Beaupré had de vuisten gebald, en heesch kwam het nu over zijn lippen:
—Laat Fox zich voor mij in acht nemen, zoodra ik van mijn ziekbed kan opstaan! Hij heeft mij in dezen toestand gebracht! In een stikdonker gemaakt vertrek hebben wij elkander met messen bestreden, maar de verraderlijke schurk had het vloerkleed gegrepen en dit om zijn linker arm en bovenlijf gewikkeld, waardoor hij veel beter beschermd was dan ik.
—Op die wijze hebt gij dus om de macht geduelleerd? vroeg Raffles.
—Ja—het was de wil der vergadering! antwoordde Beaupré.
Zij zwegen, daar de hoofdverpleegster op vriendelijk vermanenden toon zeide:
—Nog enkele minuten, miss, dan zal ik u moeten verzoeken om heen te gaan, want onze patiënt mag zich volstrekt niet te zeer inspannen!
—Wij beloven het u, zuster, zeide Marthe Debussy. Is er reeds gezorgd voor een afzonderlijk vertrek voor mijnheer?
—Het wordt morgen in orde gemaakt—hij mag niet vóór over een paar dagen vervoerd worden. De patiënt is zeer zwak, en iedere druppel bloedverlies meer, zou hem den dood kunnen brengen.
Zij keek Beaupré even peinzend aan en vervolgde toen:
—Hoe staat het toch met den naam van onzen patiënt? Wij willen natuurlijk volstrekt niet doordringen in uw particuliere aangelegenheden, maar wij moeten toch een naam opgeven.
Marthe Debussy wisselde een snellen blik met haar minnaar en antwoordde toen:
—Vult maar in: Pierre Dubois! Mijn vriend is genaturaliseerd Franschman.
De hoofdverpleegster had den naam genoteerd en vervolgde nu:
—Weet gij wel, dat er hier vreemde dingen zijn voorgevallen? Scotland Yard weet in het geheel niets af van de arrestatie, die hier gisternacht heeft plaats gehad. Gij zult toch wel van de zaak weten?
Het was een vrij lastige vraag!
Raffles moest natuurlijk verondersteld worden, volkomen onkundig te zijn—en slechts Marthe Debussy, wier naam de verpleegster trouwens niet kende, kon gevoegelijk een weinig op de hoogte zijn van het geval, daar de hoofdverpleegster namens haar minnaar naar haar had moeten informeeren.
Zij achtte het echter het verstandigste, na Raffles snel met den blik geraadpleegd te hebben, om zich van alles onkundig te houden, en zeide daarom:
—Heeft hier een arrestatie plaats gehad?
—Ja, miss, van twee mannen, die den patiënt hier waren komen bezoeken, naar de detective zeide, om geld af te zetten. Er waren twee particuliere detectives hier, maar Scotland Yard verklaarde, van de geheele zaak volstrekt niets af te weten.
Nu was Marthe door Raffles op de hoogte gesteld van de wijze, waarop hij de twee handlangers van Dr. Fox onschadelijk had weten te maken, en zij moest [6]dus comedie spelen, toen zij zoogenaamd verrast uitriep:
—Maar hoe is dat mogelijk?
—Dat vragen wij ons zelf ook af. Scotland Yard doet al grondig onderzoek en wij zullen al spoedig iets naders vernemen.
Op dit oogenblik kwam er een hulpverpleegster aan, die eenige woorden met de opzichteres wisselde.
Deze wendde zich tot het kleine groepje en zeide:
—Ik word daar juist door hoofdinspecteur Baxter aan de telefoon geroepen, nog een paar minuten, miss, dan zal ik u en mijnheer uw vader moeten wegzenden!
Zij knikte de bezoekers vriendelijk toe en volgde de hulpverpleegster naar een der telefooncellen van het groote gebouw.
Raffles en Beaupré hadden een eigenaardigen blik met elkander gewisseld, en nu sprak de laatste:
—Op iets dergelijks zult ge wel niet gerekend hebben.
—Ik vraag verschooning—ik wist natuurlijk integendeel zeer goed wat het gevolg zou zijn! Het moest natuurlijk uitkomen, dat de twee zoogenaamde detectives hunne gevangenen nooit hadden afgeleverd.
