Met een leuk gezicht, waarop alleen een spotachtig trekje om den mond te zien was, ging ze recht op mevrouw Du Roy toe en reikte haar de hand. [200]
„Wees niet boos, ja, tante? Ik vraag excuus.”
Mevrouw Du Roy straalde van genoegen, maar ze begon toch met een lange redevoering, waaraan echter Ceciel een einde maakte door met een boos gezicht te zeggen:
„Kom, laat het nu uit zijn; ik heb immers excuus gevraagd.”
De vrede was nu hersteld; tante Du Roy bleef rijsttafelen; ze liet zelfs heel veel lekkers halen van haar huis. Nu en dan werd er nog even nagehuild; dat waren de zenuwen; intusschen beloofde mevrouw Du Roy aan Ceciel een gouden ketting; als ze trouwen ging met Geerling kreeg ze een paarlen collier en een wit satijnen kleed cadeau; alvast mocht ze den waaier behouden. „Ceciel,” zei ze, „wist niet hoeveel haar tante van haar hield,” enzoovoort.
Ceciel hield zich goed en toonde zich maar dankbaar bij voorbaat. Als het, dacht ze, maar eerst zóó ver was, dat het huwelijk zoo goed als gesloten was, in welke japon kon haar niet schelen en de ketting was haar ook onverschillig; zooveel was wel zeker, dat ze dan de giften van tante Du Roy zou weigeren, en haar betoel de deur wijzen; dan zou ze de oude lui wel zelf te hulp komen, als die nu en dan iets noodig hadden.
Toen Geerling ’s avonds kwam, vertelde zij hem op haar eigenaardige komieke manier de huilpartij van dien middag; hij gierde van het lachen, vooral om de tegenstellingen, die Ceciel met de grootste kalmte tot haar recht liet komen.
„Je begrijpt,” zei ze, „dat ik niets wil hebben van al haar moois.”
„Och, waarom niet,” zei Jules, „als zij het geven wil, laat ze het dan maar doen. Als wij in Europa zijn, zal niemand [201]vragen of er ook iets is dat van mevrouw Du Roy in Indië afkomstig is.”
Geerling was niet verrast, toen hij des avonds een brief vond op zijn kamer, een brief van het kantoor.
Het was een lang epistel, dat, hoezeer het een goede tijding behelsde, hem onaangenaam trof. Er schemerde eigenlijk in door, dat hij zich gedroeg als een kwajongen, niet doordrongen van het besef, wat hij zijn naam, zijn ouders en zijn verdere betrekkingen verschuldigd was; er stond vrij duidelijk, dat hij bleek volstrekt niet op de hoogte te zijn zijner eigen positie, en dat hij een schande was voor de firma; maar niettemin moest er een einde aan komen aan den tegenwoordigen toestand. Hij werd uitgenoodigd weer als gewoonlijk op ’t kantoor te komen; er zou net worden gedaan alsof er niets was gebeurd. Maar hij moest zijn tegenwoordig verblijf verlaten en weer zijn intrek nemen in het hotel.
Ofschoon het reeds tamelijk laat was, en hij geen voertuig beschikbaar had, keerde hij toch weer naar Ceciel terug. Het huis was gesloten; de luiken waren dicht, en het was zeer donker; de honden blaften hem aan en maakten een geweldig leven; met zijn stok tastend vond hij den weg tot voor het venster van Ceciel’s kamer, maar het venster was gesloten, met een store en bovendien aan den benedenkant door een chassinet, tegen het inkijken.
Hij greep het vensterkozijn, zette de punt van zijn laars op den richel langs den muur, en trachtte door de latjes van de store te kijken. Nu, dat ging gemakkelijk genoeg, maar er was niets te zien, want Ceciel sliep en het ledikant werd door een schutsel gemaskeerd. Toch stond hij een oogenblik [202]in die lastige houding en snoof met welbehagen het lichte odeurtje op, dat door de opening tot hem kwam.
„Ciel!” riep hij zacht. Ontwakend maar zonder te weten wat er aan de hand was en wie haar riep, antwoordde zij werktuiglijk: „Ja- a.”
Hij lachte, riep nogmaals, en nu hoorde ze dat het Jules was. Haastig trok ze een kabaja aan en kwam te voorschijn. Natuurlijk dacht ze aan iets anders.
„Wat is het, wat kom je doen?” zei ze zacht door de store heen.
Hij schoof haar den brief toe.
„Lees dat eens; dat vond ik daareven op mijn tafel.”
„Wacht, ik kom bij je.”
Ceciel riep haar moeder, en liet deze de deur openen; zij vertrouwde ’t spel nog niet. Toen hij binnen was, las ze den brief overluid.
„Wat zeg je er van?”
„Wel, ik vind het uitmuntend; het kan niet beter.”
„Zou het geen foppage zijn?”
„Neen, dat is het niet, Jules. Ze hebben ten deele gelijk. Maar ze doen het zoomin om jou, als om mij; het is hun eigen ijdelheid.”
„Precies! Dat heb ik ook ingezien.”
„Speculeer daar een beetje op, en als ze met praatjes beginnen, dreig hen dan met een groot schandaal; je ziet nu waarvoor ze bang zijn.”
Hij grinnikte.
„Je bent een slimmerd, hoor. Laat ik je een zoen geven.”
Lachend liet ze hem begaan. [203]
„Ik ben blij, dat je het nog bent komen zeggen, Jules. Het is heel aardig van je.”
Hij had graag nog een beetje gebleven, nu hij er toch weer terug was, maar zij zond hem spoedig naar huis; hij wist nu immers dat hij bespied werd, en dat kon thans ook wel ’t geval wezen.
Den volgenden ochtend nam Jules Geerling zijn intrek in een logement, waar hij met groote nieuwsgierigheid door iedereen werd bekeken; hetzelfde gebeurde hem toen hij op ’t kantoor zijn plaats aan zijn lessenaar weer innam. Niemand, echter, zeide iets; hij kreeg weer het weinige, dat hij gewoon was te doen, voor zijn aandeel, en alles ging precies als voor zijn escapade.
Het stelde hem gerust, maar Ceciel niet. Zij had liever gewild, dat er nog verder over was gesproken en hoe Geerling ook trachtte haar te kalmeeren, het baatte niet.
Toch ging de eene week vóór, de andere na, in rustige rust voorbij; hij was overdag op ’t kantoor, en meestal zat hij des avonds bij zijn meisje. Hij wandelde openlijk met haar langs den weg, en dan zag ze er zoo keurig netjes uit en was ze zulk een lieve verschijning, dat eigenlijk niemand het hem kwalijk kon nemen.
Het was op een Zaterdag, dat hij ’s middags uit den toko-wagen stapte, die hem naar het logement reed. In de voorgalerij zat een nieuwe gast in slaapbroek en kabaja; men kon het hem aanzien, dat hij pas uit Europa kwam, en daarbij in de open lucht leefde, zoo blozend en kerngezond zag hij er uit.
„Zoo, meneer Geerling,” riep hij lachend. „Hoe gaat het?” [204]
„Wel, dag commandant, hoe maakt u het?”
Zij wisselden een hartelijken handdruk; het was de gezagvoerder van den stoomer, waarmee Geerling was uitgekomen. Jules nam een stoel en informeerde naar mede-passagiers, en de gezagvoerder, die geheele tot den dag bijgehouden registers van den burgerlijken stand in het hoofd scheen te hebben, wist precies te vertellen, wat er met dezen en genen was voorgevallen.
„Wanneer gaat u weer terug?” was de gewone slot-vraag van den oud-passagier.
„Ik weet het nog niet. Apropos, komt u niet eens ’n kijkje nemen aan boord?”
„Welzeker, heel graag.”
„Nu, ga dan morgen met me mee; morgenochtend om ’n uur of acht.”
Het jonge mensch trok een bedenkelijk gezicht.
„Acht uren is nog vroeg. Het is Zaterdag-avond en ’t wordt allicht een uur of twee vóór ik naar bed ga.”
„Doe dan als ik en blijf thuis.”
„Het is hier zoo gloeiend vervelend in het hotel.”
„Weet je wat, laat ons samen naar de sociëteit gaan, tot twaalf uren een partij biljart spelen en dan naar kooi.”
Nu, dat vond Geerling goed. Hij ging alleen naar de sociëteit Zaterdagsavonds omdat het een soort gewoonte was, en hij bleef er zitten en dronk er cognacjes uit verveling, meestal tot laat in den nacht.
