Die tweeklank ie in plaats van den enkelen klank dien de Friezen met y afbeelden, die ie waarmede de Hollanders meenen de Friesche zuivere, lange i (y of î) te kunnen weêrgeven, is in namen als Sietse en Wiebren in het geheel niet op zijne plaats. De ie is in het Friesch immers duidelijk een tweeklank, gelijk zij oorspronkelijk in het Hollandsch ook was, en nog heet. De Friezen laten in hunne uitspraak dan ook zeer te recht nog duidelijk hooren dat de ie een tweeklank is, in tegenoverstelling met de Hollanders die deze oude en zuivere uitspraak verloren hebben, en geen onderscheid meer kennen tusschen ie en i of y. Immers in het woord wiet (nat) laten de Friezen eenen gants anderen klank hooren als in Wyt(ske), een onderscheid dat het verstompte gehoor der Hollanders niet meer schijnt te kunnen vatten.—De sch in woorden als school, schoen, schip, visch, wasschen wordt in het Friesch, even als in de Noordsche talen, als sk uitgesproken: skoale, skoe, skip, fisk, waskje. Door deze Friesche uitspraak in de war gebracht, meenen sommige waanwijze vreemdelingen ook de sk in de namen Wytske, Gelske, Anske, enz. als sche te moeten verhollandschen, en er Wietsche, Gelsche, Ausche van te moeten maken. Intusschen, de sk in Wytske, Gelske, Anske komt geenszins overeen met de Hollandsche sch. O neen! Immers in deze en soortgelijke [224]namen is sk slechts eene toevallige samenvoeging van letters. Hier staan de s en de k slechts bij toeval naast elkanderen, en vormen geenszins eene bijzondere letterverbinding. Hier behoort de s aan de lettergrepen Wyts, Gels en Ans (Anso), en de k is de eerste letter van het verkleinende aanhangsel ke. Dus Wyts-ke (Wyts-ke, de kleine—of vrouwelijke—Wytse), en niet Wyt-ske, Wyt-sche of Wiet-sche.—De Friesche taal kent geen letter ij, zooals de Hollandsche tongval en het hedendaagsche geijkte Nederlandsch. Men kan, of liever mag dus niet Wijtse, Sijtse, Wijbren, Sijbout schrijven. Wytse, Sytse, Wybren, Sybout of Sibout moet het wezen. Ook kent de Friesche taal niet de letters v en z. Die halve, verloopene, vloeiende en suizende medeklinkers zijn te flauw en te zwevende voor de Friesche tonge; zij worden in het Friesch door f en s vervangen. Dat men dus niet Zijtze, Binze, Zweitze en Zwopkje, noch ook Vetje, Vrank, Vedde, Volkert of Volmer schrijve, maar Fetsje (Fetje), Frank, Fedde, Folkert, Folmer met Sytse, Binse, Sweitse en Swobkje. Even min schrijve men de bijzondere Friesche en Engelsche tweeklank ea (in de woorden brea of bread, dea of dead), waar deze klank in Friesche persoonsnamen voorkomt, als ae, als of het een Oud-Hollandsche lange a ware. Dus niet Aebe, Taeke, Taetsche, Aede, Paezens gelijk men heden ten dage wel doet, maar Eabe, Teake, Teatske, Eade (of Æbe, Æde) en Peasens.
Mogen zulke misvormde namen nooit meer worden geschreven! Dat de Friezen zich niet door allerlei vreemdelingen allerlei knollen voor citroenen in de handen laten stoppen. Maar dat zij zuiver Friesch mogen blijven, ook in de goede Friesche spelling hunner Friesche namen! Immers, men kan geen Friesche woorden en namen, geen Friesche klanken met Hollandsche letterteekens afbeelden. Die dit nochtans doet, die Wietsche schrijft en Zijtze, Taeke en Vetje, handelt even dwaas als de man die Engelsche, Duitsche en Fransche namen met Hollandsche klanken en letterverbindingen afbeeldt—die dus Dzjeems, Loedwieg en Zjaak, of Swensie, Karrelsroe en Bordo schrijven zoude, in stede van James, Ludwig, Jacques, Swansea, Karlsruhe en Bordeaux. [225]
Alles wisselt, verandert, verslijt, teert uit, sterft af, in ’t ondermaansche. Alles! Ook de bijzonderheden in zeden, taal en kleeding der Friezen, al hoe trouw anders de Friezen in den regel ook gehecht zijn aan de eigenaardigheden, door hunne edele en roemrijke voorouders hen overgeleverd. In deze zaken toch zijn de hedendaagsche Friezen geenszins meer de zelfden, die ze van ouds geweest zijn, die ze nog voor honderd en voor vijftig jaren waren. Zelfs kan de opmerkzame veel korter tijdsbestek noemen, om veranderingen aan te toonen. Ook in de Friesche mans- en vrouwennamen doet zich deze wisseling en verslijting, dit afsterven of buiten gebruik raken bemerken—al is dit ook betrekkelijk gering en weinig, veel minder dan bij onze stamverwante volken met hunne volkseigene namen geschiedt. Maar toch droeg deze en gene onder onze voorouders in de middeleeuwen en later eenen naam die thans onder ons niet meer gehoord wordt. Ja zelfs in de vorige eeuw nog kwamen onder de Friezen sommige namen, goed Oud-Friesche namen voor, die men thans slechts uiterst zeldzaam of in het geheel niet meer aan kinderen geeft, ’t en zij dan in veranderden vorm, als Richje voor Rixta, Lutske voor Luxta, Jeltsje voor Jildou, Reintsje voor Reinou. Ook in deze zaak heerscht — — de mode! Sedert de helft dezer eeuw vooral schijnt het alsof de Friesche namen sommigen ontaarden Friezen niet meer goed genoeg zijn. Die verbasterden en verbijsterden tooien hun kroost, dwaas genoeg! liever met de romantische namen van allerlei vreemde lui, vooral liefst met Fransche en Engelsche namen, dan met de eenvoudige en eerlijke namen der eigene voorouders. Hier en daar is er onder ons eene ijdele moeder en een zwakke vader die aan zoontje of dochterke niet den Frieschen naam geven van hunnen eigenen vader, van hunne eigene moeder, gelijk de Friesche zede dit van ouds eischt, maar eenen vreemden, eenen zoogenoemd mooien naam. Daartoe wordt dan de Friesche naam, die het kind rechtmatig toekomt, verknoeid en verdraaid, zoogenoemd verfraaid, maar in der daad misvormd en onkenbaar gemaakt. Of wel—men bedenkt maar eenen geheel vreemden naam, hoe vreemder en romantischer, hoe mooier; bij voorbeeld: Aurelia voor Aukje; Ella voor Jeltsje; Henri voor Harke; Georg voor Gosse; Titus voor Tiete of Tsjitte, enz. [226]Dwaas, die zoo handelen! Onwaardig, onfriesch, die zoo doen! Zal men den kinderen de oude en eervolle namen der eigene ouders en voorouders onthouden, die kenmerken hunner Friesche afstamming, de edelste onder de Germanen? Zal men ze tooien (?) met de soms verachtelijke namen van vreemde schurken en schelmen, hoeren en snoeren misschien? Neen immers! Geen ware Fries, geen Stand-Fries zal aldus zijn kroost ontadelen.
