad. Ik zal u wel zeggen bij wien, als gij mij ernstig belooft het niemand te vertellen.”
Ja, dat bezwoer mevrouw Du Roy, en toen gaf Ceciel haar een verkeerd adres op, wel wetend dat zij toch den mond niet kon houden.
Met het grootste vermaak en de levendigste belangstelling had Geerling het aangehoord. Het wond hem op, en daar zij alleen thuis was, geneerde hij zich niet en omhelsde Ceciel, die zich dit met blijkbaar genoegen liet welgevallen, zóó zelfs dat Geerling, door de omstandigheden en de omgeving in verzoeking gebracht, zich vrijheden wilde veroorloven, die als preliminairen haar gevaarlijke zijde hadden. Zij had dat kunnen verwachten, en ze had dat ook wel een beetje verwacht, maar in het volle besef, dat zijzelve een niet te verrassen schildwacht was voor de benting harer deugd, deerde haar dat niet; een klein maar beslist gebaar, een blik en een glimlach, dacht ze, zouden Jules altijd terughouden.
Maar dien ochtend was er meer noodig. Het scheen dat de weelderige natuur, die hem daar in dien pondok omringde, en die in kleuren en geuren het lied zong der vermenigvuldiging, zeer op zijn zinnen werkte. Hij kuste haar niet langer met de reserve van een ernstig galant, maar met een hartstocht, die haar direct deed gevoelen hoeveel water hij noodig had in den wijn zijner liefde; hij kuste haar, waar [178]hij kon; zij weerde hem af, eerst zachtjes, maar dat scheen het kwaad te verergeren; hij keek haar aan met kleine oogen en met den dommen beotischen glimlach der opgewekte drift op het gezicht.
Zij vond hem leelijk zoo, en dat gaf haar meer kracht, wat dan ook zeer noodig was, zóó zelfs, dat het lieflijk samenzijn haast ontaardde in een worsteling, waarin hij, Jules Geerling, geen overwinnaar bleef, en slechts een paar knoopen van het kleedje van Ceciel het moesten ontgelden. Trouwens hij had, dit schoot hem daar plotseling te binnen, als overwinnaar een zonderling figuur gemaakt, want zonder dat hij het zoo dadelijk had bespeurd, was, bij den krachtigen tegenstand dien hij ontmoette, en die decentralisatie van kracht eischte zijnerzijds, de woede geweken, en eigenlijk was hij niet eens ontevreden over het resultaat.
Ceciel was verontwaardigd, of scheen het althans.
„Het is schandelijk, Jules.….”
„Wees niet boos, Ciel.”
„Het is dubbel schandelijk tegenover mij. Hoe ik je vertrouwd heb, bleek uit mijn komen hier, bij je.…. alleen.”
„Ja zeker. Toe, Ciel, neem het mij niet kwalijk. Wees niet zoo boos.”
„Niet boos zijn.….”
„Neen,” viel hij haar in de rede, „toe vergeef het me; ik kon er waarachtig niets aan doen. Maar het zal nooit weer gebeuren, dat verzeker ik je.”
Zij ging zitten in een theatrale houding en drukte haar zakdoek voor de oogen. Hij liet zich neder op zijn eene knie naast haar en greep haar hand. [179]
„Lieve engel, wees nu niet bedroefd. Ik bezweer je, het zal nooit weer gebeuren.”
Het was of zij snikte, en toen hij dat hoorde, zwoer hij nog meer en vroeg haar zóó dringend excuus, dat zij hem weder in genade aannam onder belofte van beterschap.
Een koeltje ritselde door de bladen en streek langs de donzige krulletjes in haar hals; zij sloeg langzaam den blik in het rond. O, als Geerling eens de man was geweest naar haar hart! Een zucht vloog dien onbekende te gemoet. Het was toch beter zóó, dacht ze; men hield er zijn verstand bij!
Maar Jules kon dáár niet blijven. Die omgeving werkte bij het luie leven, dat hij leidde, blijkbaar te veel op zijn gemoed, en daardoor ontstond een ander gevaar, dat begreep ze. De bewoner zelf hield daar een inlandsche huishoudster; niets waarborgde Ceciel, dat op een goeden dag Geerling niet door dat verderfelijke voorbeeld zou worden aangespoord tot navolging, en dat was het grootst denkbare gevaar voor haar trouwplannen. Er blonk iets in haar mooie oogen, toen zij dacht aan die helsche bruine vrouwen, wier gemakkelijke levensopvatting zooveel Europeesche meisjes in Indië doemt tot de zuurbier-toekomst. Ze had ze kunnen vermoorden, als ze dat ongestraft had mogen doen; ze haatte die schepsels met een onverzoenlijken haat; zij waren het die de Indische meisjes beroofden van haar toekomstige echtgenooten; die den gloed der jongelingen verteerden tot de asch van cynisme en geblaseerdheid; zij waren de kanker der Europeesche samenleving met haar huwelijks-surrogaat „buiten bezwaar.” [180]
Ceciel had haar altijd verafschuwd, en nu vreesde zij haar mogelijken invloed op Jules.
