[Inhoud]

DERDE HOOFDSTUK.

HET VULKAAN-EILAND.

Twee dagen na deze conferentie ontving Raffles met de ochtendpost een brief van den volgenden inhoud:

„Hooggeachte heer!

Ik weet niemand op de wereld, die mij zou kunnen helpen dan gij. Ik ben een wees. Mijn moeder heb ik nooit gekend, mijn vader was koopman en reeder in Trinidad. Vandaag voor twee jaar, voordat ik meerderjarig werd, stierf mijn vader aan een beroerte, zonder een testament te hebben nagelaten. Daar ik bloedverwanten, noch iemand bezat, die mijn vertrouwen genoot, regelde ik met behulp van een advocaat, die mij door de rechtbank werd toegewezen, de nalatenschap van mijn vader en vond daarin onder meer, behalve eenige duizenden ponden sterling, waarvan ik tot heden leef, een landkaart, waarvan ik u een nauwkeurige schets toezend.

Aan de keerzijde van die kaart heeft mijn vader genoteerd, dat een ontrouw beambte, Pelugro genoemd, hem een vermogen van vier millioen had ontstolen, waarmee hij ongeveer vier jaar geleden zou zijn gevlucht.

Mijn vader heeft het spoor van dien man gevolgd en is te weten gekomen, dat hij op een onbekend eiland den schat verborgen heeft en met een deel van het geld naar Parijs is getrokken.

Hij zou het geld juist daar hebben verborgen, opdat het niet, ingeval hij in Parijs gevangen zou worden genomen, in mijn vaders handen zou vallen. Eerst als mijn vader gestorven was, zou hij den schat gaan halen.

Pelugro is intusschen gestorven. Men wilde hem in Parijs arresteeren en bij het gevecht, dat hij daar voerde met de hem achtervolgende detectives, is hij door een schot gedood. Al wat men op hem vond, waren 100,000 francs en de kaart van het onbekende eiland.

Tot dusverre is het mij nog niet gelukt, dit eiland uit te vinden. Ik ben nu zonder geld en daar ik zoo dikwijls in de couranten over u gelezen heb en heb gehoord, dat gij een edelmoedig mensch zijt, wend ik mij nu tot u en smeek u, mij te willen helpen.

Ik woon tijdelijk in een Londensch pension.

Intusschen blijf ik met de meeste hoogachting.

MELANIE HOPE.”

Raffles las den brief meerdere malen aandachtig door. Daarop lachte hij luid en sprak tot Brand:

„Dat is een zeer merkwaardige zaak, die mij daar door de post werd toegezonden. Men schijnt mij te verwisselen met Sherlock Holmes. Ik moet een schat van ongeveer vier millioen op een onbekend eiland gaan zoeken! Het is onzinnig!”

Hij las nogmaals den brief door, om het adres der afzendster te weten te komen, maar tevergeefs. Er was geen enkele aanduiding te vinden, betrekking hebbende op de woonplaats der afzendster.

„Echt vrouwenwerk,” sprak Raffles, „ik moet haar helpen, maar weet niet eens waar zij woont.”

Hij nam de bijgezonden kaart en bekeek deze.

„Een eigenaardige chaos,” vervolgde hij tot Charly Brand, „het eiland ziet er uit als een groote kreeft en ik betwijfel ten zeerste, of het ding wel bestaat. Bovendien heb ik nooit gehoord, dat een eiland als dit, waarop een kleine vulkaan is aangegeven, koraalriffen bezit. Kijk eens naar die kaart!”

Charly Brand bestudeerde haar met groote opmerkzaamheid, schudde het hoofd en sprak:

„Ik denk, dat wij aan de Lloyd misschien inlichtingen kunnen krijgen, waar een dergelijk eiland te zoeken [10]is. Daar heeft men de beste en nieuwste kaarten van de geheele wereld.”

„Ik dacht daar ook reeds aan. Wij kunnen het probeeren.”