Behalve deze dwaze en treurige gezindheid, die het vreemde, opgesmukte, opzichtige, gekunstelde in alle opzichten verkiest boven het eigene, eenvoudig-schoone, degelijke,—eene gezindheid die gelukkiger wijze onder de Friezen nog weinig voorkomt, minder dan bij eenig ander volk—is daar nog eene andere reden die het uitsterven en verbasteren van Friesche namen ten gevolge heeft. Die reden is gelegen in de meening welke niet weinigen, overigens goed Frieschen Friezen eigen is, dat de Friesche namen leelijk zijn, leelijk klinken, dat het slechts zinlooze klanken zijn, en dat zij den dragers van die namen iets onbeschaafds, iets weinig gedistingueerds (basterd-woorden passen bij verbasterde gezindheden) zouden verleenen. En fijn beschaafd en gepolitoerd (op zijn Fransch, God betere ’t!), ook gedistingueerd (al is het dan ook valsch) willen er heden ten dage zoo velen zijn!
Nu—ik wil hier ook niet ten eenen male ontkennen dat sommige Friesche namen, zoo wel van mannen als van vrouwen, in der daad niet schoon van klank en vorm zijn. Ik kan mij zeer wel voorstellen dat deze of gene, met een fijn ontwikkeld gehoor en met goeden smaak begaafd, namen als Sjerp, Nammele, Oege, Oebele, Goaitsen, Durk, Harm, Freark, Olfert, Hoatse, Jisk, Gouke, Gurbe, Wopke, namen als Eke, Baeye, Akke, Wobbeltsje, Gatske, Jisseltsje, Nammentsje, Murkje, Jaeike, Sjoerdtsje, leelijk, zeer leelijk, op den duur ondragelijk vindt. Maar aan deze, in zich zelven reeds misvormde, verkorte namen is men immers ook niet gebonden! Men kan die namen in hunnen oorspronkelijken, volledigen, onverbasterden vorm herstellen. Dan zijn ze niet leelijk, noch zonder zin. Hier boven hebben wij dit reeds aangetoond bij ’t behandelen der namen Eke of Eelkje, Eelke of Eeltsje met Sjoerd en Sjoerdtsje, Freark en Sierk enz. Als eene kleine proeve, hoe men in deze zaak te handelen [227]hebbe, wil ik aan het einde van deze verhandeling een lijstje geven van eenige hedendaagsche, verbasterde en verkorte Friesche namen, met hunne Oud-Friesche, volledige vormen daar achter.
Al geef ik toe dat eenige, zelfs vele hedendaagsch Friesche namen leelijke, wanklinkende, onbehagelijke vormen vertoonen, dit is toch geenszins bij allen het geval. De mansnamen Allert, Edsard of Idsert, Alef, Alger, Ayolt (meest in Groningerland in gebruik), Brucht, Frank, Jildert, Wybrand, Sybrand en Gerbrand, Onno, Gerlof, Tsjalling, Hayo, Hillebrand, Hubert, Hero, Ivo, Meinert, Reindert, Taco, Hartger, en de vrouwennamen Brechtje, Ymkje, Sibrich en Wibrich, Aukje, Minke, Wytske en Sytske, Wypkje, Rinske, Elske, Geeske zijn namen die, al zijn het ten deele ook slechts verdraaide en verkorte namen, toch geenszins leelijk van klank en vorm zijn te noemen. Deze en vele soortgelijke namen hebben in de mansnamen iets krachtigs, edels, manhaftigs, in de vrouwennamen iets liefelijks, ongekunstelds, dat Fries en uitman behaagt. Maar, het zij dat men nu deze namen in deze vormen aanhoude of afschaffe, het zij men ze tot hunne oorspronkelijke zuivere vormen terug brenge, men wachte zich wel die namen nog meer te verdraaien, in de meening ze te verfraaien. Ware misbaksels en monsters van namen zijn er al, door dat zoogenoemde „mooier maken”, door weinig belezene en weinig beschaafde, door smakelooze menschen tot stand gebracht. Die Romkje tot Romelia, Wobkje tot Wobbina, Geeske tot Geziena, Elske tot Elziena, Aaltje tot Alida, Jeltje tot Jellina, Sjoerdtje tot Sjoerdina, Fokeltje tot Fokelina, of Doede tot Doederus, Sibble tot Sybillus, Anne tot Annee, Fedde tot Fedderus, Eabele tot Abelius, Timen tot Timotheus, Bartele tot Bartholomeus, Jentje tot Gentius, Hessel tot Hesselius, Jillert tot Jillardus maakt, geeft daar door een bewijs van onverstand en wansmaak. Gelukkig is deze dwaasheid bij ons Friesche volk tusschen Flie en Lauwers, dus bij de kern des geheelen Frieschen volks, veel minder in zwang dan bij de andere Friesche stammen, vooral bij Groningerlanders en Oost-Friezen. Dezen maken van Roelfke, Swaantje, Gerkje, Geertje, Lammechien en Lubbechien (in ’t [228]eigenlijke Friesland Lamkje en Lubkje), van Froukje, enz. Roelfina, Swaantina, Gercolina, Geertjedina, Lammechiena en Lubbechiena, Froukelina, enz.; de Oost-Friezen van Haike (de vrouwelijke vorm van Hayo), Hayonetta en Hayolina, van Geeske, Hilke en Lubke wel Geeskea, Hilkea en Lubkea. Dit zijn ware monsters van namen, wannamen, die hoe eer hoe liever buiten gebruik moeten gesteld worden, en die geen waarlijk beschaafd man zijnen kinderen geven zal. Dan nog maar liever geheel vreemde namen, zoo als zij doen die eenen knaap, welke naar zijnen grootvader Hette of Tiete moest heeten, Hector of Titus noemen, of een meiske dat den naam van hare grootmoeder Aukje of Heiltje toekwam, Aurelia of Helena noemen—al geeft zulke handelwijze dan ook getuigenis van onfriesche gezindheid, van weinig gevoel voor de eere van ’t eigene volk, van de eigene voorouders. Dat men echter oorspronkelijk onfriesche namen als Klaas, Thijs, Pier, Jan en Kees, als Neeltje, Leentje, Trijntje, Grietje, Angenietje, Martje, enz., die grootendeels ook bij de Hollanders en andere Nederlanders in deze vormen voorkomen, terug brengt tot de oude volle vormen Nicolaas, Mattheus, Petrus, Johannes, Cornelis, Cornelia, Magdalena, Catharina, Margaretha, Agnes en Martha, daar kan niemand wat op tegen hebben. Dat druischt niet in tegen den goeden smaak. In tegendeel, die volle namen zijn verre weg te verkiezen boven de hier vermelde verdraaide en ingekorte verbasteringen daar van.