„Je kunt hier niet blijven wonen.”
„Hè, waarom niet? Het is hier lekker.”
„Toch blijf je hier niet wonen, Jules.”
„Maar lieve Ceciel, wat moet ik dan?”
Ja, dàt wist ze op het oogenblik niet; maar de vrees voor de inlandsche huishoudster was zóó sterk, dat haar gewoon helder oordeel er onder leed, en als zij op dat oogenblik van twee kwaden het minst slechte had moeten kiezen, dan had ze nog liever haar principes over den pagger gegooid en Geerling „geborgen” à la madame Du Roy, dan hem hier voortdurend te laten wonen, alleen onder hetzelfde dak met een inlandsche njai.
„Ik zal je schrijven,” zei ze na een oogenblik. „Hier kan je niet blijven.….”
„En in het publiek kan ik onmogelijk allen braveeren en zeggen, dat ik mij slechts aan dwang zal onderwerpen. Daarbij: de oude heer is tot alles in staat, ook tot dwang.”
„Neen, neen; dat moet ook niet. Ik ben het op ’t moment nog niet met mijzelve eens; wacht maar tot je een brief van me krijgt.”
De brief kwam des middags en beviel hem maar half. Zij had een paar kamers voor hem gehuurd aan den anderen kant der stad; de menschen zouden het stil houden; de lust kwam bij hem op zich te verzetten, maar daarvan zag hij af, naar hij meende uit liefde en uit vrije beweging, maar metterdaad omdat hij niet durfde.
Zij kwam werkelijk met een grooten gesloten huurwagen [181]geheel alleen, en hij vertrok naar zijn onbekende woning, waarvan Ceciel het adres opgaf aan zijn bediende, die met de koffers volgen zou.
Het was ten slotte een gekke expeditie, meende Geerling, en lachend zei hij:
„Het is alsof ik geschaakt word.”
Zij lachte mee, maar voelde dadelijk dat er in die uitdrukking iets lag, dat niet goed was.
„Hoe flauw! Het heeft er meer van alsof ik word geschaakt.”
„Ik wou dat het waar was.”
„Ei, en waarom? Is het niet beter zóó?”
„O ja; alleen vind ik het vervelend, dat het zoo lang moet duren.”
„Klaag je nu al?”
„Je moet denken, dat het mijn gewoonte niet is schuilevinkje te spelen. Voor een week of wat gaat het; maar het aardige is er gauw af. En nu nog maanden.…”
„Ik wist niet, dat je zoo weinig voor me over hadt,” zei Ceciel met een zucht.
„Och, lieve, dat weet je immers wel beter, maar ik mag toch wel zeggen, dat het vervelend is.”
Het gesprek viel haar niet mede. Zou ze haar doel voorbijgestreefd hebben? Wat zou hij zeggen van dat nieuwe kwartier? Toen ze het erf opreden, bespiedde zij zijn gezicht.
„Dat ziet er zoo kwaad niet uit van buiten,” riep hij over het lederen kleed kijkend, dat gesloten was om hem te maskeeren.
„O, het is een zeer lief huis,” antwoordde Ceciel blijde: „het zijn ook zeer nette kamers en goede, vriendelijke menschen.” [182]
Het was een huis met een bovenverdieping; zindelijk, goed onderhouden en eenvoudig Indisch, maar behoorlijk gemeubeld. Zij gingen een trap op, waaraan geen Indische oude dame zich zou gewaagd hebben, en kwamen op een groot naakt portaal met een bruin geverfden houten vloer, een groenen zolder en verblindend witte muren; hun schreden klonken luid en hol.
„Dat portaal is vervloekt ongezellig,” meende Jules.
„Ze moeten er een mat leggen en gordijntjes hangen voor de ramen, en wat schilderijen aan de muren.”
„Juist.”
„Weet je wat? Ik zal het zelf wel doen; ik kom hier elken dag een uurtje meubileeren.”
„Heerlijk! Maar zal je ma het willen hebben?”
„Nu, ik denk het wel. Ik zal maar beginnen met het te doen, zonder het te vragen.”
De kamers bevielen hem uitstekend, het was er veel zindelijker en netter dan in den pondok. Maar plotseling stond hij stil voor het venster en mompelde een vloek; de ramen zagen uit op het kerkhof. Groote zwarte letters op witten grond staarden hem in de halve duisternis van het wijkend daglicht spookachtig uit de verte aan: Memento Mori!
„Je moet me niet kwalijk nemen, lieve Ciel, maar ik kan hier onmogelijk wonen.”
„Waarom niet?”
Hij wees met uitgestrekten arm naar het reusachtig frontespies.
„Dat wil ik niet den heelen dag voor mijn neus zien; ik moet er niets van hebben.” [183]
„Kom, wees toch niet kinderachtig.”
