De beide doktoren waren in een druk gesprek met elkander verdiept en begaven zich dadelijk naar het bed van den bewusteloozen man.
Sullivan maakte dadelijk bescheiden plaats voor hen en bleef een weinig op een afstand staan.
Wat Beaupré betreft—hij voelde zijn hart in zijn keel kloppen, want als deze geneesheeren er werkelijk eens in slaagden om den man weder tot bewustzijn te brengen, dan liep zijn vrijheid groot gevaar!
Want de man daarginds zou zeker wel vastgehouden worden—het zou spoedig uitkomen wie hij werkelijk was—en dan zou hij den Markies zeker in het ongeluk willen meeslepen, en diens waren identiteit verraden.
Een der geneesheeren trad naast het hoofdeinde van het bed en trok een der oogleden omlaag.
Even bleef het lid in dien zelfden toestand, maar toen schoof het uit zich zelf langzaam weder naar boven.
De geneesheer lichtte een arm op en liet hem weder vallen, tastte den pols, opende den mond, niet zonder moeite, en legde een thermometer onder de tong van den bewustelooze.
Na eenigen tijd trok hij het instrument weder terug en raadpleegde het.
Hij schudde het hoofd, maakte een wanhopig gebaar en zeide op zachten toon tot zijn collega:
—Normale bloedwarmte—iets meer dan zeven en dertig graden—de pols een weinig langzaam—maar toch zoo goed als normaal! Geene reflexbeweging—en een geringe verlamming van de oogspieren—die blijkbaar slechts van tijdelijken aard is! Volkomen dezelfde verschijnselen als bij den anderen man. Ik herken het volmondig—ik sta hier voor een raadsel!
—Hebt gij reeds van alles geprobeerd? vroeg de andere geneesheer.
—Van alles! Onderhuidsche injecties, met een zoutoplossing, morphine inspuiting, insnijdingen in de voetzool—waarbij ik er op wil wijzen, dat er geen druppel bloed te voorschijn kwam—electrische bestraling, cocaïne, cognac, het hielp alles niets! Ik zou zeggen dat wij hier te doen hebben met atropie van de gevoelszenuwen, een tijdelijke stilstand van het zintuigelijk waarnemingsvermogen, maar waardoor dat teweeg is gebracht, en hoe wij het kunnen doen eindigen, dat is mij een raadsel!
—Hoelang zouden lieden zich reeds in dezen toestand bevinden?
—Op dit oogenblik bijna een half etmaal!
Nu trad Sullivan naderbij, stelde zich voor en zeide:
—Ik zou het bijzonder op prijs stellen, als ik u een vraag zou mogen doen!
—Vraag slechts mijnheer—maar ik vrees, dat ik u wel niet zal kunnen antwoorden, antwoordde de geneesheer die zooeven den patiënt onderzocht had.
—Acht gij het mogelijk dat deze man zich uit zich zelf bewogen heeft?
De wenkbrauwen van den geneesheer gingen de hoogte in en als een antwoord daarop antwoordde hij glimlachend met een kwalijk verborgen medelijden van den vakman voor den leek:
—Dat is volkomen buiten gesloten!
—Maar hoe verklaart gij het dan, dat deze twee lieden zelf uit een auto zijn gestapt en een huis zijn binnen gegaan?
—Dat verklaar ik niet, mijnheer—dat ontken ik—antwoordde de geneesheer kortaf. Dat is onmogelijk! Als er getuigen zijn die verklaren dat zij dit gedaan hebben, dan kunnen zij niet in de auto bewusteloos zijn gemaakt, maar dan moet dit in dat huis geschied zijn!
—Ik dank u voor uwe bereidwilligheid om mij te antwoorden, maar ik ben niet voldaan, antwoordde Sullivan. [12]
—Waarom niet? als ik vragen mag, hernam de geneesheer een weinig uit de hoogte.
—Omdat ik mij niet kan voorstellen hoe die beide mannen zonder eenigen tegenstand te bieden, of tenminste hun verbazing te uiten, dat donkere, onbewoonde huis in de Bishop Street binnen gingen! Zij moesten immers verwacht hebben naar Scotland Yard of naar een Huis van Bewaring te worden overgebracht?
De geneesheer gaf niet aanstonds antwoord, maar stond met gefronst voorhoofd stil, terwijl hij zenuwachtig met de vingers op zijn rug friemelde.