Zij gingen naar het bureau van de Lloyd en de ambtenaren van deze grootste zeevaartmaatschappij der wereld raadpleegden urenlang kaarten. Reeds wilden zij hun pogingen opgeven, toen zij een oude kaart vonden, die misschien uit de 16e eeuw afkomstig was. Ook deze vergeleken zij met de kaart, welke Raffles had meegebracht.

Beide vertoonden opvallende overeenkomst met elkaar, maar de koraalriffen, die op de kaart van Raffles voorkwamen, ontbraken op de andere. De beambte van de Lloyd verklaarde echter als zeer waarschijnlijk, dat het wel een onjuistheid zou zijn van de teekenaars der kaart, welke Raffles bezat, daar de bedoelde riffen geen koraalbanken waren, maar zand- of steenhoogten. Het eiland droeg den naam Rocky-eiland en bevond zich dicht bij de westelijke kust van IJsland.

„Gij kunt met een stoomboot,” zoo vertelde de beambte, „het eiland in vier dagen bereiken. Gij zult in Southampton, voor zoover ik in de scheepslijsten kan vinden, een boot, genaamd „Hertha” treffen, die reeds morgen naar IJsland vaart Het is een walvischvanger, veel geriefelijkheden zult gij aan boord niet vinden.”

Toen Raffles het gebouw der maatschappij had verlaten, ging hij met Charly Brand naar een groot restaurant, waar hij zwijgend zijn diner gebruikte.

Nadat de maaltijd was afgeloopen, sprak hij, onder het rooken van een cigarette:

„Ik zal naar IJsland varen en beproeven, het eiland en den schat te vinden.”

„Ik ontraad het je,” antwoordde Charly Brand. „Wie weet, of het eiland, dat men ons op het bureau der Lloyd heeft aangeduid, hetzelfde is, dat je zoekt.”

„Dat hindert niet,” antwoordde Raffles hem. „Dan beschouw ik mijn vaart als een pleiziertochtje. Morgen gaan wij van Southampton naar IJsland.”

Op de boot, die hen naar de plaats van bestemming bracht, bevond zich behalve hen beiden nog een passagier, en dat was McIntosh.

Hij gaf zich uit als walvischjager en Raffles vermoedde niet, dat hij de afzender was van den brief, met het doel om hem uit Londen naar het eenzame eiland te lokken en hem te vermoorden.

Gedurende den overtocht deed McIntosh niet de minste moeite om kennis te maken met Raffles.

McIntosh kende uit vroeger dagen, toen hij meerdere zeereizen had gemaakt, het kleine eiland aan de westkust van IJsland en wist, dat het zelden door menschen werd bezocht.

Bij aankomst in de haven van IJsland verdween hij spoorloos en Raffles deed moeite om een visscher te vinden, die hem naar het onbekende eilandje zou willen brengen. Eerst nadat hij twee dagen lang gezocht had, gelukte hem dit en na een vaart, die vier-en-twintig uur duurde, bracht de visschersboot hem naar het kleine, onherbergzame eiland.

In de door riffen omgeven haven vonden de beide vrienden een bootje liggen. De eigenaar van het visschersvaartuig was hierover zeer verbaasd; hij had niet gedacht, dat er menschen op het eiland waren.

Raffles beval hem, drie dagen lang met zijn boot te wachten in de kleine, door rotsen ingesloten haven.

„Wees voorzichtig,” sprak de visscher tot Raffles, toen bij hem aan land bracht. „Dit eiland is vol gevaarlijke plekken; ik bracht verleden jaar een gezelschap, bestaande uit Duitschers en Engelschen, naar het Noorden van het eiland, en tot op den huidigen dag is geen van hen teruggekeerd. In de moerassen of in de heete zwavelbronnen zullen zij den dood hebben gevonden. Wij zeggen altijd, dat dit land de menschen verslindt en wij noemen IJsland het begin van de hel. Weest dus voorzichtig, heeren. De bodem is vulkanisch.”

Raffles bedankte den vriendelijken ouden man en ging aan land. Hij en Charly Brand hadden zich voorzien van wollen dekens, houweelen, touwen en proviand, om het eenige dagen op het eiland te kunnen uithouden.

