[Inhoud]

HOOFDSTUK V.

Het plan wordt uitgewerkt.

Charly keek Raffles met een onzekeren blik aan.

Hij kende deze grappen van Raffles en hij wist dat ze niet steeds even gevaarloos waren.

Wat wil je doen? vroeg hij.

—Dat zul je aanstonds zien, antwoordde Raffles. Hij raadpleegde zijn horloge en vervolgde:

—Ik zal mij eerst ontdoen van dezen prachtigen zwarten baard, want het zal nu wel op alle politiebureaux bekend zijn, dat iemand anders de rol van Dr. Dumoulin op zich heeft genomen. Het is nu zeven uur, en het wordt tijd om te dineeren. Houd hier dezen schelm eenige oogenblikken gezelschap, totdat ik mij verkleed heb.

Raffles verliet het vertrek, legde in een kleine slaapkamer zijn vermomming af, stak zich in den zwarten rok, en verscheen eenige minuten later als een deftig provinciaal weder in de kamer, waar Charly geduldig wachtte.

—Ik ben zoo vrij geweest, Edward, mij den wachtenstijd een weinig te korten door den schurk nog eenige vragen te stellen.

—Hij heeft je natuurlijk geantwoord.

—Zonder een oogenblik te aarzelen.

—En ben je nog iets bijzonders te weten gekomen?

—Ik weet het wachtwoord voor de inbraak bij Maxwell, en ik weet, dat er pogingen in het werk zullen [21]worden gesteld door vrienden van Fox om Beaupré de la Sardogne eenvoudig uit den weg te ruimen, zoodat hij het den meester nooit meer kan lastig maken.

—Zoo iets had ik wel verwacht! hernam Raffles, en wanneer denken de bandieten dat plan ten uitvoer te brengen?

—Dat wist Big Billy niet nauwkeurig te zeggen, maar liever vandaag dan morgen.

Raffles had met gefronste wenkbrauwen toegeluisterd. Dan verkeert die man in levensgevaar; de ellendelingen zouden zich niet ontzien, zelfs een zwaargewonde te vermoorden. Wij moeten een oog in het zeil houden, Charly. Zeker, Beaupré is geen vriend van mij, en wie weet hoe wij later tegenover elkander zullen komen te staan. Maar ik geef de hoop niet op, dat hij nog eens een bondgenoot in den strijd tegen Fox wordt, en bovendien heb ik zijn minnares mijn woord gegeven, dat ik hem zou beschermen.

—Dat is alles heel mooi, Edward, zeide Charly zachtjes, maar je vergeet een ding, veronderstel dat je met de hulp van Beaupré Dr. Fox kunt verslaan, dan zal deze eenvoudig plaats moeten maken voor den Franschen markies, en wat hebt je dan gewonnen? Dat is immers lood om oud ijzer.

—Toch niet geheel en al, mijn jongen, kwam Raffles glimlachend. Ik houd dien Beaupré voor een misdadiger, maar niet voor een moordenaar. Fox daarentegen is een ondier, een bloeddorstige schurk, die voor niets terugdeinst, en ten slotte zou niets mij kunnen weerhouden om Beaupré te bestrijden, zooals ik het Dr. Fox heb gedaan, zoo lang totdat er een einde is gemaakt aan het bestaan van dit afschuwelijke, bloedige genootschap.

Er heerschte eenige oogenblikken stilzwijgen in het vertrek, en daarop hernam Raffles:

—En laten wij nu eens met onze onwelkome bezoekers vertrekken.

—Waar ga je dan heen? vroeg Charly verbaasd.

—Naar het Restaurant van Temple Bar.

—Om wat te doen in ’s hemelsnaam? riep Charly verschrikt uit.

—Te drommel, om er te gaan dineeren; mijn maag begint te jeuken, antwoordde Raffles.

—Met deze twee heeren?

—Welzeker! antwoordde Raffles glimlachend.

—Maar je wilde hen hoe eerder hoe liever kwijt zijn.

—Dat ben ik ook van plan, maar eerst zullen wij wat eten. Want ik reken er natuurlijk op, dat je mij vergezelt.

—Dat wil ik graag. Als je mij maar zegt, wat ik te doen heb.

—O, het is heel gemakkelijk. Wij zullen daar dineeren en de politie wordt gewaarschuwd, dat zij, laat ons zeggen, precies om half negen verschijnt. Jij wijst haar de twee schelmen aan en de rest kun je wel aan mij over laten.