„En dan de miasmen?”
„Die komen zoo hoog niet; daar zal je hier geen last van hebben.”
„En het lijken-luchtje? Ik ruik het al,” zei hij met kluchtige vrees de lucht opsnuivend. „Had me in Godsnaam maar daar buiten gelaten. Wat hadt je toch tegen dien pondok?”
„Dat zal ik je bij gelegenheid wel eens zeggen.”
„Nu, maar ik ga dadelijk weer met je mee; ik logeer nog liever in het eerste logement het beste, dan hier in het gezicht van dat kerkhof.”
„Dus je wilt naar Europa gaan?”
„Maar Ciel!”
„Kan ik het anders uitleggen? Hoe kan nu een man zoo’n afgrijzen hebben van een begraafplaats!”
„Ja, ik kan het niet helpen, maar ik vind het beroerd.”
Zij praatten er over, maar kwamen tot geen resultaat; eindelijk riepen zij de vrouw des huizes, een eerzame Indo-Europeesche, en deze loste het geschil op door aan Geerling de twee kamers af te staan, aan den anderen kant van het huis; die hadden het uitzicht op den publieken weg, en dat beviel hem beter, althans hij nam er genoegen mee.
Toen Ceciel heenging, zag ze in de voorgalerij een baboe met een kind op den arm; het was een jonge mooie Javaansche vrouw. Driftig schokschouderde ze. Wat waren die dames toch dwaas, zulk volk in haar huis te halen. Alsof het voor een cent te vertrouwen was, dat inlandsche vee!
„Wel, hoe bevalt het hem?” vroeg haar moeder, over haar [184]bril heenkijkend. De oude vrouw zelve had dit asyl voor den zich schuil houdenden Geerling gevonden.
Ceciel lachte.
„Hij heeft zoo het land aan dat kerkhof.”
„Dat dacht ik wel. Nu, ik zou je ook danken.”
„Ja, ik kan hem ook geen ongelijk geven; maar hij moet er maar aan gewennen, ma.”
„Weet je waar het nu veel van heeft, Ciel?”
„Nu?”
„Alsof wij hem gevangenhouden.”
„Wat zou het, ma? Als ik het betoel kon doen, geloof me, ik deed het.”
Zij lachten beiden en keken elkaar veelbeteekenend aan.
„Ik wist niet, dat je zóó verliefd waart.”
„Toch ben ik dat, maatje. Jules is voor mij als geknipt; maar eerst moeten we terdege getrouwd zijn.”
Ceciel ondervond, dat zoo Geerling de tijd lang scheen, die nog vóór zijn meerderjarigheid moest verloopen, zijzelve niet minder daartegen opzag. Zij had zich geheel met het denkbeeld mevrouw Geerling te worden vereenzelvigd, en zij kon het niet meer loslaten; het zou verpletterend zijn. ’t Was niet het sexueel verkeer, dat haar aantrok. Zij zou een goede vrouw zijn ook in dat opzicht; maar al was zij een fatsoenlijk meisje, onschuldig in den zin van onwetend was ze niet; de aantrekkelijkheid van het geheimzinnige, van het onbekende bestond niet voor haar. Dáár wist ze alles van, en in dàt opzicht zou een huwelijk slechts het amen zijn, dat noch onverwacht zou komen noch verrassend, en waarvan ze niet meer verwachtte, dan het zou blijken waard te zijn. [185]
Wat haar aantrok, was het leven in Europa in den gegoeden fashionabelen stand. Zij was maar weinig uit geweest in Indië; de middelen haars vaders veroorloofden het niet, en zij had er ook weinig genoegen in. Wat was het eigenlijk?
Maar zij kon uren aan uren zich half blind zitten staren op de platen der Europeesche illustraties, als die het leven en bedrijf weergaven in de groote steden. Zoo’n fraaie coupé met een paar mooie paarden er voor en een correcten Europeeschen koetsier in nette livrei,—dat was wat anders dan het geuren in Indië met een halfsleten „wagen” en een toegetakelden aap op den bok; die reusachtige balzalen met tallooze kroonlampen en gebeeldhouwde zolderingen; die rijk getoiletteerde menigte,—welk een verschil met de povere imitaties hier! die ruime straten vol opgewekte menschen, drentelend op de geplaveide trottoirs langs de spiegelruiten, waarachter zooveel schoons in oneindige afwisseling was tentoongesteld:—daarheen vloog haar verlangen, en zuchtend keek ze naar den saaien, eentonigen weg, waarop wat half gekleede inlanders hun vuile voeten bewogen.