Het was een woeste, rotsachtige streek, die zij doortrokken. Slechts met moeite konden zij vooruitkomen. Rotsen, ijsbergen en afgronden versperden hun den weg.

Ondanks dit alles volgde Raffles nauwkeurig de richting naar de plek, die op zijn kaart was aangeduid als bergplaats van den schat.

In den avond maakten zij in een kleine grot hun legerstede klaar en Raffles bereidde een stevig glas groc op een meegebracht spiritustoestel.

„Wij bevinden ons in eigenaardige. omstandigheden,” sprak Raffles. „Wel een beetje ongemakkelijk om te slapen, maar overigens vind ik de lucht hier beter dan in ons mistige Londen en men behoeft niet bang te zijn, hier een inspecteur Baxter te ontmoeten”.

Daarin heb je gelijk,” lachte Charly Brand, „ik [11]denk, dat wij de eenige levende wezens op het eiland zijn.”

Zij hadden verscheiden uren gerust, toen Charly, die achter in het hol lag, en die door de ongemakkelijke houding en de buitengewone omstandigheden den slaap niet kon vatten, een geluid hoorde, dat hem vol oplettendheid naar den ingang van het hol deed kijken.

Duidelijk onderscheidde hij in het nachtelijk duister de gedaante van een man, die in den ingang stond en blijkbaar luisterde.

Hoewel Charly niet vreesachtig was beefde hij nu toch van angst. De onbekende bukte zich en kroop langzaam naar hen toe. Het bloed stolde den jongen man in de aderen, zijn keel was als dichtgeknepen en hij kon van ontzetting geen woord uitbrengen. Hij wilde schreeuwen, maar het lukte hem niet.

Hij wilde een beweging maken om Raffles, die rustig slapende, naast hem lag, te wekken, maar hij kon zich niet bewegen en geen geluid te voorschijn brengen. Zijn tong was als verlamd, en slechts met de oogen volgde hij elke beweging van den man, die zoo ongeroepen was komen opdagen.

Het was Charly Brand duidelijk, dat hij niets goeds in het schild voerde, eveneens twijfelde hij er geen oogenblik aan, dat hij en Lord Lister tegen dezen schurk gezamenlijk moesten optreden als zij hem onschadelijk wilden maken.

Hoe verschrikte hij echter, toen de vreemdeling plotseling vlak bij den grooten onbekende was gekomen en zijn hand ophief, waarin hij een dolk hield, die gericht was op de borst van den rustig slapenden man. Het scherpe wapen blonk in het zacht maanlicht.

Daar gelukte het Charly—op het uiterste oogenblik—een luiden gil uit te stooten en den rechterarm van Raffles heen en weer te schudden.

Dadelijk sprong Lord Lister op met een gewapende Browning-revolver in de hand.

„Wat is er?” riep hij verbaasd uit.

Charly had eerst eenige minuten noodig om van zijn schrik te bekomen. Daarop vertelde hij in korte, afgebroken woorden, wat hij gezien had. Raffles lachte hem uit en meende, dat alles een droombeeld, een hersenschim was geweest. Toen echter zijn jonge vriend stellig verklaarde, dat hij zich niet vergist kon hebben en dat hij den sluipmoordenaar vlak bij zich had gezien, werd Raffles ernstig en begon hij nauwkeurig het geheele hol door te zoeken. Geen spoor werd echter van den vreemdeling ontdekt.

Lord Lister en Charly zochten ook in den naasten omtrek van hun legerplaats, echter zonder iets verdachts te vinden.

Nergens was een spoor van eenig levend wezen.

Rotsblokken van grilligen vorm lagen overal om hen heen verspreid en boden veilige schuilplaatsen aan voor meerdere aanvallers.

De beide vrienden bleven het verdere gedeelte van den nacht wakker en spraken samen over het Londensche zaakje met Mr. Geis.

Des morgens gingen zij weer op weg en Raffles zocht bij elken stap, dien zij aflegden, of hij misschien een spoor kon ontdekken van den onbekenden bezoeker van vorigen nacht.