Toen antwoordde hij een weinig gemelijk:
—Ik kan u op die vraag geen antwoord geven, mijnheer—dat zijn politiezaken. Wel kan ik u echter zeggen dat er geen sprake van is dat deze man of zijn metgezel zich zouden hebben kunnen bewegen.
Sullivan haalde vluchtig de schouders op en zeide:
—Als dat uw vaste overtuiging is—dan moet ik mij daar natuurlijk wel bij neerleggen. Maar het maakt voor mij de zaak des te raadselachtiger.
Beaupré had het geheele gesprek, ofschoon het op tamelijk zachten toon gevoerd was, gehoord, en hij was door zijn hoop en vrees heen en weer geschommeld.
Nu waren zijn twee doodsvijanden nog bewusteloos, maar wie weet hoe lang dat zou duren?
Zij konden weder ieder oogenblik tot het leven terugkeeren—met al de gevolgen daarvan.
De Franschman zag nu hoe de beide geneesheeren zich verwijderden, na nogmaals een blik op den bewustelooze geworpen te hebben en het volgende oogenblik waren zij weg, door Sullivan op den voet gevolgd.
—Ik moet Marthe waarschuwen! mompelde Beaupré zacht. Zij moet John Raffles op de hoogte brengen. Hij is de eenige die mij kan helpen! Als die man daarginds spreekt ben ik verloren—en Raffles was de man die hem bewusteloos heeft gemaakt en hij is dus waarschijnlijk de eenige die hem weder tot het bewustzijn kan terugroepen. Hij moet hen hier trachten weg te voeren, voor het te laat is.
En nu begonnen de hersens van den Franschen markies met koortsachtige haast te werken.
Hij overwoog alle mogelijkheden, en ten slotte meende hij de eenvoudigste oplossing te hebben gevonden. Hij zou zich houden alsof zijn toestand plotseling zeer verergerde, en dan zou men zeker niet weigeren Marthe aanstonds bij hem te laten komen.
Beaupré gaf aanstonds gevolg aan zijn voornemen!
Hij begon te kreunen, wentelde het hoofd van links naar rechts over zijn kussen en het duurde niet lang of een der verpleegsters kwam toeloopen, boog zich over hem heen, en vroeg:
—Hebt gij erge pijn?
—Vreeselijk, zuster! antwoordde Beaupré. Ik geloof dat het met mij ten einde loopt.
—Maar uw toestand was van morgen redelijk, riep de zuster verschrikt uit. Ik zal aanstonds de hoofdverpleegster roepen.
Deze werd gehaald en kwam haastig op het bed van den gewonde toeloopen.
Nu was deze inderdaad een weinig uitgeput, door het langdurig en opwindend gesprek, gevolgd door het verhoor van Sullivan en de vrees voor zijn vrijheid had het zweet met fijne druppeltjes op zijn slapen doen parelen.
Hij stak een bevende hand naar de hoofdverpleegster uit en zeide op heeschen toon:
—Ik geloof dat het met mij mis loopt! Ik smeek u aanstonds mijn vriendin te laten halen!
—Gij ziet werkelijk heel bleek, zeide de verpleegster verschrikt.
Zij legde den zieke den thermometer aan en bemerkte dat hij hooge koorts had.
Een oogenblik stond zij in beraad, en toen nam zij een besluit en zeide:
—Geef mij het adres van uw vriendin—ik zal haar laten halen, maar gij moogt volstrekt niet langer dan vijf minuten met haar spreken.
—Dat beloof ik u, Miss—vijf minuten zijn voldoende om afscheid van haar te nemen,—kwam de Fransche Markies op dramatischen toon.
Hij noemde een afgelegen straat in een der Noordelijkste wijken van Londen, een oogenblik later was er een telegram aan het adres van Marthe Debussy gezonden.
Met koortsachtig ongeduld wachtte Beaupré de komst af van zijn minnares en zijn vrees en ongerustheid deden hem veel zieker schijnen dan hij inderdaad was.
Onophoudelijk wendde hij zijn blik naar den bewustelooze, vreezend hem eensklaps te zien ontwaken. [13]
Het zou niet veel helpen, als hij zich onder de dekens verborg, want „Big Billy”, zoo was de naam van den bewustelooze, wist zeer goed wie er in dat bed lag!
Er verliepen twee bange uren—en toen werd de deur opengeworpen en trad Marthe Debussy doodelijk verschrikt binnen.
Het telegram had haar zeer ontsteld en zij meende niet anders of zij zou haar minnaar stervende vinden.