Reeds in de vorige eeuw is men begonnen sommige Frieschen mansnamen, die op eene toonlooze e eindigen (Hobbe, Ynte, Harke), welluidender, aannemelijker te maken door die e met eene o te verwisselen, en dus van bovengenoemde namen Hobbo, Into, Harco te maken. Deze namen, op o eindigende, vertoonen in der daad, volkomen of ten naasten bij, de Oud-Friesche vormen, waarvan de namen op toonlooze e slechts verbasteringen, afslijtingen uitmaken. Men handelt dus zeer redelijk zoo men die oorspronkelijke o weêr in zijn recht herstelt. Ook zijn deze naamsvormen, op o uitgaande, eigenlijk nooit geheel buiten gebruik geweest, ook in de zestiende en zeventiende eeuw niet. [229]In sommige aanzienlijke maagschappen hield men dien vorm op o steeds in gebruik, al was het dat bij boeren, burgers en geringe lieden de toonlooze e in plaats van die o getreden was. In Oost-Friesland en Groningerland is deze o nooit zoo algemeen door de e verdrongen geweest, als in Friesland bewesten Lauwers. Ook heden nog treft men in die gewesten meer Friesche namen in hunnen oorspronkelijk op o uitgaanden vorm aan, dan in ’t eigenlijke Friesland. Men kan veilig de namen, op toonlooze e eindigende, in beteren vorm herstellen door eene o de plaats van die e te doen innemen; door bij voorbeeld van Aise en van Sibe, van Halbe en van Wytse, van Rinse en van Minne, van Atse en van Lykele te maken Aiso en Sibo, Halbo en Wytso, Rinso en Minno of Menno, Atso en Lyklo. Maar men doet beter, men handelt in taalkundig opzicht wetenschappelijker, men bereikt in den regel ook beter zijn doel (te weten het herstellen der namen in zuiverder en welluidender vormen), zoo men die namen welke op tse en le uitgaan (Atse, Fetse, Seakele, Lykele, Oebele) en die, gelijk op bl. 213 en vervolgens reeds is aangetoond, eigenlijk slechts verkleinvormen zijn—eerst herstelle in den oorspronkelijken, onverkleinden vorm, en er dan de o achter plaatse. Zoo men dus van Atse en Fetse (At-tse en Fed-tse, de kleine Atte en de kleine Fedde) maakt Atto en Feddo; van Seakele en Oebele, Saco en Ubo (men spreke Oebo). Zie hier, als verdere voorbeelden, eenige Friesche mansnamen in den hedendaags meest gebruikelijken, versletenen vorm, met den oorspronkelijken Oud-Frieschen vorm er achter.
Van deze soort van eenvoudige, zoogenoemde stamnamen zijn Hayo, Hugo, Onno, Otto, Menno, Benno, enz. steeds in gebruik geweest, ook bij de andere volksstammen in de Nederlanden en Duitschland.
Geheel in overeenstemming met de bovengenoemde mansnamen kan men de toonlooze e, waarop vele hedendaagsch Friesche vrouwennamen eindigen, veranderen in eene a. Die namen herkrijgen daar door veelal hunnen ouden, oorspronkelijken vorm, en worden tevens welluidender en aannemelijker. Zoo kan men van Tet, Tette of Tetsje maken Tetta, van Ath of Atsje Atta, en Minna van Minke of Mintsje.
De Friesche vrouwennamen komen heden ten dage meest in verkleinvormen voor; gaan dus veelal op je, tje, kje, ke uit. Zoo men deze onnoodige, meestal leelijke verkleinvormen eerst van de namen afneemt, en dan eene a voegt achter den overblijvenden [231]naamsstam, dan verkrijgt men in den regel den oorspronkelijken vorm van den naam. Zoo men dus van Ytsje of Itsje (eigenlijk Id-tje of Yd-tje) den verkleinvorm tje wegneemt, en achter den overblijvenden naamsstam Id of Yd eene a voegt, is de naam in zijnen oorspronkelijken en schoonen vorm Ida hersteld.
Zie hier, als verdere voorbeelden, eenige Friesche vrouwennamen in den hedendaags meest gebruikelijken vorm, met den oorspronkelijken Oud-Frieschen vorm daar achter.
De namen Ada, Emma, Ida zijn van ouds her ook bij andere Germaansche volken buiten Friesland in gebruik gebleven. De meeste overigen hebben alleen de Friezen behouden. [232]
Ten slotte nog geef ik hier eene lijst van Friesche persoonsnamen in hunnen hedendaagschen, verbasterden en verkleinden vorm, met de oude, oorspronkelijke, volle vormen daar achter. De letters m en v achter de namen duiden aan of zij mans- of vrouwennamen zijn.
Er zijn heden ten dage honderden van bijzondere mans- en vrouwennamen, in allerlei versletene en verkorte vormen, bij de Friezen in gebruik. Het gaat natuurlijk niet aan, al die namen hier in hunne oorspronkelijke vormen te herstellen. Ruimte en tijd laten dat niet toe. Maar die van andere Friesche namen de oorspronkelijke vormen wil kennen, kan zeer velen daar van vinden in Dr. Ernst Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch, deel I, Personennamen (Nordhausen, 1856).
Niemand leide uit deze verhandeling, uit deze naamlijsten af, dat ik het mijne heb willen toebrengen tot het jammerlijke in onbruik stellen onzer edele en schoone Oud-Friesche mans- en vrouwennamen. O! zulk streven, den Stand-Fries onwaardig, is verre van mij! Juist het tegenovergestelde heb ik beoogd. En wat mijzelven persoonlijk aangaat, mij dunken de Friesche namen ook in hunne hedendaagsche verbasterde vormen, schooner, althans den waren Fries, der echte Friezinne passender, in allen gevalle eigenaardiger en volkseigener, als de oude, oorspronkelijke vormen. Ik voor mij hoor eenen Fries liever Greult en Frjeark noemen als Gerhold en Frederik, eene Friezinne liever Harmke en Romkje als Hermanna en Rombrechta, al zijn dan ook de eerstgenoemde namen slechts verbasterde en verkorte vormen van de laatsten. Maar niet iedereen denkt aldus. En zoo hoop ik dan met dit opstel te bereiken dat deze of gene Fries, die zijnen kinderen niet met de oude Friesche namen zijner eigene ouders en verwanten noemen wil, omdat die namen hem niet meer behagen in hunne hedendaagsche vormen, dan daarvoor in de plaats geen vreemde, onfriesche, vaak ongermaansche namen neme, noch ook die oude namen op dwaze en gansch onredelijke wijze verbastere en verderve, maar dat [235]die man die namen in hunne oude, oorspronkelijke, volle, schoone en zinrijke vormen, volgens bovenstaande handleiding, herstelle.