Zij had zich in het Europa harer droomen zoo vastgewerkt, dat zij er niet meer uit kon komen. Naarmate de kans om tot een huwelijk met Geerling te geraken grooter en grooter werd, was het verlangen dat leven mede te genieten krachtiger geworden; thans was het onoverwinnelijk; zij zou en zij moest hem hebben, en niets zou haar daarin kunnen tegenhouden, zoolang hijzelf maar wilde. En sedert Geerling nu de onmisbare voorwaarde was geworden voor haar levensgeluk, ijsde zij bij het denkbeeld, dat hij haar op de eene of [186]andere wijze kon ontgaan; al was ze doodelijk van hem geweest, dan nog had de gedachte, „dat er toch wel eens niets van komen kon,” haar niet pijnlijker kunnen aandoen; het ontnam haar soms de gewone helderheid van geest; het maakte haar zenuwachtig; geen offer, dat ze niet had gebracht voor de zekerheid binnen vier en twintig uren zijn vrouw te worden.
Toen ze uitging om inkoopen te doen voor het meubileeren van ’t portaal van Jules, vroeg haar moeder:
„Ben je nu van plan daar dikwijls heen te gaan?”
„Zeker; als ik tijd heb elken dag. Hij verveelt zich anders dood de arme jongen.”
„En dan ben je daar boven met hem alleen?”
„Nu, wat zou dat?” vroeg Ceciel glimlachend; ze wist heel goed wat haar moeder bedoelde.
„Omdat het veel te gevaarlijk is.…. Ja, Ceciel, je moet nu niet zoo den neus optrekken voor hetgeen ik zeg. Je zoudt de eerste niet zijn, noch de laatste, die te veel zelfvertrouwen toonde te hebben.”
„Dat weet ik niet; ik geloof dat die anderen nooit aan zelfvertrouwen hebben geleden, maar dicht bij het vuur gingen om zich te branden.”
„Het is heel scherp en hard, Ceciel. Pas zelf maar op. Die staat, zie toe.….”
Ceciel stopte haar ooren dicht en liep heen. Welk een mensch was toch haar goede moeder! Dat werkte met bijbelteksten! Die menschen uit den vroegeren tijd waren toch allen eender! Bijbelteksten op de tong en dwaasheden in het hart; heel sterk in praatjes, maar kwam het op daden [187]aan, dan zonken ze voor elken schakel. Goddank, zij stoorde er zich niet aan; zij zou haar deugd niet richten naar huichelachtige femelarij; zij zou doen wat haar verstand haar zei, en aan haar verstand wilde zij haar deugd ondergeschikt maken. Zij was in dat opzicht haar eigen meesteres en geheel zonder contrôle, want haar moeder had reeds lang geen gezag meer over haar, en die goede onverschillige papa moest men met zulke dingen niet aankomen, want dan mopperde hij en zei, dat hij het „verdomde” om als schildwacht te dienen; dat Ciel maar zelve moest weten wat ze deed, want ze was oud en wijs genoeg.
Zij kocht de matten met opzet wat groot; dan hield het pasklaar maken nog een beetje aan; dat was weer tijd gewonnen. Ze kocht een paar nieuwe Fransche romans en nog een en ander, waarmede zij dacht dat ze hem genoegen zou doen.
Toen ze het erf opreed met een wagen vol goed, stond hij voor het venster en zag haar aankomen. Verheugd liep hij naar beneden haar te gemoet.
„Dat is lief van je, Ciel. Ik had niet gedacht, dat je al zoo spoedig die moeite zoudt doen.”
Zij kusten elkaar.
„Ik moet je hier toch in dit graf ’t leven ’n beetje aangenaam maken. Kom, help me maar eens uitpakken.”
Zij maakten een gezellige drukte van aanbelang; alle bedienden van den hospes kwamen er aan te pas.
Toen alles boven was, en zij samen aan het arrangeeren waren, beviel het Geerling hoe langer hoe meer.
„Het is net,” zei hij, „alsof we aan het meubileeren van ons huis beginnen, vindt je niet?” [188]
„Hm, hm!” zei ze met eenigszins afgewend gelaat om den spottenden glimlach te verbergen, want ze dacht:
„Het verschil zal je wel gewaarworden in je beurs als het zóó ver is.”
Ze wist het zóó geruimen tijd hem naar den zin te maken; zij kwam elken ochtend een paar uren en bracht hem telkens iets nieuws mee, hetzij op zijn verzoek en voor zijn geld, dan wel als een verrassing van haar kant. Maar zij voelde, dat aan dit leven spoedig een einde moest komen. Zij was zeker niet op hem verliefd, maar ze dacht toch op minder hooghartige wijze over de eenvoudige raadgeving harer moeder. Het was gelukkig dat Jules voor eens en voor goed was afgebluft, want onder dit vrij en ongehinderd samenzijn elken dag, waren er tot haar verbazing en vrees oogenblikken geweest, die hoogst gevaarlijk hadden kunnen worden. Hij klaagde erg over zijn vervelende avonden; daar hij nu toch zich reeds geruimen tijd had schuil gehouden en niemand meer ernstige pogingen deed om hem te ontdekken, sprak zij met hem af, dat hij voortaan maar liever des avonds bij haar aan huis zou komen. Nu en dan wat vroeg; dan kon hij blijven eten. Zag men hem, in Godsnaam!
