Op een avond in Februari zat John Raffles met zijn vriend Charly Brand in een der loges van het Garrick-Theater in Londen om de voorstelling bij te wonen.
De groote onbekende was pas sinds een paar dagen weer in Engeland terug. Hij had de maand Januari en de eerste helft van Februari met zijn secretaris in Parijs doorgebracht en ook daar zijn gewone sport uitgeoefend.
„Het begint vervelend te worden,” sprak hij tot zijn vriend, „de theaterstukken worden van jaar tot jaar slechter, hoewel de acteurs beter zijn dan vroeger en met mijn sport gaat het evenzoo.
„De menschen hebben steeds minder geld, maar niettegenstaande dat zijn de inbrekers meer geoefend dan vroeger.
„Ik koester sinds eenigen tijd het plan om Londen vaarwel te zeggen en naar Berlijn te verhuizen; ik heb namelijk vernomen, dat de politie daar veel slimmer moet zijn dan de onze hier in Londen. Ik zou het prettig vinden om mij met die lieden te meten.”
Charly Brand glimlachte en sprak:
„Je prijst een Berlijnsche instelling ten koste van je eigen vaderland en toch geloof ik, dat zich op het gebied van strafzaken de politie nergens ter wereld zoo belachelijk heeft gemaakt als juist die. Ik denk hierbij aan een bijzonder geval.”
„Aan welk?” vroeg Raffles.
„Aan de geschiedenis van den hoofdman van Köpenick.”
„Je vergist je,” antwoordde John Raffles, „het verwijt, dat jij de politie maakt, is niet op zijn plaats. Want nergens ter wereld heeft men het nog zoover gebracht, dat men een misdaad, waarvan men niet het flauwste vermoeden heeft, kan verhinderen. Ik geloof echter, dat in Duitschland een sportman als ik nog groote dingen tot stand zou kunnen brengen en heb werkelijk het plan—” hij zweeg plotseling en fixeerde door zijn monocle een zwaargebouwd heer, die met eenige opzichtig gekleede dames der demi-monde in een zijloge plaats nam.
Charly Brand volgde de blikken van zijn meester en fluisterde:
„Ken je dien heer?”
„Jawel,” sprak John Raffles zacht, „ik ken dien man helaas maar al te goed. Hij is een van de menschen, dien ik een stevigen strik om zijn hals toewensch.”
„Wie is hij?” vroeg Charly Brand. [2]
Op dit oogenblik stond Lord Lister op en verliet de loge. Juist werd het gordijn opgehaald en het stuk nam een aanvang. Charly volgde hem op den voet.
Zij gingen in den foyer, namen daar in gemakkelijke stoelen plaats, bestelden whisky met soda en rookten sigaretten.
„Ik wil niet,” sprak de groote onbekende, „dat die man mij in den schouwburg ziet, maar ik zal hem hier buiten ontmoeten.”
„Aha,” antwoordde Charly Brand, „dus je kent hem persoonlijk.”
„Ja,” knikte zijn vriend, „aan dien mensch heb ik mijn loopbaan te danken. Eigenlijk moest ik hem hoogst dankbaar zijn. Door hem ben ik een meesterdief geworden, waardoor ik een even amusant als merkwaardig en winstgevend leventje leid.”
„Wat is dat dan voor een man?” vroeg Charly Brand ongeduldig.
„Wel, ik zal je de geschiedenis vertellen,” luidde het antwoord.
Lord Lister blies dikke rookwolken uit en begon:
„Het is ongeveer tien jaar geleden, toen ik, mijn vader leefde nog, mijn moederlijk erfdeel, bij mijn meerderjarigheidsverklaring, uitbetaald kreeg. Ik was toen lid van de Hamilton-Club; de andere medeleden waren allen Afrikanen, d.w.z. lieden, die in Afrika in onze koloniën geleefd en gestreden hebben.
„Er waren niet alleen oud-soldaten, maar ook kooplieden bij.
