„Dat is niet waar. Zij zijn zelfs heel gemakkelijk tevreden. Maar met niets kan men niet tevreden zijn. En ik heb niets aan mijn leven gehad. Het is hier voor het beste deel voorbijgegaan, vreugdeloos, vervelend. Ik heb jaar in jaar uit elken dag in een net huisje gezeten, zonder werk of verstrooiïng met de herinnering aan onze ochtendconversatie over den Waterstaat en als naaste toekomst een middaggesprek over den Waterstaat, dien ik vervloekt heb.…..”

„Hè? Dat is te veel!” riep Willert nijdig. Hij was nu wel ontslagen, maar dat iemand en nog wel zijn eigen vrouw den Waterstaat zat te vervloeken,—dàt was hem te erg.

Zij nam er geen notitie van.

„En nu ben ik blij; ik dank God, dat je er af bent. We gaan nu naar Europa; wij zijn nog jong genoeg om van het [240]leven te genieten. Kinderen hebben we niet, maar wie weet, wat nog kan gebeuren in een koel klimaat en bevrijd van den waterstaatsdienst. Het pensioen is voldoende en al was het dat niet, dan kunnen wij er iets bijdoen.”

Maar zijn gezicht klaarde niet op bij het vooruitzicht van een mogelijk vaderschap. Zijn hart hing aan den dienst en dat deed hem beseffen, hoeveel waarheid er kon liggen in de kalme verwijten van zijn vrouw.

„Je praat er maar luchtig over; je kunt niet begrijpen, wat het is. Aan één kant heb je misschien gelijk: ik heb me te veel met de zaken vereenzelvigd; misschien ware het beter geweest te doen als zooveel anderen; maar dat kon ik niet. Laat ons er niet verder over spreken. Ik hoop nu maar, dat ik zoo spoedig mogelijk het bureau kan overgeven. Als ik je leven werkelijk zoo heb vergald,” voegde hij er verdrietig bij, „dan zal ik mijn best doen om het kwaad te herstellen.”

Zij moest zich geweld aandoen. Maar zij wilde nu niet zwak of toegeeflijk zijn en daarom knikte ze alleen even met het hoofd, als wilde zij zeggen: doe dat, het is een staaltje van je plicht.

Dezelfde courant bracht nog een verrassing. Lucie Van Brakel was reeds weder in haar kamer gegaan en haar man vervolgde zijn lectuur. Hij sloeg een blik op de advertenties.

„Luus, Luus?” schreeuwde hij weer. „Wel lieve hemel.…”

„Nu, wat is er nog meer?” riep ze naar voren komend.

„Zoo’n kwajongen!”

„Wie? Wat?”

„Wel, die Geerling. Hier lees ik waarachtig dat hij met die meid getrouwd is.” [241]

„Och!.….….”

Alsof ze het niet geloofde, nam ze ’t blad uit zijn hand en las zelve de advertentie.

„’t Is verschrikkelijk! Nu, daar zal te Amsterdam wat over te doen wezen!”

„Ja, ’t is een beetje erg,” zei Van Brakel.

„Zoo,” antwoordde Lucie met een zijdelingschen verwijtenden blik, „hou jij je mond maar; als je jongmensch waart geweest, zou je misschien getrouwd zijn met dat.….”

Maar hij was opgestaan en hield haar met zijn hand den mond dicht.

„Het is gemeen!” riep hij lachend. „Je hebt beloofd er niet meer van te spreken.”

Ze stoeiden een oogenblik, tot groote woede der kinderen, die hen bij de kleeren trokken, en tot bezorgdheid van den ouden heer Drütlich, die met beide handen de tafel vasthield voor het geval ze er met hun zware lichamen tegen zouden aankomen.

„Kom,” zei ze hem lachend afwerend met de handen en met het hoofd zijwaarts achterover, coquetteerend met haar krachtig ontwikkelde buste, „kom, malle vent, schei er nu uit.”

Hij was spoedig buiten adem; dat was in physieken zin zijn merkbaar teeken van achteruitgang.

„Daar zou men warm van worden,” zei hij lachend en ging zitten.

„Wat doe je ook te beginnen?”

Zij streek haar kleeren glad en begon weer over het nieuws van den dag. Dat Geerling een dwaas was, een kwajongen, die zich verslingerde, stond vast; dat Ceciel een meisje van [242]verdachte zeden mocht heeten, liet geen twijfel toe. Het was pleizierig voor een fatsoenlijke familie zoo’n slet in haar midden te moeten opnemen! Maar ze zou wel niet in den kring worden toegelaten; het zou te erg zijn als zoo’n oude patricische Amsterdamsche familie zich op zulk een wijze compromitteerde.


Zij keerden van het „stadhuis” terug. „Stadhuis” zeiden de oudjes bijwijze van spreken en ze bedoelden het gewestelijk bureau, waar de gewestelijke secretaris dienst deed als plaatselijk ambtenaar van den burgerlijken stand. „Het kantoor” was niet vertegenwoordigd; de getuigen waren een paar kennissen van Geerling en een paar ex-zeil-kapiteins, oude vrienden van de familie der bruid. Receptie zou er niet gehouden worden. Van den kant van Jules zou toch niemand komen en Ceciel was niets gesteld op visite van haar kant.

Een dinertje voor de getuigen,—daarmee zou alles gedaan zijn en bukkend voor het onvermijdelijke, had Ceciel besloten tante Du Roy maar te laten mee-eten, bijwijze van galgemaal.

Zij reed naar huis in een gehuurde trouwcoupé. Schoon was ze als een engel; niet als een vol van de onschuld der onwetendheid, niet als een kalverachtig onnoozel meisje, dat zich nog onnoozeler voordoet dan ze is, opdat men toch vooral zien zal, hoe weinig ze zich van de naaste toekomst bewust is,—maar als een engel des verstands; schoon door lijnen en kleuren, schoon door zichzelve, zonder dat de illusie van een oogenblik daartoe iets behoefde bij te dragen. Men kon het haar aanzien, dat zij geen vluchtig parfum was, maar een [243]blijvende essence, in staat te overwinnen in den strijd om een frisch en langdurig bestaan.

Jules Geerling keurig in ’t zwart, met al wat hij aan had van ’t beste Schnitt en de duurste qualiteit, had den ganschen dag niets gedaan, dan haar bewonderen. En toch lag hem iets als lood op het hart; het was gebrek aan zelfvertrouwen. Naarmate de dag vorderde en hij Ceciel ernstiger en beslister had gezien in haar doen en laten, was dat erger geworden. Zij scheen hem iets te krijgen van een hooger wezen, wat door haar wit satijnen bruidstoilet en den witten sluier nog werd verhoogd. Geen lachje nog had haar gezicht opgevroolijkt; geen traan was haar in het oog gekomen. Zij sprak kalm, als altijd, en dat had hem geducht op de zenuwen gewerkt.