Een zeer beknopt algemeen overzicht van de Friesche geslachtsnamen, van de verschillende vormen die de wezenlijke eigenaardigheden der Friesche geslachtsnamen uitmaken, moge aan de volgende verhandeling voorafgaan, tot beter verstand en inzicht bij het hier vervolgens behandelde onderwerp.
Volgens hunnen oorsprong en hunne beteekenis vervallen de eigenaardige Friesche geslachtsnamen in twee hoofd-afdeelingen; ten eersten, in geslachtsnamen die van mansvóórnamen zijn afgeleid; ten tweeden, in zulken die van plaatsnamen afstammen.
De geslachtsnamen, waaraan een mansvóórnaam ten grondslag ligt, zijn
a. die, welke op den Oud-Frieschen patronymicalen vorm inga uitgaan. Dit inga komt ook in versletenen vorm als enga voor, en in Oost-Friesland, door Hoogduitschen invloed, als unga. Voorbeelden hier van zijn de geslachtsnamen: Bottinga en Bottenga (van den mansnaam Botte), Sibinga en Sybenga (van Sibe, vleivorm van Sibrand, Sigbrand), Boyenga, Booyenga, Booienga, in Oost-Friesland Boyunga (van den mansnaam Boaye, Boye, Booye). Zoo beteekent dan Bottinga, Sibinga, Boyenga zoon of afstammeling van eenen man, van eenen stamvader, die Botte, Sibe of Boaye heette.
b. die, welke op ia eindigen. Dit ia is een vorm die uit inga is samengetrokken, volgens eene kenmerkende bijzonderheid van het Friesche taaleigen. Zoo is bij voorbeeld de geslachtsnaam Sinia oorspronkelijk voluit Sininga, en beteekent zoon of afstammeling van Sine, van den man, den stamvader, die den naam Sine droeg. Andere zulke namen zijn nog (Van) Bothnia, voluit Bottinga, van Botte; Unia, voluit Uninga, van Une of Oene, enz.
c. die op eene enkele a, een Oud-Frieschen tweede-naamvalsvorm uitgaan. Bij voorbeeld: Alberda en Albarda, dat is: Alberts, Albert’s zoon, de zoon van den man, den stamvader, die Albert (Adelbrecht) heette. Verder Andela, van Andele; Tsjaerda (in Nederlandsche spelling Tjaarda), zoon van Tsjaerd (Tjaard). [236]
d. die op het aanhangsel ma (man) eindigen, op den ouden, oorspronkelijken vorm, of op sma, eenen daaruit ontstanen vorm, van jongere dagteekening (samengesteld uit den tweeden naamvals-vorm s, en uit ma). Bij voorbeeld, Minnema, Popma, Sytsema, of Sytsma, zoon, afstammeling of hoorige van Minne, van Poppe, van Sytse. En Tjeerdsma, Meindersma, Wigersma, van Tsjeard (in Nederlandsche spelling Tjeerd), Meinder en Wiger (Thiedhart, Meginher en Wigher).
e. die op na en sna uitgaan (in de zelfde verhouding tot elkanderen staande als ma en sma, onder letter d hierboven vermeld). Dit zijn eigenlijk Oost-Friesche vormen, die echter ook wel eene enkele maal in ons Friesland voorkomen. Bij voorbeeld: Frankena en Jorna, zoon van Frank en zoon van Jorre. Intusschen, men kan met evenveel recht aannemen, dat deze twee geslachtsnamen tot de onder letter c hier voren vermelde groep (op enkele a eindigende) behooren, en dus moeten ontleed worden als Franken-a en Jorn-a; dat is dan: zoon van Franken of Frankwin, en zoon van Jorn, dat is Everwin.
f. die op den nieuweren, algemeen geijkt Nederlandschen tweeden-naamvalsvorm op s uitgaan, of op den verouderden, nog slechts hier en daar (ook in Holland) in den volksmond levenden tweeden-naamvalsvorm op en, n. Bij voorbeeld Ypes, Goslings, Jelles, Heeres, Romkes, en Poppen, Yben, Kampen, namen die voor iedereen die de Friesche mansvóórnamen Ipe of Ype, Goasling of Gosling, enz. kent, duidelijk en verstaanbaar zijn.
De tweede hoofd-afdeeling van oorbeeldige Friesche geslachtsnamen is niet uit mansvóórnamen, maar uit plaatsnamen gevormd, en komt overeen met de geslachtsnamen, samengesteld uit het voorzetsel van en eenen plaatsnaam (van Velsen, van Assen), die in de andere Nederlandsche gewesten zoo menigvuldig voorkomen. Deze afdeeling vervalt nader in twee groepen:
a. Geslachtsnamen die slechts eene enkele a achter den plaatsnaam hebben; bij voorbeeld: Ferwerda, Holwerda, Rauwerda, Salverda, afgeleid van de plaatsnamen Ferwerd, Holwerd, Rauwerd, Friesche dorpen, en van den plaatsnaam Salwerd, eigen aan een gehucht bij Franeker.
b. Namen, die op stra eindigen: Lemstra, Dragstra (eigenlijk [237]voluit Drachtstra), Joustra, Balkstra, Troelstra, van de plaatsnamen de Lemmer, Drachten, de Joure, Balk en Ter-Oele, aan Friesche vlekken en dorpen eigen. Hier bij komen nog de talrijke geslachtsnamen, die bestaan uit het achtervoegsel stra en een woord van algemeen-aardrijkskundigen aard, dat als ’t ware staat in de plaats van eenen echten plaatsnaam. B.v. dyk, syl, terp, die aan de geslachtsnamen Dijkstra (eigenlijk Dykstra), Zijlstra (eigenlijk Sylstra) en Terpstra ten grondslag liggen.
De Friesche taalgeleerde, Prof. Everwyn Wassenbergh, die in het begin dezer eeuw Hoogleeraar was aan de Hoogeschool te Franeker, zegt in zijne „Verhandeling over de Eigennamen der Friezen” (voorkomende in zijne „Taalkundige Bijdragen”, Leeuwarden, 1802), waar hij spreekt van de Friesche geslachtsnamen, zooals die in het laatst der achttiende eeuw veelvuldig bij de eenvoudige burgerlieden, bij de neringdoenden en de handwerkslieden, en ook wel bij de boeren (voor zoo verre ze geen eigenerfden waren), in Friesland in zwang kwamen, het volgende:
„Een bakker noemde zich Baksma; een slager Bijlsma of Schraagsma; een timmerman Latsma of Schaafsma; een mandemaker Tiensma; een bleeker Osinga. Hiertoe behooren nog Smedema, Hoornsma, Ratsma, Hammersma, Draadsma, Ramkama, Pompsma, Pekelsma”.