„In deze club leerde ik een zekeren Mr. Geis kennen. Hij kwam uit Pretoria en vertelde, eigenaar te zijn van meerdere goudmijnen en van een diamantveld.
„Na verscheiden weken raakte ik nader met hem bekend, en hij noodigde mij uit om in zijn huis in Westend te komen dineeren.
„Het was een vorstelijk, met verfijnde weelde ingericht huis, dat ik betrad. Toen ik in een gemakkelijken zetel had plaats genomen, wist ik niet, dat ik als een geheel ander mensch die woning weer zou verlaten. Ik maakte daar kennis met een jonge dame, die buitengewoon mooi was en mijn jeugdig hart in vuur en vlam zette. Zij kwam uit Johannesburg en beweerde, een nicht van Mr. Geis te zijn. Ik schatte haar op ongeveer achttien jaar.
„Reeds den eersten avond bemerkte ik, dat zij mijn gevoelens beantwoordde, die ik haar onverholen te kennen gaf. Toen ik laat in den avond met den heer des huizes een cigarette zat te rooken, klopte hij mij joviaal lachend op den schouder en sprak:
„„Jonge vriend, gij hebt een goeden indruk gemaakt op mijn nicht, zooals ik heb gemerkt. Gij zijt de eerste man, die blijkbaar kans heeft, haar hand en haar vermogen te verwerven.
„„Ik maak er u op attent, dat de jonge dame een wees is en dat ik haar voogd ben. Ik verzoek u daarom vriendelijk, ingeval gij geen ernstige bedoelingen hebt, het meisje niet het hoofd op hol te brengen.”
„Jonge ezel die ik was, voelde ik, hoe ik bij die woorden bloosde. De verklaring, dat ik indruk op het jonge meisje had gemaakt, maakte mij verlegen. Ik stamelde een paar onbeduidende woorden, nam afscheid en ging met een verhit hoofd naar huis. Ik trachtte mijzelf door koude stortbaden en andere middelen te kalmeeren en besloot het huis van Mr. Geis en diens gezelschap te mijden. Ik wilde mij op zoo jeugdigen leeftijd nog niet binden.
„Maar reeds drie dagen later zat ik, dwaas die ik was, met een prachtigen ruiker orchideeën in het salon van Mr. Geis en wachtte met kloppend hart op het binnentreden van zijn nicht.
„Volgens het gewone programma verliep toen verder alles. Ik was zoo blind, dat ik niet zag, hoe de kerel alle deuren van zijn huis voor mij openzette en hoe hij mij met zijn vriendelijkheid overweldigde.
„Wel vier weken verkeerde ik in de familie, toen ik op zekeren dag van Mr. Geis de uitnoodiging tot een gewichtig, vertrouwelijk onderhoud kreeg.
„Onmiddellijk begaf ik mij tot hem, denkende, dat hij een verklaring van mij eischte betreffende mijn verhouding tot zijn pupil, en ik was bereid, gevolg te geven aan al zijn wenschen: de jonge dame mijn Lordstitel, mijn hand en mijn vermogen aan te bieden.
„Maar het pakte anders uit.
„Mr. Geis verklaarde mij, dat hij op het punt was, in Londen een nieuwe, op groote schaal werkende Bank op te richten en dat hij mij een eervolle betrekking bij deze onderneming had toegedacht, namelijk als voornaamsten chef te fungeeren en met mijn naam als bankdirecteur te teekenen.
„Hij noemde mij een vorstelijk inkomen, dat ik zou krijgen, en schilderde mij mijn werkzaamheden in zulke verleidelijke kleuren, dat ik onmiddellijk toehapte en nog dienzelfden middag, waarop onze conferentie plaats had, teekende bij een notaris het contract.
„En nu begon het bedrog op reusachtige manier.
„Terwijl ik met de mooie nicht in de parken reed of wandelde en uitstapjes maakte in de omstreken van Londen, maakte Mr. Geis misbruik van mijn naam en gelukte het hem, dozijnen groote kapitalisten en duizenden [3]lieden te vinden, die hem vol vertrouwen hun bezittingen in bewaring gaven.
