In oude tijden, toen vele menschen weinig of nooit lazen en schreven, en velen dit zelfs niet konden doen, hadden de vleivormen nog veel meer geldigheid dan heden ten dage. Toen gebeurde het wel dat de eene of andere Aaye, grootmoeder geworden, haren naam in dezen vleivorm (en niet in zijne oorspronkelijke gedaante, als Aaltje—voluit, van ouds, Adela) aan haar kleindochterke overerfde, dat de ouders van dat kleinkind werkelijk de jonggeborene als Aaye, en niet als Aaltje, lieten doopen, en in het doopboek (in lateren tijd ook in de registers van den burgerlijken stand) lieten inschrijven. Zoo is het gekomen dat heden ten dage de eene Aaye als Aaltje te boek staat (dit is de regel), en dat de andere Aaye werkelijk onder dezen naamsvorm in het doopboek der Kerk, in de registers van den burgerlijken stand ten gemeentehuize van hare geboorteplaats, staat ingeschreven.

Zoo als dit hier nu met den vrouwennaam Aaltje, en zijnen vleivorm Aaye is aangeduid, zoo is het ook gegaan met [249]zoo menigen anderen Frieschen vóórnaam. Zie hier een lijstje van eenige Friesche vóórnamen, met hunne vleivormen. Daar zijn er wel meer. Maar velen van die namen hebben meer het karakter van verkortingen, en van samengetrokkene naamsvormen; ware vleivormen zijn dat niet. Het onderscheid tusschen deze soorten van naamsverbasteringen is niet altijd, of in alle gevallen, even gemakkelijk aan te toonen. Dies heb ik hier slechts enkele, slechts de meest bekende vleivormen willen opsommen.

Mansnamen.

Eelke. Verkleinvorm van Ele, dat een vervloeide vorm is van Edel, bijvorm van Adel, in ouder vorm Athal, een samenstellend deel van volledige namen Athalbercht (Adelbrecht, Albert), Athalbrand, Athalger (Alger). In vleivorm Eke. Zie bladzijde 218.

Gerrit (Gerhard), in vleivorm Kei.

Dirk, Durk (Diederik, Thiadrik), in vleivorm Duye, Dye, Dukke.

Jelle, in vleivorm Jeye.

Reitse, in vleivorm Reye.

Sibren, in vleivorm Pibe.

Folkert, in vleivorm Tolle.

Willem, in vleivorm Wim of Pim.

Dit zijn alle acht bijzonder Friesche, maar in hunnen oorsprong goed algemeen Germaansche namen. Onder de mansnamen van vreemden oorsprong, maar die onder de Friezen burgerrecht verkregen hebben, zijn er ook enkelen met vleivormen. Te weten:

Johannes, in vleivorm Jan, Hanne en Kanne, weer verkleind tot Jancko (verouderd) en Hanke.

Frans, in vleivorm Panne.

Cornelis, in vleivorm Kees.

Klaas (samengetrokken en ingekorte vorm van Nicolaas), in vleivorm Kaeye (Kaaye).

Jurjen (oorspronkelijk Georgius), in vleivorm Jui.

Uit den aard der zaak zijn de vrouwennamen, die in vleivorm voorkomen, grooter in aantal dan de mansnamen. [250]

Vrouwennamen.

Aeltsje (Aaltje), Adela, in vleivorm Aeye (Aaye).
Aukje, in,, vleivorm,, Akke.
Barteltsje (Barteltje), in,, vleivorm,, Bakke
Baukje, in,, vleivorm,, Baeye, (Baaye).
Dirkje, Durkje, in,, vleivorm,, Dukke, Duye, Dye, Didde, Dirre.
Eelkje, in,, vleivorm,, Eke, Eekje.
Fokeltsje (Fokeltje), in,, vleivorm,, Po.
Froukje, in,, vleivorm,, Poai, Poi.
Hylkje, in,, vleivorm,, Hike.
Hiltsje (Hiltje), in,, vleivorm,, Hikke.
Jeltsje (Jeltje), in,, vleivorm,, Jei, Jeye; weer verkleind tot Jeike.
Rinske, in,, vleivorm,, Kinge.
Romkje, in,, vleivorm,, Pomme.
Sibbeltsje (Sibbeltje), in,, vleivorm,, Pibbe.
Sibrechtje of Sibrichje, in,, vleivorm,, Pibe.
Sjoukje, in,, vleivorm,, Koai, Koi.
Tsjeardtsje (Tjeerdje) en Geartsje (Geertje), in,, vleivorm,, Kekke.
Tjetske, in,, vleivorm,, Jekke.
Tjitske, in,, vleivorm,, Jikke.
Uulkje, in,, vleivorm,, Uke en Oeke.
Wytske, in,, vleivorm,, Wike.
Willemke, in,, vleivorm,, Wim, Wimke, Pimke.