Zij snelde op het bed van Beaupré toe, maar deze stelde haar onmiddellijk met eenige gefluisterde woorden gerust, en hernam daarop iets luider opdat de verpleegster hem zou kunnen verstaan:
—Ik meende zooeven mijn einde te voelen naderen—en ik wilde je nog eens zien voor ik stierf! Wij hebben slechts vijf minuten!
De verpleegster verwijderde zich bescheiden, en nu volgde Beaupré zachtjes:
—„Big Billy” is in deze zelfde zaal gebracht—hij ligt drie bedden van mij af—kijk aanstonds eens voorzichtig!
Marthe Debussy kon met moeite een kreet van schrik weerhouden, want ook zij had aanstonds het gevaar begrepen!
Zij kende Big Billy maar al te goed en zij wist dat hij geen medelijden zou kennen, als hij zelf gearresteerd werd—hij zou trouwens overtuigd zijn, zijn vriend Dr. Fox een grooten dienst te bewijzen als hij den Franschen markies, diens mededinger, in het verderf stortte!
Zij keek even schichtig in de aangeduide richting en zeide toen fluisterend:
—Ja—hij is het!
—Luister dan goed, Marthe! Raffles is nu nog onze vriend—jij bent een vrouw en ik ben thans machteloos! Hij is een gentleman—en hij zal het zijn plicht achten mij te redden, nu ik hier hulpeloos ter neder lig; al ware het slechts omdat hij in mij later een bruikbaren bondgenoot tegen Fox denkt te vinden!
Zeg hem aanstonds hoe de zaken hier staan en verzoek hem al het mogelijke te doen om Big Billy hier te verwijderen.
—Maar dat is onmogelijk! fluisterde de jonge vrouw verschrikt.
—Voor Raffles is niets onmogelijk, hernam Beaupré. Zeg hem slechts wie hier ligt en ik ben zeker dat hij een middel zal weten te vinden, om hem zonder zelf gevaar te loopen, te verwijderen.
—Ik zal het doen, omdat het jouw veiligheid geldt, maar ik vrees dat dit boven zijn macht gaat!
—Neen, ik ben volkomen gerust nu, hernam de Franschman. Zeg mij eens, Marthe—ben je nu niet gevolgd?
—Neen—Raffles heeft er voor gezorgd dat zij ons spoor bijster zijn geraakt.
Hij heeft mij trouwens zelf vergezeld, hij wacht in een klein wijnhuis hier tegenover.
—Zooveel te beter. Zeg hem aanstonds maar wat ik je zooeven heb medegedeeld! Ik zou geen seconde gerust kunnen ademhalen voor die twee kerels verwijderd zijn.
Marthe durfde haar minnaar niet teleurstellen, maar zij zelf wanhoopte aan het welslagen van iedere poging om de twee schurken in hun tegenwoordigen toestand uit het gasthuis weg te krijgen—noch met geweld—noch met list.
En daardoor gaf zij slechts blijk dat zij John Raffles nog niet kende.…..
Zij nam weder afscheid van Beaupré, na aan de hoofdverpleegster het adres van een klein hotel in de onmiddellijke nabijheid van het ziekenhuis te hebben opgegeven, waar zij nadere berichten omtrent den toestand van den gewonde zou afwachten.
Beaupré was er door al deze opwindende gebeurtenissen zeker niet op vooruit gegaan, en hij liet zich nu uitgeput doodsbleek in de kussens vallen.
Lukte het plan niet, werden de bewusteloozen hier wakker, dan wachtte hem een gevangenisstraf van tenminste twintig jaren!
Intusschen ging het leven in het ziekenhuis zijn geregelde gang. Nu en dan werden er zieken binnengebracht, tweemaal werden er een paar mannen weggehaald om naar de operatiezaal te worden vervoerd, en slechts een hunner werd, wit als het laken dat hem bedekte, weder binnengebracht.
De andere was tijdens de operatie bezweken en voorgoed van alle pijnen en smarten verlost.
Het was omstreeks vier uur in den middag en reeds was overal het licht aangestoken, toen de hooge gangdeur weder openging en een hulpverpleegster snel naar het tafeltje liep waar de opzichteres bezig was haar [14]staten bij te houden, waarop de toestand van alle zieken in de zaal nauwkeurig vermeld werd.
Zij sprak haastig eenige woorden met haar en verwijderde zich toen weder.