Zij had niet anders kunnen zijn dien dag. ’t Was geen komediespel, waarlijk niet; ’t was de invloed van het groote feit, van het offer dat ze in werkelijkheid bracht. Op het altaar van haar zucht naar fatsoen en stand, slachtte zij al wat in haar leefde voor wederkeerige liefde. Nooit had ze gedacht, dat het haar zwaar zou vallen, maar nu het gebeurde, drukte het haar ter neer. Zij had Geerling ingepalmd en ze wist zeker, dat ze het ook zijn Amsterdamsche familie zou doen. Al wat dit huwelijk mogelijk maakte, zou ze door haar ontwikkeling en haar ongenaakbare deugd stellig veroveren; maar van aanspraken op die gloeiende, robuste genegenheid, die overeenkwam met haar physieke ontwikkeling en haar temperament,—dáárvan moest ze voor goed afstand doen; daarvan mocht nooit of nimmer sprake zijn; dáárvoor was een hoofdvoorwaarde niet aanwezig, noch in den persoon [244]van Geerling, noch in het bitter weinige, dat ze voor hem gevoelde.

Aan dat alles dacht ze. De accessoires van het leven en de demonstratie der gelegenheid lieten haar koud: zij vond die klein en onbeduidend, vergeleken bij hetgeen omging in haar eigen gedachten; die hielden haar bezig den ganschen dag en lieten haar eerst los tegen het diner, toen haar goede gezondheid haar eischen deed gelden en haar dwong tot het vroolijk bewustzijn, gewekt door een hongerige maag aan den eenen en den geur van fijne schotels aan den anderen kant.

„Kom Ciel,” zei Geerling haar kussend, „dat doet me genoegen. ’t Is voor het eerst, dat ik een glimlach op je gezicht zie vandaag.”

„Het is een ernstige dag,” antwoordde ze, en haar woorden uitleggend in zijn geest, stemde hij toe.

„Zeker, maar we moeten nu vroolijk zijn, ja?”

„Wel ja,” voegde zijn schoonvader er aan toe, wiens tong nu reeds verraderlijk dubbel sloeg, „jullie moeten wat vroolijker wezen; je zit daar of we op een begrafenis zijn.”

En allen waren het met hem eens, ook tante Du Roy, die er zeer goed uitzag en onder de aanwezige oud-gezagvoerders grooten opgang maakte.

Er vielen aardigheden aan tafel, waarover Ceciel zich ergerde, maar waarop zij geen aanmerking wilde maken; er werden verscheiden wijnsoorten dooreengedronken; tante Du Roy stelde zich aan en gilde lachend als de scheepskapiteins haar onder de tafel in de beenen knepen. Er werden toosten geslagen, heel goed bedoeld, maar slecht gezegd; de lucht in de binnengalerij, nog warmer door de menschen en [245]de spijzen, was met gastronomische geuren vervuld, die de hersenen benevelden. De zeelieden werden herinnerd aan de vervlogen jaren hunner jeugd; de geest van den wijn verdreef den ernst des levens en de bedachtzaamheid van den leeftijd. Een hunner stond op, eenigszins waggelend, en begon met een glas wijn in de hand, waaruit hij telkens een weinig op het tafellaken stortte, een lied, waarmee hij gedurende zijn bootsmansjaren veel succes had gehad; met kon het zijn goedig rood en verweerd gelaat, door een grijzen ringbaard omlijst, aanzien dat hij het uitstekend meende; niettemin klonk het lied over zekeren Krelis, die voor de eerste maal getrouwd was met zeker Kniertje, in hooge mate onaangenaam voor het nette jeugdige paar, dat het aanhoorde met een zuurzoeten glimlach, terwijl tante Du Roy bij elke equivoque zinspeling allerverleidelijkste knipoogjes van verstandhouding gaf aan haar overbuur om toch vooral te doen zien, hoe goed ze van begrip was.

Zelfs toen Ceciel, voor goed nu, het vaderlijk huis verliet, gevoelde zij geen spoor van aandoening. Inwendig juichte ze: er uit, er uit! En toen, terwijl alles in de voorgalerij stond te schreien, haar ouders van wezenlijk verdriet om de scheiding van haar kind, haar tante vanwege de teergevoeligheid, en de rest van den weerstuit, wierp zij zich achterover in de kussens van het rijtuig met een zucht van verlichting en een welgemeend: Goddank!

Voor Geerling liep alles ten beste af. Ceciel was doodmoe, daarbij nieuwsgierig noch zenuwachtig, wat zoo weldadig op zijn stemming werkte, dat hij, toen ze in het kleine dorpslogement, waar ze vertoefd hadden, ’s morgens koffie dronken, [246]met ’t prachtigste uitzicht ter wereld op ’t boschrijk gebergte,—zich de gelukkigste man ter wereld achtte.

Het jonge vrouwtje genoot ’t geluk volstrekt niet in die mate. Zij had alleen ’t gevoel van welbehagen, dat iemand heeft, die geslaagd is in een lang gekoesterd en met groote zorg overwogen en voorbereid plan. Ongestoord liet ze hem begaan, schoon ’t haar verveelde, dat hij zijn handen geen oogenblik van haar lijf kon houden.

„Willen wij een eindje opwandelen?” vroeg ze.

Natuurlijk vond hij dat uitstekend; het was een voortreffelijk denkbeeld; hij zou tegen iedereen hebben volgehouden, dat slechts zijn vrouwtje in staat was zoo’n eminent idee op te vatten, als het doen van een ochtendwandeling.

’t Was in deze bergstreek heerlijk koel, zonder het kille, dat de hoogere zône oplevert.

Wat Jules en Ceciel niet wisten, was, dat men hen hier van reputatie en van aanzien kende; en zoo wisten zij ook niet, dat ze en passant aanleiding gaven tot allerlei conjecturen en glossen op hun jongste verleden. De onderwijzer, die met zijn vrouw hen al wandelend passeerde, de dokter, die haastig met een collega naar het hospitaal liep, de agent van den wagendienst, zijn magere knollen inspecteerend, en de postcommies in rustige rust zijn pijpje rookend voor zijn deur,—allen beschouwden hen met de grootste belangstelling. Dat was dan die rijke Amsterdamsche koopmanszoon, wiens huwelijk men op allerlei wijze had willen beletten en die nu toch getrouwd was met dat meisje van veelbesproken reputatie, dat nichtje van die bekende weduwe Du Roy. Nu had hij zijn zin, maar niemand geloofde, dat hij zijn [247]zin nog zoo heel weinig had voor den huwelijksdag.

Integendeel, iedereen was innig overtuigd, dat het huwelijk niets meer was geweest dan de formaliteit noodig pour le couronnement de l’édifice.

Des middags vertrokken zij weer hoogerop en ’t was reeds donker, voor zij de plaats bereikten, waar zij een dag of acht hoopten te vertoeven. Geerling, die per telegram goede kamers had besteld, kreeg die aan den eenen kant van den ingang van het logementsgebouw, waar ze met openslaande deuren uitkwamen op de voorgalerij. Moe van het rijden berg op, berg af, hotsend over een half vervallen en sedert den spoorweg als zoodanig niet meer gebruikten postweg, besloten zij in hun kamers te dineeren en daarna te gaan slapen.