Vrouwennamen
met vleivormen, van vreemden oorsprong, zijn:

Elisabeth, in vleivorm Lyske, Like, Lite.
Grytsje (Grietje), Margaretha, in,, vleivorm,, Kike.
Jurjentsje (van Jurjen = Georgius afgeleid), in,, vleivorm,, Jui of Juike.
Maria, Maryke, in,, vleivorm,, Maeike (Maaike).
Pytsje (Pietje) (van Pieter = Petrus), in,, vleivorm,, Pike.

[251]

Tryntsje (Trijntje), Catharina, in vleivorm Nynke en Nine. In de steden ook Tine en Tynke.

Johanna, in vleivorm Hanne, Kanne en Kanke.

Te Leeuwarden, en misschien ook elders in Friesland, komen nog onder de ingezetenen, van ouds, de vreemde vrouwennamen Beatrix en Deborah voor, die als vleivormen Baetsje (Baatje) en Deetsje (Deetje) hebben.


Onder de bovengenoemde vleinamen zijn er eenigen, die enkel maar in mondeling gebruik zijn, maar nooit geschreven worden, en nooit als geijkte namen voorkomen. Dat zijn bij voorbeeld Koai en Poai, Pomme en Pibbe, Kinge en Bakke bij de vrouwennamen; Kei en Kaeye en Panne bij de mansnamen. Dezen, en eenige anderen, zijn nog heden louter als echte vleivormen, louter als noemnamen (sit venia verbo), en niet als schrijfnamen in gebruik. Maar Akke en Baeye (Baaye), Eke en Uke, Hike en Jikke, al zijn ze den volke nog genoegzaam als vleivormen van Aukje en Baukje, enz. bekend, komen toch ook wel als geijkte namen voor in doopboek en register van den burgerlijken stand, op de wijze als dit hier voren, bij Aeltsje en Aeye is aangetoond. En dat de mansnamen Pibe, Jeye, Duye eigenlijk slechts vleivormen zijn van Sibren, Jelle en Durk of Dirk (om van Jan = Johannes, Pieter = Petrus, Klaas = Nicolaas niet te gewagen)—dit is maar weinigen bekend, omdat deze namen even menigvuldig als de ware en oorspronkelijke namen, in geijkten zin, voorkomen.


Slechts zeer kortelijk en zeer oppervlakkig, slechts als ter loops heb ik de zaak der Friesche vleinamen hier te berde gebracht, ofschoon er juist van dit onderwerp zoo oneindig veel ter verklaring van de eigenheden en bijzonderheden der Friesche namen in het algemeen, te zeggen valt. Ik heb slechts voorloopig willen aanduiden, dat vele Friesche mans- en vrouwenvóórnamen anders niet zijn dan zulke vleivormen, afgeleid of verbasterd van volledige, oorspronkelijke namen, die de Friezen met andere Germaansche volken gemeen hebben of hadden. (Zie ook bl. 205). Pibe bij voorbeeld is reeds sedert vele eeuwen onder de [252]Friezen in gebruik in geijkten zin, dus schijnbaar als een echte, een volslagene mansvóórnaam; en toch is deze naam ontwijfelbaar een vleivorm van Sybren (Sigbern), en anders niet; evenals Jeye en Reye slechts vleivormen zijn van Jelle en Reitse, Pim en Kei van Willem en Gerrit, enz. Die dit niet weet, moet Pibe wel houden voor eenen onverklaarbaren, geheel bijzonder Frieschen naam, die zijn weêrga bij andere Germaansche volken niet heeft. En zoo moet hij ook denken over dat zeer groote aantal Friesche namen, die reeds sedert eeuwen en eeuwen, en nog heden ten dage, onder ons in zwang zijn, en die, evenals Pibe, onder de Germaansche namen geheel op zich zelven schijnen te staan, geheel bijzonder Friesch schijnen te wezen. Toch is niets minder waar, dan dit. Honderden Friesche namen zijn eigenlijk slechts zulke vleivormen van volledige, algemeen Germaansche namen. (Zie bladzijde 211). Maar dit kan niet altijd en in alle gevallen met zekerheid worden aangetoond. Integendeel, het is veelal hoogst moeilijk om het bewijs daarvan te leveren, ja ondoenlijk, uit gebrek aan oude oorkonden en bescheiden, waar dit uit zoude kunnen blijken. Immers die vleivormen zijn reeds sedert eeuwen, velen reeds sedert 1000 jaren, in volle, geijkte gebruik; zij werden reeds in de vroege middeleeuwen, veelvuldig als zoodanig, en niet in hunne oorspronkelijke, volledige, onverbasterde vormen geschreven. Bij de Friezen kwam dit zeer menigvuldig voor, terwijl Sassen en Franken en andere den Friezen naverwante volken, in geschrifte, in den regel de volledige, onverbasterde namen hun recht gaven, ook al hadden ze, even als de Friezen, in het dagelijksche leven vleivormen van die volle namen in gebruik.

