[Inhoud]

VIJFDE HOOFDSTUK.

HET VERRAAD.

Detective Marholm lachte om zijn chef, den inspecteur van politie Baxter, totdat de tranen hem over de wangen liepen.

Zijn chef stond voor hem met een brief in de hand en keek woedend naar zijn secretaris.

„Houd eindelijk op met dat lachen!” riep Baxter uit, „als hier iemand binnenkomt, moet hij denken dat het hier een gekkenhuis is. Het is hier het hoofdbureau van politie!”

„Dat weet ik, dat weet ik,” antwoordde Marholm, nog steeds lachend, „maar het lijkt ook meer op gekkenwerk dan op een politiezaak.”

Inspecteur Baxter liep herhaaldelijk opgewonden door het bureau, daarop bleef hij voor Marholm staan en sprak:

„Gij gelooft dus niet aan den inhoud van dezen brief? Ik zal hem u nog eenmaal voorlezen.”

Hij vouwde het gewone velletje postpapier open en las:

Inspecteur Baxter!

Bij dezen deel ik u mede, dat de door u gezochte Raffles procuratiehouder der Lincoln Bank is en van plan is, de Bank voor millioenen te bestelen. Haast u, hem gevangen te nemen, voordat hij er met den buit vandoor is.

EEN VRIEND”.

„Een nette vriend,” sprak detective Marholm, „een grappenmaker, die u voor geheel Londen belachelijk wil maken. Geloof mij, inspecteur, Raffles heeft u zoo van streek gebracht, dat gij weldra den Lord Major van Londen nog voor Raffles zult aanzien.

Bedenk toch eens, het is immers nonsens. De procuratiehouder der Lincoln-Bank moet een onberispelijk mensch zijn. Millioenen gaan dagelijks door zijn vingers en hij geniet de grootste post van vertrouwen aan de Bank. Naar den man, die een dergelijke betrekking krijgt, wordt door den directeur en de commissarissen der Bank nauwkeurig onderzoek gedaan, ook wat zijn verleden betreft. Ik geloof, dat zelfs gij niet in aanmerking zoudt komen voor dat baantje.”

„Het is mogelijk, dat gij gelijk hebt”, antwoordde Baxter zenuwachtig zijn sigaar rookende.

„Zeer zeker heb ik gelijk,” sprak Marholm, „ik vermoed, dat het Raffles zelf is, die u dezen brief zond. Hij heeft zich reeds meermalen dergelijke grappen tegenover u veroorloofd.”

„Helaas ja,” antwoordde inspecteur Baxter en bij de gedachte aan de vele poetsen, die Raffles hem reeds had gespeeld, trok een verdrietig glimlachje over zijn gelaat.

Op dit oogenblik werd er aan de deur geklopt en nadat de inspecteur „binnen” had geroepen, trad een kruier de kamer binnen.

Deze bracht een brief mee voor inspecteur Baxter.

„Van wien komt deze brief?” vroeg Baxter wantrouwend.

„Hij werd mij op straat door een man gegeven,” antwoordde de kruier.

„Hoe zag die man er uit?” informeerde Baxter verder.

„Dat weet ik niet,” sprak de kruier, „maar ik zou hem wel terug kennen.”

„Goed”, sprak Baxter, „ik zal je adres noteeren en, als ik je noodig heb, je laten roepen.”

De kruier ging heen en Baxter opende den brief.

Nadat hij nauwelijks eenige regels gelezen had, riep hij tot Marholm:

„Nu ontvang ik een tweeden brief over dezelfde aangelegenheid. Luister eens naar wat men mij schrijft: [20]

„Waarde heer!

Wat betreft de Lincoln-Bank, vind ik, dat gij mijn waarschuwing in den wind slaat en Raffles ongestoord zijn gang laat gaan. Ik dring er bij u op aan, onmiddellijk handelend op te treden. Over een uur sluit de Bank en dan is het onmogelijk geworden, Raffles nog gevangen te nemen. Haast u!

EEN VRIEND.”

„Een onbeschaamde brutaliteit!” riep detective Marholm uit. „De kerel heeft waarschijnlijk alle Londensche couranten reeds op de hoogte gebracht van onzen inval op de Lincoln-Bank en reeds vanavond zou de geheele wereld weten, hoe belachelijk wij ons hebben gemaakt.”