Verbaasd zag Geerling den volgenden ochtend op, toen hij buiten kwam en aan den anderen kant van de voorgalerij Van Brakel zag zitten met diens schoonvader. Vervelender kon het nu al niet! Hij groette even met een hoofdknik en kreeg juist evenveel terug.

„Weet je wie onze buren zijn?” vroeg hij, in de kamer terruggaande.

„Nu?”

„De Van Brakels.”

„’t Is zeer onaangenaam. Maar ’t komt er zoo veel niet op aan.”

„We kunnen hen moeielijk op den duur zonder spreken voorbijgaan.”

„Dat is ook volstrekt niet noodig. Goeden morgen en goeden avond weegt niet zwaar. Doe overigens maar net als ik.”

En Van Brakel zei tot Lucie, die nog in haar bed lag te luieren met een kind in elken arm: [248]

„Zeg Lucie, dat treffen we beroerd. Die kwajongen en die meid logeeren hier aan den anderen kant van de voorgalerij.”

„Laat ze!” antwoordde Lucie, half boos dat ze in haar naslaapje werd gestoord. „Wat hebben wij met dat volk noodig? Wij kijken het niet aan.”

Zij deed het ook.

Toen de Geerlings in de achtergalerij kwamen, waar het ontbijt gereed stond, zat Van Brakel, die altijd honger had, „in de kou” zich reeds aan boterhammen met ham te vergasten. Zij groetten en hij was te goed opgevoed van huis uit om onbeleefd te wezen; hij groette terug. Maar Lucie, die een oogenblik later kwam met haar kinderen, ging met groote drukte en veel beweging zitten en toonde door haar manier van spreken en de uitdrukking van haar gezicht, dat zij met de nieuwe gasten niets wilde te maken hebben, en deed eenvoudig alsof ze hen niet zag.

„Het is heel lief van haar,” meende Ceciel lachend. „Zij maakt het mij erg gemakkelijk.”

Maar zóó gemakkelijk was het niet, want de kleine Van Brakeltjes schenen zich door de jonge mevrouw erg aangetrokken te gevoelen, en ofschoon Ceciel hoegenaamd niets deed om de kinderen te lokken en ze ook niet aanhaalde, kwamen ze steeds aan haar kant en stonden of zaten haar aan te kijken en kwamen vertrouwelijk tegen haar aanleunen.

Lucie, woedend, riep ze dan terug, maar het hielp niet veel, want de Van Brakelsche jeugd, in volle vrijheid gedresseerd, beantwoordde het geroep met een welgemeend , totdat Lucie de baboes zond om de kinderen mee te trekken. Dan verzetten zich de lieve kleinen met hand en tand, [249]schreeuwend en gillend en schoppend en slaand; en tien minuten later zaten ze, nog met de tranen op het gezicht, toch weer bij Ceciel.

De toestand, vond mevrouw Van Brakel na eenige dagen, werd onhoudbaar. Haar zenuwen waren, na de levenservaring der laatste jaren en door het druk dagelijksch gebruik van portwijn, bier en andere geestrijke dranken, niet meer zoo rustig als in vroeger tijd. Wanneer zij ’s ochtends, ’s middags en ’s avonds aan tafel in het logement zich airs gaf en veinsde de Geerlings in het geheel niet te zien, dan was er niemand, wien dit zoo geweldig irriteerde, als haarzelf. Langs het koude masque der schoone jonge vrouw gleed dat alles af, als langs gepolijst marmer. En Lucie benijdde haar die imponeerende kalmte meer dan haar schoonheid, want zij was met haar eigen uiterlijk zeer tevreden en zij zag wel aan de blikken der mannen, dat haar rose vleesch van welgedane blondine appétisanter was dan de matbleeke teint der inderdaad veel schoonere mevrouw Geerling.

„Het is onuitstaanbaar,” zei ze.

„Dat is toch je eigen schuld,” zeide haar vader. „Waarom doe je niet net als iedereen? Wat kunnen je die jonge menschen schelen?”

„Ze kunnen me niets schelen, pa! Juist dáárom. Maar er is meer gebeurd, waarover ik zwijgen zal en waarin die twee de hand hebben gehad. Herman zal me niet tegenspreken.”

Dat deed hij ook niet.

„Maar toch,” zei hij, „heb ik er meer dan genoeg van en stel ik voor om elders heen te gaan.” [250]

Schade,” meende Drütlich, behaaglijk aan zijn pijp zuigend, „het is hier zoo lekker.”

Lucie gaf haar man een zoen.

„Je hebt groot gelijk en ik vind het lief van je. Dat nare volk bederft me hier alle genoegen. De kinderen zijn niet van haar af te slaan en zij doet toch niets; ze geeft ze niets en ze haalt ze niet aan. Ik begrijp niet wat dien kinderen scheelt.”

„De aantrekkingskracht der schoonheid,” liet Van Brakel zich onvoorzichtig ontvallen.

„Schoonheid? Het is wat, zoo’n marmer schaap; zoo’n steenen beeld! Neen, maar ik ben werkelijk bang, dat zij de kinderen behekst; ze heeft er net zulke rare oogen voor. Daarmee heeft ze dien Geerling ook betooverd, want zij houdt niet van hem; geen zier!”

„Och wat!” zei haar vader, wrevelig over de soesah van het vertrek: „wat weet jij er van? Laat toch die jonge menschen met rust. Het is dwaasheid om hier vandaan te gaan; het is hier veel te lekker.”

Doch papa had goed praten,—den volgenden ochtend waren de koffers gepakt en stond een groote reiswagen met een impériale voor de vele bagage, te wachten aan het hotel, en onder groote drukte trokken de Van Brakels af, in het gezicht hunner tegenpartij, die kalm aan den anderen kant der voorgalerij een kopje koffie dronk, al wippende met de schommelstoelen.

„Zij gaan nog hooger op,” zei Jules.

„Ja,” antwoordde Ceciel glimlachend, „dat dacht ik wel. Zij gaan op de vlucht.”

„Op de vlucht?” vroeg hij verwonderd; „hoe bedoel je dat?” [251]

Zij kan het in mijn nabijheid niet uithouden. Het is haar eigen schuld. Ik begreep den eersten dag reeds, dat ze die aanstellerij niet zou kunnen volhouden.”

Ten slotte speet het den Van Brakels niet, dat ze van tijdelijke verblijfplaats waren veranderd, want ze amuseerden zich kostelijk. Daarvoor gaven ze dan ook gruwelijk veel geld uit, en Van Brakel nam zich voor, als ze weer beneden kwamen, spoedig uit te zien naar wat werk, ten einde het gat, dat dit reisje in zijn financiën had geslagen, weer te dichten.

Hij deed het ook, maar.… er was niets; het ergste was nog, dat er zich gedurende zijn afwezigheid een andere bouwmeester op de plaats had gevestigd en het eenige werk, dat open was gekomen, hem achter den rug had weggekaapt.