—Als de politie dan maar niet denkt, dat jij bij hen behoort.

—Dat zal zij niet, want ik zelf zal de man zijn, die hen heeft aangegeven. Ik ben een eenvoudig provinciaal, die in handen van kwartjesvinders is gevallen en zet nu je hoed op. Wij zullen hier nog wel een paar hoofddeksels en een behoorlijke das en boord voor die schooiers hebben.

Deze kleedingstukken waren spoedig gehaald en de beide bandieten kregen bevel, ze aan te trekken.

Eindelijk was men gereed, en Henderson kwam met de auto aanrijden om het gezelschap naar het restaurant van Temple Bar te brengen.

Daar gekomen namen Raffles en Charly ieder een van de schelmen voor hun rekening en bevalen hen op zachten toon, hen te volgen.

En het was wel een zonderlinge optocht, die daar door de dichtbezette restauratiezaal schreed, op zoek naar een onbezet tafeltje.

Voorop de beide zoogenaamde provincialen in hun slechtzittenden rok en met een onnoozel verschrikt gezicht de weelde om hen heen in oogenschouw nemend en daarachter de twee mannen in hun eenvoudige zwarte jas, die zich als automaten voortbewogen, met de oogen onbewegelijk op den rug van hun metgezellen gericht.

Een kellner, die nauwelijks een glimlach kon weerhouden, geleidde het viertal naar een zoo juist verlaten tafeltje schuin tegenover den ingang.

Telkens fluisterden Raffles en Charly den twee bandieten hunne bevelen in:

—Zet uw hoed af … doe uw jas uit … ga zitten.…..

Het viertal had vrij wat bekijks, maar daar stoorden [22]de zoogenaamde provincialen zich niet aan en de twee bandieten eerst recht niet! Die schenen in het geheel niets te zien en aten alsof zij speelgoedpoppen waren, waarvan het mechaniek zooeven was opgewonden.

Raffles liet zich het eten voortreffelijk smaken, maar Charly was tamelijk zenuwachtig.

Voor hem stond het nog niet vast, dat alles zóó zou gaan, als zijn vriend het zich had voorgesteld.

Raffles wierp van tijd tot tijd een blik op zijn horloge, en om eenige minuten voor negenen gaf hij Charly een wenk, die zich verwijderde en bij de deur postvatte.

Zoodra hij daar stond, haalde Raffles een klein étui uit zijn zak, opende het, en nam er een zeer klein injectie-spuitje uit, dat reeds met een heldergroene vloeistof gevuld was.

Onder tafel nam hij beurtelings de slap neerhangende linkerhanden van de beide bandieten, en prikte hen vluchtig met het spuitje in den pols.

Hij bergde het kleine voorwerp weder op en riep den kellner, dien hij betaalde.

Daarop voegde hij zich, zonder zich te overhaasten, bij Charly, die reeds met hoeden en jassen gereed stond, brandend van verlangen om uit deze gevaarlijke omgeving weg te komen.

Juist ging de deur open en drie agenten traden de zaal binnen.

—Blij dat jullie er zijt, mannen! kwam Raffles, terwijl de gasten niet weinig verwonderd toekeken. Zien jullie daarginds die twee kerels aan dat tafeltje—een weinig meer links—ja daar! Heb jullie wel eens gehoord van „Big Billy” en „Bittere Pil”? Vergis ik mij, of worden die twee schurken door de Londensche politie gezocht?

De drie agenten keken strak naar de aangewezen mannen en knikten toen verbaasd.

—Zij zijn het zeker, mijnheer! antwoordde een hunner. Maar ik kan mij niet begrijpen, hoe zij hier komen, en in uw gezelschap zijn geraakt! Maar wat drommel—dat zijn dezelfde schurken, die in het ziekenhuis in Sloane Street zijn binnengedrongen!

—Wat je daar zegt, is Latijn voor mij, mijn goede man! kwam Raffles met voorgewende verbazing. Maar wel weet ik, dat die lui ons zooeven onze zakken wilden ledigen, daar zij meenden, dat wij dronken waren!

—Maar wist u dan, wie zij waren? vroeg de agent, en Raffles zag duidelijk wantrouwen op zijn gelaat afgespiegeld.

—Ik ben van de politie! antwoordde hij snel, daar dit de eenige uitweg was.

—Maar—zij zitten daar als steenen beelden! riep nu een andere agent uit. Wat moet dat beduiden?