„Ik, verliefde gek, zag of hoorde niets.
„Mr. Geis had mij meegedeeld, dat ik eerst over een jaar om de hand van zijn pupil mocht vragen. Wij moesten elkaar eerst voldoende leeren kennen, voordat wij ons voor het leven verbonden.
„Daar stierf op zekeren dag geheel onverwacht mijn vader. Een hartverlamming had een einde gemaakt aan zijn leven. Ik had veel van hem gehouden, maar gevoelde geen oprechte droefheid, omdat mijn gedachten bij de geliefde verwijlden.
„Ik was blij, toen de noodige formaliteiten achter den rug waren. Het vermogen, dat mijn vader mij naliet, bedroeg bijna 4,000,000 pond sterling, dus was ik een zeer goede partij. Gelukkig behoorde ik niet tot de verarmde Engelsche aristocraten, die, om hun wapen te laten opfrisschen, de dochters van Amerikaansche varkensslagers of fabrikanten van geconserveerde vleeschwaren moeten trouwen.”
Raffles zweeg eenige seconden, stak een nieuwe cigarette aan en keek nadenkend naar de verdwijnende rookwolkjes. Ook Charly Brand was stil geworden.
„Om kort te gaan, lieve Charly,” vervolgde Raffles, „vier maanden na den dood van mijn vader trad op zekeren morgen een commissaris van politie mijn woning binnen en verklaarde mij als gevangene.—Ik dacht, niet goed verstaan te hebben en vroeg, waarvan men mij beschuldigde.
„En nu werd mij het volgende medegedeeld door dezen bejaarden beambte, die met mijn vader bevriend was geweest.
„„Ik geloof graag, Lord Lister, dat gij niets weet van al die knoeierijen. En daarom laat ik u niet gevangen nemen, maar geef u toestemming, om in uw woning te blijven, als gij mij uw eerewoord geeft, uwe vertrekken niet te zullen verlaten. De aanklacht, tegen u ingediend, luidt: dat gij als directeur der nieuw opgerichte Bank het vernomen van uw crediteuren, ten bedrage van vijf millioen pond sterling, hebt verduisterd.”
„„Ik?!” riep ik vol ontzetting uit „Ik?!” In mijn geheele leven heb ik nog niemand een cent te kort gedaan, ik heb dat trouwens ook niet noodig, daar ik gefortuneerd ben. Gij weet dit, mijnheer. Ik begrijp uw aanklacht niet. Mr. Geis, de plaatsvervangende directeur, vertelde mij nog gisteren, dat hij nog nimmer zulke uitstekende zaken had gemaakt als met onze Bank.”
„De commissaris glimlachte.
„„Dat geloof ik graag. Deze man heeft werkelijk prachtige zaken gemaakt. Hij heeft minstens vier millioen sterling verdiend en is daarmede gisteravond op reis gegaan.”
„Ik had een gevoel, alsof ik door een bliksemstraal was getroffen, ik meende te droomen, te fantaseeren. Dat kon immers onmogelijk waar zijn.
„Maar het was bittere waarheid. Met behulp van mijn advocaat gelukte het mij nog dienzelfden avond, mijn vermogen in handen te krijgen en met dit kapitaal den schuldeischers hun gedeponeerde gelden terug te betalen. Binnen een week was alles in orde. Zoodra de laatste geldstukken uit mijn zak waren verdwenen, sloot ik de kantoorlokalen en moest blij zijn, dat ik mij, dank zij mijn uitstekende relaties en mijn goeden naam, zonder onteerende straf uit deze vuile zaak had kunnen redden.
„Een proces tegen den grooten oplichter, Mr. Geis, was onmogelijk, daar alle crediteuren het hunne hadden teruggekregen en ook ik kon niets tegen hem doen, daar ik zijn medeplichtige was.
„Nu ben ik nieuwsgierig, hoe die kerel, dien ik in tien jaar niet heb gezien, zich tegenover mij zal gedragen. Het zal hem verbazen, mij hier terug te zien.”