Van Brakel had zelden zoo’n kalmen tijd gesleten, als de laatste maanden. Hij ontving geregeld het geld van den Chinees en droeg het af bij Lucie, die het op haar beurt aan den advocaat zond.—Wel was hij achteruitgegaan in zijn gewonen doen, en zat hij vrij dik in de schulden in het kleine plaatsje, maar dat hinderde nog niet. De aannemer, vond hij, maakte geen misbruik. Het geleverde materiaal [189]was draaglijk goed en de hoeveelheid kon ook zooveel niet schelen; het is zeker, dat hij het vroeger zou hebben afgekeurd, en hij toen bij nameting zou hebben gezien, hoeveel er ontbrak dat als aanwezig zwart op wit stond vermeld. Maar eenmaal aan het knoeien, vond hij het al heel wel, dat hij niet meer dan één oog behoefde dicht te doen. Het zou, meende hij, alles kalmpjes afloopen; het werk zou klaar komen op tijd, en dan was hij gereed om naar elders te verhuizen, want voor gewoon onderhoud had men daar geen ingenieur noodig.
Zoo vlood het leven zonder veel zorgen voort; hij maakte druk partijtjes, dronk een stevig glas, smulde met zijn vrouw binnenskamers, als het eten in het logement niet lekker genoeg was, en zij, veel geld uitgevend om de kinderen op te voeden in vetmesterij en veelvraterij, nam er ook terdege het hare van. Ze werden zeer dik. Niet zoo, dat zij het alleen opmerkten, maar het trok de aandacht, en de ingezetenen van het plaatsje zeiden lachend, dat de lucht daar dien ingenieur en zijn vrouw en kroost goed deden.
Ze hadden de gewoonte ’s morgens heel vroeg den grooten weg langs het logement een eindje op en neer te wandelen. Lucie eenigszins waggelend, door het overwicht harer dikke schouders en armen, die uit de kabaja schenen te willen barsten, maar matblank van gelaatskleur: hij met een rood verbrand gezicht, omlijst door zijn blonden krullebol en in de verte glinsterend door den gouden bril, dien hij op den neus droeg; in zijn wijde kabaja met een groot overslag zonder knoopen, en in zijn ook zeer wijde katoenen slaapbroek met roode streepjes, scheen hij nog veel breeder en [190]zwaarder dan zijn vrouw. Zoo wandelden ze hoogst gemoedelijk weder langs den weg, toen een reiswagen, dien ze uit de verte hadden zien aankomen, plotseling dicht bij hen stilstond. Een heer met een zwarten ronden hoed op, een zwart jasje aan en een reistaschje aan een lederen riem over den schouder stapte uit. Van Brakel verschoot van kleur; hij kreeg een gevoel alsof een zware last op zijn borst werd gelegd.
Het was de hoofdingenieur Willert.
„Dag mevrouw Van Brakel,” zei hij vriendelijk, „hoe gaat het?”
„Dank u meneer Willert; hoe maakt het uw vrouw?”
„Uitmuntend, dank u. Zij laat u groeten.”
Daarop wendde hij zich half tot Van Brakel. „Excuseer mevrouw!.… Van Brakel, ik wou je wel even spreken.…” en zonder meer nam hij hem mede een eindje ter zijde.
„Ik kom het werk eens inspecteeren.”
„Wel, dat doet me genoegen.”
„Zoo. Je behoeft je geen moeite te geven vandaag. Blijf maar thuis; als ik je noodig heb, kom ik wel even aan of ik zend een boodschap. Adieu.”
Willert stapte weer in zijn rijtuig, na voor Lucie den hoed te hebben afgenomen.
Toen het rijtuig verder reed en Lucie haar man aanzag, schrikte zij van zijn ontsteld gezicht.
„Wat is het, Herman?” vroeg ze angstig.
„Het is.… dat er iets broeit.… dat de bom barst.… dat.… God weet het!”
Zijn stem had geen klank; elk woord kostte hem moeite. [191]
Zij keerden terug naar het hotel. Lucie sprak voortdurend en eenigszins zenuwachtig. Wat kon het wezen? Men kon hem immers niets bewijzen. Het eenige was, dat hij misschien een aanmerking zou krijgen, en wat kon hem dàt schelen. Al werd hij overgeplaatst, dat toch wel het ergste zou wezen, dan was het immers nog zoo verschrikkelijk niet. Maar daarvoor was zij niets bang. Gut neen; Willert was zoo vriendelijk …
„Tegen jou, ja,” viel Van Brakel, die gezwegen had, haar in den woordenvloed. „Tegen jou, maar niet tegen mij. Hij was juist zoo vriendelijk tegen jou om mij te negeeren. Mij heeft hij niet de hand gereikt.”
„Dat kan toevallig wezen.”
Maar hij liet zich in dat opzicht niet bepraten.
„Dat is niet toevallig onder mannen, die elkaar kennen en die elkaar in zoo langen tijd niet hebben gezien.”