Raffles was reeds opgestaan en zeide nu tot zijn metgezellin:
—Wij moeten gaan, madame! Wij mogen uw vriend de zoo hoog noodige rust niet onthouden.
—Zult gij goed voor haar zorgen? vroeg Beaupré, terwijl hij Raffles nogmaals de hand toestak. Bedenk, dat zij alles voor mij is, en dat ik niets anders op de wereld heb om lief te hebben!
—Ik beloof u, dat ik zooveel als in mijn vermogen is, voor haar zal waken!
Marthe Debussy boog zich over den gewonde en drukte hem een kus op het voorhoofd. De twee geliefden wisselden fluisterend eenige innige woorden, en daarop richtten de beide bezoekers zich naar de deur, nadat Marthe beloofd had zoo spoedig, mogelijk te zullen terug komen, en hem het adres had toegefluisterd, waar hij zou kunnen schrijven of telefoneeren.
Eenige oogenblikken later hadden Raffles en de vrouw, die op zulk een eigenaardige wijze tot zijn tijdelijke beschermelinge was geworden, het gasthuis verlaten.
Als zij slechts eenige minuten langer waren gebleven, hadden zij getuige kunnen zijn van een merkwaardig voorval.
De hoofdverpleegster trad weder binnen, liep met snelle stappen, en een trek van ongerustheid op het gelaat, naar het bed, waar zooeven de nieuwe patiënt was neergelegd, en bekeek hem nauwkeurig.
Toen sloeg zij de handen van verbazing ineen en riep:
—Het is zoo! Het gelaat van dien man kwam mij al aanstonds zoo bekend voor! Het is een van de twee mannen, die hier gisternacht zijn geweest, om Dubois te bezoeken!
Onwillekeurig had de hoofdverpleegster de woorden zoo luid uitgesproken, dat Beaupré ze duidelijk had verstaan.
Hij wendde het hoofd met een ruk naar de zijde van het bed, waar de nieuwe patiënt lag, en trachtte zijn gelaatstrekken te zien.
Juist trad de verpleegster even ter zijde.
Beaupré had moeite, een kreet te weerhouden—daar lag, met wijdopen oogen, maar blijkbaar volkomen bewusteloos, een lid van de Bende der Raven, die weder een onderdeel vormde van het gevaarlijke Genootschap van den Gouden Sleutel, waartoe ook de Fransche markies behoorde!
Het was een van de beide bandieten, die hem gisteravond onder een valsch voorgeven hadden bezocht, teneinde hem te bewegen, de geheimen zijner eigen bende te verraden, in ruil voor het leven zijner minnares, en te zweren, dat hij nimmer weder als mededinger van Dr. Fox zou optreden!
Maar hoe kwam die man hier?
Raffles had hem toch zooeven medegedeeld, dat hij die twee kerels, na hen zoogenaamd te hebben gearresteerd, bewusteloos had gemaakt, en hij zou toch wel zoo verstandig geweest zijn, dit niet op den openbaren weg te doen?
Hoe was het mogelijk, dat die man nog altijd bewusteloos was, en dat geen der doctoren nog naar hem was komen zien?
Hij zou spoediger antwoord op die vraag krijgen dan hij wel vermoedde, en wel uit den mond van de hoofdverpleegster zelve, een praatgrage dame, die volstrekt niet kon denken, dat Beaupré deel uitmaakte van een dievenbende, en meende, dat hij inderdaad het slachtoffer [7]van een laaghartige poging tot afzetterij was geweest—hetgeen in zekeren zin ook de waarheid was!
Zij had het bed van den bewustelooze verlaten en trad nu snel op dat van Beaupré toe.
Toen zij zag, dat hij klaar wakker en blijkbaar volkomen bij zijn positieven was, begon zij:
—Nu moet ik u toch iets heel bijzonders mededeelen, mijnheer Dubois! Gij weet, dat ik zooeven aan de telefoon werd geroepen. Wie denkt gij wel, dat er aan het andere einde van de lijn was?
Beaupré meende wel ongeveer te kunnen zeggen, wie dat was, maar hij wachtte er zich wel voor, zijn vermoedens te uiten.