Dien avond amuseerde hij zich. De kapitein was een vroolijk en opgeruimd man, met zooveel vrienden en kennissen, dat hij onder het maken van elke partij biljart wel vijf en [205]twintig handdrukken moest uitdeelen. Maar hij dronk matig, en zij gingen in de meest normale stemming naar het hotel terug.
’s Morgens vóór zessen werd Geerling al gewekt door den kapitein, en klokke zeven zaten ze aan het ontbijt in de lange achtergalerij; de kapitein was bijzonder opgewekt.
„Je moet maar niet veel eten,” zei hij. „Ik heb bij mij vrij wat beter ontbijt. Bewaar je honger voor aan boord.”
„Dat is waar ook,” antwoordde Geerling, een ei van twijfelachtigen geur ter zijde leggend. „We moesten maar dadelijk gaan.”
Doch de kapitein moest nog even naar achteren om af te rekenen met den hotelhouder, en schoon Geerling altijd had gehoord, dat de gezagvoerders van mailbooten met Indische logementhouders weinig hebben af te rekenen, duurde het toch geruimen tijd, en kwamen ze in druk gesprek naar voren.
„Het heeft ’n beetje lang geduurd, hè?”
„Ja, nogal.”
„Ik had nog een paar commissies voor hem.”
Zij stapten in het rijtuig, reden naar den Boom en gingen met de sloep van den gezagvoerder naar de reede, waar de stoomer ver buiten lag.
Er waren weinig passagiers aan boord, en er zouden er van hier ook maar twee gaan; de rest zou te Batavia komen. De kapitein ging even heen om het een en ander te regelen, maar hij kwam gauw terug, nam Geerling mede naar zijn hut, en liet een flesch champagne opentrekken.
De lucht was een beetje wazig; de stralen van de ochtendzon vielen er nog maar flauwtjes door; het zeewater kabbelde in [206]groenblauwe korte golfjes tegen de verschansing; door de ramen van de bovendekshut, waarvoor, half dicht geschoven, groen saaien gordijntjes aan koperen roeden fladderden, had men aan den eenen kant het uitzicht op de rijk bezoomde kust en het zacht oploopend gebergte met een achtergrond van blauwe massa’s, welker flauwe lijnen de effen lucht braken; aan den anderen kant de horizon. Het was er erg gezellig, en het eenige, wat Geerling hinderde, was het geratel van de stoomlier, die de colli’s optrok uit de prauwen langszij en ze met donderend geweld neersmakte bij de stuwers in het ruim.
De commandant had zijn armen gelegd op de kleine mahoniehouten tafel, en in zijn dikke, harige hand, wiegde hij zachtjes het glas lichtgele champagne, dat met een laagje teeder helderwit schuim bedekt en met de omhoogrijzende luchtbelletjes, er uitlokkend uitzag; hij keek Geerling aan, die met kleine teugen zijn glas ledigde, en een spottende glimlach trok de hoeken van zijn breeden mond omlaag.
„En nu gaan we samen weer eens een reisje maken.”
Geerling keek even op; hij lachte.
„Nog niet. Het volgende jaar, dat beloof ik u. En dan ga ik niet alleen mee; dan doe ik mijn huwelijksreis met deze boot.”
„Het is mogelijk, als ge vóór dien tijd in Indië terug zijt.”
„Terug zijt?”
„Welzeker. We gaan nu samen naar Amsterdam. Dat is zoo afgesproken.”
„Hoe flauw,” lachte Geerling, maar in zijn binnenste kwam een onaangenaam gevoel op.
De kapitein schudde het hoofd.
„Noem het niet flauw, meneer Geerling,” zei hij zeer ernstig. [207]„Het is de uitdrukkelijke wil van uw vader. Ik heb alle stukken bij me en kan u door den sterken arm laten dwingen. Maar u zult mij daartoe niet noodzaken, daar bent u veel te verstandig voor. Bedenk dat alles geschiedt in uw wezenlijk belang. Ik heb den ouden heer herhaaldelijk gesproken, en hij heeft heel veel verdriet om u gehad; men kan het hem aanzien. Ik vertrouw dan ook dat u mij niet zult noodzaken tot het nemen van onaangename maatregelen. U is mijn passagier tegen wil en dank; ik begrijp dat u dit hard op het lijf valt; maar onderwerp u aan wat u toch niet kunt veranderen, en vergeet niet, dat ik mijn plicht als gezagvoerder zou moeten doen, als gij hier iets deedt, wat ik niet zou kunnen toestaan.”
Jules Geerling zat als versuft te kijken; dat het ernst was betwijfelde hij niet, en dat zijn vader hem kon dwingen zoolang hij minderjarig was wist hij ook. Hij luisterde niet naar de geheele tjerita van den commandant en diens bedekte dreigementen.
„Ik heb geen stuk goed,” riep hij eensklaps.
„Maak u daarover niet ongerust. Er is voor gezorgd.”
„Hoe kon ik ook zoo dom zijn. Het is een geregeld komplot.”
„In uw eigen belang.”
„Daarover heeft een ander niet te oordeelen. Ik ben oud en wijs genoeg om het zelf te doen, als niet een stomme wet …”
„Maak u niet driftig. Er is toch niets aan te veranderen. De oude heer heeft groot gelijk. Het zou zonde wezen als uws vaders zoon, die zoo’n groot fortuin heeft te wachten, zich verslingerde aan.….…”
„Geen woord daarover asjeblieft, commandant. Het meisje, [208]dat mijn vrouw zal worden, verstaat u? is fatsoenlijker dan zij, die brutaal genoeg zijn om kwaad van haar te spreken.”
De kapitein beet zich op de lippen, hij had hem met liefde een „oorpeuter” gegeven, dat hij door het raampje over de reeling naar de haaien vloog; maar hij had den ouden heer beloofd zich niet boos te maken en met tact en beleid het verloren schaap thuis te brengen.
„Uw vader, meneer Geerling.….”
Voor de tweede maal viel Geerling hem woedend in de rede, terwijl hij met zijn glas zoo hard op het tafeltje sloeg dat de kelk van den voet vloog.
„Zij is fatsoenlijker dan mijn vader ook. Zij zou zulke gemeene streken niet uithalen, als papa tegen mij doet; daar ben ik zeker van. Maar het is goed! Ik weet dat ik geleverd ben en er niets tegen kan doen, en ik zal me onderwerpen.… Heel goed!.… Ik zweer niettemin, dat zij mijn vrouw zal zijn binnen het jaar.… Nu zal ik meegaan, maar ik ga terug.… zoo gauw als ik kan, terug.”
„Nu, dat is best,” zei de kapitein goedaardig. „Als je maar eerst in Amsterdam bent.… en dan ’n reisje naar Weenen of Parijs.… kom, ik zou me er maar overheenzetten.… Ik heb in mijn jeugd ook wel eens ’n grap gehad. Il faut que jeunesse passé,—maar men moet het niet te ver drijven.”
„Het is geen grap; het is.…”
„Neen, dat weet ik wel; het is ernst; doch dat gaat immers wel over; laat ik je nu maar eerst uw hut wijzen; het is een mooie, ruime, met twee couchettes; een voor het breken.”
Terwijl de kapitein zoo voortpraatte, bracht hij Geerling [209]naar beneden en sloot hem, voor hij zich er tegen kon verzetten, in zijn hut op.
„Maak je maar niet ongerust,” riep de kapitein zachtjes buiten de deur. „Het is maar een veiligheidsmaatregel op verzoek van den ouden heer; als we onder stoom zijn, maak ik de kast weer open.”
Verslagen zat Geerling op de bank tegenover de twee slaapsteden boven elkaar. Dáár was hij nu zoo gruwelijk ingeloopen! Aan den wal zou hij zich niet zoo machteloos hebben gevoeld; maar wat in ’s Hemels naam moest hij hier op dit schip beginnen; hier, waar de kapitein baas was en deze bovendien de „noodige documenten” bezat om hem rechtens te dwingen!
Zijn hiel sloeg ergens tegen en onwillekeurig zag hij naar beneden. Twee keurig nette hutkoffers keken onder de bank uit. Hij had nog geen lust ze te bezien. Wat kon het hem schelen!