„Ga je nu niet naar het werk?”
„Wel neen,” barstte hij los in een vlaag van woede. „Je hebt het immers gehoord: als hij me noodig heeft, zal hij me wel laten roepen.”
„Maar dat is infaam! Op zoo’n manier kan hij wel alles van je zeggen.”
„Natuurlijk. Dáárom is het hem te doen; dáárvoor heeft hij me immers al sedert jaren gezocht.”
Zij zetten elkaar op tegen Willert. Een handeling als de zijne was schandelijk. Op zulk een wijze als een bom uit de lucht te vallen en dan alleen naar het werk te gaan, natuurlijk om achter den rug van Van Brakel te konkelen met ondergeschikten,—nu dat kon men alleen verwachten van [192]zoo’n ex-werkbaas; een welopgevoed man zou zoo iets niet kunnen doen.—En naarmate zij meer doordrongen geraakten van de overtuiging, dat de wijze van doen des heeren Willert unfair, ja gemeen was, schenen zij Van Brakels schuld uit het oog te verliezen; zij drongen die al pratend op den achtergrond; de leugen overtoog hun geest als een lijkwâ, en ze eindigden met zichzelven en elkaar diets te maken dat er tegenover Van Brakel een groote onbillijkheid stond begaan te worden; dat hij onrechtvaardig werd bejegend en volkomen onverdiend werd verdacht.
Aan de rijsttafel in het hotel spraken zij er luide en met verontwaardiging over. Lucie het ergst. Zij ging nog gemakkelijker op in den leugen dan haar man.
Er zaten maar enkele gasten aan tafel, en die hoorden het aan met meer geveinsde dan werkelijk gevoelde verontwaardiging; ze gaven toe, dat het een gemeene behandeling was.
„En dat tegenover iemand als Van Brakel,” zei Lucie met vuur. „Juist hij heeft zich nooit met iets ingelaten, en is altijd even streng en even eerlijk geweest tegenover de Chineezen. Maar het is hier een troep! Wie niet meeknoeit, wordt gehaat en verdacht gemaakt.”
Toen ze zóó vergat, hoe ze aan het geld kwam voor mevrouw Du Roy, schrikte Van Brakel en keek haar een oogenblik met verbazing aan. Hij voelde niet, wat er gaande was in den geest dier anders zoo eenvoudige, gemoedelijke vrouw; hij begreep niet, dat tegenover het gevaar, hetwelk haar man en kinderen dreigend naderde, de gewone levens-moraal voor haar in het niet zonk; dat in haar ziel de tijgerin ontwaakte, [193]die haar hol met klauw en tanden tegen aanranding verdedigde. En voor haar, als vrouw in de Europeesche samenleving, stelde het woord den klauw en tanden voor; dat woord was haar eenig weermiddel, en dat gebruikte ze onverschillig of het was om te liegen of om de waarheid te spreken,—als het maar strekken kon tot verdediging van hen, die ze liefhad.
Het scheen dat de hoofdingenieur Willert den ingenieur Van Brakel niet noodig had, althans men hoorde niets meer van hem, en zag alleen des middags zijn gesloten reiswagen weder naar de kustplaats vertrekken. Zelf had Willert het onaangenaam gevonden, dien maatregel te nemen; maar na rijp beraad had hij het toch ’t beste geacht. Indien waar was, wat hem ondershands werd bericht, dat Van Brakel knoeide met den aannemer, en materiëel goedkeurde, dat bepaald afgekeurd moest worden, dan zou hij, Willert, indien zij samen er heen gingen, daarover onaangename aanmerkingen moeten maken, die noodwendig tot dadelijke standjes hadden geleid, want hij wist hoe brutaal en recalcitrant Van Brakel altijd in ’t bijzonder tegen hem was geweest. Wat zou dat teweegbrengen? Het zou gehoord worden door ondergeschikten, en dus zeer schadelijk zijn voor het ambtelijk prestige; het zou, en dat woog bij Willert het zwaarst, op hemzelven een indruk maken, die wellicht van invloed kon zijn op het door hem uit te brengen rapport.
Nauwelijks had hij het aangevoerde en deels reeds verwerkte materiaal gezien of het was voor zijn practischen blik zonneklaar, dat wat de architect hem geschreven had, niets was dan de zuivere waarheid; stil en alleen ging hij [194]rond, noteerend in zijn zakboekje; nu en dan vroeg hij iets aan een opzichter, maar dan kreeg hij zonderlinge antwoorden; ontwijkende antwoorden, die hem deden zien, dat die menschen het alles reeds lang hadden bespeurd, maar te veel hielden van hun chef om iets ten zijnen nadeele te willen zeggen. Willert ging in de loods, nam er inzage van de boeken, de staten en lijsten; noteerde er nog eenige cijfers uit, en na de werken op die wijze te hebben nagegaan, vertrok hij. Toen hij zijn ouden vriend, den architect, de hand gaf, wisselden zij een blik, die voor hen voldoende was en mondelinge toelichting overbodig maakte.