De eene maand ging na de andere voorbij, maar werk van eenig aanbelang kwam er niet; slechts kleine verbouwingen en reparaties; om nu zoo weinig mogelijk in te teren, deed hij zijn best, die uit te breiden en kostbaar te maken, tot woede en verdriet van de eigenaars, die zich de haren uit het hoofd trokken bij het zien der „gespecificeerde” rekeningen, waaruit zij toch niet wijs konden worden, maar die op zeer respectabele totalen neerkwamen.

Wie voor dergelijk werk in zijn handen viel, beloofde zichzelven plechtig, dat het voor de laatste maal zou zijn.

Zoo scharrelden zij het jaar door, elke maand inbrokkelend van hetgeen ’t vorige jaar was verdiend, en toen wederom de Indische Sint-Silvester zijn natte tronie liet zien onder de druipende klapperboomen, bracht hij Van Brakel tot de slotsom, dat diens zaken lang niet schitterend stonden en hij de [252]tering moest zetten naar de nering, wilde hij niet spoedig aan den grond raken.

Maar voor Van Brakel en voor Drütlich was dit een onverstaanbare taal; een taal, die ze begrepen noch verstonden. Ze namen er het leven goed van, als zij geld hadden ten koste van zichzelven en anders ten koste van hun leveranciers, in afwachting van betere tijden. En op die laatste hoopten zij dien oudejaarsavond; met elk glas, dat ze meer dronken, werd die hoop levendiger.

„Met den eersten flinken duit, dien ik verdien,” zei Van Brakel, „ga ik eigen huizen bouwen.”

„Dat hadt je al lang moeten doen.”

„Dat had ik ook; maar nu ben ik er toe besloten. Ik maak tusschen die twee voorname wegen een verbindingsweg.”

Hij haalde een stuk krijt en teekende zijn weg op de tafel, en zette de huizen op een rij.

Het was een idee.

Met hun drieën lagen ze over de tafel, de hoofden bijeen, turend op de witte lijnen. Van Brakel gevoelde zich een Hausmann in miniatuur.

Hij teekende voort, vlug en vaardig, en hij zette zijn bedoeling nader uiteen: de grootte van de erven, de inrichting der woningen, het punt van uitgang over begroeide terreinen en door klappertuinen, tot het snijpunt op den tweeden parallelweg.

„Prachtig!” riep Lucie vol bewondering.

„Het is een practisch denkbeeld,” vond haar vader. „Ik geloof wel, dat je daarmee succes zult hebben. Er is behoefte aan zulke huizen.” [253]

„Maar de duiten?”

„Zie dat je een geldschieter krijgt.”

„Als je eens naar hem ging, je weet wel, die je toen met dien speelbeer heeft geholpen?”

Langzaam en in gedachten knikte Van Brakel toestemmend. Dàt had hij ook reeds gedacht; die zou hem wel willen helpen. Zij dronken op het welslagen, tot de hanen reeds voor de tweede maal hadden gekraaid en de nieuwe dag naderde van het nieuwe jaar.

Lucie ging naar bed, vrij soezerig, en ze sliep reeds voor zij behoorlijk lag. Herman en Drütlich bleven nog in luierdstoelen zitten bij hun zooveelste brendy-soda; de oude man dommelde in, en de ingenieur sprak altijd maar voort met zware tong en nu en dan haperende stem over zijn bouwplannen, tot hijzelf ook indommelde.

Langzaam rees de zon achter de huizen aan de overzijde van den weg. Het ochtendschot was met een doffen dreun gevallen. De krakende karren, die tot zoo lang buiten de poort hadden moeten wachten, deden hun intocht; hier en daar doken de inlanders op uit hun kampongs, met de sarongs tot aan de schouders opgetrokken of de armen tegen het lijf gekruist, bibberend bij de koelte van den ochtend en, nog slaapdronken, waggelend op hun beenen; alles was gekleurd met een grauwe tint, die met elke minuut lichter werd, tot ze zich oploste in de eerste zonnestralen, die de dauwdroppels op de klapperbladeren deden fonkelen.

De stralen daalden lager; ze vielen over de boomen heen op ’t afdakje van ’t paviljoentje der Van Brakels; toen er onder. In de luierdstoelen sliepen de twee mannen; de oude, [254]stil en rustig; wel duizendmaal had hij op ’t land in zoo’n stoel geslapen; de jongere luid snorkend. Beider gezichten waren opgezwollen en rood van het drinken en glommen in het zonlicht alsof ze met vet waren besmeerd. En in het centrum van de karaf met brendy schiep een straaltje van den lichtbundel een prachtige helder gouden ster, tintelend en schitterend met vroolijke levendige kleurwisseling bij de geringste beweging.

Een inlandsche bediende sloop zacht naderbij op zijn bloote voeten; hij ging ’t galerijtje op, nam de flesch weg en de glazen, bracht die even achter ’t muurtje, dat het voorerf van het achtererf scheidde, en zette daar de karaf aan zijn ongewasschen mond.

’t Was Van Brakel of hij blind werd, toen hij, de oogen openend, in de zon keek.

Hij schopte tegen den stoel van den ouden heer.

„Zeg, zeg pa; ga naar uw tampat.”

Beiden stonden op en sukkelden naar hun kamer, waar ze de gendie’s voor den mond zetten, veel water dronken en toen nog half slapend in hun bedden neervielen.

Het was de eerste dag van een nieuw jaar.


De poging gelukte.

Toen Van Brakel eenige dagen later zijn plannen en ontwerpen den resident aanbood, was deze daar wonderwel tevreden over; hij beschouwde ze met groote belangstelling; hij zag in hoe nuttig zoo’n verbindingsweg zou wezen in het fraaiste deel der gemeente en hoe sierlijk de aanleg zou kunnen zijn; de resident werd er enthousiast voor en beloofde [255]in alles zijn medewerking, behalve natuurlijk in ’t finantiëele, maar daarom vroeg Van Brakel niet.

Hij ging van ’t residentiehuis naar ’t koopmanskantoor en ook daar hoorde men hem aan met de grootste welwillendheid, die nog sterker werd toen men vernam dat de resident de plannen goedkeurde en diens steun had toegezegd.

’t Was alles fraai en wel; men twijfelde volstrekt niet aan het goed inzicht en de architectonische bekwaamheden van Van Brakel; men was ook wel geneigd kapitaal te verstrekken,—maar de soliditeit van den ingenieur op finantiëel gebied werd betwijfeld en daarom stelde men hem moeilijke en zeer bindende voorwaarden, waardoor hij en zijn werk altijd vast lagen in handen van de firma.

Hij nam die voorwaarden aan zonder zich te bedenken; hij was zóó zeker van zijn zaak!

En er begon voor hem een tijd van groote drukte en werkzaamheid, welke hem vroeger dan ooit op het pad deed zijn en later dan ooit te huis deed komen.