Maar in den rotsachtigen bodem bleven geen voetsporen achter.

Tegen den avond waren de beide wandelaars tot op eenige uren afstand van hun einddoel genaderd.

Maar de snel invallende duisternis maakte het hun onmogelijk om verder te gaan. Onder een uitstekend rotsblok legden Raffles en Charly Brand zich, in hun dekens gehuld, neer, nadat zij waren overeengekomen om beurtelings te waken.

Het was bijna middernacht en Charly wilde juist zijn vriend wekken, toen hij door twee sterke armen van achteren werd beetgepakt en zijn keel zoo vast werd dicht gedrukt, dat hij geen geluid kon geven. Alsof hij een veertje was, zoo werd hij met zijn deken opgelicht en door iemand, dien hij niet kon zien, weggedragen.

Het was McIntosh, die zijn slachtoffers had gevonden.

Tevergeefs trachtte de jonge man zich uit de armen van zijn vijand te bevrijden.

De man, die hem wegdroeg moest over reuzenkrachten beschikken.

Want zonder eenige moeite en zonder dat hij zijn zwaren last een oogenblik neerzette, droeg hij hem eenige honderden meters ver.

Charly Brand gaf eindelijk de moeite op om zichzelf te bevrijden. Allerlei gedachten vlogen door zijn brein. Het was hem onverklaarbaar, welk belang deze sterke man in hem kon stellen. En dat niet alleen hij onschadelijk gemaakt zou worden, zei hem een onbepaald voorgevoel.

Maar waarom dit alles? Waarom?

Hij zag geen kans om Raffles te waarschuwen tegen het onbekende lot, dat hem wachtte. Hij zag duidelijk in, dat zijn vriend, dien hij zoo innig vereerde, het offer zou worden van den een of anderen spitsboef, die eerst hemzelf van kant zou maken. [12]

Hij zag, hoe deze man, wiens armen hem als in ijzeren schroeven vasthielden, naar de legerstede van Raffles zou sluipen en den rustig slapenden jongen man het koude staal in de borst zou stooten.

Deze en dergelijke gedachten doorvlogen bliksemsnel zijn hersens, zonder dat Charly een middel kon vinden, hoe hij zijn vriend nog zou kunnen redden.

Plotseling bleef de man, die hem droeg en dien hij niet kon zien, staan en liet zijn vracht op den bodem glijden. Charly Brand wikkelde zich uit zijn deken en keerde zich snel om. Maar zijn onzichtbare vriend was sterker dan hij. Op het oogenblik, dat Charly den koelen nachtwind inademde en zijn hoofd uit de deken stak, greep een sterke vuist zijn hals van achteren beet en drukte zijn hoofd naar omlaag.

Daarop omvatte een arm zijn lichaam en tilde hem hoog in de hoogte.

En nu zag Charly Brand voor zijn verschrikte oogen een afgrond, waaruit witte dampen opstegen.

Met een duivelsch lachje hield zijn onbekende vijand hem eenige minuten in deze vreeselijke houding vast. De arme jongen beleefde verschrikkelijke oogenblikken, terwijl hij boven den afgrond zweefde. En er bestond geen mogelijkheid om aan de vuisten van zijn tegenstander te ontkomen, er was geen uitweg, geen kans op redding.

Hoewel Charly Brand wist, dat zijn laatste uur was aangebroken, verloor hij geen oogenblik zijn tegenwoordigheid van geest. Nog eenmaal keek hij om zich heen, als wilde hij de plek, waar hij den dood zou vinden, nauwkeurig onthouden.

Het was een woeste, romantische streek, waar de beide mannen zich bevonden. Rondom hen staken allerlei rotsblokken hun kale kruinen in de hoogte, rechts onder hen, wel honderd meter diep, lagen vulkanische meren, wier zwarte, gladde wateroppervlakken als spookachtige geestenoogen naar den nachtelijken hemel en de maan opkeken.