Van Brakel ging zijn gewonen gang, en deed op het werk alsof er niets was voorgevallen; hij wist thans, dat hij bespionneerd was en ook door wien. Niemand had het hem behoeven te zeggen; hij begreep dat het geen mensch anders wezen kon dan de architect, en toen hij in de loods de plaats voorbijging, waar de rustige, bejaarde man met ijzige nauwgezetheid zijn werk deed, wierp de ingenieur hem een blik toe, waarin hij meende al den haat te concentreeren, welken hij gevoelde voor Willert en wat hij nu noemde, diens satelliet.
Er kwam na eenige dagen een uitvoerig, geheim schrijven, dat Van Brakel per keerende post moest beantwoorden. Hij deed het en was in zijn brief scherp en brutaal, stoffende op zijn beproefde eerlijkheid als ambtenaar, op zijn goede trouw en zijn dienstijver, hatelijk zinspelend op afgunst en kleingeestigheid, die een fatsoenlijk man ten gronde wilden richten. Hij wist niet, dat men wist wat men wist. ’t Was hem onbekend, dat er buiten hem en Lucie nog anderen waren, op de hoogte van haar aanzienlijke geldverzendingen elke maand; [195]het was haar schuld; zij had het zich op een goeden dag uit den mond laten vallen, tegen de vrouw van den logementhouder, die het verteld had aan de vrouw van den postcommies, die het verteld had aan haar man, die het zijn vriend den architect had medegedeeld, die het gerapporteerd had aan den hoofdingenieur Willert, die het in stilte had onderzocht en thans volkomen op de hoogte was.
Er kwam een nieuw schrijven met bepaalde vraagpunten ter beantwoording, en daarin werd hem duidelijk, dat Willert alles wist. Hij antwoordde met groote brutaliteit; hij ontzegde iedereen het recht zich met zijn particuliere aangelegenheden in te laten; hij weigerde vragen van dien aard te beantwoorden, omdat men niet bevoegd was hem die te stellen, enzoovoort. Het was een antwoord vol exceptiën, maar dat niets zakelijks inhield.
En nu leefden zij in afwachting, maar dat duurde slechts eenige dagen. Toen kwam een besluit en te gelijk een plaatsvervanger. Van Brakel was geschorst in zijn betrekking, totdat nader over hem zou worden beschikt. En alsof alle rampen te gelijk moesten komen, schreef de oude heer Drütlich dat de geldschieter hem van zijn land had afgezet, en hij, ten einde raad, voorloopig zijn intrek kwam nemen bij zijn „geliebten Eidam”, een uitdrukking, die de oude heer altijd gebruikte als hij in een humoristische bui was.
„Heb je het gehoord van den smeerlap?” riep mevrouw Du Roy bij Ceciel binnenstuivend.
Zij werd er niet mooier op; haar onderofficier deed haar aftakelen; zij had als laatste souvenir aan zijn beminnelijkheid, [196]een blauw oog, dat ze vruchteloos onder een laag bedak trachtte te verbergen.
Ceciel kneep de lippen samen. Hoe meer zij zich familiaar maakte met het denkbeeld, dat zij mevrouw Geerling zou wezen, des te erger stuitten haar de ruwe woorden en het losbandig gedrag harer tante tegen de borst; als zij niet vast had geweten, dat mevrouw Du Roy veel geld had en een deel daarvan aan haar, Ceciel, zou komen bij erflating, ze zou het onhebbelijke schepsel reeds lang voor goed het huis hebben ontzegd.
„Wat is er dan gebeurd?” vroeg ze.
„Van Brakel is geschorst.”
„Kasian!”
„Wat kasian! Ben je gek, Ciel? Hij heeft zijn verdiend loon, de smeerlap. Heb kasian met mij; ik schiet er een deel van mijn arme duiten bij in, die ik heb geleend.”
„Dat is wel mogelijk, maar toch spijt het me voor de arme menschen …”
„Maar kind, ben je heelemaal krankzinnig? Spijt het je voor dat wijf, die pauwin, die te trotsch was om iemand aan te zien?”
„Alsof ze geen reden had om u niet aan te zien!”
„Nu ja,” zei mevrouw Du Roy met een lach vol zelfvoldoening. „Mij spijt het alleen om mijn geld; de rest kan me niets schelen. Voor mijn part sterven die lammenadige Van Brakel en zijn wijf van honger in de goot.”
„Waarom is hij geschorst?”
„Wel begrijp je dat niet?”
„Neen, hoe zou ik dat kunnen begrijpen?” [197]
„Wel, waar denk je dan, dat hij het geld vandaan haalde, om mij elke maand af te betalen?”
Ontsteld keek Ceciel haar aan.
Mevrouw Du Roy lachte luid om zooveel onnoozelheid.
„Hoe je dat zou kunnen begrijpen? Wel, het is duidelijk: hij heeft het gestolen van het gouvernement.”