Deze woorden bevatten waarheid. Maar volledig waar, in alle opzichten waar—dat zijn ze niet. Zoo men deze uitspraak niet cum grano salis opvat, zoo men haar niet met onderscheiding en met goed verstand aanneemt, maar integendeel haar houdt voor slechtweg waar, voor ten volsten waar in alle opzichten, dan komt men, in zake de verklaring van vele Friesche geslachtsnamen, op een dwaalspoor.
In der daad hebben sommige Friezen in de vorige eeuw zich van geslachtsnamen voorzien, op zulk eene onredelijke, willekeurige en zonderlinge wijze, als Professor Wassenbergh mededeelt in zijne bovenaangehaalde woorden. En nu, honderd en meer jaren nadat die eigenaardige soort van geslachtsnamen zijn opgekomen, meenen sommige Friezen, dat juist die wijze om geslachtsnamen te vormen, de regelmatige manier was, de wijze die schier uitsluitend, althans zeer menigvuldig, gevolgd werd. [238]Zij meenen dat het werkelijk een timmerman moet geweest zijn, die zich het eerst Latsma, Hammersma of Borenga noemde; werkelijk een bleeker die den naam Osinga eerst aannam; of een slachter die zich zelven den naam Lamkema of Ramkema toelegde. Dit nu is niet waar. Het moge misschien waar zijn van sommigen der geslachtsnamen, door Professor Wassenbergh opgenoemd; bij voorbeeld van Schraagsma, Schaafsma, Draadsma, Pompsma, Pekelsma. Maar van al die opgenoemde namen geldt dit niet.
Men versta mij wel. Ik wil niet ontkennen dat er een timmerman geweest kan zijn, die zich zelven eerst den naam Latsma of Borenga of Hammersma toeëigende, of een bleeker die zich Osinga, een bakker die zich Bollema noemde. Maar zelf bedacht, zelf gevormd heeft die timmerman, die bleeker, die bakker die namen niet. Die namen bestonden reeds, waren reeds eeuwen lang door Friesche maagschappen gedragen geworden; door maagschappen, die volstrekt niet eenen timmerman, noch eenen slachter of bakker tot stamvader hadden. Die namen waren, althans ten deele, toenmaals nog het eigendom van oude, veelal adellijke of eigenerfde, nog bestaande geslachten. Of anders, zoo die namen werkelijk reeds uitgestorven waren met de geslachten, waaraan ze van ouds her hadden toebehoord, dan bestonden nog wel de staten en de saten van die geslachten, die hunne oorspronkelijke, aloude woonsteden, hunne stamzetels waren geweest (bij voorbeeld Osinga-state, Latsma-sate); en zoo waren die geslachtsnamen den volke nog bekend en mondsgemeen.
Nemen wij als voorbeeld den naam Osinga (met zijne bijvormen, slechts in spelwijze daarvan verschillende, Osenga, Ozinga, Ozenga, oudtijds ook Oesinga en Oesingha geschreven)—een zeer oude naam, eigen aan eene wijd vertakte maagschap van eigenerfde Friezen, die ook nog heden bestaat, en door menige loot uit den ouden stam gedragen wordt. Ook Osinga-staten zijn er in aanmerkelijken getale over het geheele Friesche land verspreid: te Kimswerd, te Hallum, te Langweer, op Sottrum onder Schettens, te Grouw, te Dronrijp. Buitendien is er nog een Osinga-hûs onder Oosterend, terwijl een gehucht onder Heeg den naam van Osinga-huzen draagt. De naam Osinga is een zoogenoemd [239]patronymicum of vadersnaam; dat is: hij is, door achtervoeging van den uitgang inga (die kindschap of afkomst van zekeren stamvader aanduidt), afgeleid van, ontleend aan eenen mansnaam; in dit geval aan den Oud-Frieschen mansnaam Ose of Osi (Osinga van Ose, gelijk Wybinga van Wibe, Eisinga van Eise, Idsinga van Ids, Scheltinga van Schelte). Of anders (deze zaak is niet volkomen zeker), is Osinga een versletene, verbasterde vorm van den oorspronkelijken, volledigen vorm Oedsinga, afgeleid van den mansnaam Oeds. In oude geschriften toch vindt men den naam van het gehucht Osinga-huzen, boven vermeld, geschreven als Oessingahuyssen en Oedsyngahuysen. Ook de oude schrijfwijzen Oesinga en Oesingha, in plaats van Osinga, wettigen dit vermoeden. Maar hoe dit ook zij, de een of andere bleeker, in het laatst der vorige eeuw levende, en eenvoudig Wibren Sjoerds heetende, (naar zijnen vader Sjoerd Wibrens), maar eenen geslachtsnaam begeerende te bezitten, dacht aan een deel van zijn dagelijksch werk, te weten aan het ozen, dat is: het water uit de slooten rondom zijn bleekveld, niet lange en langgesteelde oosfetten (hoosvaten) over het te bleeken liggende lijnwaad spreiden en sproeien. Hij dacht, in zijn onverstand, en zoo op den klank af oordeelende, dat dit woord ozen deel uitmaakte van den ouden, hem welbekenden geslachtsnaam Osinga, en vond nu niets gereeder, niets geschikter, dan zich eenvoudig Osinga te noemen, dan dien reeds sedert eeuwen bestaanden geslachtsnaam zich maar toe te eigenen. Maar zelf dien naam bedacht en uitgevonden, dat had hij niet. Evenmin als bij voorbeeld de boer, die zich Boschma noemde, omdat hij op de Boschplaats (bij voorbeeld op de Boskpleats (Minia-Roorda-sate) te Grouw, of op de Boskpleats (Thetinga-sate) te Wieuwert) woonde; of die anderen die zich Tillema, Bruggema, Pollema, Statema, Zijlma noemden, omdat ze bij eene tille of eene brug, op eene pôlle (klein eilandje of klein heuveltje), op eene state of bij eene syl of sluis woonden. Immers ook die namen, en honderd andere dergelijken, bestonden reeds eeuwen vóór dien tijd, dat de eene of andere in de vorige of in ’t begin dezer eeuw ze zich wederrechtelijk toeëigende. Het zijn patronymicale, van mansnamen afgeleide maagschapsnamen; [240]zoo goed, en zoo zeker, als Osinga, Hammersma, Latsma dat zijn.