Vlak vóór Charly stegen merkwaardige witte dampen op, waarvan hij de herkomst eerst niet begreep, totdat hem inviel, dat deze sissende damp veroorzaakt werd door heete, onderaardsche bronnen. Nu wist hij ook, welk vreeselijk lot hem wachtte. Dat niemand hem meer kon helpen, als hij eenmaal daar beneden was, begreep hij zeer goed. Want nog nimmer had men de rotsklooven, die gevormd worden door de vulkanen van IJsland, onderzocht.

Nu liet de onbekende man zijn slachtoffer los en met een vreeselijken, doordringenden gil, die duizendmaal weerkaatst werd door de steile rotsmuren, stortte Charly Brand in den schier bodemloozen afgrond.

Een hoonend lachen van den misdadiger was het eenige antwoord op den doodskreet van den jongen man.

Daarop sloop hij als een reusachtige panter naar de legerstede terug, om Raffles denzelfden weg te doen opgaan van zijn eerste slachtoffer.

Maar het gebeurde anders.

De kreet van ontzetting, door Charly Brand geslaakt, had Raffles gewekt.

Dadelijk was hij opgesprongen en had gemerkt, dat de plaats, waar Charly Brand had gelegen, leeg was.

Terwijl hij nog nadacht, welke geheimzinnige macht zijn vriend had doen verdwijnen, zag hij, hoe plotseling vóór hem in het nachtelijk donker de gestalte van een man opdook.

Nog voordat Raffles zijn revolver kon opnemen, sprong de man als een tijger naar hem toe en greep hem bij de keel.

Een vreeselijke strijd begon. Geen enkel geluid werd vernomen, behalve het onstuimige hijgen der beide mannen, die op leven en dood met elkaar vochten. Ieder van hen wist dat en verdubbelde zijn inspanning om den kamp te winnen.

McIntosh had de kracht van Raffles onderschat. Al was deze ook iets kleiner dan McIntosh en al bezat hij niet zooveel lichaamskracht, Raffles was een uitstekend geoefend worstelaar, terwijl hij lenig was als een aal.

Terwijl McIntosh ruw vocht, verdedigde de ander zich met alle trucs, waarin geoefende sportslui bedreven zijn. Het lukte den Ier niet, Raffles te overweldigen en hij probeerde daarom met een snelle handbeweging, een dolk uit zijn broekzak te voorschijn te halen, om dezen den grooten onbekende tusschen de ribben te stooten.

Maar deze poging werd hem noodlottig.

Nauwelijks had zijn hand Raffles vrijgelaten, of deze maakte van de gelegenheid gebruik en bracht zijn tegenstander een geweldigen vuistslag tegen den slaap toe.

Als een gevelde boomstam viel de schurk, zonder een kik te geven, bewusteloos neer.

Nu was het voor Raffles het werk van een paar seconden om den gevaarlijken kerel met behulp van de meegenomen touwen te binden.

Na korten tijd ontwaakte McIntosh tandeknarsend van woede uit zijn verdooving; hij zag zich in Raffles’ macht. Deze had zijn electrische zaklantaarn te [13]voorschijn gehaald en liet het licht vallen op het hatelijke gezicht van den moordenaar.

„Vervloekte hond!” beet hem de geboeide toe.

Raffles had een cigarette aangestoken en blies den vloekenden man den rook in het gelaat. Hij herkende den voorgewenden walvischjager, die met hen samen van Engeland op dezelfde boot naar hier was gekomen.

„Uw vloeken is belachelijk”, sprak Raffles, „houdt uw mond, anders krijgt gij nog een vuistslag. Als het dag is, zullen wij elkaar wel nader spreken.”

Bij die woorden ging hij dicht bij den gevangene zitten, legde de revolver onder zijn bereik naast zich en luisterde met gespannen aandacht naar elk geluid, dat in zijn ooren drong. Maar niets verbrak de nachtelijke stilte.

McIntosh was opgehouden met vloeken, toen hij zag, dat zijn vijand zich niet door hem liet beleedigen. Hij beet zich in machtelooze woede op de lippen. Hoe gaarne had hij zijn gehaten tegenstander met een enkelen dolkstoot in de eeuwigheid geholpen! Dit was hem echter ten eenenmale onmogelijk en hij dacht erover na, welke straf hem te wachten zou staan.