Bij de algemeene medewerking ging alles wondervlug; de noodige terreinen, behoorend bijna uitsluitend aan Chineezen en Arabieren, werden met de hulp van ’t bestuur gemakkelijk verkregen; de aanleg van den weg was voor weinig geld, door de gratis-hulp van dwangarbeiders-personeel, spoedig gereed en weldra had Van Brakel zijn perceelen afgebakend en voor zooveel noodig schoon gemaakt en rezen ontzaglijke steenhoopen en bergen kalk en stapels balken op het terrein. Hij had zijn begrooting goed ingericht, naar zijn idee; zóó goed, dat hij zichzelven feitelijk bestal; als loon voor zich had hij er weinig opgebracht in directe cijfers; het meeste was onder [256]andere posten verscholen.—Bovendien, dat moest zoo uitkomen voor later, als hij een werk deed voor anderer rekening; men moest hem dan immers niet kunnen verwijten, dat hij mat met twee maten. En zoo kreeg hij telkens betrekkelijk aardige sommetjes in handen, die „vrij” waren gekomen bij de uitbetaling van werkloonen en leveringen; Lucie, die dat heerlijk vond, maar hem bitter beklaagde, omdat hij zoo „voort” moest, wendde die in hoofdzaak aan om hem in zijn weinigen vrijen tijd het leven lekker te maken. Hij mocht niet meer eten aan de tafel in het commensalenhuis. Daar moest hij gekleed komen, en kasian! hij kwam pas ’s middags te zes uren thuis, doodmoe, en niets was dan lekkerder, dan na het baden in nachtbroek en kabaai te blijven; er werd elken avond een extra-dinertje voor hem klaar gemaakt, alles uit blikjes en altijd iets met truffels, daar hield hij zooveel van, kasian! Voor de gezelligheid aten Lucie en haar vader dan met hem mee, kasian!

Zondags, als er niet werd gewerkt, was het een dag van het meest volkomen epicurisme, slechts afgewisseld door wandelingen ’s morgens en rijtoertjes ’s middags en ’s avonds. Met dat al verdiepten zich Van Brakel en zijn schoonvader zoo dapper in de spiritualiën, dat de laatste er sufferig onder werd; de ijzeren natuur van den ingenieur bood als altijd weerstand en hoeveel hij ook dronk des avonds,—klokke vijf den anderen morgen was hij weer op het werk, net als in ’s lands dienst.

Dan zette hij er gang in. Er moest, zoo was de afspraak met de geldschietende firma, een huis worden afgemaakt en verkocht; dat was niet alleen goed voor ’t geld, maar het stond [257]flink voor de commanditairen in Europa; die zagen dan, dat er wat binnenkwam.

Toen daar het eerste huis stond, niet te groot, keurig net, met marmer bevloerd, doelmatig ingedeeld en van alle gemakken voorzien, kwamen belanghebbenden kijken, want het was te koop geannonceerd.

Ofschoon hij rondliep, even groetend, maar zonder schijnbaar notitie van de menschen te nemen, spitste hij de ooren en zag scherp toe. Nu en dan glimlachte hij. Welzeker, ze zagen het wel! Ze zagen wel dat hier geen beunhaas aan het werk was geweest, maar een man van het vak. Alles was solide, alles was haaks. ’t Was niet een dier talrijke Indische huizen, waarvan men de hoeksteenen met den haak van een Engelschen wandelstok los kan peuteren en er uit halen, zoodat het heele huis ten slotte ineenstort,—neen, ’t was, wat een Hollandsche notaris zou noemen: hecht, sterk en weldoortimmerd.

Deskundigen kwamen het zien en bekeken het met welgevallen; Chineezen snuffelden rond om na te gaan hoe dit en dat ineenzat,—maar dáárover was men het eens: er stonden weinig huizen op de plaats, die zoo goed gebouwd waren. Het bracht een prijs op ver boven de taxatie, tot groote vreugde van Van Brakel en niet minder van diens geldschieter. ’t Was voor den ontslagen waterstaatsingenieur een moment de gloire, zooals hij er nog geen had gekend; en het succes wischte voor het oogenblik alles schoon; de koopman, die het werkkapitaal had verstrekt, gaf een partij en de Van Brakels werden geïnviteerd.

Daar zouden zij dan weer komen, midden in de wereld, die hen had uitgestooten; terug in de kringen, die zich voor hen [258]hadden gesloten, in het gezelschap van hen, die hun gezelschap hadden vermeden.

Van Brakel glom van trots en genoegen. Met een glimlach vol zelfvoldoening om den mond en schitterende oogen liep hij met groote stappen in ’t voorgalerijtje op en neer.

„Daar komen ze nu al,” zei hij op hoonenden toon. „Daar komen ze nu al! Met hangende pootjes! Je zult nog wel meer grappen beleven. Wacht maar! Er zal een tijd komen, dat ik hen trappen kan en dan zal ik hen trappen, de ploerten. Ze hebben me genoeg laten slikken in den laatsten tijd. Mijn dag komt ook: wacht maar! Ik zal het hun wel inpeperen, dàt beloof ik je.….. De ploerten”… herhaalde hij nog eens, vol minachting naar buiten spuwend, als deed hij het der geheele stad in het gezicht.

Lucie lette er niet op; zij was geheel in gepeins verzonken, en opziende, als iemand, die met haar gedachten ver van tijd en plaats is, zei ze:

„Ik weet waarachtig niet, wat ik zal aandoen op die partij.”

Toch was zij zenuwachtig.

Zij moesten alles nieuw hebben en hij was niet meer gewoon aan min of meer voornaam gezelschap in „pakean deftig.”

Het liep echter uitmuntend af. Menschen, die hem in geen maanden hadden gegroet, spraken hem aan alsof ze voortdurend met hem in de beste verstandhouding hadden verkeerd; dames, die Lucie van vroeger kende, behandelden haar als zusters en verzekerden hoe gelukkig ze waren, dat nu alles zóó geschikt was.

Wat ze meenden, wist Lucie niet goed, maar ze vond het heerlijk. En ze danste ook weer, al was het niet zooveel als [259]vroeger toen Herman nog in dienst was en inferieuren had.

’t Was een triomf, waarvoor zij in hun hart dankbaar waren.

Van Brakel zat weer eens aan een hombertafeltje, waar om een hoog tarief werd gespeeld met oploopenden pot. Hij was niets vergeten, al had hij ook niets geleerd.

De volgende maand was hij weer lid van de sociëteit. Er waren nieuwe bestuursleden in dat jaar gekomen en de andere keken zoo nauw niet; nu het eenmaal was uitgemaakt dat men voortaan Van Brakel toch overal zou ontmoeten, moest over dat uit ’s lands dienst geraken de mantel der liefde maar geworpen worden. Schwamm d’rüber! dacht men unaniem en hij deed weer zijn intrede alsof er niets was gebeurd; en hij ging er weer heen elken avond; hij werd weer een „steunpilaar”; hij huurde ook een eigen woning, richtte zich netjes in en leefde weldra juist zooals hij geleefd had als ingenieur bij den Waterstaat; alleen verteerde hij meer geld en had hij meer drukte over zich.