De geslachtsnamen, die, evenals Osinga, schijnbaar aan het eene of andere bedrijf, aan het eene of andere werktuig, aan de eene of andere werkzaamheid, daartoe behoorende, herinneren, komen zeer menigvuldig, bij honderden in getale, onder de Friezen voor. Inderdaad, de handwerkslieden en de neringdoenden onder hen, en ook de boeren, schippers, enz., die in de vorige, en in het begin van deze eeuw zich eenen geslachtsnaam, toepasselijk op hun bedrijf, wilden toeëigenen, hadden die namen maar voor het uitzoeken, maar voor het grijpen. En velen onder hen misbruikten dan ook op die wijze sommige oude, reeds eeuwen bestaande, van mansnamen afgeleide, zoogenoemde patronymicale geslachtsnamen. Zoo kon een visscher zich Aalsma noemen of Vissia; een brouwer Bierma, een bakker Bollema of Boltjes, een scheepstimmerman Bootsma of Scheepma, een boekhandelaar Boekema, een landbouwer Boerma of Boersma, een kleermaker Broeksma of Buisma, een houtkoopman Houtsma of Balkema, een stalhouder of rijtuigverhuurder Stallinga, een varkensslachter Bargsma, een verwer Ferwerda, een wolkammer Cammenga (oorspronkelijk Cammingha), die aan eene brug of aan eenen dijk woonde Bruggema of Brugsma, Dijkema of Dijksma noemen. Inderdaad, het kost weinig moeite zulk soort van namen nog bij honderdtallen hier aan te voeren, ter uitbreiding van het lijstje, dat Professor Wassenbergh heeft gegeven, en dat aan het hoofd van dit opstel is medegedeeld. Ook kost het weinig moeite om aan te toonen, om te bewijzen, dat alle deze namen oorspronkelijk niets met den visscher noch met den bloemkweeker, met den bakker noch met den brouwer, met den kleêrmaker noch met den boekhandelaar te maken hebben, noch ook met den man die op eene state of op eene pôlle of op eene boskpleats, aan eene tille of eene brug, of bij eene syl of eenen dyk woonde, iets hebben uit te staan.
Natuurlijk gaat het niet aan, zoude het veel te veel van de beperkte ruimte in dit boek innemen, wilde ik den waren oorsprong van al deze geslachtsnamen hier nader ontvouwen en [241]aantoonen. De opmerkzame vindt dien oorsprong, vindt dien oorspronkelijken samenhang dezer geslachtsnamen met oude Friesche mansvóórnamen, vindt menigmaal ook het bewijs hunner aloudheid in mijne Friesche Naamlijst (Leeuwarden, Meyer en Schaafsma, 1898). Toch wil ik mij zelven het genoegen gunnen (en, zoo ik hoop, daar mede den lezer niet ongevallig zijn), een paar dezer namen te ontleden. Nemen wij Latsma en Hammersma; die door Professor Wassenbergh als timmermansnamen worden voorgesteld.
Latsma,—wel verre van in de vorige eeuw door eenen timmerman eerst te zijn bedacht (al blijft het mogelijk dat een timmerman dien naam zich toenmaals opzettelijk, maar wederrechtelijk heeft toegeëigend)—Latsma is een zeer oude, reeds eeuwen en eeuwen bestaande geslachtsnaam, die samengesteld is uit den mansnaam Latse, en het bekende, veelvuldig in Friesche geslachtsnamen voorkomende achtervoegsel ma (even als Wytsma en Sytsma, Rinsma en Binsma van Wytse en Sytse, van Rinse en Binse ontleend zijn). Latse is een zoogenoemde verkleinvorm, even als Wytse en Sytse, Rinse en Binse dit ook zijn. Neemt men het verkleinende achtervoegsel se achter Latse weg, dan blijft er de oorspronkelijke vorm Latte over, even als Site en Wite, Rinne en Binne overblijven van Sytse en Wytse, Rinse en Binse. Site en Wite, Rinne en Binne komen nog wel als mansnamen onder de Friezen voor; zij het dan ook zeldzaam, vooral de drie eerstgenoemden. Maar Latte is mij nooit te voren gekomen, als mansnaam, ’t zij dan nieuw noch oud, en zoo min geschreven als gesproken. Toch is zonder twijfel Latte in ouden tijd een mansnaam bij de Friezen geweest, even als Wite en Site, Rinne en Binne (nevens Wytse en Sytse, Rinse en Binse) dit nu nog heden zijn. Dat de naam Latte bestaan heeft, wordt onomstootelijk bewezen door den verkleinvorm Latse, en tevens door den nog heden onder de nakomelingen der oude Friezen beoosten Lauwere, onder de hedendaagsche Groningerlanders levenden geslachtsnaam Latma. (Latma van Latte, even als Bouma van Bouwe, Alma van Alle, Popma van Poppe ontleend is.) De verkleinvorm Latse zelve schijnt ook onder de hedendaagsche Friezen buiten gebruik geraakt te zijn. In deze [242]eeuw althans is mij deze mansnaam nooit te voren gekomen. Maar oude geschriften uit vorige eeuwen vermelden hem niet zeldzaam, ook in verouderde spelling, als Lattzie, Lattie, Lattia. De geslachtsnaam Latsma bestaat nog heden; in oude oorkonden is hij mij voorgekomen als Latzema en Lattziema. Buitendien bestaat nog te Siksbierum de eeuwenoude, aanzienlijke Latsma-sate, de stamsate van het geslacht der eigenerfde Friezen die dezen naam droegen, in herinnering aan hunnen stamvader Latse. En deze sate strekt tot een onomstootbaar bewijs, dat het geenszins een achttiende-eeuwsche timmerman was die zich eerst Latsma noemde; al blijft het mogelijk dat zulk een man dien alouden geslachtsnaam aannam, in geestelooze toespeling op de latten, die hij bij zijn dagelijksch bedrijf gebruikte.
De hamer, een werktuig dat hedendaags slechts voor vreedzame doeleinden in gebruik is, was oudtijds ook al een wapen, een oorlogstuig. Inderdaad, een zware hamer, door eene krachtvolle vuist omklemd, door eenen gespierden arm gezwaaid, was geen te verachten wapen, en heeft zeker menigen vijand den schedel verpletterd. Men denke ook aan den hamer, het wapen van den Oud-Germaanschen Thor. Evenals de benaming van ander wapentuig, van den helm, den speer (ger of geer), het schild, het harnas (bron), zoo was ook het woord hamer, op zich zelven of in samenstellingen, bij de oude Germanen tot eenen naam geworden, dien men jonggeborenen knaapkens gaf. Förstemann, in zijn „Altdeutsches Namenbuch”, geeft eenige voorbeelden van zulke mansnamen op: Hamarard, Hamerrich, Hamarolf. Ook de oude Friezen, als echte Germanen, volgden deze zede. Mij is deze naam, in drie vormen, Hamar, Hamer, Hammer, voorgekomen in oude geschriften, als eigen aan Friesche mannen. Waarschijnlijk is de hedendaags onder de Friezen nog gebruikelijke mansnaam Hamke, Hamko, Hamco (met de daarvan afgeleide geslachtsnamen Hamkema en Hamkes en het verlatijnschte Hamconius, met den Groningerlandschen geslachtsnaam Hammeka, en den Helgolandschen geslachtsnaam Hammekens) van dien ouden hamernaam nog wel een vlei- en verkleinvorm. Dat Hammer of Hamer onder de oude Friezen als mansvóórnaam in gebruik [243]geweest is, bewijzen voorts nog de van hooge oudheid getuigende geslachtsnamen Hameringa en Hamringa (samengetrokken vorm van Hammeringa), in Oost-Friesland nog meer verbasterd tot Hammerga. Verder de geslachtsnamen Hammersma en Hamersma, met Hammers en Hamers, die van jongere dagteekening zijn. Ook de Hammerstille, nog in de vorige eeuw eene brug onder Westergeest, bewijst het voorkomen van Hammer als mansnaam onder de Friezen; evenals de plaatsnamen Hammerum (oorspronkelijk Hammer-hem, de omvredigde woonplaats van Hammer), dorp in Jutland; Hamarithi (thans Hemert), dorp in Gelderland; Hamareshusun (Hamershusen, thans Hummersen), dorp in Lippe, Duitschland, dit bewijs leveren bij andere, den Friezen verwante volken, bij Jutten, Batavers en Sassen.
