[Inhoud]

HOOFDSTUK IV.

Het verhoor van Big Billy.

De auto, waarin Raffles—want men zal wel begrepen hebben dat de gewaande Dr. Edouard Dumoulin de gentleman-inbreker was—met de beide bewustelooze mannen gezeten was, reed in pijlsnelle vaart de Sloane Street uit en zocht de noordelijke wijken van Londen op.

—Dat is prachtig gegaan! mompelde Raffles glimlachend, mijnheeren collega’s zijn er heerlijk in geloopen! En nu zullen wij eens zien wat wij uit deze beide heeren kunnen halen.

Henderson, de chauffeur, die den wagen bestuurde, scheen zijn instructies te hebben gekregen, en stuurde zijn auto met onfeilbare zekerheid dwars door de drukke straten van Londen, tot hij den wagen eindelijk liet stilstaan voor een klein afgelegen huis in een nieuwe straat, waarvan nog slechts een gering gedeelte was volgebouwd en dat Raffles pas na zijn terugkomst uit Amerika had gehuurd.

Raffles opende het portier, en beval de beide bewustelooze mannen, om uit te stappen en hem te volgen.

Met dezelfde automatische bewegingen, welke zij in het ziekenhuis vertoond hadden, stapten Big Billy en zijn makker achtereenvolgens uit de auto.

Raffles had de deur reeds geopend, en gaf Henderson op zachten toon eenige bevelen.

Daarop viel de deur weder op slot.

Nauwelijks was dit geschied, of achter in de vestibule ging een deur open, en Charly Brand, de trouwe vriend van den Grooten Onbekende, trad Raffles tegemoet.

—Je bent dus geslaagd! riep hij uit. Ik kan mijn oogen bijna niet gelooven.

—Ikzelf heb niet gedacht dat het zoo goed zou gaan, antwoordde Raffles glimlachend, maar de geneesheeren slikten alles als zoete koek, en zeiden op alles ja en amen! Het is waar dat zij overbluft waren, door wat zij te zien kregen, dat ik reeds met mijn twee vrienden hier in de auto was gestapt voor zij van hun verwondering bekomen waren en een vraag hadden kunnen stellen die mij misschien in verlegenheid zou hebben gebracht—bijvoorbeeld om de proefneming te staken, en deze schurken nu maar weer naar hun bedden terug te brengen.

—Wat ben je eigenlijk voornemens met hen te doen?

—Ik wil hen ondervragen!

—Maar hebben de geneesheeren dat niet gedaan, riep Charly verschrikt uit.

—Daar heb ik wel voor gewaakt. Zij vroegen, of ik hen ook niet op een vraag kon laten antwoorden, en ik haastte mij te antwoorden, dat hun stembanden geheel verlamd waren.

—Maar dan heeft dat eigenlijk van een toeval afgehangen, of de toestand, waarin die twee mannen verkeerden ontdekt werd, riep Charly uit.

Raffles haalde de schouders op.

—Dat had dan al een zeer groot toeval moeten zijn. Welke geneesheer zou het nu in zijn hersens kunnen krijgen om een volmaakt bewusteloos persoon een vraag te stellen?

—Je hebt gelijk! Dat zou wel wat vreemd geweest zijn.

Intusschen waren de beide bandieten als zoutpilaren precies op dezelfde plek blijven staan, waar Raffles hen bevolen had.

Raffles bedacht zich even, en wendde zich toen tot Charly met de vraag:

—Marthe Debussy is toch nog altijd in het kleine hotel tegenover het ziekenhuis?

—Ja, zij zou daar blijven tot een van ons zelf haar daar komt halen.

—Hebt ge haar op het hart gedrukt, dat ze zeer voorzichtig moest zijn?

—Ik heb haar zelf naar de groote conversatiezaal [18]geleid, waar het den heelen dag zeer druk is, en waar zij dus volkomen veilig mag worden geacht. Trouwens men heeft ons niet gevolgd; het schijnt dat de schurken ons spoor bijster zijn.

—Daar zullen wij maar niet al te vast op rekenen, hernam Raffles droogjes, en nu zullen wij eens zien, wat Big Billy ons heeft mee te deelen.

Hij wendde zich tot den bandiet en beval:

—Ga die kamer daarginds binnen.

Aanstonds gehoorzaamde Big Billy, en bleef midden in het schaars gemeubelde vertrek stokstijf staan, juist als een soldaat die op nadere bevelen wacht.

—Wat moet er nu met dien andere gebeuren? Kan die man niet ontijdig ontwaken?

—Onmogelijk, maar je kunt hem voor alle veiligheid in den kelder opsluiten.

—Weet hij misschien nog meer dan Big Billy?

—Neen! De man daar in de kamer is een vertrouwd luitenant van een der bendehoofden, en hij zal van de naaste ondernemingen beter op de hoogte zijn dan zijn metgezel.