Hij haalde de schouders op en zeide glimlachend, wat hem moeilijk genoeg viel, daar hij begon te begrijpen, dat hij zich in groot gevaar zou bevinden, zoodra de man daarginds uit zijn bewusteloosheid zou ontwaken, en zou inzien dat zijn loopbaan der misdaad beëindigd was, zoodat er geen reden meer was, den Franschen bendechef, die reeds lang door de Parijsche politie gezocht werd, nog langer te ontzien en hem dus stellig zou verraden:
—Hoe kan ik dat weten, miss?
—De politie!
Beaupré had dit antwoord verwacht, maar toch liep er een zenuwachtige rilling over zijn bleek gelaat, welke hij niet geheel en al had kunnen bedwingen.
—De politie? vroeg hij. Zeker in verband met het bezoek dier beide kerels, die mij geld wilden afdreigen?
—Juist! Gij zult er van opzien, wat er met hen geschied is! Ik moet u zeggen, dat ik er niets van begrijp—maar de detective, dien wij hier verwachten zal wel licht in de duisternis brengen! Hij kan over een kwartier hier zijn!
Dat was een alles behalve aangename mededeeling voor den Franschman!
Wel hoopte hij, dat zijn gelaat, zooals het nu was, niet meer zou overeenkomen met het signalement, dat ongeveer drie jaar geleden door de Parijsche politie was gezonden aan alle groote politiebureaux over de geheele wereld, vooral omdat hij zijn fraaien, blonden baard uit dien tijd had afgeschoren, maar hij was daar verre van zeker van.
Hij wist zich echter te beheerschen en vroeg vrij kalm, alsof de zaak hem eigenlijk niet al te veel belang inboezemde:
—Wat is er dan eigenlijk gebeurd, miss?
—Dat zal ik u zeggen! Het staat nu wel vast, dat de twee rechercheurs, die hier gisteren de twee schavuiten in de vestibule van dit gebouw hebben gearresteerd, in het geheel niet tot de politie behoorden, en ook geen particuliere detectives waren!
—Dat is niet te gelooven! riep Beaupré met goed gespeelde verwondering.
—En toch is het de waarheid, riep de hoofdverpleegster zegevierend uit, alsof zij zelve een rol in dit geheimzinnige drama had vervuld. Die zoogenaamde detectives waren bedriegers, en zij hebben de twee mannen, die u hier zijn komen lastig vallen, ontvoerd!
—Maar met welk doel? riep Beaupré uit, die eens wilde zien wat de politie wel, en wat zij niet wist.
—Ja, het doel—dat is juist het ongehoorde! antwoordde de hoofdverpleegster. Dat begrijpt niemand! Maar het staat vast, dat hier een misdrijf gepleegd is, dat niet geheel kon worden volvoerd. Ik zal u nu zeggen, hoe de politie dit alles weet!
De praatzieke dame was op haar gemak gaan zitten en vervolgde, terwijl Beaupré als het ware aan haar lippen hing:
—De vier mannen zijn hier voor de deur in een huurauto gestapt en wij meenden natuurlijk niets anders of de gewaande detectives zouden hunne arrestanten rechtstreeksch naar Scotland Yard brengen. Er geschiedde echter iets geheel anders met de twee mannen die hier zijn geweest! De beide bedriegers hadden hen op de een of andere wijze—hoe, dat weten de geneesheeren nog niet—bewusteloos gemaakt, en toen de auto stil stond, hebben zij hen naar een onbewoond huis aan de Bishop Street gebracht, en daar opgesloten. Maar nu komt het mooie! De chauffeur, die hen gereden had, was nieuwsgierig uitgevallen! Hij had een buitengewoon hooge fooi gekregen, om zoo snel mogelijk te rijden, en dat droeg er niet toe bij, hem te kalmeeren, dat begrijpt gij wel!
—Ik begrijp het volkomen, miss! antwoordde de Fransche Markies, die brandde van ongeduld om de rest van het verhaal te hooren.
—Hij had duidelijk gezien, dat de twee mannen die hem besteld hadden de beide anderen onder den arm [8]hadden moeten nemen, en dat die er al heel gek uitzagen met hun wijd geopende oogen, die echter niets schenen te zien, en hun automatische bewegingen! Hij kon niet begrijpen, wat die mannen in dat huis gingen uitvoeren, en omdat hij, zooals gezegd, heel nieuwsgierig was—zoo reed hij niet weg, maar plaatste zijn auto om een hoek van een dwarsstraat en stelde zich verdekt op in een donker portiek!