De geslachtsnamen Hammersma en Hamersma zijn dus reeds eeuwen en eeuwen oud, en daar behoefde waarlijk geen achttiende-eeuwsche timmerman te komen, om die namen te bedenken. Maar dat zulk een man, in gezochte toespeling op een werktuig dat hij dagelijks gebruikte (evenals de timmerman Schaafsma, die zich naar zijne schaaf zoo noemde), dien ouden naam zich wederrechtelijk heeft toegeëigend—dit blijft mogelijk, en dit willen wij, op de bewering van Professor Wassenbergh, gaarne als zeker aannemen.
Volgens het bovenstaande zijn dus in de achttiende eeuw, en in het begin van dit nog loopende negentiende jaarhonderd, in Friesland vele oude, sedert eeuwen reeds bestaande geslachtsnamen aangenomen door lieden, die daarop geen recht hadden, maar die dit deden wijl ze meenden, dat in die namen de eene of andere toespeling op hun bedrijf besloten lag. Het omgekeerde kwam ook voor; namelijk, dat iemand zijnen ouden, van zijne voorouders overgeërfden geslachtsnaam verwaarloosde en in onbruik liet geraken, juist omdat hij, ten onrechte alweêr, meende, dat die naam eene toespeling op de eene of andere levensbijzonderheid, hem zelven betreffende, inhield. Misverstand en onverstand, waardoor men de ware beteekenis dier namen niet verstond, hunnen ouden oorsprong niet kende, speelde een rol, zoowel bij den eenen als bij den anderen. Het volgende geval is hiervan een [244]voorbeeld, en toont aan hoe willekeurig men oudtijds wel met de geslachtsnamen handelde.
Een burgerman te Leeuwarden, in de laatste helft der vorige eeuw, droeg, evenals zijne voorvaderen vóór hem, den geslachtsnaam Bootjema (in de zestiende en vijftiende eeuw ook Botiema geschreven). Deze naam is een oorbeeldig Friesche geslachtsnaam, ontleend aan den mansnaam Bootsje (Bootje), en „zoon van Bootsje” beteekenende. Bootsje is een verkleinvorm van Bote, een naam die nog heden onder de Friezen in volle gebruik is. Bootjema, van Bootsje, verkleinvorm van Bote, evenals Bontjema van Bontsje, verkleinvorm van Bonne, en Boukema van Bouke, verkleinvorm van Bouwe.
Onze man nu (wij willen hem voor ’t gemak Pieter Ypes noemen), was een groot liefhebber van spelevaren en zeilen, evenals zijn vader en zijn grootvader vóór hem geweest waren, evenals zoovele Leeuwarders vóór hem, in zijnen tijd, en nu nog heden ten dage. Hij hield er dan ook een vaartuigje, eene boot op na, om aan die liefhebberij te voldoen. Hij bracht schier al zijnen vrijen tijd, ter uitspanning, in zijn vaartuigje door. Dan zeiden zijne buren en stadgenooten dikwijls in scherts: „Bootsjema sit wer yn syn bootsje”. Dat verveelde den man. Immers ook hij zelf wist in zijnen naam anders niets te vinden, dan eene toespeling op zijne liefhebberij, en die van zijnen vader en grootvader; hij dacht werkelijk dat zijne voorvaders dien naam Bootjema hadden gekregen wegens hunne liefhebberij in ’t bootjevaren. Dies verwaarloosde hij opzettelijk zijnen alouden geslachtsnaam, en wilde niet anders dan Pieter Ypes genoemd worden, als zoon van Ype Pieters. Ten jare 1811, toen al de geslachtsnamen werden vastgesteld, liet hij (of zijn zoon of zijn kleinzoon—ik weet het niet nauwkeurig—maar dat doet er ook niet toe)—liet hij zich dan ook niet als Bootjema in de Registers van den Burgerlijken Stand inschrijven, maar als Ypes. En de nakomelingen van dezen man heeten nog heden aldus, terwijl de naam Bootjema uitgestorven is.
Terwijl dus de een en de ander in die dagen eenen ouden, reeds eeuwen bestaanden geslachtsnaam (Osinga, Latsma, enz.) zich wederrechtelijk toeëigende, liet weêr een ander zijnen ouden, hem van rechtswegen toekomenden naam varen; beiden [245]uit onverstand, wijl ze de ware beteekenis van die namen niet kenden, of die verkeerd opvatteden.
Al heb ik hier van sommige Friesche geslachtsnamen aangetoond, dat zij werkelijk reeds van overoude tijden dagteekenen, en aan overoude Friesche mansnamen ontleend zijn, al schijnt het dan ook dat zij toespelingen bevatten op allerlei nering en bedrijf, op allerlei levensomstandigheden der menschen—ik moet, ten slotte, nog betuigen, dat dit alles geenszins op alle soortgelijke geslachtsnamen toepasselijk is. Om bij de weinige namen door Professor Wassenbergh opgesomd, en op bladzijde 237 hiervoren vermeld, te blijven, erken ik gaarne dat Schraagsma en Schaafsma, Draadsma, Pompsma en Pekelsma werkelijk namen zijn, eenvoudig bedacht door eenen slachter, eenen timmerman, eenen wever, eenen pompmaker en eenen inzouter (van pekelvleesch bij voorbeeld, voor scheepsgebruik), in toespeling op het bedrijf dezer lieden; en dat deze namen geenszins met Oud-Friesche mansvóórnamen samenhangen, noch ook daarvan zijn afgeleid.
Deze vijf namen kunnen nog met een zeer groot aantal anderen, soortgelijken, aangevuld worden, allen nog heden ten dage bij de Friezen voorkomende. Zie hier eenigen daarvan: Zaagsma, voor eenen timmerman; Breeuwsma voor eenen schuitmaker; Draaisma voor eenen pottebakker (naar het pottebakkerswiel, dat de man dagelijks draait); Koestra of Schaapstra voor eenen veehouder; Grasma voor eenen greidboer; Ploegsma voor eenen bouwboer; Graansma, Koornstra, Zaadsma voor eenen graankoopman; Praamsma voor eenen schipper; Schrijfsma voor eenen klerk; Slotsma voor eenen slotemaker; Pruiksma voor eenen pruikmaker; Pruimsma voor eenen vruchtenventer; Terpsma voor den man wiens huis op of nabij eene terp staat; en vele tientallen dergelijken meer. Immers toen de lieden, die eenen geslachtsnaam wilden of moesten aannemen, eenmaal op dit dwaalspoor gekomen waren, was er schier geen einde aan het bedenken van dit soort fantasie-namen.