Baxter keek detective Marholm met zenuwachtige blikken aan en antwoordde:

„Ik waardeer uw inzicht, Marholm, en moet eerlijk bekennen, dat ik er evenzoo over denk. Maar als de schrijver van den brief nu toch eens gelijk had en Raffles werkelijk van plan was, de millioenen der Lincoln Bank te stelen, dan zou het onverantwoordelijk van ons zijn, als de diefstal hem gelukte. Ook in dat geval zouden wij bij den neus genomen zijn.”

„Gij zijt werkelijk zenuwachtig, inspecteur”, klonk het uit Marholm’s mond, terwijl hij kalm een pijpje stopte. „Maar omdat ik u helaas geen bevelen kan geven, verzoek ik u alleen vriendelijk, mij niet mee te nemen naar de Lincoln-Bank. Ik heb niet veel lust om mij tegenover de geheele wereld belachelijk te maken.”

„Ik zal voorzichtig handelen”, antwoordde Baxter, „en mij allereerst met den brief naar den bankdirecteur begeven om dezen vertrouwelijke inzage ervan te verschaffen.”

„Doe wat gij niet laten kunt”, bromde Marholm ongeduldig.

Een half uur later bevond inspecteur Baxter zich in de spreekkamer van Mr. Geis in het gebouw der Lincoln-Bank.

Toen Geis de brieven las, welke de inspecteur hem overhandigde, verbleekte hij een oogenblik, zonder dat Baxter het merkte. Daarop lachte hij hartelijk en riep uit:

„Daar heeft men getracht u voor den mal te houden, heer inspecteur. De procuratiehouder van onze Bank, Mr. John Govern, is een hoogst respectabel mensch. Als gij het verlangt, zal ik hem hier laten komen, opdat gij er u persoonlijk van kunt overtuigen.”

Baxter bedankte daarvoor en sprak:

„Ik verzoek u, u verder geen moeite te geven, heer directeur. Ik ben het volkomen met u eens, dat dit een misplaatste grap is, maar het was mijn plicht, mij tot u te vervoegen.”

Met beleefde woorden nam hij afscheid van Geis en verliet het gebouw.

Zoodra inspecteur Baxter was heengegaan, verzocht Geis Raffles om bij hem te komen.

„Er is een verrader in onze omgeving”, sprak hij tot Raffles, toen deze zijn kamer binnenkwam, „daarjuist was de inspecteur van politie Baxter bij mij om mij mede te deelen, dat hij bericht had gekregen, dat Raffles als procuratiehouder aan onze Bank werkzaam is. Ik stelde de geheele zaak als een grap voor en de inspecteur geloofde het.”

Raffles keek scherp naar het gelaat van Geis, want hij vermoedde een nieuw bedrog.

„Dat is onmogelijk”, antwoordde hij, „niemand kan weten, wie ik ben. Zelfs geen flauw vermoeden kan men ervan hebben.”

„Ik zweer u echter, dat ik waarheid spreek”, riep Mr. Geis uit, „en gij moet nog dezen nacht ons plan ten uitvoer brengen. Misschien is het morgen reeds te laat.”

„Uitstekend”, antwoordde Raffles, „ik ben in het bezit van de sleutels, ik behoef dus alleen de brandkasten te openen en mij het geld toe te eigenen.”

„Hoeveel millioenen hebben wij onder onze berusting?” vroeg Geis.

„Vier millioen!” antwoordde Raffles.

„Jammer”, vond Mr. Geis, terwijl hij gejaagd met zijn vingers op de schrijftafel trommelde. „Ik had gehoopt, dat wij niet eerder ons plan behoefden uit te voeren dan wanneer wij zes millioen in de brandkasten hadden liggen. Deze vervloekte brieven aan inspecteur Baxter kosten ons twee millioen. Maar wij mogen niet wachten, er dreigt ons gevaar.”

„Ik vrees geen gevaar”, antwoordde Raffles, „ik ben gewend aan verrassingen. Het eerste gevaar leerde ik bij u kennen, Mr. Geis. Ik zal hedennacht ons plan ten uitvoer brengen.”

