Bij de Friezen komen nog heden voor de mansnamen Koen en Koene, de vrouwennamen Koena en Koentje, de geslachtsnaam Koens. Evenzoo de mansnamen Manne en Manno, de vrouwennaam Manna, de geslachtsnamen Manninga en Mankes (van den verkleinvorm Manke); ook Mannis in Noord-Friesland; en de plaatsnaam Mansholt, een dorp in Oldenburg. Verder bij de Engelschen de geslachtsnaam Manning, en de plaatsnamen Mannington in Norfolk en Manningtree in Essex.
Behalve Manke, boven vermeld, hadden de Friezen oudtijds ook de mansnamen Manse en Mante, mede oude verkleinvormen van Manne, in gebruik. Heden ten dage zijn Manse en Mante op zich zelven, als mansvóórnamen, buiten gebruik geraakt; maar deze naamsvormen leven nog in de geslachtsnamen Mansana, Oost-Friesland; Mansing, Mansingh, Mantink, Noord-Nederland; en in de plaatsnamen Mansingen, dorp in Oldenburg; Mantgum (dat is Mantinga-hem, woonstede der Mantingen, der afstammelingen van den man, die Mante heette, bij vóórname), dorp in Friesland. Zoo die woonstede der Mantingen in Vlaanderen hadde gelegen, in plaats van in Friesland, het dorp dat uit deze Mantinga-hem ontstaan ware, zoude nu waarschijnlijk Manteghem heeten, en dus eenen oorbeeldig Vlaamschen naamsvorm dragen. Verder nog Manting, een gehucht bij den dorpe Westerbork in Drente; en Mantinghausen, een dorp bij Büren in Westfalen.
Wij moeten ook naar Friesland gaan, om de mansnamen Rein en Roel, die aan de Gentsche geslachtsnamen Reyns en Roels ten grondslag liggen, nog in leven te vinden, met de vrouwennamen, de maagschapsnamen en de plaatsnamen, die daarvan zijn afgeleid. Rein en Roel komen beide heden ten dage nog als mansnamen onder de Friezen voor; met de vrouwennamen Reina en Reintje, Roeltje en Roelke. Verder de geslachtsnamen Reyninga, Reinema en Reins.—Reiningh, Reinink, Reynen en Serreyns, ook Reinkens [164]en Reintjens komen in andere Nederlandsche gewesten voor. Roelinga, Roelenga, Roelsma en Roels (ook Roeling en Roelink in Drente). Plaatsnamen: Reinseel (de sele of sale, het aanzienlijke huis, Engelsch hall, van den man die Rein heette), eene sate (landhoeve) te Mariënweer in Oost-Friesland. Reinhusen, gehucht bij Friesoythe in Oldenburg. Roela-sate, landhoeve te Eagum in Friesland; en het Roelfentje, een stuk land te Oldersum in Oost-Friesland.
De laatste groep van Gentsche maagschapsnamen, die ons nog ter bespreking overblijft, omvat de schoone, oude, Germaansche namen, volledige mansvóórnamen op zich zelven, die op bladzijde 145 hiervoren zijn opgesomd. Weer een elftal van die zeer bijzondere en zeer schoone namen heb ik uitgekozen, om hier nog wat nader te worden verklaard. Het zijn Elewaut, Gevaert, Ysebaert, Wolfaert, Volckrick, Elleboudt, Inghelbrecht, Allaert, Hombrecht, Godtschalck en Geldolf, allen namen die klinken als klokken, en waar de eere onzer voorouders, de klankrijkdom en de rijkdom aan gespierde vormen, die onze taal in de middeleeuwen zoo volop bezat, ons nog uit tegenschallen,—namen die als eene eere, schier als een bewijs van adeldom, althans als een teeken van adel-oudheid mogen gelden voor de hedendaagsche Gentenaren, die ze, als eene erfenis hunner Germaansche voorouders, mogen voeren.
Elewaut is oorspronkelijk en voluit de Oud-Germaansche mansnaam Adelwald, Edelwaut, een naam die onder verschillende bijvormen, menigvuldig in de oude geschiedenisboeken en oorkonden der Germaansche volken voorkomt. In den vorm of in de schrijfwijze Adaloald is deze naam bekend als die van eenen koning der Longobarden, die in de zevende eeuw leefde. Ook aan plaatsnamen heeft deze mansnaam oorsprong gegeven; bij voorbeeld aan Adetschwil, een dorp in het kanton Zürich, Zwitserland, welks volledige, oorspronkelijke naam, ten jare 850, was Adaloltiswilare. Lag deze plaats in Vlaanderen, hij zoude vermoedelijk thans Elewautswyler heeten. Ook de naam van het dorp Ahlshausen, gelegen bij Eimbeck in Hannover, dankt zijnen oorsprong aan den mansnaam [165]Adelwald; in eene zeer oude oorkonde namelijk staat deze plaatsnaam in zijnen volledigen vorm als Adololdeshusen vermeld.
