De jonge man begaf zich aanstonds naar de kleine autogarage die bij het huis behoorde en waarschuwde Henderson.
Deze bracht zijn wagen dadelijk naar buiten en in snelle vaart ging het naar het groote Ziekenhuis, waar Beaupré terneder lag op zijn ziekbed, onkundig van het gevaar dat hem bedreigde.
Gedurende den rit had Charly zijn plannen uitgewerkt en toen de auto eindelijk op een vijftigtal meter van het Ziekenhuis stil stond, wist Charly hoe hij zou handelen.
Hij had onderweg overdacht dat het wellicht het eenvoudigste zou zijn, om den directeur van het Ziekenhuis op de hoogte te brengen van de moordplannen [25]welke tegen den zwaar gewonden patiënt op de algemeene mannenzaal beraamd waren, maar bij nader inziens kwam hij tot de overtuiging, dat hij daardoor niet alleen Beaupré zelf maar ook Raffles in groote moeilijkheden zou brengen, daar men natuurlijk aanstonds zou vragen waarom men den zoogenaamden Dubois wilde dooden en hoe hij, Charly, van dat plan op de hoogte was.
Het was het beste zoolang mogelijk den directeur er buiten te houden, dat wil zeggen, tot werkelijk bleek, dat men Beaupré had willen dooden.
Want dan ging zijn persoonlijke veiligheid boven alles, en zou men hem naar een kamer moeten overbrengen, waar hij volkomen beschermd was tegen iederen aanslag.
Hij liep snel naar het gebouw toe, na Henderson last te hebben gegeven, de auto in een naburige garage te stallen en daar op hem te wachten, en belde aan, na het oprijpad te hebben gevolgd.
De nachtportier—het was intusschen half een geworden—deed open, en vroeg verbaasd wat zij wenschte.
—Ik ben gezonden door de dame, de vrouw van mijnheer Dubois! antwoordde Charly met een hooge stem, die van het stemgeluid eener jonge vrouw niet te onderscheiden was.
—Zoudt u mij even bij de hoofdverpleegster willen aandienen?
De portier scheen even te aarzelen en verzocht toen de gewaande verpleegster binnen te treden en even te wachten.
De man trad zijn loge binnen, nam de telefoon ter hand en sprak eenige oogenblikken in het toestel.
Toen keerde hij weder naar de verpleegster terug en zeide:
—De hoofdverpleegster verzoekt u even bij haar op de algemeene mannenzaal te komen! Weet gij den weg in dit gebouw?
Charly kende den weg evengoed als het huis in de Regentstreet, want hij was er pas den vorigen dag geweest en daarom antwoordde hij vriendelijk:
—Ik zal den weg wel vinden! Ik ben hier meermalen geweest!
En Charly ging de trap op met een zekerheid, alsof hij hier jarenlang zieken had verpleegd.
Hij stond spoedig voor de hooge deur van de gemeenschappelijke mannenzaal en trad binnen, niet zonder hartklopping, want als het bedrog ontdekt werd zouden de gevolgen niet te overzien zijn.
De hoofdverpleegster zat aan haar tafeltje in den middenloop, die de twee rijen bedden van elkander scheidde, en was bezig aan een haakwerkje.
Het was doodstil in de zaal en alle zieken schenen te slapen.
Men hoorde niets anders dan het getik van de groote klok.
De bejaarde dame, die daar zoo rustig zat onder het schijnsel van een electrische lamp van geringe lichtkracht, die alleen haar eigen tafeltje in een lichtgloed zette, hief het hoofd op, toen zij de deur hoorde opengaan en keek de verpleegster die op de teenen loopend naderde nieuwsgierig aan.
Charly bleef voor het tafeltje staan en zeide:
—Ik vraag u verschooning als ik u stoor, maar de vrouw van mijnheer Dubois is vreeselijk ongerust; ik verpleeg haar tehuis en ik vrees zeer, dat de angst voor het welzijn van haar man haar ernstig zal benadeelen! Zij stelt groot vertrouwen in mij en zij smeekte mij, hierheen te gaan en mijnheer Dubois persoonlijk op te passen al was het slechts voor dezen nacht en natuurlijk als u er geen bezwaar tegen hebt.
De hoofdverpleegster liet het haakwerkje op haar schoot rusten en trok een bedenkelijk gezicht.
Toen zeide zij zacht, om de slapenden niet te wekken:
—Ik wil u wel zeggen, zuster, dat dit hier volstrekt geen gebruik is, maar ik geloof evenmin dat het verboden is. En in gevallen als deze zou men in ieder geval wel een uitzondering willen maken.
—Daarvoor zou ik u zeer dankbaar zijn, Miss! Ik zou zoo gaarne een gunstig bericht aan Madame Dubois brengen!
—Maar zijt gij dit werk wel gewend? vroeg de hoofdverpleegster, terwijl zij de sierlijke gestalte van de gewaande ziekenzuster opnam.
—Daaromtrent kunt gij gerust zijn, Miss! hernam Charly glimlachend.