De man had de vraag nog niet behoorlijk gesteld, of bijna tegelijkertijd maakten de twee bandieten een schokkende beweging, alsof zij met naalden werden gestoken.

En een seconde later rekten zij de armen uit, sperden de oogen wijd open, en staarden verwezen om zich heen.

Zij wreven zich de oogen uit, keken nog eens—en schenen toen pas tot het besef te komen, dat zij tot de levenden behoorden, en van de plaats, waar zij zich bevonden.

Zij wisselden snel een paar woorden met elkander en wilden blijkbaar vlug opstaan en de zaal verlaten.

Blijkbaar begrepen zij, dat er iets met hen gebeurd was, iets, waarvan een vijand de bewerker moest zijn—en een vijand die met groote middelen werkte!

Maar nu lieten de agenten geen tijd meer verloren gaan.

Zij bekommerden zich niet meer om de twee personen aan de deur, maar snelden naar het tafeltje, waar de bandieten gezeten waren.

Een ondeelbaar oogenblik later was de geheele zaal in opschudding!

„Big Billy” en „Bittere Pil” hadden de agenten zien aankomen en begrepen instinctmatig dat het om hen te doen was, al wisten zij zich volstrekt niets te herinneren van hetgeen er met hen was voorgevallen sedert zij in de auto hadden plaats genomen met de zoogenaamde detectives die hen in het ziekenhuis hadden gearresteerd.

Zij sprongen op en tastten naar hun zakken.

Maar Raffles had de voorzorg genomen, die zakken geheel te ledigen, en zij vonden er mes noch revolver in.

Toen grepen zij brullend, met het schuim op de lippen, alles wat hen voor de hand kwam—zware wijnkaraffen, [23]stoelen, fruitmessen, en trachtten zich daarmede te verdedigen.

Spiegels vlogen aan scherven, de pooten braken van de stoelen en er ontstond een verwoed handgemeen, want de agenten durfden in de volte hunne revolvers niet gebruiken, en moesten het met hun gummistok afdoen.

Maar er kwamen eenige pootige gasten ter hulp, en eindelijk kon de woedende tegenstand van de beide bandieten worden overwonnen.

Zij werden, uit verscheidene wonden bloedend, geboeid en weggeleid.

Nu pas dachten de agenten weder aan de twee heeren, die hen bij den ingang van de zaal hadden ingelicht, en zij wilden hen verzoeken, hen naar het bureau van politie te vergezellen, ten einde daar te getuigen.

Maar de twee zoogenaamde provincialen waren in geen velden of wegen meer te bespeuren.

Inderdaad, Raffles en Charly hadden van de algemeene verwarring gebruik gemaakt, en hadden zich verwijderd, het aan de agenten overlatend, de zaak tot een goed einde te brengen.

Een auto bracht hen snel naar het hotel, waar Marthe Debussy geduldig hun komst afwachtte, en even later waren zij alle drie onderweg naar het huis in het noorden der wereldstad.

—Hier zijt gij weder veilig, zeide Raffles tot de jonge vrouw, die er vermoeid en lijdend uitzag door al de emoties van de laatste dagen. Men is, althans voorloopig, uw spoor bijster, en al was men dat niet—ik verzeker u, dat men zich wel tweemaal zal bedenken, alvorens het te wagen u hier te komen lastig vallen! Helaas durf ik niet hetzelfde getuigen van uwen vriend—van Markies de Beaupré.

—Wat is er dan? vroeg Marthe angstig, terwijl haar gelaat nog bleeker werd.

—Zijn leven verkeert in gevaar! antwoordde Raffles op zachten toon. Men beraamt een aanslag, en de vrienden van Fox hebben het voornemen, hem vandaag of morgen te vermoorden!

Marthe liet een zacht gekreun hooren en haar zwarte oogen sloten zich.

Zij wrong de handen en steunde:

—Dan zijn wij ditmaal machteloos! Gij kent hun middelen niet! Wat zij zich voornemen, vooral als het een wraakneming betreft—dat volbrengen zij ook! Raoul is verloren!

—Niet, als wij er iets aan doen kunnen, madame! antwoordde Raffles met vaste stem. En wij kunnen het, dat zweer ik u!

Een snik ontwrong zich aan de keel van de ongelukkige vrouw.

Zij opende haar oogen weder die vol tranen stonden, en stak Raffles een bevende hand toe.

—Gij wilt hem dus bijstaan? vroeg zij bijna toonloos.