Angstvallig luisterde hij toe. Het waren de bekende geluiden aan boord: Het afstooten der prauwen, het geroep der inlandsche matrozen; dan de schorre fluit van het kleine bootje, dat terrugging naar den wal en waarmee hij van plan was geweest ook terug te gaan, en eindelijk het langzaam aanvangend zuchten der machine, het gevoel van trilling en beweging,—men was onder stoom.
Daar ging hij! Elke wenteling van de schroef bracht hem verder af van Ceciel. Terwijl zij argeloos in haar lieve kamer zat, niet beter wetend of hij zou als gewoonlijk des avonds bij haar komen, werd hij weggevoerd als een slaaf, en elk oogenblik vergrootte de afstand tusschen hen … tch!… tch!… [210]zoo gleed de zuigerstang zacht in de metalen … tch!… tch!… heen en weer … overbrenging van beweegkracht … verwonnen weerstandsvermogen … drang tot verplaatsing … verder, altijd verder van wat hem dierbaar was, voerde hem die fraai opgetuigde doodkist zijner illusiën!
Geerling hoorde dat het slot van de deur werd omgedraaid; hij stond op, ging het salon binnen, schoof alleen de portière dicht en liep de trap op naar boven. Daar was de kust nog. Bleek en met moeite zijn tranen weerhoudend, leunde hij over de reeling. Zooals hij daar stond met het nauwsluitend flanellen ochtendjasje, de gele pantalon collant, de lage schoentjes met strikken, waarboven de gestreepte zijden sokjes zich vertoonden, den kleinen Engelschen stroohoed met het breede gewaterde lint er om, leek hij meer een excentriek toerist, dan een eerzaam Nederlandsch mailreiziger.
De wind woei hem luw in ’t aangezicht en speelde met het lorgnet, dat aan een zwart lintje om zijn hals hing. Op de brug stond de breede gestalte van den kapitein nog in de blauwe jas met gouden biezen op de omslagen der mouwen en de pet met grooten bol en dito versiersels om den rand; hij zag in de verte zijn passagier „tegen wil en dank” en hij grinnikte van pleizier. Maar toch, als de oude heer Geerling niet zulk een goede klant geweest was voor stukgoed bij de uitreis en producten bij de thuisreis, zou hij zulk een commissie niet voor hem hebben verricht.
Geerling stond er, en kwam niet van zijn plaats. Niemand kende hem, zelfs niet de gelijk met hem geëmbarqueerde passagiers, die uit het binnenland kwamen. Op het ruime dek was het stil. Een paar dames in sarong en kabaja zaten te [211]praten op een bank; op den grond meer vooruit, lag een inlandsche min met een Europeesche zuigeling; beiden sliepen rustig; de meid heel ongegeneerd met haar baatje open. Enkele heeren lagen in luierdstoelen boeken en couranten te lezen; matrozen klommen en klouterden op hun bloote voeten, touwtjes vast makend hier en los makend ginds, en uit den kap van het salon klonk het gerammel van borden en tafelgerei, dat de bedienden maakten bij het dekken.
Slechts één passagier stapte onverpoosd het dek op en neer; het was een klein manneke van echt semitisch type, doch zeer fatsoenlijk van uiterlijk; een profusie van dik zwart haar groeide op zijn hoofd, zijn gezicht en zijn hals, en maakte hem met zijn korte, breede gestalte tot een ware antipode van den slanken, blonden Geerling, wiens kneveltje maar niet groeien wilde, alle potjes en doosjes ten spijt.
Eindelijk kwam hij dicht bij Geerling staan en leunde ook over de reeling; hij zag het bleeke gelaat van het jongmensch en de tranen in diens oogen.
„Doet het u zoo aan, Indië te verlaten?”
De onverwachte vraag deed Geerling schrikken.
Hij richtte zich op en keek zijn mede-passagier verwonderd aan.
„Laat ons eens kennis maken,” zeide deze. „Ik ben Mr. Van Vliet, advocaat en procureur.”
„Mijn naam is Jules Geerling.”
„Van de Amsterdamsche familie Geerling?”
„Juist.”
„O, dan ken ik uw papa zeer goed …” Natuurlijk, dacht Jules, wie ter wereld zou den ouden heer niet kennen! [212]
Mr. Van Vliet was zeer vriendelijk; hij had grooten eerbied voor le roi-million, en de eenige zoon van zoo’n koning was de eerste de beste niet. Zij spraken verder; de advocaat het meest, Jules slechts met enkele woorden. Zijn gedachten waren bij Ceciel; waar zouden ze anders zijn? Hij luisterde maar half; de kustlijn werd flauwer; de eentonige taal der machine en het werken van de schroef spraken luider tot hem, dan het onverschillige woord van den advocaat, en plotseling stampte hij met een vloek op den grond, wendde het hoofd af en streek zijn fijnen zakdoek met het mooie blauwe randje langs de oogen.
Zijn medepassagier keek hem nu op zijn beurt verbaasd aan. Wat zou dat jonge mensch mankeeren? dacht hij. Maar als welopgevoed man vroeg hij niets, keerde zich om en begon zijn wandeling van voren naar achter opnieuw.
Na de rijsttafel zat de heer Van Vliet in nachtbroek en kabaja nog een oogenblik uit te waaien vóór hij zijn siësta zou nemen, toen Geerling driftig naar boven kwam en op zenuwachtigen toon verzocht hem alleen te mogen spreken.
„Ik kom u raadplegen als advocaat,” voegde hij er bij, toen ze samen heel op het achterdek zaten, achter het kompas, zoodat niemand hen zien of hooren kon.
De advocaat trok een lang gezicht.
„Om u de waarheid te zeggen ben ik hier niet voor zaken.”
„Toch moet ik uw bijstand inroepen in een gewichtige zaak, waarbij ik rechtskundige hulp noodig heb.”
„Mijn waarde heer, ik begrijp u niet. Ik ben hier aan boord voor mijn genoegen.”
„U kunt mij toch wel een rechtskundig advies geven.” [213]
„Dat is de vraag.”
„Ik verzeker u, dat u het doen kunt.”
Wat moest de advocaat zeggen? Hij bedacht een list. Een koopmanszoon zou er niet inloopen, wanneer het de dubbeltjes gold, meende hij.
„Nu,” zei hij, schouderophalend, „ik wil u aanhooren en u antwoorden, als u begint met mij tweehonderd gulden te betalen.”
Hij doet het toch niet, meende hij.
Maar „de oude heer” had een fout begaan. In zijn medelijden met den zoon, die op zulk een wijze naar het moederland moest worden teruggezonden, had hij een welgevulde portefeuille met Hollandsch bankpapier in een der hutkoffers gedaan; hij kan het wel wisselen bij den administrateur, had de oude heer gedacht; Jules had dat geld gevonden en toen Mr. Van Vliet het cijfer noemde, snelde hij naar zijn hut en kwam direct weer met het geld terug.
De advocaat was er een beetje verlegen mee. Hij had wel willen zeggen, dat hij het zóó niet had bedoeld, maar dat ging toch niet. Aan den anderen kant was het wel aardig den eersten dag den besten een vierde van de passage terug te verdienen.
Hij streek de bankbiljetten glad en stak ze in den zak van zijn kabaja, zuchtte en zei, de handen samenvouwend over zijn buik:
„Ga nu uw gang maar.”
En Geerling deed zijn verhaal. Was Ceciel in gewone omstandigheden voor hem de verpersoonlijkte deugd en wijsheid, thans in den dichterlijken glans van de gebeurtenissen en der [214]gedwongen afwezigheid, werd zij meer dan een engel. Doch naar die ontboezemingen luisterde de heer Van Vliet niet; hij had alleen ooren voor hetgeen het optreden van den gezagvoerder, diens verklaringen en bedreigingen betrof, en met de grootste oplettendheid luisterend, vroeg hij intusschen allerlei inlichtingen, welke Geerling hem gaf, zoo goed en zoo kwaad hij kon.
„Het is goed,” zei hij, toen Geerling uitgepraat was. „Ge houdt u maar kalm en zegt niets hoegenaamd. Ga naar uw hut en wacht daar tot ik u kom waarschuwen.”
„Maar.… wat wilt u doen?”
„Wel niets. Ik zeg u: laat het maar verder aan mij over. Ge hebt de zaak in mijn handen gesteld, ik zal verder ook wel handelen zooals behoort.”
Een uurtje later zocht Mr. Van Vliet den commandant op in diens hut.
„Apropos,” zei hij. „dat is een gekke geschiedenis met dien jongen Geerling.”
