[Inhoud]

VIERDE HOOFDSTUK.

RAFFLES WORDT PROCURATIEHOUDER.

Er was bijna een week voorbijgegaan, toen Raffles weer met Charly Brand in Londen aankwam.

Het eerste, wat de groote onbekende deed, was, de ijzeren kist open te breken, waarin hij, behalve een dik pak bankpapier van groote waarde, zware staven gesmolten goud vond.

Daarop maakte hij weer gebruik van de vermomming, welke hij had gedragen bij zijn bezoek aan Mr. Geis en begaf zich op weg naar hem toe.

Met een zonderling glimlachje en met een gelaat, dat duidelijk verried, dat hij Raffles niet had verwacht, ontving de bankdirecteur Mr. Geis, of liever Mr. Stein hem.

„Ik ben zeer verheugd, u te zien, mijn waarde vriend. Ik maakte mij reeds ongerust, dat u iets kon zijn overkomen. Neem plaats, mijn beste Lord. Waar zijt gij zoolang geweest?”

„Ik was op reis,” antwoordde Raffles langzaam, terwijl hij Mr. Geis scherp aankeek.

„Op reis? Waarheen?”

„Naar IJsland,” antwoordde Raffles en hij bemerkte, dat de ander door dit antwoord schrikte.

Dit wekte in Raffles het vermoeden, dat Mr. Geis misschien op de een of andere wijze te maken kon hebben met de IJslandsche zaak.

„Wat hadt gij op IJsland te doen?” vroeg Mr. Geis op schijnbaar onverschilligen toon, „dat is immers een eiland, door God en alle menschen verlaten.”

„Welneen,” sprak Raffles, „God en de menschen zijn ook op IJsland te vinden en daarbij heeft het eiland een voordeel: er waait daar een frissche wind, er zijn geen detectives en bijna ook geen misdadigers. Rechtbanken en gevangenissen heeft men er niet. Wat dit laatste betreft dus een ideaal land voor iemand, die van rust houdt. Als ik hier niet noodig was geweest, zou ik langer op IJsland zijn gebleven.”

„Gij schertst,” antwoordde Mr. Geis. „Het doet mij genoegen, dat gij terug zijt. Er had u iets kunnen overkomen. Het is een vulkanisch en gevaarlijk land.”

„O neen,” lachte Raffles, „mij overkomt niet zoo gemakkelijk iets, omdat ik altijd voorzichtig ben. Als ik dat vroeger ook was geweest, dan bezat ik nu nog mijn verloren geld, dat gij in uw Bank hebt gebruikt. Dan zou ik nu de geachte Lord Lister zijn, evenals mijn vader, een vriend van den Koning. Maar ik heb eerst moeten leeren om op te passen en omdat ik dit vol ijver met nauwlettendheid deed, ben ik Raffles geworden!”

„Noem dien naam niet,” sprak Mr. Geis, „ik heb in het buitenland zooveel van u gelezen, dat ik bij het hooren daarvan altijd kippevel krijg.” [16]

„Merkwaardig!” lachte Raffles, terwijl hij een cigarette aanstak, „ik hoorde datzelfde van verschillende menschen.”

„Wat?” vroeg Mr. Geis.

„Dat zij kippevel kunnen krijgen,” antwoordde Raffles. „Ik dacht, dat gij geen vel meer hadt!”

„Laat ons ernstig zijn,” sprak Mr. Geis op zenuwachtigen toon, „laat ons over de schitterende zaak spreken, die wij samen voor hebben.”

„Ik ben vol vuur!” riep Raffles uit. Bij die woorden gleed een onmerkbare glimlach over zijn gelaat.

„Ja”, sprak Mr. Geis met een grijns, „het is een prachtig zaakje en belooft een schitterend resultaat Spelenderwijze zult gij de millioenen voor ons kunnen wegnemen uit de brandkasten der Bank. Het zal u in ’t geheel geen moeite kosten.”

„Jammer,” viel Raffles hem in de rede, „het zijn juist de gevaren, die mij mijn sport doen liefhebben. Een gemakkelijk werk laat mij koud.”

„Ik kan u helaas niets anders aanbieden,” sprak Mr. Geis, „en opdat wij het eens kunnen worden, verzoek ik u, morgen vroeg bij mij te komen; ik zal u dan op de hoogte brengen van uw werk!”

„Een vreemde geschiedenis,” meende Raffles, „ik geloof, dat een dergelijke betrekking zelden aan iemand wordt aangeboden.”