Wel vreesde hij den dood niet, maar toch voelde hij weinig lust, om hier zijn leven te verliezen. Dat de straf, die hem zou treffen, wreed zou zijn, wist hij van te voren. Hij had reeds zooveel van den grooten onbekende gehoord en gelezen, en diens groot rechtvaardigheidsgevoel had telkens den schuldige weten te straffen.

Met woede in het hart gaf de reus zich aan zijn noodlot over. In elk geval stond het bij hem vast, dat, als hij ooit weer in vrijheid zou komen of als het hem mocht gelukken, zich te bevrijden van de vuisten en boeien van Lord Lister, hij een nieuw leven wilde beginnen, maar zich eerst bloedig zou wreken op zijn doodsvijand.

Met koortsachtig ongeduld verwachtte Raffles het aanbreken van den dag en zoodra de eerste zonnestraal de rotsen van het eiland verlichtte, verliet hij de rustplaats en kroop hij als een Indiaan, een bepaald spoor volgend, over den steenachtigen bodem.

Met onbegrijpelijke zekerheid vond hij den weg, waarlangs Charly Brand in den nacht was weggesleept.

Pluisjes en draadjes wol van de deken, waarin Charly was gewikkeld en weggedragen, en die hier en daar aan de rotsen waren blijven hangen, brachten hem, nadat hij een uur lang gezocht had, naar de rots, van wier top McIntosh Charly naar beneden had geslingerd.

Aan den voet van deze rots bevond zich een trechtervormige kloof, welke gevormd was door een vulkaan. Heete waterdampen stegen eruit in de hoogte. Zij beletten Raffles om naar beneden in de kloof te kijken, toen hij neerknielde en zich over den rand van den afgrond boog.

Als bij intuïtie begreep hij, dat Charly zich in deze kloof, onder de uitstekende rotsen, moest bevinden.

Hij hield zijn handen bij wijze van trechter voor den mond, opdat het geluid versterkt zou worden en riep:

„Charly, Charly!”

„Hallo,” klonk het terug en zoo dichtbij, dat Raffles verbaasd was.

„Waar ben je, Charly?” riep Raffles opnieuw.

„Hoogstens twee meter van je verwijderd,” antwoordde Charly Brand.

„De kloof wordt hier beneden nauwer zoodat de opening slechts een handbreed is, Wat je daar boven zeker niet kunt zien. Ik lig hier als in een Romeinsch stoombad. Ik heb al geprobeerd, naar hoven te klimmen, maar de rotswanden zijn te glibberig en ik kan geen steunpunt krijgen.”

„Wacht een oogenblik, ik zal je helpen!”

Raffles trok zijn jas uit en maakte daarvan een dik koord; dit liet hij daarop naar beneden. Nadat hij tevergeefs te midden van den damp naar de plek had gezocht, waar Charly zich kon bevinden, nam hij plotseling waar, dat aan de neergelaten jas werd getrokken en Charly Brand riep:

„Ik houd vast. Trek mij op.”

Langzaam, bij kleine eindjes tegelijk, trok Raffles zijn vriend uit den waterdamp en, nat als een kat, kwam deze te voorschijn.

„Ik geloof,” lachte Charly Brand; „dat ik mijn geheele verdere leven geen warm bad meer noodig zal hebben.”

„Heb je je bezeerd?”

Charly wreef zijn knieën en ellebogen:

„Bijna mijn nek gebroken. De schurk wierp mij met het hoofd naar beneden de diepte in en ik dacht in duizend stukken te zullen vallen. Maar met een saltomortale draaide ik mij, even vóórdat ik op den rotswand aankwam, om en ik heb alleen mijn huid geschramd aan de knieën en ellebogen.”

„Dank den Hemel, Charly, dat de geschiedenis weer zoo goed is afgeloopen. Het scheelde deze keer maar een haartje en nu raad ik je, snel terug naar [14]onze slaapplaats, opdat je je van droge kleeren kunt voorzien. Den schurk, die je naar beneden heeft gegooid, heb ik vastgebonden en je kunt hem, als je er zin in hebt, van het heete bad laten genieten, dat voor jou bestemd was.”