De gezagvoerder lachte.
„Ja. Och, ik bemoeide me met zulke zaken anders liever niet. Maar ik kon het zijn papa moeilijk weigeren.”
„Nu, dat zou ik toch maar gedaan hebben.”
„Och, waarom? Over ’n week of vijf zit hij kalm bij zijn oudelui en dan is die dwaasheid achter den rug.”
„Daar ben ik zoo zeker nog niet van.”
„Kom, kom, bij jongelui gaat zoo’n liefde zoo diep niet.”
„Ge begrijpt me verkeerd. Die liefde laat ik op haar plaats. Ik bedoel dat het nog zoo zeker niet is, dat de jonge Geerling over vijf weken te Amsterdam is.” [215]
„Nu … tenzij hij overboord springt!”
„Ook zonder dat is het zeer onzeker.”
„Hoe meent u dat?”
„Mag ik vragen, van welke volmachten en andere stukken u in deze zaak de houder zijt?”
„Hoezoo?”
„Wel, de jonge meneer Geerling heeft zijn zaak in mijn handen gesteld en ik heb op mij genomen, die voor hem te onderzoeken en te behandelen.”
„Hoor eens, meneer Van Vliet,” zei de gezagvoerder boos, „ik raad u aan, u niet in te laten met mijn zaken hier aan boord.”
„Ik laat me niet in met uw zaken, maar met die van den heer Geerling junior, en zulks op zijn verzoek; en dáárom verzoek ik u mij de documenten en stukken te toonen, waarvan u de houder zijt.”
„Ik heb niets met u te maken, meneer.”
„Maar ik wel met u, commandant, en als u weigeren blijft, zal ik zoo vrij wezen, als we op de reede komen van Tegal of anders te Batavia, even aan den wal te gaan en een aanklacht tegen u in te dienen wegens onwettige gevangenhouding.”
„Het is op verzoek zijns vaders en hij is minderjarig.”
„Hebt u een verklaring van den vader en een rechterlijke toestemming op diens verzoek, dan zal ik mijn cliënt—ofschoon het toch nog volstrekt niet in orde is—in gemoede aanraden zich te onderwerpen.”
„Neen,” zei de commandant. „Het is alles mondeling en ondershands geschied.”
„Dan hebt ge een heel gevaarlijke taak op u genomen, die, [216]al laat u hem dadelijk vrij, u nog te staan kan komen op twee jaren gevangenisstraf.”
Het zweet parelde den gezagvoerder op het voorhoofd.
„Dat is ’n mooi gevalletje,” bromde hij.
„Het beste is.… Waar komen we op de reede?”
„Te Tegal om suiker in te nemen.”
„Het beste is, dat u dan Geerling stil naar den wal laat gaan en u houdt alsof ge er niets van ziet. Geloof me, u komt anders in groote moeilijkheden. Dergelijke onwettige inbreuken op de persoonlijke vrijheid worden zeer hoog opgenomen.”
„’t Is beroerd, meneer,” zei de commandant, inwendig verheugd, dat er op die wijze een eind aan was te maken; „maar als het niet anders is, ga dan uw gang maar.”
„Geloof me, commandant, het is ’t beste. En neem het mij niet kwalijk. Ik mocht hem mijn bijstand niet onthouden. Als u een schip in nood ziet, dan moet u ook helpen. Wat voor u een schip is, is voor mij een mensch in maatschappelijke moeilijkheid.”
Toen hij op die wijze getracht had den gezagvoerder zijn persoonlijke tusschenkomst te verklaren, ging de kleine advocaat de kajuitstrap af naar de hut van Geerling en klopte aan.
„Wel?” vroeg deze in groote spanning.
„Maak u maar klaar om te Tegal aan den wal te gaan.”
„Wat? Hebt ge hem …”
„Vraag nu niets, en zeg niets. Houd u gereed, neem den eersten den besten tambangan en vertrek … tenzij …”
„Tenzij wat, meneer?” [217]
„Tenzij u verkiest vrijwillig mee te gaan naar Amsterdam.”
„Ik zou je danken!”
„Bedenk u nog. Ik heb mijn plicht gedaan. Doe gij nu den uwen. Wat hier gebeurd is, had plaats met de beste bedoeling. Gij moet uw ouders eeren; gij zijt hun gehoorzaamheid verschuldigd.”
„Ik zal er niet over denken, meneer Van Vliet; ik ben dol blij met den goeden uitslag, en ik ga strakjes aan wal, zoo waar tweemaal twee vier is; ik eer mijn ouders, maar ik ben nu twee en twintig jaar niets geweest dan een gewillig werktuig in de hand van papa. Het is, vind ik, genoeg. Hoe heerlijk! Ik zou kunnen dansen van de jool! Wat moet die commandant een leelijk bakkes hebben getrokken! Hoe hebt u hem à faire genomen?”
Mr. Van Vliet schudde het hoofd.
„Laat dat nu maar voor hetgeen het is. Gij hebt uw zin.”
„Dat heb ik en dat is verrukkelijk. Hoe laat zou ik weg kunnen?”
„Over een uur of wat.”
„Zou het telegraafkantoor nog open wezen?”
„Misschien wel.”
„U begrijpt dat ik haar dadelijk telegrapheer.”
„Dus ge blijft bij uw plan om niet mee te gaan naar Amsterdam?”
„Hè? Naar Amsterdam? Merci!”
En nu ving Mr. Van Vliet aan met een schets van het leven in Europa, zooals hij zich dat herinnerde uit zijn studententijd en zooals het zich gedurende zijn verblijf in Indië [218]had geïdealiseerd, totdat er niets was overgebleven dan het lachend beeld van genot en levensvreugd.
’t Verwonderde Ceciel eenigszins, dat ze dien Zondag niets hoorde of zag van Geerling. Anders kwam hij meest altijd ’s ochtends even aan en haalde haar af in den namiddag. Dien Zondag vernam ze niets. Wat zou hem schelen? dacht ze, toen de duisternis viel. Herhaaldelijk had ze al eens buiten den weg opgekeken, maar zonder resultaat.
Tegen zeven uren kwam tante Du Roy geheel onverwacht. Ceciel zag aan haar gezicht, dat er weer iets bijzonders was en ze schrikte.
„Weet je waar Geerling is?”
Ontkennend schudde ’t meisje het hoofd. Groote hemel, wat zou het nu weer zijn?
„Neen, dat dacht ik wel; zoo’n smeerlap!”
„Maar wat is er dan?” vroeg Ceciel nauw hoorbaar: haar mond en keel waren droog; zij kon de woorden haast niet uiten.
„Wel, hij is er van door, de gladakker. Hij heeft ’m van ochtend gesmeerd.”
„Hoe dan.…. hoe dan?”
„Hoe? Wel vraag je dat nog, arme meid? Met ’n mailboot naar Holland.”
„Het is ’n leugen!”
„Waarachtig niet, Ciel. Ik weet het van een runner, die hemzelf met de boot heeft zien vertrekken. Ja, die totoks zijn gauwdieven, je kunt er niet één vertrouwen, ja!”
Het viel Ceciel zoo hard en onverwacht op het lijf, dat zij [219]voor een oogenblik al haar geestkracht verloor. Zij ging op een stoel zitten en doodsbleek, tot zelfs op haar lippen, leunde zij met gesloten oogen achterover tegen de leuning.
Met groot misbaar vloog mevrouw Du Roy naar achter om eau-de-cologne, azijn en andere opwekkende middelen; de oudelui kwamen ook naar voren en het gaf een consternatie van belang. Maar Ceciel had zich dadelijk weer hersteld en wees met beslistheid alle hulp af.
„Ik heb het altijd wel gedacht.”
„Wat?” vroeg Ceciel droomerig.
„Wel, dat hij je zou laten zitten met je gebakken peren.”
„Peren?” vroeg Ceciel op denzelfden distracten toon. „Welke peren?”
„Nu, kom er maar gerust voor uit, hoor. Je bent de eerste niet en je zult de laatste ook niet wezen.”
„Lieve Hemel!” riep de moeder doodelijk verschrikt: „Ceciel, het is toch niet waar?”
Het departement van marine zei niets, maar stond er bij met gefronst voorhoofd en saamgeknepen mond, gereed om hoogst handtastelijk die „gebakken peren” af te straffen.
Ondanks den schok, dien haar zenuwen hadden gekregen, moest Ceciel lachen.