—En.…..? vroeg Beaupré ademloos.
—Na een half uur kwamen er twee mannen uit het huis—en dat waren de lieden, die geboeid waren binnengeleid! Maar van boeien was niets te bekennen en zij liepen ook volkomen recht en natuurlijk! Zij schenen groote haast te hebben en riepen een auto aan, die juist voorbij reed. En de chauffeur was zoo overbluft, dat de wagen al uit het gezicht was, voor hij er aan dacht hen met zijn eigen auto te volgen!
—Merkwaardig! mompelde Beaupré, om iets te zeggen, maar hij was zeer verschrikt door dezen loop der zaken, waarvan Raffles nog niet het minste vermoeden scheen te hebben!
—Daar de chauffeur de twee mannen toch niet meer kon achterhalen, besloot hij de politie te waarschuwen, en die op de hoogte te brengen van het zonderlinge voorval, waarvan hij zooeven getuige was geweest. Het duurde eenigen tijd voor er een aantal agenten onder bevel van een inspecteur ter plaatse waren en de dag begon al aan te breken toen men eindelijk de buitendeur openbrak, daar er op het herhaaldelijk schellen niet werd opengedaan en de chauffeur pertinent volhield, dat er zich nog twee personen in het huis moesten bevinden. En wat denkt gij wel, dat de agenten vonden?
—De twee rechercheurs? vroeg Beaupré onnoozel.
—Wel neen! antwoordde de hoofdverpleegster ongeduldig. Die waren al lang weg! Zij vonden daar de twee mannen die hier waren geweest, geboeid en wel, bewusteloos op een groot bed liggen!
—Dat is kras! bromde de Franschman.
—Niet waar? riep de verhaalster uit. Men deed alles, om de beide mannen uit hun zonderlinge bewusteloosheid te doen ontwaken, maar vruchteloos! Toen werd er een dokter bijgehaald—en toen nog een, maar met hen beiden slaagden zij al evenmin! Zij moesten verklaren hier voor een raadsel te staan! Zij beproefden alle bekende opwekkende middelen, maar zij hadden dit evengoed met poppen kunnen doen! Daarop werd besloten de twee mannen naar een gasthuis te doen overbrengen! Een hunner ligt daar drie bedden van u af!
—Daar staat mijn verstand bij stil! riep Beaupré uit, ofschoon hij de geheele zaak volkomen begreep. En waar is de andere?
—In de groote operatiezaal. De geneesheeren zijn op dit oogenblik bezig allerlei middelen te beproeven om hem tot bewustzijn te brengen.
—En.….. lukt het? vroeg Beaupré snel, terwijl hij de verpleegster met zijn groote, zwarte oogen vorschend aankeek.
—Neen! Hij ligt daar nog even stil en schijnbaar levenloos, ofschoon het lichaam warm is, als toen hij hier werd binnen gebracht.
Beiden zwegen en eindelijk vroeg de hoofdverpleegster:
—Kunt gij u in het geheel niet voorstellen wat dit alles te beteekenen heeft en in welke verhouding die twee zoogenaamde detectives met de mannen stonden, die u hier gisterenavond zijn komen bezoeken?
—Neen, zeide Beaupré onvervaard, ofschoon hij het zich maar al te goed kon voorstellen!
—Maar die twee bezoekers van gisteren—die kent gij toch wel?
—Slechts vluchtig, miss!
De hoofdverpleegster wilde nog iets zeggen, toen de deur geopend werd en er een man met een krachtigen lichaamsbouw, ofschoon niet zeer groot, met een vierkant, schrander gelaat, waarin twee donkergrijze, energieke oogen schitterden, de ziekenzaal binnentrad.
Die man was James Sullivan, een der bekwaamste detectives van Scotland Yard, die reeds eenige malen had deelgenomen aan de jacht op den Grooten Onbekende, en tot zijn felste vijanden gerekend mocht worden.