De theaterbel kondigde de groote pauze aan. Dadelijk stroomde het publiek de foyers binnen.
Midden in het gewoel naderde Mr. Geis met zijn beide dames de wachtende heeren en Raffles, die met Charly Brand was opgestaan, zorgde er voor, dat hij plotseling tegenover Mr. Geis stond.
Het dikke, opgezette gelaat van den schurk verbleekte, toen opeens Lord Lister, bijgenaamd Raffles, voor hem stond.
Onmiddellijk herstelde hij zich echter, en, terwijl hij de twee dames liet staan, stak hij Raffles beide handen toe en riep, schijnbaar met van vreugde trillende stem:
„Dat is een vreugde! mijn beste Lord Lister, u eindelijk eens weer terug te zien!”
Charly Brand was verbaasd, toen Raffles met een even beminnelijk lachje den man tegemoet snelde, zijn handen hartelijk drukte en antwoordde:
„Dat is een prettig toeval inderdaad! Ik ben zeer verheugd, u terug te zien. Gij zijt weinig veranderd in al die jaren.”
„Gij ook niet, mijn lieve vriend,” antwoordde Mr. Geis met zijn vette stem. „Ik zou u onder duizenden herkend hebben, beminnelijk, elegant en keurig als altijd. Wat hebt gij in dien tijd gedaan?” [4]
„Daarover later”, antwoordde Raffles, „sinds wanneer zijt gij in Londen?”
„Sinds twee dagen, beste Lord,” antwoordde Mr. Geis, „ik ben van plan, mij blijvend hier te vestigen en wel in Brighton. Ik heb veel met u te bespreken, Lord Lister. Ik heb voortdurend op mijn reis naar Engeland—ik kom uit Australië—aan u gedacht, met groot verlangen om eindelijk goed te maken, wat ik indertijd door mislukte speculaties u heb te kort gedaan.”
Raffles maakte een lichte, afwerende handbeweging en sprak:
„Laat dat rusten, die zaak is lang vergeten. Of ik het geld aan de speeltafel of ergens anders had verloren, het komt op hetzelfde neer.”
„Neen, neen,” sprak Mr. Geis, „dat is mij niet onverschillig en ik heb een uitstekend idee, om alles spelenderwijs terug te krijgen. Ik was tot heden directeur van de Lincoln-Bank, door mij opgericht in Sidney en, zooals gij wel weet, hebben wij reeds sinds vier jaar een bijkantoor in Londen.”
Raffles zette een ernstig gezicht. De Lincoln-Bank was in de City als uiterst solide bekend. Hoe was het mogelijk dat deze man aan die zaak verbonden was en zich zelfs in zijn eigen vaderland wilde komen vestigen?
„Ik zal voortaan,” vervolgde Mr. Geis, „de zaken dier Bank in Londen voeren. De commissie van toezicht schenkt mij, na zesjarigen arbeid, het vertrouwen, mij tot directeur te benoemen. Bezoek mij morgen in mijn hotel. Hier is mijn kaartje, ik wacht u tusschen 10–11 uur. Op iets moet ik u nog opmerkzaam maken,” bij die woorden boog de bankdirecteur zich naar Raffles toe, „ik noem mij niet meer Geis maar Stein.”
Raffles keek hem een oogenblik strak aan en antwoordde:
„En ik heet niet meer Lord Lister, maar Raffles.”
Mr. Geis snakte naar lucht, toen hij dien naam hoorde.
Maar nog voordat hij iets kon zeggen, drukte de groote onbekende met een vriendelijk glimlachje zijn hand en sprak:
„Tot weerziens, Mr. Stein, morgen in uw hotel.”
„Tot weerziens, Mr. Mr. — —”
„Raffles,” vulde Lord Lister aan, „maar het is beter, dat ik voor u en ieder ander de groote onbekende blijf. Ik ben morgen stellig in uw hotel.”
Hij nam den arm van Charly Brand en verliet den schouwburg. [5]