„Tante is gek, ma, en ik dacht dat u wijzer waart.”
Het departement van marine loosde een zucht van verlichting en liet alle plannen tegen de „gebakken peren” varen. Mevrouw Du Roy riep half teleurgesteld:
„Is het niet waar? Is het waarachtig niet waar?”
„Och, wel neen!”
„Nu, maar dan begrijp ik ook niet, waarom je er zoo’n [220]drukte van maakt. Wat kan jou die kerel schelen? Voor hem een ander!”
Maar Ceciel luisterde niet. Zij dacht aan haar vervlogen illusiën. Zij zou nu wel gedoemd blijven haar geheele leven te slijten in dien kring; in dat vervelende huis en met die doodelijke omgeving. Al wat ze zich had voorgesteld van een opwekkend en verheffend leven in den fatsoenlijken stand, in nette Europeesche kringen, was vernietigd; weg, voor goed, en terwijl haar ouders en haar tante om het hardst op Geerling scholden, boog zij het hoofd en weende. Dadelijk huilde mevrouw Du Roy mede en haar moeder ook, terwijl de oude heer zich verwijderde.
En het werd een troosten en beloven zonder ophouden; vooral mevrouw Du Roy ging zich te buiten. Wat wilde Ceciel hebben? Geld? Goed? Zij kon het krijgen: zij kon alles krijgen, wat ze wilde, als ze maar niet bedroefd was om dien gemeenen totok, dien verrader, dien dit en dien dat.
Ceciel hief plotseling het hoofd op en droogde haar tranen.
„Het is niet waar,” zei ze. „Hij is niet weg; hij kan niet weg zijn!”
De oude dames zuchtten, keken elkaar aan en schudden het hoofd. Kasian! die arme meid; ze kon het nog niet gelooven.
Een oogenblik zaten ze stil tegenover elkaar, Ceciel nu en dan driftig het hoofd schuddend, als stil protest tegen het idee, dat Jules haar zou hebben bedrogen.
Er werd op de buitendeur geklopt; het mooie meisje sprong op en snelde er heen met een drift, die op woede geleek. Zij rukte een enveloppe uit de hand van den telegrambesteller [221]en zonder zich te bemoeien met het potloodje of het reçu, dat de man haar ter teekening voorhield, ijlde zij naar de tafel, waarboven het licht hing, en scheurde wild het omslag open.
„Lieve! Hebben getracht me door list en geweld mee te voeren. Ben hier vrij gekomen. Vertrek dadelijk en reis door. Morgen bijzonderheden.
Jules.”
Zij las het haastig, eerst zacht, daarna hardop. Haar vader, die na het huilen teruggekomen was, klapte in de handen; zijzelve liep juichend naar haar kamer. Nooit was zij zekerder van haar zaak geweest dan nu! En haar moeder en tante, thans geheel van stemming veranderd ten opzichte van den jongen Geerling, wreekten zich op den ouden in de felste bewoordingen.
Den volgenden ochtend bracht een reiswagen Geerling in het hotel terug; de twee fraaie hutkoffers was hij zoo vrij geweest met den inhoud mee te nemen. Lachend ontving hem de logementhouder.
„Wel, hebt u ’n pleizierig reisje gemaakt?”
„Wist je er van?”
„Ja, de kapitein had er een woordje over losgelaten. Uw goed zou wel gehaald worden.”
„Da’s gemeen! Waarom hebt ge me daar niets van gezegd?”
De logementhouder haalde de schouders op met een bedenkelijk gezicht.
„Wat zal ik u zeggen? Ik bemoei me liever in het geheel niet met zulke zaken.” [222]
„Ja,” zei Geerling, blij dat hij iemand had, op wien hij boos kon wezen, „dat is maar gekheid. Ge hadt mij moeten waarschuwen. Ik woon hier en als er zulke plannen tegen me worden gesmeed en het is u bekend, dan moet u me waarschuwen.”
Nogmaals trok de logementhouder de schouders op.
„Ik dacht wel,” zei hij ironisch, „dat ik ten slotte de schuld zou krijgen. Nu, ik heb een breeden rug, meneer Geerling.”
Jules ging naar zijn kamer; alles was er, zooals hij het had verlaten.
„Die meneer van uw kantoor is er geweest,” vervolgde de logementhouder, die mee was gegaan; „ik heb hem toen aangeraden liever nog een paar dagen te wachten. Het is maar goed, dat hij het gedaan heeft.”
Geerling baadde, kleedde zich netjes met het nieuwe goed uit Holland, liet het fraaiste rijtuig voorkomen en reed naar Ceciel. Veel pleizier had hij er niet van, want er waren geen wandelaars: daarvoor was het reeds te laat en te warm, en iedereen was naar zijn kantoor of toko.
Zij kwam hem buiten te gemoet; zij omhelsde hem, zooals ze het nog nooit had gedaan; zij drukte hem aan haar hart met de grootste innigheid; zij had voor het oogenblik een gevoel van gelukzaligheid, alsof ze werkelijk op hem verliefd was. Een goede ontvangst had hij verwacht, maar dit bracht hem in verrukking; de wereld leek hem zoo schoon!
Hij moest dadelijk vertellen.
„In het eerst,” zei hij, „was ik waarachtig heelemaal overrompeld. Ik weet dat ouders, zoolang men minderjarig is, [223]groote macht bezitten; ik ken den ouden heer als iemand die altijd zijn wil doordrijft, onverschillig of het recht is of krom, maar alleen omdat het zijn wil is. Wij zijn bij ons thuis van kindsbeen gewoon blindelings te doen, wat de oude heer zegt, en ik heb dat ook altijd gedaan, tot nu eenigen tijd geleden. De commandant zei, dat hij alle stukken en documenten bezat en hij sprak met zoo’n zekerheid, dat ik er overbluft door was, half gebiologeerd, geloof ik. Enfin, ik begon met me te onderwerpen, niet anders denkend, dan dat er eenvoudig niets tegen te doen en ik volkomen geleverd was. Maar toen de eerste indruk voorbij was, dacht ik na en begon ik toch te twijfelen of het zelfs met de toestemming van papa zoo maar ging, mij mee te nemen als een slaaf, als een arrestant. Ik nam een advocaat, die mede-passagier was, onder den arm en informeerde, en toen ik hoorde dat de kapitein niet in zijn recht kon zijn …”
„Nu?” vroeg Ceciel zenuwachtig, toen Jules even ophield.
„Toen ben ik naar zijn hut gegaan en heb hem gesommeerd me dadelijk vrij te laten, daar ik hem anders zou aanklagen.”
De vader van Ceciel, de gewezen zeeman, nam Jules eens op van het hoofd tot de voeten. Zoo’n ventje, dacht hij, zou een commandant van een groot schip aanklagen! Het mocht wat!
„Waarvoor wou je hem aanklagen?” vroeg Ceciel.
„Wegens,” zei Jules, die de juiste terminologie niet kende, met het grootste aplomb, „wegens het vervoeren van minderjarigen.”
De oude heer schaterde van het lachen en Ceciel glimlachte [224]spijtig; hij was toch maar matigjes intellectueel ontwikkeld, dacht ze.
„Nu, lach maar,” hernam Jules een beetje geraakt. „Het is zeker dat hij heel gauw in zijn schulp kroop en mij precies liet doen, wat ik wilde. Wel trachtten ze mij toen te paaien met mooie praatjes om maar mee te gaan naar Holland, maar je kunt wel nagaan, dat ik dáár den brui van gaf.”
„Natuurlijk,” zei Ceciel, alsof het iets was, dat geen tweeërlei opvatting toeliet. „En wat denk je nu te doen?”
„Ik ga morgen naar het kantoor.”
Hij deed het ook.
Den volgenden ochtend stapte hij binnen, alsof er niets was voorgevallen, en nam zijn gewone plaats in zonder in pourparlers te treden.
Toen hij tegen halféén naar de kamer ging, waar het voornaamste personeel gewoonlijk rijsttafelde, kwam de chef, die anders veel later at, tegenover hem zitten.
„Ik dacht dat je een reisje waart gaan maken.”
„Ja, dat dacht ik eerst ook.”
„Je hebt je dus bedacht?”
„Precies! Ik was bang dat ik zeeziek zou worden.”
Zij lachten beiden.
„Ik heb het wel verwacht,” zei de chef. „En ik heb het ook naar Amsterdam geschreven. Het is geen idee geweest van mij, dat kan ik je verzekeren, hoor!”