Hij bleef eenige oogenblikken op den drempel staan en trok de dichte, zwarte wenkbrauwen samen, toen hij de hoofdverpleegster zoo druk in gesprek zag met den gewonde. [9]
Toen trad hij snel op het bed toe en zeide tamelijk kortaf:
—Vergun mij een oogenblik, zuster.….. Dit is zeker de man, die hier gisterenavond door messteken zwaar gewond werd binnen gebracht?
—Ja, mijnheer! antwoordde de hoofdverpleegster.
Sullivan trok haar een weinig terzijde en vroeg op zachten toon, zoodat de zieke hem niet zou kunnen verstaan:
—Hebt gij dien man alles medegedeeld, wat u zooeven per telefoon is gezegd?
—Ja, mijnheer! antwoordde de zuster aarzelend, en een weinig schuldbewust, toen zij de ernstige, grijze oogen zoo strak op zich gevestigd zag.
—Dat doet mij leed! hernam Sullivan en hij klemde de lippen opeen.
—Ik wist niet, dat ik er verkeerd aan deed, stamelde de hoofdverpleegster. Wie is die man dan?
—Dat weet ik niet, maar hij speelt toch in dit alles een vrij dubbelzinnige rol en het ware beter geweest, als gij hem onkundig hadt gehouden van wat wij zoo pas ontdekt hebben! Nu, er is niets meer aan te doen—en ik zou u nu wel gaarne verzoeken mij den man eenige vragen te laten stellen. Hij schijnt sterk genoeg te zijn, om een kort verhoor te kunnen ondergaan!
—Een verhoor! herhaalde de hoofdverpleegster verschrikt. Maar wat vermoedt gij dan eigenlijk, mijnheer?
—Dat kan ik nu nog niet zeggen, miss! antwoordde Sullivan kortaf. Gij kunt er trouwens bij tegenwoordig zijn, en goed opletten, of de man zich zelf wellicht tegenspreekt!
De detective trad nu op het bed toe, zag den gewonde strak aan en begon:
—Ik ben detective van Scotland Yard en aan mij is de taak opgedragen onderzoek te doen, naar het geheimzinnig voorval, dat zich deels in dit ziekenhuis, deels … ergens anders heeft afgespeeld en waarin gij eveneens een rol hebt gespeeld, misschien ondanks uzelf! Hoe is uw naam?
Het was een moeilijk oogenblik voor den Franschen Markies.
Hij kende den detective van aangezicht zeer goed en wist wie hij was—een der beste speurneuzen van de politie der Engelsche hoofdstad.
Maar Sullivan herkende hem niet—dat was duidelijk—en dat was in ieder geval een goede troef!
De bandiet dwong zich dus tot zoo groot mogelijke kalmte en antwoordde:
—Mijn naam is Dubois—Pierre Dubois! Ik ben Franschman, als Engelschman genaturaliseerd.
—Woont gij hier dan al lang?
—Sedert een aantal jaren!
—Men zou naar uw adressen kunnen informeeren?
Dat was een vraag waarop de Franschman niet gerekend had! Want inderdaad was hij pas drie jaren in Engeland, en daarvan had hij nog eenige maanden in de Fransche hoofdstad doorgebracht, als chef eener bende!
Toch antwoordde hij onverschrokken:
—Dat spreekt vanzelf—ofschoon ik mij al die adressen niet al te goed meer herinner! Ik heb in dozijnen pensions gewoond!
—Ja—dat kan ik mij begrijpen! antwoordde Sullivan droogjes. Men heeft mij medegedeeld, mijnheer Dubois, dat gij hier zijt binnengebracht, zwaar gewond door messteken. Zoudt gij mij willen zeggen hoe gij aan die wonden gekomen zijt?
—Heel eenvoudig—ik ben op straat aangerand!
—Kunt gij het dan verklaren, hoe het komt, dat men u niets ontstolen heeft? Uw beurs, horloge, uw zilveren sigarettenkoker zijn allen op uw persoon gevonden!
Een ander zou door die vraag misschien in verwarring zijn gebracht, maar niet aldus Beaupré!
Hij had zich nu hersteld en was vastbesloten zijn incognito tot het uiterste te verdedigen.