De hoofdverpleegster wierp haar pen neder, deed haar morsmouwen af en liep haastig in de richting van de deur, die op hetzelfde oogenblik weder geopend werd. Er traden vier mannen binnen. De directeur van het ziekenhuis, Dr. Hudson, de beide geneesheeren die zooeven aan het bed van Big Billy hadden gestaan, Greenway en Bushgrave geheeten, en tenslotte een rijzig man, met een fraaien, maar gitzwarten baard, glanzend zwart hoofdhaar, prachtig geteekende wenkbrauwen en oogen, die half schuil gingen achter een gouden bril met ronde, lichtblauw getinte glazen.
Hij was in lange zwarte jas gekleed en bewoog zich deftig en afgemeten.
In de linkerhand had hij een kleine tasch van geel leder, tegelijk met zijn zwarten slappen vilthoed.
Hij liep regelrecht op de hoofdverpleegster toe die het groepje verwonderd had aangestaard en zeide met een sterk buitenlandsch accent:
—Vergeef mij, Miss, dat een vreemdeling de stille rust komt storen van de ziekenzaal die aan uw hoede is toevertrouwd. Ik ben geneesheer, specialiteit in zielsziekten en mijn naam is Edouard Dumoulin.
—De beroemde Parijsche psychiater! riep de hoofdverpleegster uit, verrast en verheugd door deze onverwachte kennismaking met een man, die een wereldreputatie genoot op het gebied der zielsziekten.
—U bewijst mij te veel eer, Miss! antwoordde de Parijsche geneesheer met een hoffelijke buiging. Gij zult misschien weten, dat ik sedert een week hier te Londen vertoef in verband met een studiereis tot vermeerdering van mijn materiaal, voor een groot werk over de aanstekelijke zielsziekten.
—Ja, dokter, dat is mij bekend! antwoordde de hoofdverpleegster.
—Dan zult gij wellicht ook begrijpen met welk een bijzondere belangstelling ik hedenmiddag op het hoofdbureau van politie heb kennis genomen van twee bijzondere gevallen van cataleptie—want ik vermoed reeds bij voorbaat dat het wel iets dergelijks zal zijn! Ik bevond mij daar met toestemming van mijnheer Baxter, om eenige gevangenen te bestudeeren aan wier verantwoordelijkheidsgevoel men meende te mogen twijfelen. Een detective—Sullivan was meen ik de naam—bracht daar het bericht dat hier twee zulke gevallen zijn, en ik zou niets liever willen dan een poging te doen, die beide mannen weder tot bewustzijn te brengen!
De hoofdverpleegster keek Dr. Hudson vragend aan, die glimlachend met het hoofd knikte en toen zeide:
—Het spreekt van zelf, zuster, dat ik onzen hooggeachten collega onmiddellijk toestemming heb gegeven, om zijn belangwekkende proef te doen. Wij behoeven er geen doekjes om te winden dat wij zelven hier voor een raadselachtig geval staan! Laten wij maar eerlijk zijn—het is ons volkomen duister!
—Waar ligt onze man? vroeg Dr. Dumoulin, terwijl hij onderzoekend langs de bedden keek.
—Wees zoo goed mij te volgen, waarde collega, zeide Dr. Hudson, en daarop bracht hij den Franschen psychiater tot vóór het bed van Big Billy.
Het was nu zoo stil in de groote zaal, dat men een speld kon hooren vallen, en de zieken, voor zoover zij het geval hadden kunnen waarnemen en volgen, keken met gespannen verbazing toe, ook Beaupré.
Het groepje der vier geneesheeren stond nu voor het bed en Dumoulin bekeek met de grootste aandacht het strakke witte gelaat, terwijl hij langzaam met zijn welverzorgde witte hand over zijn gitzwarten baard streek.
Er verliepen bijna vijf minuten zonder dat er eenig geluid vernomen werd en toen sprak de Fransche geneesheer:
—Zeer merkwaardig! Waar is de tweede man als ik vragen mag?
—In de kleine zaal naast de operatiekamer, antwoordde Dr. Greenway.
—Ik zou hen gaarne eens naast elkander zien, om te vergelijken, hernam Dr. Dumoulin. Maar dat is van later zorg, laten wij maar eens dezen man hier onderzoeken.
Hij trad naast het bed, legde zijn hand op het hart van Big Billy, luisterde naar den hartklop, voelde hem den pols, haalde toen een oogspiegel te voorschijn die hij op zijn voorhoofd bevestigde, en bekeek aandachtig de oogen van den bewustelooze.
Bewegingloos en met ingehouden adem stonden de [15]drie geneesheeren en de hoofdverpleegster om het bed geschaard.