Kalm en gelukkig kwamen Jules en Ceciel terug van hun huwelijksreisje.—Ze namen hun intrek in een logement en maakten rustig en op hun gemak alles gereed, wat ze noodig hadden om mee te nemen. Passage naar Europa was besproken en Jules had van het vermogen, dat hem, toen hij meerderjarig werd, moest worden uitgekeerd, afrekening ontvangen. Zijn verzoek om het geld in de zaak zijns vaders te laten, was afgewezen, zoodat hij een andere belegging moest aanwijzen. Met een zucht had hij het gedaan.

Ceciel had een halven nacht besteed aan het nagaan der verantwoording. [260]

„Je moet het geld vooral solied beleggen,” zei ze, toen het niet in de zaak mocht blijven.

„Zeker. Ik wil alleen met een klein beetje speculeeren.”

„Doe het niet,” waarschuwde zij, „wij hebben meer dan genoeg voor ons tweeën ook bij lage rente.”

„Het maakt een drommelsch verschil. In de zaak rendeerde het 15 a 20 percent.”

„Wat zou het, Jules? Maar als de zaak eens fout ging!”

Allons!” spotte hij. Welk een gek idee had ze daar! „Als de heele zaak, zooals die nu staat, de zwaarste klappen kreeg, heeft papa nog persoonlijk fortuin genoeg om à pari te liquideeren.”

„Het is mogelijk, maar ik heb het niet op zaken. Ik heb liever solide staatspapieren, waarvoor men nooit bang heeft te zijn. Kom Jules, doe het maar.….”

En ofschoon hij er maar weinig zin in had, deed hij het ten slotte toch op haar aandringen.

Zij zat nu nog slechts met één moeilijkheid.

„Waar embarqueeren we?” vroeg zij op een ochtend.

„Wel … aan den kleinen Boom. Waar zouden we anders embarqueeren, chérie?”

„Ik ga hier niet aan boord.”

„Maar.….…”

„Om het gejammer van pa en ma nog eens in het publiek te genieten, geaccompagneerd door tante Du Roy.…..! Ik dank je wel.”

„Maar beste Ciel, hoe drommel moeten we het dan aanleggen? We kunnen toch niet op de vlucht gaan!”

„Laat dat maar stil aan mij over. Ik ga strakjes naar de [261]oudelui en zal er met hen over spreken. Pa is een man, die voor zulke dingen wel raad weet.”

Haar bezwaar tegen tante Du Roy werd erkend.

„Maar ze zal dol wezen,” meende haar moeder, „als je weggaat zonder afscheid van haar te nemen.”

„Dat zal ik ook niet. We gaan, net als pa zegt, een dag vroeger naar de naaste havenplaats, waar Jules een vriend heeft, wien hij nog zoo graag de hand zou drukken. ’s Avonds te voren komen wij afscheid nemen, met een reiswagen voor de deur, en ’s nachts gaan we met een tambangan naar boord.”

’t Beviel Jules Geerling maar half. Hij zag er nu zoo’n kwaad niet in, dat mevrouw Du Roy met veel tranen afscheid nam. Welke haan zou in Amsterdam, dacht hij, daarnaar kraaien? En dan, hij was nu toch gebrouilleerd met zijn familie!

’t Was nog stikdonker toen ze gingen. Geerling slaperig en mopperend. Ceciel druk en opgewonden. Eindelijk was het oogenblik daar, en zou ze Java verlaten. Haar kisten waren reeds den vorigen avond naar boord gegaan. Zij reden naar de kali, waar een tambangan hen wachtte. Er lag een dikke, geelachtige damp over de plaats; het rook onaangenaam en in het flauwe schemerlicht zag alles langs den weg er vies en onooglijk uit. Och, ze was zoo blij, dat ze heenging!


Ook het tweede huis, dat Van Brakel had gebouwd, bracht een fraaien prijs op, maar daarvan werd zooveel notitie niet genomen.

Het nieuwtje was er af en een „meevaller” was het niet meer.

Alles ging nu overigens zijn gewonen gang. Lucie was weer teruggekeerd tot haar oude bedrijvigheid van vroeger, al ging het in den aanvang niet meer zoo van harte. En ’t huishouden [262]kostte een schat van geld en Van Brakel had voor zijn menus plaisirs meer noodig dan ooit.

Zij hadden er al eens ruzie over gehad; hij verweet haar dat ze spilziek was; dat ze vroeger niet het vierde gedeelte gebruikte van de dranken, die thans werden geschonken. Maar zij was sterk; zij had een sociëteitsrekening van over de honderd gulden in zijn zak gevonden en daarmee gewapend, bestreed zij hem.

„Nu maar; er moet toch een eind aan komen,” zei hij later. „Ik zal van mijn kant ook wat inkrimpen.”

„Je mocht waarlijk wel het voorbeeld geven. Jij verteert met je homberen, je sociëteit, je havana’s, je paarden en aan je verdere verteringen, meer alléén dan wij met het geheele huishouden.”

„Je lijkt wel gek.”

„Maar ik zeg de waarheid.”

„Nu goed. Ik zal mij bekrimpen; ik zal minder uitgaan en minder verteren; maar jij zult het ook doen.”

„Heel goed; als jij maar begint.”

Dien avond aan tafel stond hij als gewoonlijk na het dessert dadelijk op en nam zijn hoed.

„Ik dacht, dat je thuis zoudt blijven?”

„Van avond kan ik niet; ik heb afgesproken; de anderen komen ook. Morgen.”

Zij keek hem glimlachend aan; zij kende dat morgen!

Toen hij weg was, stak de oude Drütlich een groote pijp op en begon bier te drinken, waarbij Lucie hem met een glas likeur gezelschap hield. De eene flesch bier volgde de andere tot Drütlich vond, dat het tijd werd om over te gaan tot [263]een brendy-soda en Lucie meende, dat het uur van slapen was aangebroken.

Alleen met een rijtje ajer-blanda-fleschjes en een karaf cognac, verzette de oude man zijn leed. Het appeltje, dat hij nog had overgehouden voor den dorst, was reeds lang op; hij teerde nu geheel op zijn schoonzoon. Van Brakel vroeg daar niet naar.

Wat kon ’t hem schelen! Bovendien, hij wist dat Drütlich in zijn goeden tijd voor hem ook steeds royaal was geweest en daarmede nam hij dus genoegen. Maar dien nacht kwam hij erg laat thuis; hij had heel veel gedronken en was ook voor zichzelven zwaar op de hand. Onderweg mopperde hij in zijn eentje over de quaestie, die hij met Lucie had, en voor de eerste maal rekende hij het haar aan als een soort van verwijt, dat haar vader bij hen aan huis woonde. Toen hij uit zijn wagen stapte, achter op het erf, voelde Van Brakel, dat zijn gang eenigszins waggelend was en niet zonder eenige moeite klom hij de trappen op naar de achtergalerij, waar één lampje brandde.