„Een prachtzaak!” riep Mr. Geis lachend uit, „die onze zakken tot den rand zal vullen. Het is mij reeds gelukt, in de week, waarin ik mijn betrekking aan de Bank heb bekleed, voor een millioen aan nieuwe deposito’s te verkrijgen en wel door den lieden een hoogere rente te beloven. Ha, ha, ha!” lachte hij op harden toon, terwijl hij Raffles met zijn misdadigershand vertrouwelijk op den schouder klopte, „de hooge rentevoet, mijn waarde, is het kaarslicht, waarin de kapitalisten evenals motten vliegen. Leve de hooge rentevoet!”

Raffles lachte mee en nadat de beide mannen nog eenige woorden hadden gewisseld, nam de groote onbekende afscheid.

Den volgenden morgen stelde Mr. Geis hem aan als procuratiehouder der Lincoln-Bank, hem de meest verantwoordelijke betrekking gevende, die aan de Bank te bekleeden was.

Raffles was onder den naam John Govern eerste procuratiehouder der Lincoln-Bank geworden.

Door zijn handen ging de geheele omzet. De cheques, welke hij teekende, vertegenwoordigden millioenen, hij bewaarde de sleutels der brandkasten, waarin millioenen aan baar geld lagen.

Raffles vervulde zijn plichten met een ijver en een stiptheid, alsof hij zijn geheele leven door kassier was geweest.

Mr. Geis was zeer verbaasd over de werkzaamheid van den nieuwen procuratiehouder.

Het gebeurde zelden, dat Raffles, wanneer de Bank gesloten werd, zijn kamer verliet. Bijna altijd bleef hij nog een uur langer om te werken.

Dit viel Mr. Geis op en hij vroeg Raffles daarom, wat hij na sluiting nog in zijn bureau te doen had.

Lord Lister antwoordde:

„Ik doe het, opdat de beambten zich dit later zullen herinneren en mij als den verdachten persoon zullen beschouwen.”

„Ik begrijp uw gedachtengang niet,” antwoordde Mr. Geis.

„Gij zijt een nieuweling in mijn vak,” lachte Raffles, „ik hoorde vandaag al, dat men mij, wegens mijn laat werken, wantrouwt. Iedereen denkt, dat ik bezig ben de boeken te vervalschen, of gelden te verduisteren.”

„Juist, juist,” sprak Mr. Geis, „diezelfde gedachte zou ik ook hebben gehad, als gij werkelijk mijn procuratiehouder waart geweest.”

Tevreden gesteld verliet hij Raffles. Maar hij zou niet zoo zijn heengegaan als hij had gezien, dat Raffles zijn extra uren gebruikte om uit de boeken der Bank de namen der depositeuren met hun adres in een zakboekje te noteeren en eveneens aan te teekenen, hoe hoog hun te goed was.

Het waren meestal kleine kooplieden of weduwen en weezen, die een klein kapitaal in bewaring hadden gegeven. Maar juist deze spaarpenningen waren voor die menschen meer waard, dan voor de groote kapitalisten hun millioenen. Het bestaan en het geluk van een geheele familie was afhankelijk van bijna al deze kapitaaltjes en dit alles moest Raffles stelen.

Mr. Geis had in de buurt van Londen een weelderig ingerichte villa gehuurd, waarin hij bijna elken avond schitterende feesten gaf.

Hij hield ervan door groote weelde uit te blinken en het doel zijner uitnoodigingen om deel te nemen aan zijn feesten was voornamelijk, kapitalisten bij een glas champagne voor zijn zaak te winnen.

Raffles had tot dusverre steeds bedankt.

Het was nacht, bijna reeds morgen. Mr. Geis had zich ter ruste begeven, toen een man zijn slaapkamer [17]binnensloop en den bankdirecteur, die reeds sluimerde, door luid zijn naam te noemen wekte.

Slaapdronken rees Mr. Geis in zijn bed overeind en staarde om zich heen, in het volgende oogenblik herkende hij den man, die voor hem stond.

Het was McIntosh.

„Ben jij het, of is het je geest?” vroeg Mr. Geis, zijn bezoeker verbaasd aankijkend.

„Ik ben het zelf,” antwoordde McIntosh. „Vervloekt! Dat was een moeilijk werk om weer naar Londen terug te komen!”

„Ik beschouwde je reeds als verloren”, sprak Mr. Geis. „Wat is er met je gebeurd?”

„Een verduivelde geschiedenis met Raffles,” antwoordde McIntosh, terwijl hij op zijn tanden knarste.

„Daar, kijk eens,” riep hij en liet Mr. Geis, terwijl hij zijn mouwen opsloeg, zijn met bloed beloopen, dik opgezwollen polsen zien.

„Hoe komt dat?” vroeg Mr. Geis.

„Van de boeien, welke die hond, die Raffles, mij heeft aangelegd!”

„Heeft hij je geboeid? Hoe was dat mogelijk?”

„De duivel moge hem halen,” antwoordde McIntosh, terwijl hij zijn vuisten balde, „ik vermoedde dadelijk, dat ik niet tegen dien meesterdief was opgewassen. Die kerel is handig en gewiekst! Daar halen wij niet bij!”