„Neen, dat heb ik dadelijk wel begrepen.”
„Maar hoe ben je er af gekomen?”
En opnieuw deed Jules het verhaal, maar thans, nu hij [225]beter had nagedacht, was het nog veel mooier en maakte hij er een flinker figuur in.
De onaangename dienstcorrespondentie was voor Van Brakel uitgeloopen op een particulier briefje in officiëelen stijl, waarin hem niet meer of minder werd medegedeeld, dan dat hij zijn ontslag uit ’s lands dienst nemen moest, daar hij het anders zou krijgen. Te zamen hadden zij een hoogst onaangenaam kwartiertje doorgebracht, want dàt hadden ze toch niet verwacht. Toen waren ze begonnen elkaar te troosten en moed in te spreken.
„Ik ga me vestigen als architect en landmeter,” had hij gezegd.
„Wie weet,” voegde Lucie er bij, „of het nog niet ’t beste is. Als het meeloopt.…”
„O!” vulde Van Brakel aan: „als het meeloopt is er misschien nog een fortuintje uit te kloppen.”
En zoo gesterkt, hielden zij zich goed in het logement, smalend op het gouvernement en zich zoolang schetsend als slachtoffers van de willekeur en het onrecht, tot ze geheel thuis waren in die rol en menigeen er een eed op had durven doen, dat Van Brakel een miskende persoonlijkheid was.
Daar op het plaatsje bleven zij niet. Dáár was niets te verdienen; ze gingen terug naar waar ze vandaan kwamen. Lucie nam haar intrek in een commensalenhuis, met haar vader, die nog een appeltje had voor den dorst, en werkelijk gelukte het Van Brakel aanvankelijk goed.
Er was juist op de plaats een bouw-vleugje en weinige dagen na hun aankomst had Van Brakel reeds handen vol [226]werk tegen goed honorarium. Over zijn ontslag werd verschillend geoordeeld. Vrij van schuld achtte men hem niet, maar toch werd hij veel meer beklaagd dan veracht, en in geen geval belette de onaangename wijze, waarop hij ’s lands dienst had verlaten, den particulieren ingezetenen gebruik te maken van zijn groote diensten.
Nog nooit had hij zooveel geld verdiend. Maar levensvreugde gaf het hem weinig. Toen hij had te kennen gegeven, dat hij weer lid wilde worden van de sociëteit, had men hem geantwoord, dat hij beter deed met zich niet aan te melden. Bon entendeur, demi mot. Onder de ambtenaren van zijn vroegere positie was hij niet welkom; men ontweek hem. Bij den resident op receptie werden hij en Lucie zoo koel ontvangen, dat zij zonder het met elkaar af te spreken zich vast voornamen er nooit weer heen te gaan. En toch wist Van Brakel, dat er waren die veel meer op hun boekje hadden dan hij; die nog doorknoeiden en die beschouwd werden als welkome steunpilaren van de sociëteit, wien door iedereen met vriendelijke glimlachjes de hand werd gedrukt en die allervriendelijkst ten residentiehuize werden ontvangen.
Maar hij zei niets. Hij ging niet meer uit en speelde niet meer. Alleen dronk hij ’s avonds het eene glas grog na het andere en zijn schoonvader hield hem daarbij dapper gezelschap. Van Brakel verteerde nu veel geld. Hij scheen van oordeel, dat het bestaan van den particulier gelijk stond met dat van den ambtenaar, die zeker kan wezen jaar in jaar uit zijn maandelijksch traktement te genieten en dus niet behoeft te sparen. Lucie ging fraaier gekleed dan zij ooit [227]had gedaan; zij hield er een nieuwen mylord op na, met twee vurige paarden, welker met zilver gemonteerde tuigen keurig netjes stonden.
Bijna niemand bemoeide zich met hen en zij bemoeiden zich met niemand. Van Brakel had de onvergeeflijke sociale fout begaan zich op ambtelijke knoeierijen te laten betrappen en dat vergaf hem de kleine Indische wereld niet. En nu hij uit wraakzucht dat wereldje wilde overbluffen, werd het kwaad erger.
Kijk die Van Brakel eens een geur maken! Het is goed riemen snijden van eens anders leer! Dat is alles van de gestolen dubbeltjes van het Gouvernement!
Zoo klonk hem de publieke opinie na, als ze des Zondagsmiddags in hun mooi rijtuig gingen toeren; zoo omringde zij hen, als ze gingen luisteren naar de muziek. En ze sprak niet alleen fluisterend of met luider stem,—men kon haar zien uit de gebaren, lezen in de oogen van iedereen, die meende op de hoogte te wezen van de geschiedenis der Van Brakels.
Mevrouw Du Roy kreeg nu ook haar geld geregeld afbetaald.
„Ik had het vroeger moeten weten!” zuchtte Van Brakel, doelende op de omstandigheid, dat hij in het particuliere als aannemer en architect zooveel geld verdiende.
„Ja,” zei dan Lucie, „het is waarachtig wel dom geweest, zoo veel jaren in dienst te blijven van dat akelige gouvernement.”
„Och! je durft dan niet, zie je; maar als ik vóór twee jaren mijn ontslag had genomen.……” [228]
„Hadt je het maar gedaan, dan was al die narigheid niet voorgevallen.”
„Vertrouw niet op je voorspoed in het particuliere,” waarschuwde dan de oude heer Drütlich. „Je ziet het aan mij.….….”
Maar daartegen verzette zich Van Brakel. Zijn schoonvader moest het niet kwalijk nemen, doch die bewering ging niet op. Het was iets anders een koffieland te beheeren, dan een geëxamineerd ingenieur te zijn; de eerste was van allerlei toevallige omstandigheden buiten zijn wil of macht afhankelijk; de laatste had zijn wetenschappelijke kennis, die niemand hem kon ontrooven.
En Lucie vond dat ook. Ze hield nu nog meer van Van Brakel dan ooit: hij was nu geheel haar man; zij behoefde hem niet te deelen, noch met het spel, nog met een andere vrouw; zij had nu zulk een lui en gemakkelijk leven en zoo volop alles wat ze maar wilde, dat ze veel meer tijd, dan ooit vroeger, aan de genietingen van het huwelijksleven kon wijden. Zij en Van Brakel konden tegenwoordig met elkaar vrijen, dat den ouden Drütlich de weinige grijze haren van ergernis ten berge rezen en hij maar heenging, al mopperend dat ze Donnerwetter dit en dat verrückt waren.
De eene maand ging na de andere voorbij: na de huizen kwamen de groote pakhuizen in een vleugje van aanbouw; de Van Brakels bleef het goed gaan.
„Als we hen eens gingen opzoeken,” proponeerde Geerling. „Ik heb hem al eenige malen ontmoet en het staat zoo gek.”
Maar Ceciel had daartegen bezwaren.
„Laat dat maar zoo, Jules. Het is al onaangenaam genoeg, [229]als men bloedverwanten of oude vrienden heeft met antecedenten. Ik ben er volstrekt niet op gesteld dien kring uit te breiden. Het tegendeel is waar.”
„Och, hij heeft een eervol ontslag.….…”
„Ik weet het wel. Iedereen krijgt dat tegenwoordig en dat is heel verstandig van de regeering.….…”
„Doe je aan politiek?” vroeg hij lachend.
„Is dat politiek?”
„Ik denk het wel.”
„Enfin, dan doe ik er aan. Ik wilde alleen zeggen, dat het slim is van ’t Gouvernement altijd, als het maar eenigszins kan, eervol ontslag te geven.”
Hij keek haar eenigszins bevreesd aan.
„Hoe bedoel je dat?”
„Heb je me laatst niet zelf verteld, dat je oude heer een employé, die hem had bestolen, eenvoudig ontslagen had, zonder gerechtelijke vervolging?”
„Ah … dat is wat anders … dat was voor den naam van het kantoor. Papa zegt altijd: bij ons wordt niet gestolen, en bij ons worden geen abuizen gemaakt. Het is natuurlijk niet waar, maar de oude heer houdt het stokstijf vol en vele menschen gelooven het.”
„Juist. En ik vind dat het Gouvernement ook zoo moet doen.”
„Het is mogelijk,” meende Jules. Hij ging er niet verder op door.