En zoo antwoordde hij rustig:
—Ik vermoed, dat de straatroovers, die mij hebben overvallen, door de nadering van agenten op de vlucht zijn gedreven voor zij gevolg hadden kunnen geven aan hun voornemen mij te berooven.
—Maar gij zijt niet door agenten gevonden!
—Dan hebben zij het zich eenvoudig verbeeld en waren het burgers die naderden en die mij gevonden hebben! Gij moet mij de opmerking ten goede houden, mijnheer, maar dit begint veel te gelijken op een verhoor! Mag ik weten, wat gij eigenlijk denkt of vermoedt? [10]
Sullivan beet zich op de lippen en scheen een oogenblik met zijn houding verlegen.
Hij wantrouwde dezen man, dat was zeker, maar redenen, deugdelijke redenen zou hij daarvoor niet kunnen opgeven.
En zoo zeide hij met een lichte buiging:
—Ik denk er niet aan u een verhoor af te nemen, mijnheer Dubois! Ik wilde slechts eenige inlichtingen uit uw mond vernemen, die mij wellicht van nut kunnen zijn, bij mijn verdere naspeuringen in deze duistere zaak! Daarbij wilt gij mij toch zeker wel helpen?
—Ongetwijfeld! Als dit slechts in mijn vermogen is! Vraag vrij uit!
—Als gij mij dit toestaat dan zou ik u willen vragen: wie waren de twee mannen, die u gisteravond kwamen bezoeken en wat wilden zij van u?
—Het zijn twee schurken, die iets uit mijn verleden weten, waarvan de openbaarmaking mij groot nadeel zou kunnen berokkenen en daaruit willen zij munt slaan! antwoordde Beaupré brutaal, ofschoon hij zijn hart voelde kloppen bij het stellen van deze gevaarlijke vraag. Hun namen wensch ik om begrijpelijke redenen niet te noemen.
—Maar dan hebben die mannen zich aan een strafbare zaak schuldig gemaakt! riep Sullivan uit. En als gij een aanklacht in dient, kunnen wij hen vervolgen wegens poging tot afpersing! Dat kunnen wij slechts dan doen, als het slachtoffer zelf een klacht bij het parket indient!
—Misschien zal ik dat later ook wel doen, mijnheer! antwoordde Beaupré. Als ik maar eerst dit ziekenhuis verlaten heb!
Sullivan haalde de schouders op.
—Uw stilzwijgen maakt onze taak niet gemakkelijker! zeide hij. Er heeft hier een geheimzinnige gebeurtenis plaats gehad, waarin die twee mannen een gewichtige rol vervullen. En het onderzoek naar de identiteit van de beide gewaande detectives, die hen zijn komen arresteeren—met een doel, dat ons volkomen onverklaarbaar is—zou ons heel wat lichter worden gemaakt, als wij wisten, wie zij zijn!
—Wacht, tot zij uit hun bewusteloosheid ontwaakt zijn, kwam Beaupré kortaf. Dan zullen zij wel spreken!
Hij had het stoutmoedig gezegd—maar bij zich zelf overwoog hij, dat het voor hem wel eens zeer onaangename gevolgen zou kunnen hebben, als de schurken inderdaad begonnen te spreken!
—Dat is ook juist een der meest verrassende zijden van deze gansche geschiedenis! riep Sullivan uit. Geen der geneesheeren weet te zeggen, welke eigenaardige verdooving de twee mannen heeft aangegrepen!
Beaupré bromde iets onverstaanbaars in zich zelf, maar hij antwoordde niet.
Sullivan wierp nogmaals een verstolen, onderzoekenden blik op den gewonde, en hernam toen:
—Ik wil u thans niet langer lastig vallen, want gij zult wel rust behoeven. Later echter hoop ik u nogmaals eenige vragen te mogen stellen.
Hij knikte Beaupré toe en stapte vervolgens op het bed toe waar de bewustelooze ter neder lag.
Eenigen tijd keek hij onafgebroken naar het witte gelaat met de wijd geopende oogen en toen schudde hij het hoofd en haalde de schouders op.
—Ik begrijp er niets van! mompelde hij. Het lichaam is blijkbaar warm en volstrekt niet stijf—het heeft niet weinig van schijndood!
Juist op dit oogenblik ging de deur open en traden twee geneesheeren binnen. [11]