Hij scharrelde naar het buffet. Er stonden vier leege bierflesschen en vier dito ajer-blanda-fleschjes. Van Brakel kon zich niet goed houden bij de gedachte, dat die „ouwe” zooveel bier en brendy-grog in zijn eentje had verschalkt.

Op zijn eigen suf gezicht verscheen een dom dronkenmanslachje.

„Zoo’n oude nathals!” mompelde hij en zocht grinnikend zijn kamer.

Hij had tegenwoordig een slaapkamer apart. Wel sukkelend en langzaam, maar toch volhardend, kwam hij er toe zich vrij behoorlijk te ontkleeden. In zijn bed lachte hij nog en [264]telde op zijn vingers hardop, om na te gaan hoeveel grogjes zijn schoonvader zich wel van vier fleschjes ajer-blanda had kunnen maken, maar hij telde telkens de bierflesschen mee en probeerde dan er die uit ’t hoofd weer af te trekken, al grinnikend van pret om dien ouden „nathals.” Maar ’t gelukte hem niet het rekenkunstig vraagstuk op te lossen; de invloed van het zelf genoten geestrijk vocht was te groot en hij viel in zijn gewonen korten, maar loodzwaren slaap.


De huizen vonden niet langer dien aftrek. Men had niet gerekend op het gering aantal menschen in staat en genegen om te koopen. De Chineezen hadden kongsi gemaakt. Waarom zouden zij zich haasten nu te koopen voor veel geld? Zij zouden hun beurt afwachten.

Drie, vier huizen gingen goed van de hand, maar toen was het uit. Op het vijfde werd te weinig geboden; het werd niet gegund en stond nu daar met een bordje er aan, vermeldend, dat het te huur was of te koop.

Doch het toeval trof, dat iedereen goed was voorzien en daar de huurprijs van het nieuwe huis vrij hoog was, schrikte dit ook de huurders af.

Intusschen werkte Van Brakel voort, als ging hem dat alles niet aan, schoon hij inwendig zeer ongerust was; als hij op ’t kantoor kwam om geld te halen, dan kreeg hij het, maar ’t ging niet van harte en hij moest allerlei klaagliederen aanhooren en zinspelingen op een speculatie, die dreigde te mislukken; op goed geld, dat naar kwaad geld werd geworpen; op mooie, maar niet geheel te verwezenlijken plannen enzoovoort.

Het werd elken keer erger. Telkens kreeg hij, wat hij [265]noodig had om te kunnen werken, maar telkens onwilliger.

Op een Zaterdag-ochtend, toen hij geld kwam halen om uit te betalen, iets dat hij altijd zelf deed, stonden de gezichten van de heeren chefs der firma ernstiger dan ooit.

Van Brakel werd verzocht in een aparte kamer te komen; men ging zitten en een van de firmanten, zijn bedenkelijk gezicht bewarend, begon met hem te zeggen, dat het hun verschrikkelijk speet; dat zij niets liever hadden gedaan dan dóórwerken, maar dat zij er reeds veel geld hadden ingestoken en dat zij voorzagen er, bleven zij voortwerken, nog veel meer te moeten insteken.

„Het kan toch waarlijk zooveel niet wezen.”

„Dat is naar men het neemt; het is al dertig mille.”

„’t Is niet mogelijk. En de opbrengst dan van de huizen!”

„Die is er af getrokken.”

„Onmogelijk! Hoe kan dat dertig mille zijn?”

„Het is toch zoo. Maar we dachten wel, dat je het niet zoudt begrijpen; hier is de rekening.”

Van Brakel kreeg een papier met „Aan’s” en „Per’s” waarvan hij weinig of niets begreep. Hij zag er getallen op staan van zes cijfers, waarmede, zoo zei men ter toelichting, hij zich niet behoefde te bemoeien; dat betrof alleen de boekhouding.

Met een domme uitdrukking op het gelaat, bekeek hij het met zwarte en roode inktstreepjes bewerkte blauw gelijnde papier.

Hij begreep er niets van dan het eindcijfer, ja, dat zag hij: ’t was over de dertig mille. Overigens deed de net geschreven rekening-courant hem denken aan de nota’s, die hijzelf bij gelegenheid indiende wegens reparaties, met een specificatie van groote en kleine soorten van spijkers en draadnagels, [266]afmetingen van verwerkt hout enzoovoort, waaruit evenmin iemand wijs kon worden.

Tegen die gespecificeerde rekeningen viel ook niets in te brengen en hij begreep, dat er evenmin iets te doen zou zijn tegen die rekening-courant, waarop millioenen paraisseerden, die niets met zijn bouwerij te maken hadden en alleen voorkwamen in verband met de boekhouding.

„Ja, het eindcijfer is zoo. Ik kon het me niet voorstellen. Maar dit is, dunkt me, toch geen reden om er mee uit te scheiden.”

„Voor u niet,” zei een der chefs met een slim lachje, „maar voor onze firma wel.”

„Toch niet. De huizen zullen hun geld opbrengen. Men moet een beetje geduld hebben.”

„Zulke zaken moeten quick gaan,” meende de compagnon, „en dat gaan ze niet.”

„Dus moet de boel maar zóó blijven liggen?”

„Voorloopig, ja. Wij zullen zien of we iemand kunnen vinden, die den boel wil overnemen, zooals hij reilt en zeilt.”

„Dat is een zeer pleizierige tijding voor me!”

„Ja, ’t spijt ons erg, maar er is niets aan te doen. Wij mogen niet verder gaan. We zouden onaangenaamheden krijgen met onze commanditairen.… Ziet u, we hebben ons er alleen mee ingelaten om u te helpen, want wij doen anders aan zulke dingen niet. Wij dachten, dat het flink zou marcheeren als het eenmaal op gang was, maar dat doet het niet.”

„En nu kunnen wij,” voegde de andere er bij, „niet langer er mee voortgaan. We moeten nu maar zien er met zoo weinig kleerscheuren als mogelijk is, af te komen.”

Toen hij ’t kantoor verliet, kon Van Brakel zich het geval [267]eigenlijk niet best voorstellen. Hij had ’t altijd beschouwd als zijn bouwerij en ten slotte bleek, dat hij in ’t geheel geen baas was geweest hoegenaamd; de winst op de verkochte huizen had de firma opgestoken en hij had gewerkt voor niet eens het traktement, dat hij zou bedongen hebben als hij het werk eenvoudig voor iemand had aangenomen.

„Ik heb het wel gedacht,” zei Drütlich, „ik heb het wel gedacht! Zoo gaat het altijd in de wereld en overal. Laat je dat een troost zijn.”

Lucie nam het zoo kalm niet op. Zij was woedend en schold op dezelfde menschen, die ze eerst zoo dankbaar was; ze waren „dieven” en Van Brakel was een domme vent. Ze schold zoo lang tot hij ook boos werd, en beiden, opgewonden, elkaar allerlei verwijten deden en uitmaakten voor al wat leelijk was.