En nu aan het werk!

Charly sloot den bandiet, die in de vestibule was achtergebleven, vlug in een ledig vertrek op, deed de deur op slot, en voegde zich toen weder bij Raffles, die Big Billy reeds gelast had tegenover hem in een grooten stoel plaats te nemen.

—Weet je nu wel zeker, Edward, begon Charly, die nog altijd met de grootste verbazing vervuld was over het zonderlinge verschijnsel hetwelk hij had aanschouwd, dat die kerel je zal antwoorden?

—Heel zeker, Charly.

—Maar zal hij je naar waarheid antwoorden?

—Hij zou niet anders kunnen, al zou hij willen, antwoordde Raffles. Ja, mijn jongen, zoo vervolgde hij glimlachend, toen hij den blik van ongeloof in de oogen van den jongen man zag, er zijn meer dingen tusschen hemel en aarde, dan waarvan uw schoonste wijsheid heeft gedroomd, zooals het in „Hamlet” heet, de wil is tijdelijk uit deze beide mannen verdwenen, zij moeten volkomen naar waarheid antwoorden, juist zooals de feiten zich hebben toegedragen, eenvoudig omdat zij niet zouden kunnen liegen: dit komt je vreemd voor, en het is toch alles welbeschouwd zeer eenvoudig, thans echter ontbreekt het mij aan den tijd om je dit nader uiteen te zetten.

Hij boog zich naar Big Billy voorover, keek hem aan, en vroeg:

—Gij verstaat mij immers goed?

—Zeer goed.

—Hoe is uw naam?

—Ik heet William Brush.

—Zijt gij lid van een dievenbende?

—Ja.

—Hoe heet zij?

—De Bende der Raven.

Raffles wendde zich tot Charly, en zeide op zachten toon:

—Je ziet, dat de man zonder eenige aarzeling antwoordt; hij behoeft zich ook niet te bedenken, want zijn antwoorden gaan buiten zijn normaal denkvermogen om, zijn stem is slechts het medium tusschen een hoogere macht, die hem dwingt te spreken en de zuivere waarheid te zeggen.

Hij keerde zich nu weder tot den bandiet en vervolgde:

—Kent gij Dr. Fox?

—Ja.

—Waar is zijn verblijfplaats?

—Dat kan ik u niet zeggen, ik weet het niet.

Charly haalde even de schouders op, maar Raffles zeide op vermanenden toon:

—Je schijnt nog altijd niet geheel overtuigd te zijn, beste kerel, en toch, als deze man zegt dat hij het niet weet, dan weet hij het ook werkelijk niet. Dat is ook zeer natuurlijk, want Fox moet uiterst voorzichtig zijn en waarschijnlijk weten niet meer dan twee of drie zijner meest vertrouwde vrienden waar hij woont en misschien weet niemand het.

Raffles wendde zich nu weder tot Big Billy en hernam:

—Zijt gij op de hoogte van de eerstvolgende ondernemingen van den meester?

—Ja.

—Noem ze op.

—Een inbraak bij Sir Roger Maxwell, een overval van een filiaal van de Bank van Engeland in Norwich, ontvoeren van de dochter van den minister van koloniën, [19]met het doel, haar vader een groot bedrag af te zetten. Meer weet ik niet.

—Men kan wel zien, dat Dr. Fox zoo juist uit New-York is teruggekeerd en daar in de leer is geweest bij Buster Finn, den chef van de bende van het Kwade Oog. Die hield er ook dergelijke praktijken op na, mompelde Raffles op verachtelijken toon, nu, ik zal daar een stokje voor steken.

Hij keek Big Billy aandachtig aan, en vroeg:

—Wat is de eerste onderneming?

—De inbraak bij Maxwell.

—Wanneer zal die plaats vinden?

—Morgennacht.

—Hoe laat?

—Omstreeks twee uur.

—Zal Dr. Fox er zelf aan deel nemen?

—Ja.

—Hoeveel man neemt hij mee?

—Vijf of zes.

—Zoudt gij zelf ook hebben meegedaan?

—Ja.

—En uw makker?

—Ook hij.

—Hoe heet hij?

—Jim Hayman.

—Had hij geen bijnaam?

—Ja, „Bittere Pil!”

Raffles keek Charly glimlachend aan en hernam:

—Hoe komt hij aan dien eigenaardigen bijnaam?

—Omdat het woord hem in den mond bestorven is. Hij noemt alles een bittere pil, als hij eens gearresteerd wordt, of een messteek in een gevecht oploopt, of door zijn minnares met een eind hout op het hoofd geslagen wordt.…..

Raffles bleef een oogenblik in gedachten verzonken zitten.

Het was duidelijk, dat zijn vlugge geest een plan beraamde.