„De wereld weet toch wel, waaraan zij zich heeft te houden. Iedereen weet dat Van Brakel met Chineezen heeft geknoeid. Geen tien eervolle ontslagen kunnen dat verhelpen. Wij moeten hen links laten liggen, Jules, dat is beter.” [230]
’t Ging hem een beetje aan het hart, maar hij sprak er verder niet over, en toen hij den volgenden keer de Van Brakels passeerde, die achterover lagen in hun mylord, keek hij een anderen kant uit en deed alsof hij hen niet zag.
Lucie klemde de lippen opeen en Van Brakel kleurde van boosheid. Zij bezaten, sedert men hen vermeed, een bijzondere scherpzinnigheid en snapten dadelijk of iemand den schijn aannam hen niet te zien, ten einde aan de verplichting te ontgaan òf hen brutaal te negeeren òf hen te groeten.
Zij hadden dien middag hun rijtuig stil laten staan bij de muziek; Lucie was keurig gekleed en de twee kinderen op het voorbankje met hun Germaansch type, afkomstig van den Drütlichschen kant, zagen er uit om te stelen; zij droegen zwart fluweelen pakjes, waartegen hun lang, krullend, lichtblond haar prachtig kleurde; welgedane rose beenen kwamen boven de randen der witte sokjes uit, even boven hooge knooplaarsjes zichtbaar, en onder de zwierige, donkere mutsjes keken de groote lichtblauwe oogjes vroolijk en vriendelijk rond.
En menigeen, die met een spijtig gezicht den „geur” critiseerde, welken die „weggejaagde” ingenieur maakte met zijn mooie equipage, kon een glimlach vol bewondering niet terughouden als zijn blik op die twee mooie, welgedane en goed gekleede kindertjes viel.
Van Brakel en Lucie, vroeger altijd eenvoudiger in hun manieren en vrij van aanstellerij, zaten thans achterovergeleund met gezichten vol hooghartige ongenaakbaarheid. De minachting, die hun stil werd toegedragen, gaven zij openlijk en in het oogloopend der menigte terug. Maar het hielp hen niet, dat voelden ze, en juist dat schijnbaar winnen en metterdaad [231]zoo bitter verliezen, hinderde hen meer dan ze konden uitspreken. Die menschen, die hen verachtten, deden dat in koelen bloede; zij trokken er zich verder niets van aan; maar den Van Brakels vergalde het alle levensvreugde. Zooals zij daar zaten, opgeprikt en met een groot air van voornaamheid, woedden spijt, vernedering en onmacht in hun binnenste. Als zij weer zoo’n kouden, sarcastischen blik hen en hun equipage zagen monsteren, dan was het of hun de keel werd toegeschroefd. Daar was er weer een! En Lucie overviel dan zoo’n akelig gevoel, dat ze wel had kunnen huilen.
Maar ze hielden zich goed.
Thuis met papa Drütlich namen zij luide wraak; dan gold hun woede: Indië. Nu, het was een zootje hier! Een echte ploertenboel. De voorbeelden bleven niet uit. De oude heer Drütlich kon ook zijn partij mee blazen; sedert hij door de geldschieters van zijn land was afgezet, schold hij op alles: ’t was nog het eenige, dat hem overbleef! Het was een genot voor Van Brakel zijn schoonvader aan te hooren! Hij had van den ouden man in diens beste dagen nooit zooveel gehouden als tegenwoordig! In het commensalenhuis, waar zij een afzonderlijk paviljoen bewoonden, logeerden nog een paar jongelui, die ook zoo nauw niet zagen en zich de fijne sigaren en den overvloed van dranken bij de Van Brakels gaarne lieten welgevallen. Hij had zich van hen meestergemaakt en zeker driemalen ’s weeks zaten ze tot laat in den nacht te whisten met veel licht op. Van Brakel verfoeide het whisten, maar de jongelui konden niet homberen.
Zij hadden geld over aan het eind van het jaar. Ondanks hun royale leefwijze en hun afbetalingen was er overwinst. [232]Van Brakel vertelde het zijn vrouw met een gezicht, dat, hoewel het zich over het tegenwoordige verheugde, het verledene, in ’s lands dienst doorgebracht, betreurde.
Den oudejaarsavond brachten zij vroolijk door; te vroolijk, want er werd onbehoorlijk veel gedronken. Ze waren geen van allen zooals ze wezen moesten; zelfs Lucie was gewoon „weg”; des daags lachten ze er om; zij hadden daar tegenwoordig pleizier in; ze merkten het niet op, dat ze in hun eng kringetje gedemoraliseerd raakten. Lucie kon een half fleschje port stil voor haar rekening nemen, zonder dat men iets aan haar bespeurde, en ze dronk ’s avonds brendy met suiker, het eene glaasje voor, het andere na; niemand lette er op in hun eigen kringetje; vader Drütlich en Van Brakel gingen tegenwoordig nooit naar bed zonder dat het hun eenigszins schemerde voor de oogen en de hoeveelheid, noodig om in dien toestand te geraken, werd langzamerhand al grooter en grooter.
Doch het ijzersterk gestel van Van Brakel kon daartegen; hij was, net als vroeger, ’s morgens klokke vijf present, frisch als hij gebaad had en met goeden eetlust, en papa kon uitslapen zoo lang hij wilde.
De werken raakten gereed en werden afgeleverd. Zeer tot genoegen van de eigenaren, dat was waar; het was waarlijk geen beunhazen-werk, dat door Van Brakel werd verricht Alleen: men bouwt geen huizen en pakhuizen voor zijn genoegen. Wat gereed was werd niet door te verrichten arbeid vervangen. Toch vreesde Van Brakel niet en toen hij op een goeden dag thuis kwam, met het vooruitzicht dat hij „in afwachting” was van nieuw bouwwerk, maar voor het [233]oogenblik niets te doen had, zag hij de toekomst volstrekt niet duister in.
Integendeel, ’t kwam net goed, vond hij. Zij konden nu eens ’t gebergte ingaan om een kouden neus te halen. Dat zou hen allen goeddoen.
Het voorstel werd met gejuich ontvangen.
Papa Drütlich, die nog altijd van zijn „appeltje” teerde, vond het heerlijk; hij had beneden zoo’n gruwelijken last van de warmte.
Lucie wou direct de koffers pakken.
„Laat dat nu tot morgen,” zei Van Brakel. „Ik moet nog eerst telegrapheeren om kamers te bestellen. Op een dag vroeger of later komt het niet aan. Wij hebben den tijd aan ons.”
In het behaaglijk gevoel dier vrijheid, rekte hij zich uit in zijn luierdstoel.
„Zie je,” zei hij, „dat ken je niet als ambtenaar. Of je op ’t kantoor bent of thuis, op de plaats of op reis, in dienst of met verlof,—je draagt altijd dat zekere gevoel met je om, dat er menschen zijn, die boven je staan en van wier bon plaisir je afhankelijk bent.”
„Hm!” bromde vader Drütlich, vervaarlijke rookwolken uit zijn Duitsche pijp blazend, „dat mag zoo zijn, maar ik heb nog liever een mensch tot chef, dan mijn portemonnaie; als die leeg is, wordt ze kwaadaardiger dan alle chefs ter wereld.”
„Kom, oude heer, haal je nu geen muizenissen in het hoofd. Als ik nog een paar jaar voortgewerkt heb en het loopt een beetje mee, dan begin je plan-plan aan een kleine onderneming.” [234]
Het was zijn illusie. Maar Drütlich gaf er nooit antwoord op: bij had geen illusiën meer van dien aard.
Toen zijn schoonvader niets zei, nam Van Brakel de courant en keek die in. Onwillekeurig keek hij altijd het eerst onder de officiëele berichten: ondanks alles was hij vol belangstelling voor de bevorderingen en overplaatsingen bij de B. O. W.
„Verdomd!” riep hij plotseling luid: „dat heb ik wel gedacht! Dat doet me plezier. Luus, kom eens gauw hier!”
„Wat is het?” vroeg Lucie naar voren stuivend vol nieuwsgierigheid.
„De smeerlap is er uit!”
„Is het waarachtig?”
„Daar staat het: „Eervol ontslagen de hoofdingenieur 2de kl. bij de B. O. W. Willert.” Daar kies ik geen duizend gulden voor. Wat doet me dàt ’n genoegen! Die smerige gladakker heeft het dubbel en dwars aan me verdiend.”
Met hun drieën scholden zij nu in koor. Allerlei invectieven, het een al leelijker dan het andere, vlogen door de voorgalerij.