„Ik zal om vier uur in den morgen een automobiel bij den hoek der straat laten wachten”, sprak Mr. Geis, „daarmee kunt gij de kist met geld naar mijn villa brengen.”

„In orde”, antwoordde Raffles, „dus dan zien wij elkaar morgen terug.”

Zoodra Raffles hem had verlaten, haastte Mr. Geis [21]zich naar Huis, waar hij woedend de kamer van McIntosh binnenstormde.

„Jij bent de grootste stommerik, dien ik ooit heb gezien”, brulde hij tot zijn handlanger.

„In hoeverre?” vroeg de ander op onverschilligen toon, dikke rookwolken uit zijn sigaar halend.

„Je hebt twee brieven aan inspecteur Baxter geschreven over Raffles en hem ons plan verraden.

Ben je krankzinnig geworden?— —”

„In ’t geheel niet”, antwoordde McIntosh met een spottend lachje, „maar jij bent zelf niet wijs, om dien Raffles te vertrouwen.”

„Bemoei je niet met mijn zaken, dat herhaal ik je nog eens. Je schijnt niet te weten wat je doet.”

„Zeker”, spotte McIntosh, „ik weet heel goed wat mijn plan is. Ik wil onze millioenen redden.”

„Een mooie manier!” hoonde Mr. Geis, „je hebt een grenzenlooze domheid begaat. Als het mij niet gelukt was, den inspecteur gerust te stellen en de heele zaak als ’n grap te doen voorkomen, dan zou ik nu ook het genoegen hebben kennis te mogen maken met de gevangenis.”

„Dat begrijp ik niet”, sprak McIntosh opstaande. „Zou je mij dat nader willen verklaren?”

„Zeer eenvoudig”, antwoordde Mr. Geis. „Als de inspecteur naar aanleiding van je brief Raffles gevangen had genomen, dan had deze mij natuurlijk als den hoofdschuldige aangewezen.”

„Daaraan heb ik niet gedacht”, bromde McIntosh, „maar je hadt immers kunnen ontkennen.”

„Ontkennen?” riep Mr. Geis. „Had ik kunnen ontkennen. Raffles draagt in z’n borstzak een schriftuur van mijn hand, dat hij zich zekerheidshalve door mij liet geven.”

„Wat voor een schriftuur?” vroeg McIntosh ongerust.

„Eene verklaring”, antwoordde Mr. Geis, „waarin ik bekende aan Raffles te hebben opgedragen, de millioenen-deposito’s uit de Bank te nemen en ze met mij te deelen.”

„Je bent waarachtig de grootste dwaas, die er bestaat”, riep Mr. McIntosh uit, „waar had je je verstand, waarop je je altijd zoo beroemt?

„Hoe kon je dien man zoo’n schriftuur geven?”

„Hij eischte het, en ik vertrouwde hem.”

„Je zult eens zien, hoe bedrogen je uitkomt,” zei Mr. McIntosh. „Ik geloof, dat ons heele plan in ’t water is gevallen.”

„Jij maakt me zenuwachtig,” sprak Mr. Geis, „doch ik kan aan je woorden geen geloof schenken.”

„Ik mag het lijden,” antwoordde Mr. McIntosh, „wanneer zal de diefstal plaats hebben?”

„Reeds vannacht,” gaf Mr. Geis ten antwoord.

Allright,” sprak Mr. McIntosh, „morgen zul je de millioenen kwijt zijn.”

Terzelfder tijd was Raffles met Mr. Brand in zijn werkkamer bezig honderden stadsbrieven in couvert te sluiten. Ze droegen de adressen van de depositeuren der Lincoln-Bank, terwijl de inhoud der brieven, door Charly Brand geschreven, eensluidend was.

Het liep tegen tienen ’s avonds, toen Raffles zich, vergezeld van zijn vriend en secretaris, naar de Lincoln-Bank begaf. De beambte, die nachtdienst had, keek verwonderd op, toen beiden toegang verzochten. Hij herkende echter den procuratiehouder der Bank en opende zonder wantrouwen de deur der zware ijzeren poort en het zich daarachter bevindende hek.