Ik heb eens eene oude oorkonde, een koopbrief, in het Friesch geschreven, en uit de 15de eeuw dagteekenende, in handen gehad en gelezen. Dat stuk begon alzoo: „Ick Wolbrecht Hayesin hlye end dwa cond mei dissen jenwirdigen breve, dat ic in caep jowen habbe”, enz. Verder op, in dezen koopbrief, noemt de schrijver, die zich in den aanvang voluit Wolbrecht, de zoon van Haye, had genoemd, zich eenvoudig en plat weg: Wobbe („Ic Wobbe voersein”). Wobbe geldt dus hier ontwijfelbaar voor den dagelijkschen noemnaam dezes mans Wolbrecht, en was ontwijfelbaar de vleivorm zijns naams, die hem nog van [253]moeders schoot af was bijgebleven. Wobbe was de naamsvorm, waarbij Wolbrecht dagelijks genoemd werd, en bij iedereen bekend was. Toch wist de man, dat zijn naam, in volledigen vorm eigenlijk Wolbrecht was, en zóó noemt hij zich dan ook te recht, in den aanvang van de voor hem gewichtige oorkonde, die hij schreef.


Evenals wij nu weten, dat de volledige naam Sybren (Sigbern) tot Pibe en ook (minder verbasterd) tot Sibe geworden is, en dat Wobbe (met den verkleinvorm Wobke, misschreven als Wopke) als vleivorm van Wolbrecht is afgeleid, zoo mogen wij met alle waarschijnlijkheid, schier met zekerheid stellen, dat de Friesche mansnaam Abbe zulk een vleivorm is van Albert (oudtijds voluit Adelbrecht, Athalbercht). En waar wij nu weten, dat de oorspronkelijke vorm Adelbrecht niet enkel tot Albrecht, Albert is geworden, maar (bij de oude Hollanders vooral) evenzeer tot Aalbert (Aelbrecht); waar ook de oorspronkelijke, volle naam Adelhart bij de Friezen zoowel tot Aldert als tot Aaldert is vervormd, daar mogen wij toch wel aannemen, dat ook Abe, zoowel als Abbe, een vleivorm is van Albert of Aalbert. Abbe nu en Abe behooren al tot de oudst bekende Friesche mansnamen. Zij komen, al de laatst verloopene acht eeuwen door, in verschillende schrijfwijzen of spellingen, in oude geschriften voor, hebben ook aan talrijke geslachtsnamen en plaatsnamen oorsprong gegeven, en leven nog heden onder ons. Dit alles wordt in mijne Friesche Naamlijst aangetoond.

Mij zelven is wel nooit, onder het Friesche volk, ter oore gekomen, dat een knaapke, als Albert gedoopt en ingeschreven, door zijne moeder, „uit lievigheid” Abbe (of Abke) werd genoemd (ofschoon dit zeer mogelijk is); maar wel hoorde ik dat eene Hollandsche moeder haar zoontje, Albert geheeten, liefkoozenderwijze Appi noemde, en dat hare andere kinderen hun broerke evenzóó heetten. Heden ten dage zal nu niemand in Holland den naam van dit kind ook als „Appischrijven. Maar de oude Friezen, in dezen hunnen schier al te nuchteren zin voor huiselijken eenvoud ook in het openbare leven, schreven wel Wobbe als de man voluit Wolbrecht heette, [254]of Pibe en Sibe voor Sybren, Wibe voor Wybren (Wigbern), Tjamme voor Tjadmer (Thiadmar), enz.


Dit een en ander is slechts eene vingerwijzing, slechts eene oppervlakkige aanduiding ter verklaring van zoo vele honderden bijzondere, bij de verwante Germaansche volkeren niet voorkomende Friesche namen—namen, die juist door hunne bijzonderheid, velen taalgeleerden navorschen, oudtijds en nog heden ten dage, zoo veel hoofdbrekens gekost hebben, en zoo menigmaal tot averechtsche beschouwingen aanleiding hebben gegeven, en die toch zoo eenvoudig en geleidelijk als vleivormen van volledige algemeen Germaansche namen ontleend zijn. [255]