De hoofdingenieur Willert liep bleek en zwijgend zijn kamer op en neer. Neen, dàt had hij niet verdiend! Dat was geen loon voor zijn veeljarigen trouwen dienst! Er viel niets aan te merken op zijn ijver, zijn gedrag, zijn bekwaamheid. Toch had hij, nog in de kracht zijns levens, ook zijn „boterbriefje” thuis gekregen. Waarom? Het kwam zoo in de kraam te pas. Hij zat anderen in den weg: neefjes en vriendjes. Die konden niet spoedig genoeg vooruitkomen; hun invloedrijke relatiën in Nederland waren daar ontevreden over. Dáárom moest hij, [235]de eenvoudige man, die zijn positie slechts had verkregen door zijn arbeid, plaats maken; dáárom was het noodig geoordeeld in ’s lands belang niet verder prijs te stellen op zijn diensten.
Hij had nooit anders gedaan, dan wat hij vermeende dat zijn plicht was jegens „den Lande.” Streng en onverbiddelijk was hij geweest, waar het den dienst gold van het Gouvernement; onder zijn inferieuren was hij daarom meer gevreesd dan bemind. En naast de algemeene belangen van den Staat had hij altijd gesteld de bijzondere van den Waterstaat. Dáárvoor had hij óók gestreden en als hij opkwam voor zijn dienst tot in de geringste détails, dan kende hij geen vrees voor andere autoriteiten. Hij wist wel, dat velen hem niet gaarne mochten; dat residenten hem stug en onhandelbaar noemden; dat de eerstaanwezende genie-officieren even dikwijls met hem overhoop lagen als het Binnenlandsch Bestuur,—maar wat zou dat? Nooit had hij eenig eigenbelang gekweekt of bevorderd. Liever duizend gulden had hij gegeven uit zijn zak, dan der schatkist een cent te benadeelen, of toe te staan zonder protest, dat dit door anderen bij zijn dienst geschiedde. Hij was geen aangenaam mensch in den ambtelijken omgang en hij had zich ook nooit daarop toegelegd.
Geleefd had hij uitsluitend voor zijn ambt. Onder die toewijding had alles geleden: zijn huiselijk leven, zijn huwelijksgeluk, zijn persoonlijke levensvreugd,—alles had moeten achterstaan bij den ambtsijver, die hem verteerde, en de liefde voor den dienst, tot afgoderij bij hem aangegroeid. In zijn lange loopbaan had hij „den” lande voor millioenen bevoordeeld, door economischen arbeid en streng toezicht; al wat [236]uit zijn handen kwam of onder zijn oog was verricht, had elken toets kunnen doorstaan. Zijn positie had hij slechts dááraan te danken; indien hij het had moeten hebben van vleierij of intriges,—hij ware gestorven als opzichter zóóveelste klasse.
Dat anderen belooningen kregen en buitengewone eerbewijzen voor luttele diensten den Staat bewezen, hinderde hem niet; dat er nu en dan stoompromoties werden gemaakt, door ambtenaren, van wie men niet wist waar ze de verdiensten vandaan haalden,—hij had er de schouders voor opgetrokken.
Hij vond dat, zoolang hij persoonlijk niet werd miskend, voorbijgegaan of gegriefd, het niet aanging zich in te laten met anderen; dáárvan sprak hij nooit en stil ging hij zijn gang, nauwgezet voor zichzelven, evenals hij dat was voor zijn ondergeschikten. Hij vroeg niets en verlangde niets, dan wat hem toekwam naar de meest elementaire beginselen van eerlijkheid en goede trouw.
En nu stond hij daar, aan den dijk gezet door een gewetenloos nepotisme; aan den dijk gezet door lieden, die op niets jacht maakten dan op hooge ambten met hooge traktementen en hooge toelagen; voor wie niets heilig was, als het hen slechts kon brengen tot vermeerdering van materiëel levensgenot voor hen en hun vrienden. Daar stond hij!
Hij was eervol ontslagen, ongeveer op de manier als Van Brakel en dergelijken, dacht hij. Er schoot hem geen traan in het oog, daarvoor was hij te veel man; maar een moord had hij kunnen doen op dat oogenblik.
Men had zich niet eens de moeite gegeven hem vooraf het fait accompli mede te deelen. Hij las het in de courant [237]onder de telegrammen. Wat ook deed het er toe, tegenover een landsdienaar als hij, die slechts door veeljarigen stalen arbeid geworden was wat hij was? Wat beteekenden zulke antecedenten tegenover de belangen van fortuinzoekers en baantjesjagers?
Zoo dacht hij vol bitterheid en misschien in zekere mate onbillijk, in het diep gekrenkt gevoel van die ambtelijke eigenwaarde, welke jarenlang zijn grootste kracht, zijn grootste steun was geweest.
En terwijl hij werktuiglijk bleef loopen van den eenen kant zijner kamer naar den anderen, ging zijn geheele levensloop hem door het hoofd, van ’t oogenblik dat hij als jongeling in dienst trad, tot nu hij in de kracht zijns levens zonder eenig motief werd weggezonden.
Om den hoek der openstaande deur keek mevrouw Willert naar binnen.
„Je hebt het zeker gelezen?” vroeg hij.
Zij knikte toestemmend, trad de kamer binnen en ging zitten. En hij uitte alles wat er was omgegaan in zijn gemoed; er was woede en verontwaardiging en haat in zijn stem, maar nu en dan klonk er een toon door van den weemoed en het verdriet van den eerlijken, mishandelden man.
Het trof haar niet. Zij bleef er koud onder. Zonder een woord er tusschen te brengen, liet zij hem uitspreken; en toen hij gedaan had, keek ze hem aan zonder een zweem van medelijden.
„Ik begrijp dat het heel hard is voor jou, maar verg asjeblieft niet dat ik er om treur.”
Hij keek haar verschrikt aan met een pijnlijken trek op [238]het gezicht. Het sloeg hem uit het veld. Wat bedoelde ze? Zij was toch waarlijk anders geen ongevoelige vrouw. Integendeel, ze had meermalen, met tranen in de oogen, getracht in de bres te springen voor anderen; zelfs voor dien Van Brakel. En nu keek ze hem aan met de grootste onverschilligheid,—nu het hemzelf betrof.
Mevrouw Willert wendde het hoofd af.
„Het is voor mij een zegen; misschien krijg ik nu nog een gelukkig leven.”
„Hadt je dat dan niet?” vroeg hij verwonderd.
„Neen, Willert. Het tegendeel is waar. Jij hebt dat nooit opgemerkt; jij ging geheel op in den dienst: dat was alles voor jou, maar voor mij was het een ramp; door je stiptheid in dienst mochten de meeste menschen je niet lijden, en hoezeer men ons beleefd behandelde,—vriendschap ondervonden wij nooit.”
„Ik heb er nooit behoefte aan gehad,” bromde hij verstoord.
„Dat weet ik wel; maar ik had er wel behoefte aan. Voor jou was de dienst niet slechts een plicht, het was een genoegen, een wellust, een manie. Je stondt er mee op en je ging er mee slapen; bij het ontbijt sprak je me over de dienstzaken, die des daags moesten volgen, en ’s middags over de dienstzaken, die op den dag waren voorgekomen.…”
„Je hebt je er nooit over beklaagd.”
„Zeker niet. Het zou niet hebben geholpen. Van een zoo vreugdeloos leven als het mijne kon je toch geen besef hebben en ik wist heel goed dat het niet baten zou. Die ongelukkige dienst had je in zijn klauwen, als de duivel een [239]menschenziel. Zoolang je er in waart, was daartegen niets te doen.”
„Het is overdreven voorgesteld.”
„Dat is het niet, en nu voel je ook wel, dat ik gelijk heb. We zijn jarenlang getrouwd geweest, maar een aangenaam huwelijksleven hebben we nooit gehad. Het was of je altijd in dienst waart. Denk je, dat een vrouw daarbij gelukkig wezen kan? Je waart steeds heel goed voor me en ik geloof dat je veel van me houdt op jou manier; maar van den dienst hieldt je meer; dat wist ik. Iedereen vond, dat ik het zoo gelukkig had getroffen: een knap man, een braaf man, een man die altijd vooruitging in maatschappelijke positie,—o zeker; maar ik had liever gehad, dat alles minder was geweest en je wat meer getoond hadt iets voor mij te zijn.”
„De vrouwen zijn nooit tevreden.”