Raffles en Charly Brand traden de vestibule binnen. Het was doodstil in het groote gebouw. Aan den nachtportier, een ouden vroegeren militair, verzocht Raffles hem met zijn op de borst bevestigde lantaarn op de trappen voor te lichten.

toen zij Raffles’ kamer hadden bereikt voelde de portier zich plotseling van beide kanten aangegrepen en vóór dat hij had kunnen schreeuwen was hij geboeid.

Doodsbleek van schrik keek hij naar den gewaanden procuratiehouder en diens makker en met trillende lippen fluisterde hij:

„Spaart mijn leven, heeren”.

„Wij doen u niets,” antwoordde Raffles, „als gij u stil houdt. Het spijt mij, u onaangenaam te moeten zijn, maar het is onvermijdelijk. Ik moet u een prop in den mond stoppen, opdat gij niet schreeuwt. Doe uw mond maar open.”

De nachtportier gehoorzaamde willoos, als verlamd van schrik en Raffles knevelde hem.

Nu nam hij hem de sleutels van het gebouw af, ook zijn lantaarn en begaf zich met Charly Brand naar de stalen, onderaardsche schatkamers.

Het was. voor Raffles een kleinigheid, de zwaar gepantserde deur te openen en de millioenen uit de brandkluizen te halen. Het was geldswaardig papier der Engelsche Bank en niemand zou hebben vermoed, dat het pakket, dat niet grooter was dan een gewone reiskoffer, millioenen bevatte.

In een eenvoudige houten kist droeg Raffles de millioenen weg.

Ongestoord verliet hij met Charly Brand het gebouw, sloot de deur en begaf zich naar de Oxford-Street. [22]Hij en zijn vriend waren reeds een paar honderd meter van het gebouw der Bank verwijderd, toen hij tot Charly sprak:

„Ik hoor, dat iemand ons volgt. Laat ons langzamer loopen en zoodra wij stappen achter ons hooren, moeten wij ons plotseling omdraaien om te zien, wie ons volgt.”

Langzaam gingen hij en Charly verder en duidelijk hoorden zij achter hun rug de haastige schreden van een man. Hij was nog wel eenige meters van hen verwijderd, toen Raffles zich plotseling omkeerde, in het volgende oogenblik de kist met bankpapier op den grond liet vallen en met een behendigen sprong den man bij de keel greep, die juist van plan was, met opgeheven dolk Raffles neer te steken.

Een zware vuistslag van den grooten onbekende trof den man tegen den slaap, zoodat hij zonder een kik te geven neerviel.

„Daar ligt hij als een meelzak,” sprak Raffles, terwijl hij den bewustelooze het wapen afnam.

„De kerel komt mij bekend voor,” meende Charly.

„Zeker,” lachte Raffles, „het is onze oude vriend, dien wij geboeid op het rotseiland hebben achtergelaten. Hij is ontkomen. Een kranige kerel! Nu zou ik wel eens willen weten, hoe die man achter ons plan ten opzichte der Lincoln-Bank is gekomen en in welke betrekking hij tot Mr. Geis staat. Hij moet iets met hem te maken hebben.

Ik vermoedde dadelijk, dat hij een werktuig was van dien schurkachtigen Geis en dat de vent wilde probeeren, mij uit den weg te ruimen. Nu, ik zal het morgen van Mr. Geis persoonlijk vernemen. Laat ons verder gaan.”

Zij namen de kist met de geldswaardige papieren weer op en, zonder zich verder om den bewustelooze te bekommeren, verdwenen zij in het nachtelijk duister.

Tegen vier uur in den morgen verscheen de auto, zooals Geis het met Raffles had afgesproken, op de bepaalde plaats, maar tevergeefs wachtte zij op Raffles. Na een uur te hebben gewacht reed de chauffeur heen en deelde Mr. Geis mede, dat de heer dien hij moest meebrengen, niet was gekomen.

Deze tijding maakte den bankdirecteur zenuwachtig.

Wat kon er gebeurd zijn?

Zou McIntosh toch gelijk hebben en Raffles den buit alleen willen behouden?

Met een vloek holde hij de kamer van McIntosh binnen, maar daar was niemand aanwezig.

Terwijl hij nog nadacht over de zaak en zich afvroeg, wat er toch gebeurd kon zijn, werd de deur geopend en McIntosh sleepte zich met moeite de kamer binnen.