Hij stond op, liep eenige malen het vertrek op en neer, en nam Big Billy met aandacht op.

Toen zeide hij op zachten toon tot Charly:

—De kerel is groot en zwaargebouwd, desnoods zou Henderson voor hem kunnen doorgaan als hij schoenen zonder hakken aantrekt—en jij hebt wel een weinig van dien heer met zijn zonderlingen bijnaam.

—Maar die man heeft bruine oogen! riep Charly uit.

—Dat is zoo, hernam Raffles peinzend. De omwisseling zou dus pas op het laatste oogenblik kunnen plaats hebben.

—Ik wilde wel een opmerking maken, Edward.

—Laat eens hooren!

—Nog vanavond en op zijn laatst morgenochtend zullen de bladen vol staan over deze zaak, want het spreekt vanzelf dat men daar in het ziekenhuis het bedrog spoedig genoeg ontdekt zal hebben en men zal den Franschen geneesheer Dumoulin opbellen, die hier inderdaad sedert een week vertoeft, en men zal zoodoende te weten komen, dat hier bedrog heeft plaats gehad.

—Welnu, wat zou dat?

—Wat dat zou. Fox leest toch ook bladen. Hij zal aanstonds zijn combinatie maken, en wel begrijpen, dat jij hier achter zit.

—Ik herhaal: Wat zou dat?

—Wel, wij zullen niets kunnen doen. Fox zal op zijn hoede zijn, en als wij daar in de plaats van de beide bewustelooze mannen komen aanzetten, dan zal hij ons zeer grondig aan den tand voelen. Hij zal zich namelijk afvragen, waarom John Raffles zijn beide mannen Big Billy en „Bittere Pil” niet dadelijk aan de politie heeft overgeleverd, zooals hij reeds dozijnen van zijn beste mannen heeft gedaan.

Raffles antwoordde niet dadelijk, maar verzonk opnieuw in nadenken.

Toen sprak hij:

—Het is waar, tot op zekere hoogte heb je gelijk. Fox zal zich afvragen, hoe wij zoo eensklaps weder in vrijheid komen, als wij in de huid van Big Billy en „Bittere Pil” sluipen zal hij ons een aantal vragen stellen, die ons in groote verlegenheid brengen en als het antwoord niet naar zijn zin uitviel, zou hij zich waarschijnlijk geen oogenblik bedenken, en ons naar de andere wereld helpen; er zijn in den vloer van het dievenhol eenige luiken, boven een ondergrondschen zijtak van de Theems, en wie weet hoevele ongelukkige slachtoffers daar reeds door zijn geworpen.

—Nu, ik vind, dat wij ons dan maar niet aan de mogelijkheid moesten blootstellen, meende Charly. [20]Het zou in ieder geval een hoogst gewaagde onderneming zijn.

—Maar wat dan? riep Raffles uit. Ik wil volstrekt van de partij zijn bij die inbraak! Sir Maxwell is er juist de man naar om te bestelen, alleen kan ik niet toestaan, dat een ander het doet en zeker niet een man als Fox. Ik zou dus gaarne twee vliegen in één klap willen slaan: de brandkast van Sir Maxwell eens van binnen bezien en tevens mijn vijand verslaan.

—Bedenk dan iets anders! riep Charly uit. Iets minder gevaarlijks.

Raffles dacht nog even na, en scheen toen een besluit te hebben genomen.

Hij stond voor Big Billy stil, en zeide:

—Wij zullen ons van je moeten ontdoen, vriend. Ben je er verheugd om?

—Ja, kwam het antwoord, maar er vertrok geen spier op het bleeke gelaat van den bandiet.

—Dan ben je een weinig te haastig met je blijdschap geweest, mijn vriend, hernam Raffles met een kort lachje, want je zult regelrecht naar Scotland Yard wandelen, jij en je makker.

Het is zeer waarschijnlijk, dat deze opmerking een hoogst onaangename uitwerking had op den bandiet, maar daar viel op zijn gelaat volstrekt niets van te bemerken.

Het bleef als uit steen gehouwen, en zelfs de wimpers trilden niet.

—Je zult hen toch niet in dien toestand naar het hoofdbureau van politie brengen? vroeg Charly.

—Neen, antwoordde Raffles, dat zou voor hen niet alleen hoogst onaangenaam zijn, daar zij mijn tusschenkomst volstrekt noodig hebben, om hen uit dezen toestand te verlossen, maar het zou voor mij hoogst gevaarlijk zijn, ik moet hen nu een kleine inspuiting geven met een soort tegengift en eenige minuten later komen zij tot bewustzijn. Ik zou deze kleine operatie moeten verrichten en als ik mijn tijd niet juist afmeet, zou dat zeer onaangename gevolgen kunnen hebben, neen, ik weet er wel iets anders op, het kan nog een aardige grap worden.