Dr. Dumoulin opende nu zijn geel lederen tasch, en nam er een kleine trousse uit, hetwelk een aantal chirurgische instrumenten bleek te bevatten.
Hij nam er een zeer fijn lancet uit, en gaf er een kleine snede mede in het voorhoofd van Big Billy.
De snede was vrij diep, maar er kwam geen druppel bloed te voorschijn—het was alsof het lancet in was had gesneden!
Dr. Dumoulin richtte zich op, steunde de handen in de zijde, borg de instrumenten langzaam weder weg en weer gleed de gespierde hand over den fraaien zwarten baard.
Hij verschoof zijn bril eens, kuchte eenige malen, en wendde zich toen tot Greenway met de vraag:
—Wat denkt gij er wel van, waarde heer collega?
De aangesprokene scheen tot de aarde terug te komen en antwoordde toen:
—Ik geloof atropie van de gevoelszenuwen, en tijdelijke verlamming van het spierstelsel te moeten diagnosticeeren.
—En gij, hooggeachte collega? zoo wendde de Fransche psychiater zich tot Dr. Bushgrave.
—Ik ben het met deze diagnose eens—maar ik geloof eerder aan een soort hypertropie van de bloedvaten, gepaard gaande met een eigenaardige spierverlamming—die in het geheel gelijkt op de verstijving, zooals wij die bijvoorbeeld bij vallende ziekten zien.
Dr. Dumoulin had glimlachend toegeluisterd, eenigszins voorover gebukt—en de groote glazen van zijn gouden bril fonkelden in het licht.
—Dus—gij zijt overtuigd dat deze man zich niet zou kunnen bewegen?
—Maar daar is immers geen sprake van, riep dokter Hudson verbaasd uit.
—Dat is volkomen buitengesloten, riepen Greenway en Bushgrave tegelijk uit.
—Meent gij? vroeg Dr. Dumoulin langzaam. Welnu—dan vergist gij u! Deze man kan zich zeer goed bewegen!
De drie Engelsche geneesheeren keken den Franschman met een ongelooflijken blik aan en Dr. Greenway fronste lichtelijk de wenkbrauwen.
—Verschoon mij, waarde collega—maar dat komt mij ongelooflijk voor! Als dat waar was—hoe komt het dan, dat die man daar zich in het geheel niet verroerd heeft, sedert de vijftien uren dat hij hier ligt?
—Omdat het hem niet gevraagd is! antwoordde de Franschman op rustigen toon.
Alsof de drie geneesheeren het afgesproken hadden, deden zij een stap achteruit en keken den beroemden psychiater aan, alsof zij vreesden dat hij eensklaps het verstand verloren had.
Toen stamelde Dr. Bushgrave:
—Steekt gij den draak met ons, collega? Wat gij daar zegt klinkt als een sprookje! Gij zegt dat die man zich kan bewegen, en dat hij het alleen niet gedaan heeft omdat het hem niet gevraagd is? Maar dan zou hij moeten hooren!
—Dat doet hij ook! zeide Dr. Dumoulin kalm.
—Hij zou moeten zien!
—Dat doet hij ook!
—Hij zou moeten kunnen denken—in het kort, hij zou als een normaal mensch moeten zijn!
—Dat is hij ook! Hij ziet en hoort wat wij hier zeggen—hij denkt—maar hij zal alles vergeten zijn zoodra hij wakker wordt!
—Maar de bewijzen, geachte collega! riep Dr. Hudson opgewonden uit. Wij willen u zeer gaarne gelooven, maar.…..
—Maar neemt gaarne iets op gezag aan! vulde de psychiater den zin aan. Gij vraagt om bewijzen, welnu—gij zult ze hebben!
Dr. Dumoulin had zijn plaats aan het hoofdeinde verlaten en ging voor het voeteinde van het bed staan.
De drie geneesheeren en de hoofdverpleegster waren zeer bleek, en Bushgrave vertelde later, dat hij op zijn beenen trilde van de zenuwen.
In het vertrek was niets anders te hooren dan het eentonig tikken van de klok, en in die stilte viel de bevelende stem van den Franschen geneesheer:
—Sta op!
De bewustelooze man, zonder dat er een spier op zijn gelaat vertrok, rees langzaam overeind, wierp zijn dekens van zich af, bracht langzaam zijn beenen buiten het bed—en stond toen stil bewegingloos, bleek als een doode naast zijn sponde.