„Dat verbaast mij,” sprak Mr. Geis, „jij hebt toch een heldere kop en je bent wel vertrouwd om alleen te loopen ook! Hoe kon Raffles jou overweldigen?”

„Vervloekt!” riep McIntosh uit, „ik had mijn plan heel goed opgemaakt en was een dag eerder op het eenzame eiland dan Raffles en zijn vriend. Ik bespiedde hen toen zij aankwamen en sloop den tweeden nacht naar Kun slaapplaats om ze alle twee in een der helsche rotskloven te werpen, zooals er verscheidene op het eiland zijn. Ik had, naar ik meende, den jeugdigen vriend van den gauwdief voor immer onschadelijk gemaakt. Vervloekt! Ik vermoedde niet, dat de gil, dien de vent gaf, toen ik hem van de rots gooide, door Raffles gehoord zou worden.

Toen ik naar hun legerplaats terugsloop, wachtte de andere mij op en bij het tweegevecht tusschen ons trok ik aan het kortste eind. Hij sloeg mij neer en boeide mij.”

„Een ongelukkige historie,” sprak Mr. Geis. „Hoe heb je je kunnen bevrijden?”

„Dat was heel moeilijk,” antwoordde McIntosh. „Het gelukte Raffles, zijn vriend uit den afgrond. naar boven te hijschen; hij had zich in het geheel niet bezeerd. Men kan hooit weten, hoe diep dergelijke openingen tusschen de rotsen zijn. Heete dampen beletten, om naar beneden te kijken. Om kort te gaan, Raffles liet mij geboeid op het eiland achter.”

„En op welke manier gelukte het je, om die boeien te verbreken?”

„Verbreken was onmogelijk, het waren stevige Engelsche scheepstouwen. Maar hij had een klein vuurtje laten branden en daaruit haalde ik met mijn tanden een brandend stuk hout. Ik ging met mijn geboeide handen zoodanig op het stuk hout liggen, dat de touwen doorschroeiden.

Maar tegelijkertijd verbrandde ik ook een groot gedeelte van mijn hand. Ik moest helsche pijnen dulden. Maar ik doorstond alles, om weer onder de menschen terug te kunnen komen, want op dat door God verlaten eiland komt zelden een menschelijk wezen.

Daarop moest ik bijna een week wachten, eer ik met het kleine bootje naar het vaste land terug kon, omdat een hevige storm de zee onstuimig maakte en mij zeker in mijn wrak vaartuigje naar de andere wereld zou hebben geholpen.

Maar nu ben ik weer hier en nu kan zelfs de duivel Raffles niet langer beschermen. Ik zal mij wreken.”

Mr. Geis had oplettend naar Het verhaal geluisterd en sprak nu:

„Ik had de hoop al opgegeven, je terug te zien en heb daarom met Raffles afgesproken, om de millioenen uit onze brandkasten voor ons te stelen!”

„Dat is een grenzenlooze domheid!” riep McIntosh verbaasd uit, „nu heb je het paard van Troje binnengehaald. Hij zal de millioenen stelen, maar voor zich zelf!”

„Ik zal hem niet uit het oog verliezen,” verzekerde Mr. Geis, „het zal hem moeilijk vallen, ons te bedriegen.”

McIntosh lachte hardop en sloeg met de handen op zijn knieën.

„Waarom lach je?” vroeg Mr. Geis, „gaf ik hiervoor reden?”

„Natuurlijk,” lachte de ander, „ik amuseer mij om je zelfingenomenheid, die je doet gelooven, dat je tegen Raffles bent opgewassen!”

„Ik zal het zaakje wel met hem klaarspelen,” antwoordde Mr. Geis, „en ik verzoek je, alles niet voor mij te bederven. Ga nu naar je kamer om uit te rusten. Morgen zullen wij verder spreken.”

„Wat heb je aan de bedienden gezegd betreffende mijn reis?” vroeg McIntosh, reeds op den drempel staande. [18]

„Ik vertelde, dat je naar Parijs waart gegaan,” klonk het antwoord.

Toen McIntosh zich in zijn kamer bevond, balde hij woedend de vuisten en riep uit:

„Ik laat mij niet door Raffles beetnemen. Aan mij heeft hij een gevaarlijken vijand. Ik zal inspecteur Baxter bericht zenden, opdat hij weet welke zeldzame vogel zich in de Lincoln-Bank heeft genesteld. Reeds morgen zal de geslepen dief in Scotland Yard zitten. En ik zal het zijn, die den doortrapten schurk aan de politie heeft overgeleverd.

Tevreden wierp McIntosh zich op zijn bed, en een hatelijke grijns misvormde zijn gelaat. [19]