Een oogenblik stond Ceciel als verstomd. Toen overviel haar een storm van drift, die haar anders zoo koel verstand niet in staat was te bedaren. Het kwam in haar op met onweerstaanbaren drang; het „iets”, dat ze in haar karakter had geërfd van den ouden zeeman, haar vader, baande zich met geweld een weg, door alle barricaden van overleg en berekening. Zij stond voor haar tante als een beeldschoone, maar woeste furie, met wijd geopende oogen en een dreigende houding.
„De deur uit, gemeene slet!” gilde ze, en toen mevrouw Du Roy daaraan niet in de volgende seconde voldeed, greep ze haar bij den arm en duwde haar met zulk een geweld de kamer uit, en de binnengalerij in, dat haar schenen in hoogst pijnlijke aanraking kwamen met de uitstekende punten van de sleden der wipstoelen. En ook daar hield zij zich niet op. Een oogenblik later stond mevrouw Du Roy in de buitengalerij als een steenen beeld, terwijl met een luiden slag de deur van haars zusters huis voor haar neus werd dichtgesmeten.
Zulk eene bejegening was echter niet geschikt om van mevrouw Du Roy ontslagen te raken. Zij ging woedend naast het huis om naar achter, waar haar zuster, die van het standje niets had gehoord, hoogst gemoedelijk stond uit te rekenen hoe het komen kon, dat haar kokki vijf centen minder van [198]den pasar had teruggebracht, dan ze aan ingekochte waren kon verantwoorden. De arme mama kreeg de volle laag, en wel zoo erg, dat haar man, die in de achtergalerij stond, zijn gewone kalmte en goedaardigheid verloor, tot ieders verbazing en ontsteltenis mevrouw Du Roy bij den arm vatte en haar onder het uiten van eenige zonderlinge zeetermen hoogst onzacht heen en weer schudde. Nu ontstond een verschrikkelijke huilpartij, waarvoor Ceciels vader dadelijk de vlag streek en op de vlucht ging, evenals de bedak op het gezicht van mevrouw Du Roy; er werden, onder een zee van tranen, verklaringen gegeven, en beiden gingen het huis binnen, naar Ceciel’s kamer.
Maar Ceciel was niet te spreken; zij had de deur van haar kamer met den sleutel gesloten en wilde mevrouw Du Roy niet te woord staan; geen smeeken of dreigen mocht baten. Eindelijk begon mevrouw Du Roy haar luid uit te schelden door het sleutelgat, wat Ceciel’s moeder niet kon verdragen. De twee zusters, reeds half verzoend, kregen het weer danig aan den stok en zouden elkaar in de kondé hebben gevlogen, zoo het departement van marine er zich niet weer mee had bemoeid, op welks aanblik mevrouw Du Roy bleek en scheldende het huis uitvloog, de deur hard achter haar dicht trekkend.
Hoogst opgewonden liep ze naar haar woning. Het zou lang duren voordat ze tegen die ondankbare beesten weer een woord sprak! Welk een gemeene behandeling! Altijd hielp zij hen, dan met dit, dan met dat; laatst had ze Ceciel nog haar prachtigen waaier geleend. Dat was waar ook; dien moet ze dadelijk terughebben en nauwelijks met de voeten in haar voorgalerij, liep ze weer terug. [199]
Intusschen was de tegenpartij tot bedaren gekomen. Ceciel had met haar ouders gesproken. Het kon niet op die manier; ze hadden tante Du Roy te hard noodig; en toen deze het huis binnenstormde, vond zij de familie vrij rustig.
„Mijn waaier! Ik moet dadelijk mijn waaier hebben.”
„Wel,” zei Ceciel heel kalm, „ik zal dadelijk uw waaier halen. Ga zoolang zitten.”
„Ik wil niet zitten bij jullie.”
„Dan moet u maar blijven staan. Ik kan er niets aan doen.”
Met zwoegenden boezem stapte mevrouw Du Roy op en neer, terwijl de vergulde hakjes van haar sloffen bij elken stap kort en droog door de galerij klonken.
Daar haar zuster noch haar zwager een woord zeiden, heerschte er een stilte, die haar nog zenuwachtiger maakte. Zij hield het geen twee minuten vol, maar barstte nogmaals uit in jammerklachten en geween, en toen Ceciel met den waaier uit haar kamer kwam, vond zij haar vader niet meer—die was opnieuw voor het gejammer gevlucht—, terwijl haar moeder en haar tante onder een zee van tranen, elkaar verweten, hoe gemeen zij elkaar behandelden.
’t Mooie meisje zuchtte; dàt was dan toch, vond ze, om naar van te worden. Er moest een einde aan komen. Zoo graag zou ze gezien hebben, dat het nu voor goed uit was geweest met de relatie met tante Du Roy! Nu dat onmogelijk was voor haar ouders, moest er maar zoo gauw mogelijk een eind aan den twist komen.