McIntosh wierp een blik vol woede op Raffles, toen deze met Charly Brand aankwam.

„De duivel hale je!” siste hij.

„Jij hebt je spel verloren,” sprak Raffles, „het boezemt mij echter veel belang in, waarom je dezen aanval op ons hebt gewaagd.”

„Loop naar de hel,” vloekte McIntosh, „ik geef jullie geen antwoord.”

Raffles maakte van droge takken en hout een vuurtje, opdat Charly zich hierbij kon warmen en zijn kleeren drogen. Daarop maakte hij een ontbijt gereed en, nadat de weer vereende vrienden behoorlijk hadden gegeten en Charly Brand zich zoo goed mogelijk had verkleed, sprak Raffles:

„Nu zullen wij gaan zoeken naar de plek, waar zich de schat bevindt en den schurk zoolang geboeid hier achterlaten.”

„Misschien ontvlucht de kerel en valt hij ons opnieuw aan,” meende Charly.

„Dat zou hem slecht bekomen,” lachte Raffles. „Laat ons nu gaan.”

Na een wandeling van twee uur bevonden zij zich op de plek, diep op de kaart was aangegeven. De groote steen bevond er zich werkelijk en dadelijk ontdekten zij versche sporen, die erop wezen, dat iemand had geprobeerd, den schat mee te nemen.

Met zijn houweel bewerkte Raffles den bodem en na korten tijd stiet hij op een houten kistje, dat hij met een slag verbrijzelde. Het bevatte echter een ijzeren cassette, die van zware sloten was voorzien.

„Wij hebben den schat en als ik mij niet heel erg vergis, is de man, die ons overviel, bekend met ons geheim. Hij heeft ons uit den weg willen ruimen om den schat alleen te bemachtigen. Wij zullen de cassette ongeopend meenemen naar het schip.”

Raffles bond touwen om het ijzeren kistje en daar dit te zwaar was om het te kunnen dragen, trokken zij het beide achter zich aan als een slede.

Toen McIntosh Raffles ontdekte met zijn buit, brulde hij van woede als een waanzinnige en trachtte met geweld zijn boeien te verbreken.

Raffles had inderdaad zijn schat ontdekt.

McIntosh was zoo lichtzinnig geweest om zijn kaart, welke hij aan Raffles zond, teneinde dezen uit Londen weg te lokken, nauwkeurig te copieeren.

Sinds tientallen van jaren had hij op dit afgelegen eiland zijn buit, alles wat hij had geroofd en door moord had verkregen, in veiligheid gebracht.

Zijn doel was geweest om zijn schat mee te nemen naar Londen en daar te leven van de millioenen, die de ijzeren kist bevatte.

„Ik zie,” lachte Raffles,dat wij je spaarpot hebben gevonden. Je kunt gerust zijn, mijn vriend. Ik zal een goed gebruik maken van den inhoud.”

„Wat zullen wij met den man doen?” vroeg Charly Brand. „Hij verdiende een kogel door de hersens.”

„Mijn beste jongen,” antwoordde Raffles, „ik houd het schieten voor een nuttelooze uitvinding. In de eerste plaats kost het patronen, in de tweede plaats knalt het en prikkelt de zenuwen en ten derde is het doelloos. Men kan op een andere wijze met zijn vrienden afrekenen. Wij zullen dezen heer hier laten liggen bij zijn leege brandkast. Dat zal voor hem een grootere straf zijn, dan wanneer wij hem naar de andere wereld hielpen.

Vooruit, wij gaan naar onze boot terug!”

Zij namen verder geen notitie van McIntosh, die brulde van woede, maar trokken de cassette achter zich voort. Nog urenlang hoorden zij te midden der rotsen het vreeselijke geschreeuw van den achtergelaten man.

Zonder verdere avonturen bereikten zij den volgenden dag het strand en met behulp van den visscher brachten zij den gevonden schat aan boord van het schip. [15]