Hij zag er vreeselijk uit. Zijn rechteroog was met bloed beloopen en door den slag, dien Raffles hem had toegediend, had hij een geweldige neusbloeding gekregen, zoodat zijn overjas met een korst bloed was bedekt.

Zijn roode haren hingen verward over zijn voorhoofd en het straatvuil kleefde overal aan zijn kleeren.

„Wat is er gebeurd?” vroeg Geis, den arm van McIntosh angstig grijpend.

De gewonde ging met moeite zitten, braakte een vreeselijken vloek uit en riep:

„Dat jij in een gekkenhuis behoort, is zeker!”

„Waar kom je vandaan?” herhaalde Geis.

„Van Raffles,” antwoordde McIntosh, „van dien vervloekten schurk. Kijk eens, hoe hij mij heeft toegetakeld. Een half uur lang heb ik bewusteloos in de Oxfordstreet gelegen en de millioenen zijn naar den bliksem.”

„Ben je krankzinnig?” hijgde Mr. Geis, „wat is er dan met het geld? Ik verwacht Raffles elk oogenblik!”

McIntosh barstte uit in een hoongelach:

„Ik had gelijk. Een dief kan men niet voor zich laten stelen. En ik herhaal, dat de millioenen zoo zeker naar den duivel zijn, als ik hier voor je zit. Zoek ze, waar de peper groeit! Je ziet er geen penny van terug.”

Mr. Geis moest gaan zitten, zijn knieën knikten, hij begon te beven en de geheele kamer draaide met hem rond.

„Is het werkelijk waar?” fluisterde hij met gebroken stem.

„Als ik in God geloofde, zou ik het je in zijn naam zweren”, sprak McIntosh. „Luister, wat mij overkomen is.

Ik wilde het geld voor ons redden want ik begreep, wat er zou gebeuren. Ik nam mijn dolk en wachtte voor de Lincoln-Bank, totdat deze ellendeling en zijn vriend het gebouw zouden verlaten. Was hij volgens afspraak naar de wachtende auto gegaan, dan zou ik naast den chauffeur, dien ik goed ken, zijn gesprongen en mee naar hier zijn gereden.

Dan had ik mij vergist en alles was goed geweest.

Maar het ging anders en wel juist zoo, als ik dacht. Raffles ging niet naar links, maar rechts de straat in. Dadelijk begreep ik, wat mij te doen stond. Zoo zacht als ik kon, sloop ik achter het tweetal aan in de schaduw der huizen en wilde eerst Raffles en daarna zijn vriend mijn dolk tusschen de ribben stooten. [23]

Het zou mij ook gelukt zijn, als Raffles niet zulke uitstekende ooren had. Terwijl ik hem naar de andere wereld wilde helpen, verraste hij mij met een ouden truc, bij de detectives bekend. Hij keerde zich om en velde mij neer door een enormen vuistslag.

Wat er verder gebeurde weet ik niet. Een ding is echter zeker, hij is met zijn millioenen niet naar hier gekomen. De duivel hale den hond.”

Het gelaat van den bankdirecteur was vaalbleek geworden. Hij begreep, dat hij bedrogen was. Zijn gedachten joegen door zijn brein als stormvogels en hij wist geen uitweg, hoe de gestolen millioenen terug te krijgen.

„Het spel is verloren,” sprak McIntosh, die zijn gelaat met water bette. „Als je mijn raad had gevolgd en den kerel aan de politie overgeleverd, dan had ik vannacht het geld gehaald en wij waren rijk. Als ik je niet dankbaar moest zijn, dan zou ik je voor je grenzenlooze domheid doodslaan.

De eenige raad, dien ik je geven kan, is deze, dat je morgenochtend dadelijk naar de Bank gaat, Scotland Yard op de hoogte brengt en tracht, Raffles en zijn buit te achterhalen.”

Dat was een laatste stroohalm voor Mr. Geis, waaraan hij zich kon vastklampen en de eenige hoop, die hem overbleef. Toen hij de kamer wilde verlaten, sprak McIntosh:

„Ik geloof, dat het het verstandigst zou zijn, als wij Londen verlieten. De duivel mag weten hoe deze geschiedenis afloopt!” [24]