Zijn oogen schenen niets te zien, en er flikkerde een zonderling licht in—geheel anders dan in de oogen [16]van menschen die volkomen bij hun positieven zijn.
De drie geneesheeren waren heel wat gewend, maar deze spookachtige opstanding deed hen verstomd staan, en wat de hoofdverpleegster betreft, zij was een vrouw, en dit verschijnsel, dat zoo geheel onverwacht kwam, was bijna meer dan hare zenuwen verdragen konden.
Weer klonk de bevelende stem van den geneesheer:
—Hoort ge mij? Zoo ja, knik dan bevestigend.
Langzaam ging het hoofd een paar maal op en neer.
—Trek uw kleeren aan!
Met automatische bewegingen, als een reusachtige pop of als een slaapwandelaar, trok Big Billy zijn kleederen aan, die in een klein kastje terzijde van zijn bed waren neergelegd.
Binnen enkele minuten was hij gekleed.
—Het is ongelooflijk! stamelde Dr. Hudson. Ik ben veertig jaren geneesheer—maar zoo iets is mij in mijn praktijk nog nimmer voorgekomen.
—Zoo gaat het mij ook, zeide Dr. Greenway, die geen oog van den man afhield die zooeven nog onbewegelijk ter neder had gelegen.
—Als ik het niet zelf gezien had, merkte Dr. Bushgrave op, zou ik het nimmer hebben willen gelooven. Zeg mij eens—Dr. Dumoulin—zou hij niet antwoorden als men hem iets vroeg?
—Neen—spreken is het eenige wat hij nog niet kan! De stembanden worden het sterkst aangetast bij dergelijke toestanden van schijnbare verlamming. Maar laat mij nu mijn proefneming voortzetten, als ik u verzoeken mag,—ik wil eens zien, hoever ik dezen man kan krijgen. Ik wil hem eens bij zijn makker zien te brengen, als gij het goed vindt.
—Dat is een voortreffelijk plan, collega, zeide Dr. Hudson. Ik ben zeer benieuwd of het u bij den anderen bewustelooze ook zal gelukken.
Dr. Dumoulin keek Big Billy weder strak aan en beval:
—Ga deze zaal uit en naar de kleine kamer, naast de operatiezaal!
Onmiddellijk schreed Big Billy met vaste schreden maar zonder dat er iets aan hem bewoog, behalve zijn beenen, over het breede gangpad naar de deur, opende ze, daalde de breede trap af, stak de vestibule over, en opende opnieuw een deur.
Alle anderen waren hem gevolgd, geheel onder den indruk van dit zonderlinge voorval en nu stonden zij voor de ijzeren krib waarop het lichaam van een tweeden man onbewegelijk lag uitgestrekt.
Dr. Dumoulin begon nu opnieuw met zijn proefnemingen, en ook deze slaagde volkomen.
Binnen vijf minuten was de man in de kleederen!
—Dat is het verwonderlijkste, wat ik nog ooit gezien heb! riep Dr. Hudson uit, maar zeg eens, waarde dokter—gij hebt dit nu bewerkt, maar zoudt gij nu geen kans zien om de twee mannen te wekken?
De Fransche psychiater dacht even na en zei toen:
—Misschien! De middelen daartoe heb ik in mijn hotel—en tevens een installatie, welke ik helaas niet kan overbrengen! Wij zullen eens zien, wat dat middel uitwerkt! Hij wendde zich tot de beide bewustelooze mannen, die onbewegelijk als beelden in het vertrek stonden en beval:
—Volg mij!
Hij schreed door de vestibule, opende de breede deur, daalde de paar treden van het terras af, en liep op een auto toe, achter welks stuurwiel een reusachtige chauffeur gezeten was.
De motor bromde zachtjes.
Dr. Dumoulin trok het portier open, en zeide bevelend:
—Stap in!
De twee bewustelooze mannen volgden dadelijk het bevel op en stapten in de auto.
Dr. Dumoulin zette zijn voet op de treeplank, wendde zich nog eens tot Dr. Hudson om, en zeide, met een zonderlingen glimlach om zijn baardige lippen:
—Misschien keeren wij wel niet terug—maak u dan niet ongerust over ons! Ik dank u zeer voor deze bijzonder belangwekkende proefneming!
Dr. Hudson wilde nog wat zeggen, maar reeds klapte het portier dicht en de auto schoof vooruit en was een seconde later in de duisternis verdwenen.…..
De drie geneesheeren keken elkander aan en op hun gelaat spiegelden zich zeer gemengde gewaarwordingen af! [17]