Is de hedendaags Vlaamsche vorm van dezen naam, Elewaut, al versleten van zijnen oorspronkelijken, volledigen vorm Edelwaut of Adelwald, in nog veel sterkere mate is dit het geval bij de vormen, waaronder deze naam heden ten dage in Holland en in Friesland nog in leven is. Te weten, in Holland als de geslachtsnaam Elout; en in Friesland als de mansvóórnaam Aalt.
Adel en wald, edel en waut, de twee naamsstammen, waaruit de naam Adelwald of Elewaut is samengesteld, hebben nog zeer vele andere Oud-Germaansche mansvóórnamen gevormd; bij voorbeeld Adelbrecht of Albert, Adelhart of Allaert, Adalrik of Aldrik, Waldraven of Waltram, Waldomar en Walther (hier voren op bladz. 159 en 160 als Wauter nader besproken).
Gevaert (in Holland en Friesland komt deze zelfde naam, in den tweeden naamval geplaatst, als een patronymicum van nieuwere dagteekening, als de geslachtsnaam Gevaerts voor)—Gevaert dan is een echt Nederduitsche of Dietsche, en bepaaldelijk een echt Oud-Vlaamsche vorm van den Oud-Germaanschen naam, die in het Hoogduitsch als Gebhart voorkomt. De naam Gebhart of Gevaert behoort, als mansvóórnaam, geenszins tot de veelvuldig voorkomende of algemeen in gebruik zijnde namen; althans niet in de Nederlanden. Als Gevert, Gewert, Ghewert, Gewaert vinden we hem in Oud-Friesche oorkonden. Aan de Zaan, eene Oud-Friesche gouw, was hij oudtijds in den zeer versletenen vorm Jevet in gebruik. Ook is de hedendaagsche, in Holland voorkomende maagschapsnaam Gevers er aan ontleend. Zoo mede de plaatsnaam Gerbersdorf, die eigen is aan een dorp in Neder-Beieren, en die verbasterd is van Gebhardsdorf, ten jare 893 geschreven Gebehartesdorf.
Ysebaert (Isebrecht, Isebert), in zijnen volledigen, oorspronkelijken vorm Isanbercht, is samengesteld uit de naamsstammen [166]isan, ise en bercht of bert. De laatstgenoemde naamsstam komt zeer algemeen voor, zooals reeds een en ander maal in dit opstel is aangetoond. Met den eerstgenoemden is dit niet het geval; hij is tamelijk zeldzaam. Wij kennen hem uit de mansnamen Isuwarth of Isoard (in Frankrijk Isouard), Isanbrand (nog heden ten dage in leven als Ysbrand en Ysebrand, met de geslachtsnamen Ysbrandsz, en, verlatijnscht, Ysbrandi), Isangrim (als Yzegrim nog wel bekend, zij het dan ook maar als scheld- of bijnaam), enz. Isambert komt nog heden als maagschapsnaam in Frankrijk voor. Isanpertesdorf is de volledige, oude naamsvorm (in het hedendaagsche Vlaamsch zoude deze naam als Ysebaertsdorp luiden) van het hedendaagsche Eisselsdorf, een gehucht bij Geisenhausen in Neder-Beieren.
Wolfaert (Wolfhart, de man met een hart of eenen aard—geaardheid—als een wolf; men vergelijke Everaert, Everhard, Beernaert of Bernhard, Leenaert of Leonhard, Ever- of Wildzwijnshart, Berenhart, Leeuwenhart)—Wolfaert is weêr een van die echt Oud-Germaansche namen, waaruit ons als een geur van bosch en heide tegenwaait, waaruit ons verbeeldingen als van eenen krachtvollen, dapperen jagersman voor den geest rijzen. De naamsstam wolf was oudtijds zeer veelvuldig tot het vormen van vóórnamen in gebruik. Honderden namen, als Wolfaert, met wolf samengesteld, zijn ons in oude oorkonden overgeleverd; een klein deel daarvan (Wolfram, Wolfgang of Gangolf—’t is het zelfde—Godolf, Geldolf, en enkelen meer) is tot in onzen tegenwoordigen tijd in ’t leven gebleven. Nog heden is Wolfert, in misspelling Wolphert, onder de Friezen als mansvóórnaam, zij het dan ook zeldzaam, in gebruik. En nog heden strekt de naam Wolfaartsdijk, eigen aan een dorp in Zeeland, ten bewijze, dat het een man was, die Wolfaart heette, welke eerst daar ter plaatse eenen dijk legde, tot keering van het water der Schelde.