Eerst ’s avonds dronken zij het af, waaraan ook Drütlich meedeed, schoon hij eigenlijk niets af te drinken had.

En nu begon de teruggang met groote snelheid.

De firma had de heel en half afgewerkte huizen verkocht aan een schoenmaker, die meer werkte met gesmokkelde opium dan met pekdraad en als zeer rijk en zeer gemeen bekend stond.

Reeds Zondag kwam hij familiaar bij Van Brakel de voorgalerij inloopen.

„Zeg, ik heb dien rommel gekocht. Als je wilt kan je blijven doorwerken; maar je moet niet zoo duur wezen, hoor!”

Van Brakel behandelde hem uit de hoogte. „Dank u. Ik zal er geen gebruik van maken.”

„Zoo. Ik dacht nogal dat ik je een dienst bewees, en dat meenden de heeren op ’t kantoor ook. Afijn, voor jou een ander. Ik wensch het je.” [268]

De schoenmaker-opiumsmokkelaar ging heen met een nijdigen trek op zijn onaangenaam gezicht.

„Eer ik nu toch voor zoo’n intensen ploert werkte,” zei Van Brakel, „schoot ik me liever dood.”

„Je moet ’t zelf weten,” meende Drütlich. „De vent z’n geld is net zoo goed als dat van een ander.”

„Ik kan mij toch niet feitelijk onder zoo’n schurk stellen?”

„Dat is ook niet noodig. Het is geen zaak van onder of boven. Je krijgt geld voor je werk. Daarmee is het uit.”

Doch Van Brakel was te lang in ’s lands dienst geweest om in dien gedachtenloop van zijn schoonvader te kunnen treden. Hij was het niet met hem eens en hoe de oude Drütlich ook redeneerde, geheel tegen zijn gewoonte in,—het hielp niet: Van Brakel was er niet toe te bewegen het werk voor dien „vent” te doen.

„Ze hebben je bij ’t lijf gehad,” zei Drütlich verder. „Ik heb ’t je gezegd: ze doen het altijd. Spreek er een advocaat over.”

„Waarover?”

„Wel over je contract. Een schriftelijke overeenkomst is nooit zóó of de partij in wier voordeel zij is gemaakt, is wel eens afgeweken.”

„Wat zou ik er aan hebben!”

„Allicht klop je er een duizend gulden of wat uit.”

Van Brakel volgde dien raad, en inderdaad liet de firma, om van alle soesah af te wezen, naar zij verklaarde, en uit medelijden met Van Brakels toestand, zich door diens advocaat tot een uitkeering in geld overhalen. Maar nu ook, werkte zij hem geregeld tegen. Wat hij ook beproefde—nergens vond hij meer eenig werk te doen. En terwijl het beetje [269]beschikbare geld hun door de vingers gleed, twistten zij elken dag, en werd het huiselijk leven voortdurend ondraaglijker.

Er was, er kon geen sprake meer zijn van uitgaan of ontvangen, en er zou ook niemand meer zijn gekomen. Het was maar een vleugje geweest!

Toch hielden zij het nog maanden vol, tot ook het krediet geheel was uitgeput.

Van Brakel liep overal, informeerend naar werk of naar een betrekking, maar men kon hem niet helpen en men wilde ook niet. Of het de misère van den laatsten tijd deed, of wel ’t gevolg was van een langdurig en herhaald misbruik—hij begon te marqueeren; zijn uiterlijk verried den man, die te veel van zijn gestel had gevergd; zijn oogen, zijn neus, zijn geheele gezicht begonnen te spreken van bitter, bier en brendy.

Iedereen behandelde hem nog als een „heer”,—hij was immers een gediplomeerd man; men had innig medelijden met zijn omstandigheden; daarbij bleef het. Stuk voor stuk, dat waarde had, verdween intusschen uit zijn huis, en binnen enkele maanden lag de boel, zooals hijzelf zei, voor den grond. Moedeloos en verslagen, huilde Lucie elken dag, tot zij haar leed verzette en meedronk met haar vader. Als Van Brakel, die langzamerhand tot de jenever bij Chineezen was afgedaald, dan terugkwam van een vruchteloozen tocht om werk, was hij drie-kwart dronken, en Lucie en haar vader waren ook niet normaal. Dan dronken zij voort, eerst elkaar troostend, tot de demon der tweedracht over hen kwam en een heftig krakeel losbrak.

Eindelijk vond hij iets. [270]

Het was toch bij den schoenmaker, die opium smokkelde.

Tien palen buiten de stad liet die een huis zetten voor den administrateur zijner rijstlanden. Van Brakel zou slechts het toezicht houden voor honderd en vijftig gulden in de maand.

Stil verkochten zij ondershands wat ze nog hadden, laadden de hoogst noodige meubelen op eenige karren, en vertrokken in den nacht, een lange lijst van schulden achterlatend.

Nabij een desa in de buurt, waar het huis moest worden gebouwd, had Van Brakel een kleine houten woning gehuurd. Die meubelden zij met hun bedden, tafels en stoelen, een paar kasten en eenige lampen; zoo eenvoudig mogelijk.

Ook zoo onverschillig mogelijk,—want het kon Lucie niets meer schelen. Als zij maar in een luierdstoel kon liggen, met wat te drinken naast zich, de oude heer om gezelschap te houden, en de kinderen, smerig en half gekleed, om nu en dan tegen te schreeuwen, als ze leven maakten, dan kon de rest haar niets hoegenaamd meer schelen.

Zoo ging hun leven voort, zonder rechtstreeksche ellende, en toch zoo diep ellendig.

Met een toedong op, die zijn rood gezicht beschaduwde, een dikken stok in de hand, een halfvuile kabaja aan, en op bloote voeten, de pijpen van zijn slaapbroek hoog omgeslagen, ging Van Brakel ’s morgens naar het werk.

Niemand zou in den Europeeschen koeli-mandoor den netten ingenieur herkend hebben, die eenige jaren vroeger rondreed in zijn bendy, met de pet op met zilveren band.

Zoo trok hij uit, al heel vroeg in den morgen, de dampen van den sterken drank des vorigen avonds nog in het hoofd en een pas werkenden ochtenddronk in de maag. [271]

Dan ging hij toezicht voeren op het heiwerk in den moerassigen grond, en terwijl de zon hooger kwam en de fel brandende stralen de padi rijpten, welke gelend op het veld stond, zoover men zien kon naar alle kanten, leunde Van Brakel op zijn stok onder het atappen afdakje, dat hij voor zich had laten maken. Zijn oogen vielen dicht; het was zoo warm, en hij zoo sufferig! Eentonig klonk het heilied.… Boem! Daar viel weer ’t blok op den paal. Half droomend glimlachte hij. Het heien! Daar stond hij als kind in Holland zoo graag bij te kijken, en hij genoot als de vroolijke heibaas met den rood baaien borstrok aan, zijn stem verhief: