Sedert eenige dagen lag er in het groote ziekenhuis in de Sloane Street te Londen op de algemeene mannenzaal een man, die niet weinig de belangstelling trok van het verplegend personeel.
Hij kon tusschen de vijfendertig en de veertig jaar zijn, en zijn bleek gelaat vertoonde de sporen van vroegere schoonheid, die echter voor een groot deel waren uitgewischt door een losbandig leven.
Hij had groote, donkere oogen, een rechten, aristocratischen neus en een klein, sierlijk kneveltje, waarvan de punten opwaarts gekruld waren, en dat hem aanstonds als een vreemdeling verried.
Wie hij was, kon niemand in het gasthuis zeggen.
Eens waren er een paar bezoekers gekomen, die hem als Brown hadden aangesproken—maar het was naderhand gebleken, dat de man dezen naam zeker niet kon dragen.
Hoe hij dan wel heette? Dat kwam men niet te weten.
Hij was, door messteken zwaar gewond, des nachts door een paar mannen naar het gasthuis gebracht, die verklaarden, dat zij den keurig gekleeden vreemdeling aldus op het trottoir hadden zien liggen, kermend en om hulp roepend.
Zij hadden geen verdere inlichtingen kunnen geven en waren aanstonds weder verdwenen, nadat de vreemdeling aan de veilige hoede van den geneesheer-directeur was overgebracht, die hem dadelijk naar de algemeene mannenzaal had laten brengen, waar nog een aantal bedden onbezet waren.
Men had zijn kleeren onderzocht, die van fijn laken waren vervaardigd, maar daarin niets gevonden dan een beurs, die eenige ponden sterling bevatte, een groot zakmes, zooals electriciens ze wel bij zich dragen en waaraan zich tevens een schroevendraaier, een boor en een kleine vijl bevinden, een zakdoek, gemerkt met de initialen B/S., waarboven een kroontje, een zilveren sigarettenkoker en nog eenige andere voorwerpen, die echter weinig licht konden verspreiden aangaande de ware identiteit van den gewonde.
Reeds den volgenden dag, nadat hij was binnengebracht, [2]had zich een zeer schoone jonge vrouw aangemeld die gesmeekt had bij den gewonde te worden toegelaten, maar die evenmin zijn naam had genoemd.
En daarna waren er na een kort tijdsverloop eenige dingen met den zwaargewonde voorgevallen, die er niet weinig toe bijdroegen, hem in een waas van geheimzinnigheid te hullen.
Den dag vóór dat ons verhaal een aanvang neemt, waren er laat op den avond twee mannen verschenen, die den zoogenaamden Brown wegens een zeer ernstige zaak verlangden te spreken.
Weliswaar was het reglementaire bezoekuur reeds lang verstreken, maar daar men niet wist of de gewonde in het leven zou blijven en de zaak werkelijk van groot gewicht scheen te zijn, zoo gaf men den laten bezoekers verlof, aan de sponde van den gewonden vreemdeling te treden.
Tijdens het gesprek riep Brown de hoofdverpleegster bij zich en verzocht haar dringend, aanstonds naar het hotel „Het vergulde Hert” te telefoneeren en daar na te vragen of een zekere miss Bispham daar nog aanwezig was.
De gewonde scheen in een toestand van groote opwinding te verkeeren en, zoo verklaarde de hoofdverpleegster later, scheen in koortsachtig ongeduld op antwoord te wachten.
Zij sprak echter niet met de vrouw, naar wie de gewonde vroeg, maar trof aan het andere einde van de lijn een detective, die haar dringend verzocht de twee late bezoekers aan de praat te houden totdat hij gekomen zou zijn om hen te arresteeren, daar zij stellig iets kwaads in den zin hadden.
Dit was slechts ten halve gelukt, want de twee bezoekers hadden, ondanks alle pogingen om hen met een zoet lijntje op de ziekenzaal te houden, reeds in de lift plaats genomen en hadden de vestibule reeds bereikt toen de politiebeambte met een helper aankwam en de twee mannen in verzekerde bewaring stelde.
Men had den vreemdeling aanstonds ondervraagd, maar deze scheen zeer onrustig en het was duidelijk, dat hij ontwijkend antwoordde.
Hij gaf voor, niet juist te weten, wat de beide bezoekers van hem wilden, maar dat zij gepoogd hadden, hem geld af te zetten, en verzocht zóó dringend hem met rust te laten, dat men aan dit verzoek gevolg gaf.
Hij had nog een kort gesprek onder vier oogen met den detective en vervolgens, blijkbaar een weinig gerust gesteld, was hij ingeslapen.
Maar de grootste verrassing zou de directeur van het ziekenhuis pas den volgenden morgen ervaren, want toen hij eens bij Scotland Yard informeerde, om te weten wat die twee geheimzinnige bezoekers, die in zijn inrichting gearresteerd waren, eigenlijk gewild hadden, moest hij vernemen, dat men op het hoofdbureau van politie volstrekt niets wist van die arrestatie! Het ziekenhuis lag in een wijk, waar nog eenige andere groote politiebureaux zich bevonden, en zoo werden ook deze opgebeld, maar zonder eenig resultaat—men wist daar niets van een arrestatie, en men had in het geheel geen detectives gezonden!
Daarop stelde de directeur natuurlijk de vraag of het geen particuliere detectives geweest konden zijn.
Het antwoord luidde bevestigend.
Maar dan moest toch nog de vraag beantwoord worden, waarom die beide detectives hunne gevangenen niet aanstonds hadden afgeleverd.
De directeur kreeg toezegging, dat er onderzoek zou worden gedaan naar deze geheimzinnige zaak en daarmee moest hij zich voorloopig tevreden stellen.
Wel trachtte hij den gewonden vreemdeling nog een en ander te ontlokken, maar deze bleef norsch zwijgen, en verklaarde, dat hij zich niet wilde uitlaten over zuiver particuliere aangelegenheden, die niemand iets aangingen.
De gewonde had een vrij rustigen nacht doorgebracht, maar zoodra het daglicht door de hooge vensters naar binnen kwam schijnen, dat wil zeggen, omstreeks acht uur in den morgen van een triestigen Novemberdag, begon hij zich heen en weder te werpen, ofschoon de hoofdverpleegster hem dringend had vermaand stil te liggen.
Blijkbaar werd hij verteerd door een onrust, die machtiger was dan zijn wil.
Hij keek telkens op de groote hangklok boven de groote deur en had reeds een paar malen gevraagd of er geen boodschappen voor hem waren gekomen.
Om half negen werd de hooge deur van de ziekenzaal opnieuw geopend en trad er een jonge verpleegster binnen, die even rondkeek en toen snel op de hoofdverpleegster, [3]die aan het einde van de zaal een lastigen zieke tot kalmte bracht, toeliep.
De gewonde had het jonge meisje met de oogen gevolgd en zag nu, hoe de beide vrouwen eenige woorden met elkander wisselden en daarbij den blik op hem gevestigd hielden.
Zijn hart begon met wilde slagen te bonzen—blijkbaar was dit korte gesprek voor hem van de grootste beteekenis.
De hoofdverpleegster kwam nu met snelle schreden langs het breede gangpad aanloopen, trad op zijn bed toe, en zeide op vriendelijken toon:
—Er is zooeven een telefonische boodschap voor u gekomen, mijnheer Brown. Men verzoekt ons, u mede te deelen, dat uw vriendin geheel buiten gevaar is en dat er goed voor haar gezorgd wordt! Zij zal u nog hedenmorgen komen bezoeken, vergezeld door haar vader!
Er had zich een lichte blos over het bleeke gelaat van den gewonde uitgestrekt, terwijl hij de hand van de hoofdverpleegster krampachtig omvat hield.
Hij zeide op heeschen toon:
—Ik dank u voor uw mededeeling, zuster, zij zal meer bijdragen tot mijn herstel dan al uw drankjes en pillen!
Hij liet zich met een zucht achterover in de kussens vallen en sloot de oogen. Maar als de hoofdverpleegster wat nauwkeuriger had toegeluisterd, had zij hem kunnen hooren mompelen:
—Haar vader? Wat heeft dat te beteekenen? Zou dat misschien.…..?
Hij scheen in nadenken te verzinken en sluimerde zachtjes weder in.
Hij werd pas vele uren later weder wakker, een uur ongeveer vóór de familieleden bij de zieken zouden worden toegelaten.
Maar juist toen hij wakker was geworden, trad de hoofdverpleegster opnieuw naar hem toe en zeide:
—Gij zult hier niet langer blijven liggen, mijnheer Brown. Zoodra het met het oog op uw toestand mogelijk is—dat wil zeggen over een paar dagen—zult gij naar het paviljoen vervoerd worden en daar een kamer voor u alleen krijgen. Uw vriendin heeft zooeven getelefoneerd, dat zij twee weken verplegingskosten vooruit zal betalen. Dat zal u wel bevallen, want gij zult het daar vrij wat prettiger krijgen.
—Ik wist wel, dat zij zoo iets doen zou! riep Brown uit, terwijl er een glimlach om zijn bloedelooze lippen speelde.
Nu lag hij weder alleen en voortdurend dwaalden zijn blikken af naar de groote klok.
Nog een kwartier—en het uur voor het reglementaire bezoek was aangebroken.
Maar juist ging de deur open, twee dragers droegen op een baar een nieuwen bewoner van de groote zaal binnen, die honderd twintig bedden telde, waarvan er honderd tien bezet waren.
Zij droegen de baar tot vóór een dezer bedden, waarbij de hoofdverpleegster hun den weg wees en tilden den zieke van de baar op het bed.
Daarop verwijderden zij zich weder met de draagbaar, en voor zoover zij zich bewegen konden, richtten alle zieken hun blikken nieuwsgierig in de richting van het zooeven bezette bed.
De man, die daar lag en die thans door een van de verpleegsters zorgvuldig werd toegedekt, had een zeer bleek gelaat en lag met wijdgeopende oogen naar de zoldering te staren.
Maar nu ging de deur opnieuw open en enkele bezoekers traden binnen.
Onder de eersten, die de ziekenzaal betraden, was een rijzige, jonge, schoone vrouw met een bleek gelaat en chic gekleed.
Naast haar liep een grijsaard met bijna spierwit haar, dat op den schedel reeds begon te dunnen, en in krullen op zijn schouders neerviel.
Een lange, witte, baard gaf hem een eerwaardig voorkomen.
Hij scheen een weinig gebrekkig te zijn en leunde op een zwaren wandelstok.
De jonge vrouw zag nauwelijks den geheimzinnigen Brown of zij bekommerde zich niet meer om den ouden man, snelde op het bed toe en liet er zich vóór op de knieën vallen, terwijl zij haar hoofd aan de borst van den gewonde vlijde.
Deze streelde zachtjes heur haar en fluisterde:
—Ik heb je dus weer, mijn lieveling! Je weet niet, wat ik geleden heb! Raffles heeft je dus weten te bevrijden? [4]
De jonge vrouw knikte, terwijl zij op haar beurt het haar van den gewonde zachtjes met haar lange witte vingers streelde.
—Alles is hem dus gelukt? vroeg Brown fluisterend. Waar is hij nu?
Zonder te antwoorden, wenkte de vrouw in de richting van de deur, waar de grijsaard kwam aanstrompelen.
—Is hij dat? Is dat John Raffles? vroeg de gewonde fluisterend, terwijl hij den grijsaard met groote oogen aanstaarde. Maar dat lijkt mij onmogelijk toe.
—Ook ik meende eerst mijn oogen niet te kunnen vertrouwen, Raoul, antwoordde de jonge vrouw fluisterend. Bij de vermommingskunst van dien man valt die van alle leden onzer bende volkomen in het niet!
De vrouw had zeer zachtjes gesproken en zij kon er nu zeker van zijn, dat niemand zou kunnen hooren wat zij zeide, daar twee bedden ter rechter zijde en één links van den gewonde onbezet waren.
De grijsaard was intusschen naderbij getreden en nam naast het bed van den gewonde plaats.
Hij boog zich over dezen heen en zeide zachtjes:
—Ik zie met genoegen, Beaupré, dat je toestand reeds vooruitgaande is! Ik heb Marthe Debussy hier heen willen vergezellen, omdat ik volstrekt niet zeker ben van haar veiligheid!
De gewonde had de hand van Raffles gegrepen—want hij was inderdaad de gentleman-inbreker, de Groote Onbekende—en drukte haar krachtig, terwijl hij zeide:
—Wij zijn vijanden geweest, John Raffles—en niemand kan zeggen, hoe wij in de toekomst tegenover elkander zullen komen te staan! Gij zijt een verklaard tegenstander van ons Genootschap, waartoe ook ik behoor, markies Beaupré de la Sardogne! Maar toch—nu zou ik onmogelijk van betere gevoelens jegens u vervuld kunnen zijn! Gij hebt haar—hier vestigden zich zijn oogen op de bleeke vrouw aan de andere zijde van het bed—uit de klauwen van mijn felsten vijand, Dr. Fox, gered. Ik ben er zeker van, dat dit met levensgevaar gepaard ging, want de chef van het Genootschap van den Gouden Sleutel is er de man niet naar, om iemand, die zich in zijn macht bevindt, en die de doodstraf te wachten staat, niet goed te laten bewaken!
—Ik beken, dat het niet bepaald een pleziertochtje was, hernam Raffles glimlachend, maar het geluk was aan onze zijde!
—Wilt ge mij niet zeggen, hoe alles gegaan is? vroeg Raoul Beaupré, dien wij nu hebben leeren kennen als een lid van een Parijsche dievenbende, die naar Londen was gekomen, om zich op te werpen als chef van het Genootschap van den Gouden Sleutel.
—Het is in een paar woorden verteld, antwoordde Raffles, ik ben hier als detective de schurken komen arresteeren, die u namens Fox het voorstel waren komen doen om de geheimen van uw bende te verraden, en tevens een eed te zweren, dat gij nooit meer een poging zoudt doen om naar het leiderschap van het Genootschap te streven, in ruil waarvoor zij u het leven van uw minnares beloofden, die zich aan verraad had schuldig gemaakt, en zich in handen van Dr. Fox bevond. Ik heb hen bewusteloos gemaakt met een geheim middel, waarvan ik alleen de samenstelling ken, en een vriend van mij en ik zelf hebben hun plaats ingenomen, nadat wij hun uiterlijk zoo goed mogelijk hebben nagebootst. De rest had niet veel meer te beteekenen—wij waren het wachtwoord te weten gekomen op een wijze, welke ik u liever niet zal mededeelen, en zoo viel het ons niet moeilijk, met nog een derden helper, die over buitengewone spierkracht beschikt, het dievenhol binnen te treden, waar uw vriendin gevangen werd gehouden. Wij schoten een paar bewakers overhoop—en onze makker brak de deur van de cel open, alsof het ’t deksel van een sigarenkistje was! Verdere bijzonderheden zal madame u later wel mededeelen!
Beaupré had verbaasd toegeluisterd, en hij vroeg zich nu af, over welke geheimzinnige macht deze man beschikte, dat hij kon slagen in een onderneming, waarbij ieder andere zou hebben gefaald.
Even heerschte er stilte en toen zeide Beaupré:
—Ik bewonder u! Het is waar, dat wij elkander bestreden hebben en het later nog wel zullen doen, maar wat gij gedaan hebt, grenst aan het wonderbaarlijke! Maar zooeven zeidet gij, dat Marthe zich nog steeds in gevaar bevindt! Waarom denkt gij dat?
—Zij wordt gevolgd! antwoordde Raffles eenvoudig. Fox heeft zijn spionnen in de buurt van het ziekenhuis opgesteld: ik heb een paar verdachte individuen hier zien rondzwerven. [5]
Er vertoonde zich een trek van grooten schrik en ongerustheid op het gelaat van den gewonde, en hij greep krampachtig de hand van zijn minnares.
—Ik voorzag zoo iets en daarom heb ik Marthe ook vergezeld! vervolgde Raffles. Ik verzeker u, dat zij geen gevaar loopt zoo lang mijn vrienden en ik toe zien! Zoodra gij als hersteld ontslagen bent, zult gij natuurlijk dadelijk onze taak overnemen.