En dat inderdaad de grootvaders en overgrootvaders, in het begin dezer eeuw, zich zulke eigen-bedachte namen, die nooit te voren gehoord, noch in gebruik geweest waren, hebben toegeëigend, [246]in toespeling op hun bedrijf of op hunne levensomstandigheden, dat weten nog enkele nakomelingen van die mannen, heden ten dage, met zekerheid; ’t zij dan bij mondelinge overlevering, ’t zij uit aanteekening in de geslachtsregisters op de schutbladen van huisbijbels en kerkboeken. En te meer nog komen deze bijzonderheden in het licht, als de kleinzonen nog heden het zelfde bedrijf uitoefenen, als hunne groot- en overgrootvaders vóór hen gedaan hebben, en dus nog heden die toepasselijke namen dragen—gelijk wel voorkomt. Zoo is mij een houthandelaar bekend, die Houtsma heet, evenals zijn grootvader die ook houthandelaar was, en die zich dien naam toeëigende, ofschoon de toen reeds oude geslachtsnaam Houtsma van den verouderden mansnaam Houtse, verkleinvorm van Houte, Hout (Holt) is afgeleid. Zoo weet ik van eenen boer wiens huis bij eene wier staat, en die Wiersma heet, even als zijn grootvader, die reeds in dat zelfde huis woonde, en die dien naam had aangenomen, in toespeling op die omstandigheid (even als zijne standgenooten Boschma, Statema, Pollema, Zijlsma, enz.); ofschoon Wiersma (even als Wieringa, Wierema, Wierma) reeds een zeer oude, lang bestaande geslachtsnaam was, ontleend aan den verouderden, maar aantoonbaren mansnaam Wier. Verder is mij nog een blauwverwer bekend geweest, die Blauwstra heette, ofschoon die naam oorspronkelijk afgeleid is van de sate Blauw onder Sint-Nicolaasga; een wolkammer, die Cammenga heette, even als zijn grootvader die ook wolkammer geweest was, en die dezen naam in het laatst der vorige eeuw aannam, ofschoon Cammmingha juist de oudst bekende Friesche geslachtsnaam is, voor duizend jaren reeds aan eene adellijke maagschap eigen. Dan nog een verwer Ferwerda, wiens naam met verwen niets te maken heeft, maar voor eeuwen en eeuwen reeds is afgeleid van den dorpsnaam Ferwerd, even als Holwerda van Holwerd, Jorwerda van Jorwerd, Rauwerda van Rauwerd, enz.
De zakelijke inhoud nu van het bovenstaande betoog, in het kort samengevat, is:
De geslachtsnamen, in de vorige en in het begin dezer eeuw, door sommige burgers en boeren in Friesland aangenomen, in [247]toespeling op hun bedrijf of hunne levensomstandigheden, zijn grootendeels Oud-Friesche, reeds eeuwen lang bestaande, patronymicale (dat is: van vaders-, van mansnamen afgeleide) geslachtsnamen, die toenmaals ten deele reeds uitgestorven (ofschoon den volke nog bekend), ten deele ook nog in leven waren. Een kleiner gedeelte van die eigenmachtig aangenomene namen is willekeurig bedacht en gevormd, in toespeling op het bedrijf of de levensomstandigheden dier lieden. In mijne Friesche Naamlijst kan men nazien welke van deze namen tot de eerste, welke tot de tweede groep behooren, wijl hun samenhang met Oud-Friesche mansvóórnamen daar is aangetoond; of anderszins deze geslachtsnamen daar op zich zelven vermeld staan.
De volgende verhandeling over de vleinamen der Friezen is eene uitbreiding van ’t gene reeds voorloopig, op bladzijde 211 hiervoren, van die zaak is vermeld geworden.
Het woord vleinaam (of vleivorm van eenen naam) is door mij bedacht geworden, en eerst in gebruik genomen, in navolging van het Hoogduitsche woord Kosename (Koseform eines Namens), waarmede de Duitschers hetzelfde begrip aanduiden. Ook Kosename is een kunstmatig gevormd woord, door eenen geleerde bedacht, en niet door de spraakmakende gemeente; het is niet in den levenden volksmond ontstaan. Waar Duitschers en Nederlanders dus tot eenen kunstmatigen vorm hunne toevlucht nemen moeten, om zeker begrip aan te duiden, daar kan de nooit volprezene Friesche taal, die zoo overrijk is in kernachtige, de zaken duidelijk en op volksaardige wijze omschrijvende woorden, maar vrijelijk putten uit haren woordenschat. De Friezen toch gebruiken, om hetzelfde begrip aan te duiden, dat Duitschers en Nederlanders met Kosename en vleinaam weêrgeven, het woord poppenamme; afgeleid van poppe, schootkindje. Dit woord poppenamme is zooveel te kernachtiger, duidelijker en beter, drukt zooveel te juister uit wat men ermede wil te kennen geven, als poppe juist niet een schootkindje in het algemeen en in alle voorkomende gevallen beteekent, maar bepaaldelijk het woord is waarmede teedere moeders, in moederlijke troetelliefde, hare kleine kinderen liefkoozenderwijze noemen. [248]
Een vleinaam dan is die vorm van den eenen of anderen vóórnaam, zooals die door kinderen, welke nog niet goed spreken kunnen, worden verbasterd, en zooals die dan door moeders, welke hare schootkinders liefkoozen en vertroetelen, in ’t gebruik worden overgenomen en behouden. Menig klein meiske van tweejarigen leeftijd kan haren naam Aeltsje (in Nederlandsche spelling Aaltje) nog niet duidelijk uitspreken, maar noemt zich-zelve Aeye (in Nederlandsche spelling Aaye). De moeder, in deze kinderlijke uitspraak behagen vindende, noemt haar kind, door moederlijke teederheid gedreven, ook Aeye (Aaye). De vader volgt haar hierin wel na, en de oudere kinderen, met de overige huisgenooten en de nabestaanden, eveneens. Weldra wordt het kind, ook al wordt het grooter en grooter, en al kan het al lang ten duidelijksten Aeltsje (Aaltje) zeggen, in den huiselijken kring, en ook daar buiten, nooit anders genoemd dan Aeye (Aaye). En als het kind volwassen geworden is, ook dan nog blijft (in menig geval—niet als vaste regel, altijd en overal) die vleivorm van haren eigenlijken naam haar eigen en bij, en uitsluitend in gebruik; en op ’t laatst weet schier niemand anders, of de maagd, de vrouw, heet werkelijk Aeye (Aaye), haar heele leven lang.