Volckrick. Ofschoon deze naam een oorbeeldig gevormde mansvóórnaam is, en samengesteld uit twee naamsstammen die [167]zeer menigvuldig voorkomen (in Folkhart, Folkaert of Folkert, Folkwin—verlatijnscht tot Folquinus,—Folkrad; en in Frederik, Heinrik, Rikaert of Richard, Richaert), zoo is Folkrik toch geenszins een naam, die veelvuldig ons is overgeleverd in oude geschriften, evenmin als hij heden ten dage, ook niet in bijvormen of in plaatsnamen, veelvuldig in gebruik is. Nevens Volckrick te Gent, bestaat de zelfde naam te Brussel nog als Volckeryck. Maar anders is hij mij niet voorgekomen, noch bekend geworden, bij het Nederlandsche volk.
Elleboudt. De naamsstam el of elle, van vele Nederduitsche vóórnamen deel uitmakende (Elbert, Elwin, Elburga) is zoowel een versleten vorm van edel, adel, athal, als een bijvorm van ala (Alaric, Alawic, Alaswinde). Van welken oorsprong de naamsstam el is, in den Gentschen maagschapsnaam Elleboudt, durf ik niet bepalen. De andere naamsstam boudt, baut, bald of bolt is zooveel te duidelijker, en uit Baldowin, Bauduin of Boudewijn, Arkenbout of Archimbald, Raginbald of Reinebout welbekend. Nevens Elleboudt komt ook Hellebout als maagschapsnaam in de Vlaamsche gewesten voor; vermoedelijk verschillen deze twee namen slechts in schrijfwijze, maar in oorsprong niet. In oude Friesche oorkonden vond ik nog den mansnaam Elbod, die misschien met den Vlaamschen vorm Elleboudt eenzelvig is.
Ingelbrecht is weder een van die naamsvormen, waaruit de bijzondere overeenkomst tusschen Oud-Vlaamsch en Friesch blijkt. Immers ook de Friezen spreken het woord engel als ingel uit, en eveneens hunne, nog in volle gebruik zijnde namen Engele (mansnaam) als Ingele, en Engeltje (vrouwennaam) als Ingeltsje. In oude Friesche oorkonden komt ook Ingelbrecht, Ingelbert en Ingelbaert (dit zijn alle drie slechts vormen van eenen en den zelfden naam) geenszins zeldzaam voor. Nog heden behoort Engelbrecht of Engelbert in Nederland en Duitschland tot den schat van Oud-Germaansche mansnamen, aan die landen eigen, ofschoon hij er al te zeldzaam nog aan knaapkens gegeven wordt. [168]
Ook de Gentsche maagschapsnaam Allaert heeft in Friesland zijn weêrga, in verschillende vormen. Even als Albert eene samentrekking is van den volledigen naam Adelbrecht, en Beernaert voluit Bernhard is, zoo is ook Allaert samengetrokken uit den vollen, oorspronkelijken vorm Adelhard of Adelhart—in klank en vorm, en in beteekenis (edel van harte, edel van aard), een zeer schoone naam. Allart en Allard, nog meer versleten als Allert, en nog meer verbasterd als Aldert, behoort nog heden in Friesland tot de gebruikelijke mansnamen. Daarvan afgeleid zijn de vrouwennamen Allertje en Aldertje—voluit Adelharda—en de geslachtsnamen Aldertsma en Alderts nog in leven; en Allerda en Allertsma, uitgestorven. In Groningerland leven nog heden de geslachtsnamen Aldringa (oorspronkelijk voluit Alderdinga, Adelhardinga), mede een Oud-Friesche patronymicale vorm; Aldersma, Aldershoff. En in Oost-Friesland bestond oudtijds eene maagschap die den naam Aldersna (mede een Oud-Friesche tweede-naamvalsvorm) droeg. Aldring (oorspronkelijk voluit Alharding, Adelharding) is aan eene Engelsche maagschap eigen; en Aldrink, Alderden, Alderding, Alderse, Allerding en Allerts komen nog heden in Holland en andere Noord-Nederlandsche gewesten voor. Ook aan sommige plaatsnamen heeft de mansnaam Adelhart oorsprong gegeven. Zoo is Allertsoog (de Friezen spreken en schrijven Allertseach) de naam van een huis onder Bakkeveen in Opsterland, Friesland; Allerda-sate heet eene boeren-hofstede te Ternaard in Friesland; Aldersma-heerd is eene boeren-hofstede te Esinge in Groningerland; Aldringa-borg is een adellijk huis te Haren in Groningerland; Aldershem is de oorspronkelijke naamsvorn van het dorp Oldersum in Oost-Friesland; Aldrington ligt in Sussex, Engeland; Aldringham eindelijk is de oude, middeleeuwsche naamsvorm van een dorp in Artesië, Frankrijk, dat heden ten dage als Audrehem bekend is.