—Dat heb ik u beloofd—en mijn woord schond ik nooit! zeide Raffles. Zoolang uw vriend nog hulpeloos is—zoolang kunt gij van mijn bijstand verzekerd zijn. Later zullen wij verder zien!

—Dat zal ik nimmer vergeten! riep de vrouw op hartstochtelijken toon. Wat er ook moge gebeuren—ik zal steeds aan uw zijde staan! Gij zult zien, dat gij niet met een ondankbare te doen hebt!

Raffles maakte zachtjes zijn hand los, en hernam ernstig:

—Men mag niet op de gebeurtenissen vooruit loopen—wie weet, wat de toekomst ons brengt! Tusschen uw vriend en mij gaapt een afgrond, vrees ik! Zoolang hij deel uitmaakt van een genootschap als dat van den Gouden Sleutel—zoolang is hij mijn natuurlijke vijand! Thans echter zie ik in hem slechts een slachtoffer van dien ellendeling, die aan het hoofd van het Genootschap staat—en als zoodanig heeft hij recht op mijn hulp!

Marthe had zwijgend geluisterd, en hernam, nu zacht:

—Hoe weet gij, dat men het op zijn leven voorzien heeft?

—Daarover kan ik mij niet uitlaten, madame! Laat het u voldoende zijn dat men Beaupré nog in het ziekenhuis wil vermoorden—wellicht nog dezen nacht!

—Maar wat zullen wij dan doen? riep Marthe wanhopig uit.

Ik zal mij daarheen begeven en er wel weten binnen te komen, onder een of ander voorwendsel! antwoordde Raffles. Laat mij slechts den tijd een plan te bedenken!

Geruimen tijd bleef het stil in het vertrek.

Toen wendde Raffles zich tot Charly, die zwijgend [24]ter zijde was blijven staan en wisselde eenige woorden met den jongen man, die de kamer verliet.

Er verliep een half uur.

Toen ging de deur weder open en er trad een jonge vrouw binnen, in de kleeding van verpleegster.

Het was Charly Brand!

En zoo voortreffelijk was zijn vermomming, zoo volkomen leek hij op eene vrouw dat het eenigen tijd duurde, voor Marthe Debussy kon gelooven, dat zij werkelijk met denzelfden man te doen had, die zich zoo even in gezelschap van den Grooten Onbekende had bevonden!

Raffles keek haar glimlachend aan en vroeg eindelijk:

—Bevalt dit verpleegstertje u nog al?

—Men zou zweren met een vrouw te doen te hebben! stamelde Marthe, die haar oogen nog altijd niet kon gelooven!

—Zooveel te beter! hernam Raffles. Ja, mijn vriend is een specialiteit in vrouwenrollen! Hij vervult ze wel niet graag—maar daarmede kunnen wij ons niet steeds ophouden!

Hij wendde zich nu tot Charly en zeide:

—De taak die ik je opdraag is moeilijk, mijn jongen! Je zult op de een of andere wijze toegang moeten zien te krijgen tot ’t ziekenhuis in de Sloane Street. Het is een gelukkige omstandigheid dat daar een zeer groot personeel is, ik meen zoo iets van honderdvijftig verpleegsters en daardoor zal het je wel mogelijk vallen, binnen te komen! Ik laat het voorwendsel aan je eigen vindingrijkheid over. De hoofdzaak is, dat je je in geen geval mag laten wegsturen en op de mannenzaal komt!

—Ik ken eenige der verpleegsters bij name! zeide Charly. Wellicht kan ik de plaats van een hunner innemen, of zeggen dat ik een boodschap voor haar heb of iets dergelijks! Reken er op dat ik wel iets zal weten te vinden!

—Dat doe ik ook! hernam Raffles kalm. Je zult je oogen dan goed den kost geven en zoo wantrouwend zijn als een eekhoorntje! Treed dadelijk handelend op als je iets verdachts merkt. Je bent toch gewapend!

Inplaats van te antwoorden liet Charly de kleine revolver zien welke hij uit de zak van zijn rok haalde.

—Dat zal wel voldoende zijn, hernam Raffles. Althans wanneer je je er op het gunstige oogenblik van weet te bedienen! En ga nu maar spoedig, laat Henderson je met de auto wegbrengen en geef hem de noodige instructies. Tegen het krieken van den dag kun je wel weder terugkeeren, want dan zullen de schurken wel niets meer durven te ondernemen.

Charly drukte Raffles de hand, knikte Marthe Debussy bemoedigend toe, en had het volgende oogenblik het vertrek verlaten.