Van Hombrecht is niet zoo veel mede te deelen als van Allaert, al is het dat deze naam nog heden een koningsnaam is, te weten van Humbert (de Italianen zeggen en schrijven [169]Umberto), den koning van Italië, dezer dagen zoo gruwelijk vermoord. Een Oud-Germaansche naam, als ieder andere der Gentsche maagschapsnamen, in deze groep vermeld, is Hombrecht of Humbert zeker. Maar het schijnt, dat hij nooit veelvuldig en algemeen bij de verschillende volken van Germaanschen bloede in gebruik is geweest. Onder de Friezen, die anders juist zoo menigen Oud-Germaanschen naam, tot op den dag van heden, in eere en gebruik gehouden hebben, komt hij nooit meer voor; slechts eenmaal is mij een man, met den naam van Humbert, in eene oude Friesche oorkonde te voren gekomen. In Duitschland bestaat hij nog in den plaatsnaam Humbrechtshausen, de naam van een gehucht bij het dorp Rügheim in Frankenland, Beieren.
De geslachtsnaam Godtschalk vertegenwoordigt een der bijzonderste, en, wegens zijne beteekenis, een der schoonste Oud-Germaansche mansvoornamen. Immers, deze naam beteekent Gods knecht, of dienaar van God, naardien het oude woord schalk, dat heden ten dage slechts weinig meer bij het Nederlandsche volk bekend en in gebruik is, en dan nog door verloop van beteekenis, guit of grappenmaker beduidt, oorspronkelijk de beteekenis had van knecht, dienaar. In ons woord maarschalk, dat heden ten dage de naam is van een hoog ambt in de krijgsmanswereld, maar dat oorspronkelijk beteekende paardeknecht, dienaar die met de zorg over de paarden was belast, is dit woord schalk nog overig. Zoo mede in den plaatsnaam Schalkwijk (dat is de wijk, het oord, het gedeelte van een dorp of stad, waar de schalken, de knechten, hunne afzonderlijke woonstede hadden), die eigen is aan een gehucht bij Haarlem, en aan een dorp in het gewest van Utrecht. Deze dorpsnaam wordt in de dagelijksche volksspreektaal verbasterd tot Schaik, en heeft oorsprong gegeven aan de geslachtsnamen van Schaik, van Schayk, van Schayck. Ook is de naam van de Schalkesteeg in de stad Utrecht, aan dit zelfde woord ontleend. Onder de Oud-Nederlanders in Zuid-Afrika is Schalk nog als een mansvóórnaam in gebruik.
Een soortgelijke naam als Godsschalk is nog Godswin, die in zijne samentrekking als Goossen op bladzijde 162 hiervoren [170]nader besproken is, en Godsfriund of Godsfrjeon, een Friesche naam, overeenkomende met Gods vriend in het algemeen Nederlandsch, en die in de zestiende eeuw nog door Friesche mannen, geenszins zeldzaam, als doopnaam werd gedragen. Ook Godsskalk was in de middeleeuwen onder de Friezen een tamelijk algemeene naam. De Friesche vleivorm van Godsskalk is Goasse (Gosse). Heden ten dage is de volledige naam Godsschalk bij de Friezen en ook bij de overige Nederlanders nog maar weinig als mansvóórnaam in gebruik; maar de vleivorm Gosse wordt nog steeds door menigen Fries gedragen. Ook leeft de volle naamsvorm nog in den naam van het gehucht Godsschalksoord (veelal als Goidschalxoord misschreven), gelegen bij het dorp Heinenoord, in Zuid-Holland.
Ten slotte; van den Oud-Germaanschen mansnaam Geldolf, die almede onder de hedendaagsche Gentenaren nog als maagschapsnaam leeft, is niet veel mede te deelen. Hij is samengesteld uit de naamsstammen geld en olf. Deze eerste stam, ook als gild en oorspronkelijk als gald voorkomende, maakt ook deel uit van de namen Geldhard en Geldheri, die als Geldert en Gelder nog heden in de noordelijke Nederlanden als mansvóórnamen voorkomen, zij het dan ook zeldzaam. De tweede mansstam olf is het woord wolf, het bekende roofdier. Bij de behandeling van den naam Wolfaert, op bladz. 166 hiervoren is deze naamsstam reeds vermeld.
Eene opmerking, die telkens en telkens weêr opkomt in de gedachten, als men Vlaamsche namenkunde beoefent, is deze: dat er zulk eene groote overeenkomst, zulk eene aanmerkelijke overeenstemming, zulk eene bijzondere eenvormigheid bestaat tusschen de Oud-Vlaamsche en de Oud-Friesche namen—eene gelijkheid, die zoo groot is, dat ze zich als ’t ware opdringt tot een bewijs van den Frieschen oorsprong van een aanmerkelijk deel des Vlaamschen volks. [171]