—Nu, dan geloof ik wel, dat ik op eigen gezag u toestemming kan geven, om hier den nacht te waken! Om u de waarheid te zeggen, vreesde ik hedenmiddag voor het leven van mijnheer Dubois, hij was erg zenuwachtig [26]en had die dame laten roepen—zijn vrouw, zooals gij zegt. Gelukkig is zijn toestand sedert zij vertrok weder veel verbeterd en hij heeft den geheelen avond rustig geslapen.
—Wilt gij mij zijn bed even wijzen, Miss? vroeg Charly, ofschoon hij het zeer nauwkeurig had kunnen aanwijzen.
—Tot uw dienst!
De hoofdverpleegster stond op en geleidde Charly tot voor het bed, waar Raoul de Beaupré rustig lag te sluimeren.
Zijn regelmatige ademhaling bewees dat zijn toestand inderdaad was vooruitgegaan en dat hij op dit oogenblik geheel koortsvrij was.
Charly deed of hij bij ongeluk de kleine tasch liet vallen welke hij in de hand gehad had en bukte zich.
Hij wierp snel een blik onder het bed en onder de naburige onbezette bedden, er was niets te zien.
—Onze patiënt moet over een kwartier innemen, fluisterde de hoofdverpleegster. Het drankje staat op het nachtkastje. U moet dan tevens de temperatuur opnemen, hetgeen anders door een surveillante gedaan wordt. Er zijn er vannacht twee, die beiden om één uur verschijnen. Tot dien tijd ben ik hier steeds aanwezig, tenminste wanneer ik avonddienst heb, zooals thans het geval is! En nu zal ik u moeten verlaten, want ik moet nog even mijn temperatuurlijst afmaken! Als gij soms, wat niet te verwachten is, iets onrustbarends mocht zien aan den patiënt, dan komt ge mij wel even waarschuwen als ik hier nog ben en anders een der beide surveillanten.
De hoofdverpleegster knikte Charly toe, en nam weder aan haar tafeltje plaats, om zich in haar temperatuurlijsten te verdiepen.
Charly had zich ontdaan van den mantel dien hij over zijn verpleegsterscostuum droeg en een borduurwerkje uit de tasch te voorschijn gehaald. Want Charly deed de zaken niet ten halve—hij moest nu eenmaal dikwijls een vrouwenrol spelen, en het was dus noodzakelijk dat hij ook de bijzonderheden aannam welke door het vrouwelijk geslacht gedaan worden: breien, haken, borduren en andere zaken, waarop hij anders met de minachting van ieder recht geaard man neerkeek.
En zoo zat hij daar naast het bed van den zwaar gewonde en borduurde er op los alsof hij jarenlang onderwijs hierin had genomen—en met een overtuiging, welke Raffles waarschijnlijk groot genoegen zou hebben gebaard.
Hij raadpleegde van tijd tot tijd zijn gouden polshorloge, en juist op tijd stond de gewaande verpleegster op, wekte den sluimerende, zeide hem vriendelijk dat het tijd was om in te nemen, en diende hem den drank op onverbeterlijk handige wijze toe, zooals geen beroepsverpleegster het hem zou hebben verbeterd en nadat hij hem den koortsthermometer onder den oksel had gelegd.
Beaupré nam den drank geduldig in, half in den doezel en zonder zelfs de verpleegster aan te zien, die zich over hem heen boog, en hij sliep al weder toen Charly den thermometer weder te voorschijn haalde en de temperatuur noteerde op de lijst die boven het bed hing, iets meer dan acht en dertig graden, hetwelk in de gegeven omstandigheden zeer weinig mocht heeten.
Precies om een uur gingen de deuren open en traden de twee surveillanten binnen, ieder met een kleine kaarslantaarn in de hand.
Zij traden op de hoofdverpleegster toe, die fluisterend eenige woorden met hen wisselde, en daarbij herhaaldelijk in de richting van de gewaande verpleegster keek, waaruit hij terecht kon afleiden, dat het drietal het over hem had.
Daarop stond de hoofdverpleegster op, nam haar papieren bijeen en draaide het licht boven haar tafel uit zoodat de zaal in het duister gehuld was, met uitzondering van de rosse lichtplekken daar, waar de surveillanten met hun lantaarns stonden.
Een hunner geleidde de hoofdverpleegster met haar lantaarn naar de deur, terwijl de andere zich op haar plaats zette met de lantaarn voor zich op tafel, om bij dit weifelend licht een avondblad te gaan lezen.
De andere surveillante richtte zich juist op dezelfde wijze in aan een klein tafeltje vlak naast de deur, zoodra deze achter de hoofdverpleegster gesloten was.
De taak van deze beide vrouwen bestond slechts hierin dat zij acht moesten geven dat geen zieke de zaal zou verlaten en om in dringende gevallen bij een plotselinge verergering den dienstdoenden geneesheer te waarschuwen.
En voor de rest behoefden zij slechts aan [27]patiënten, die dit noodig hadden, op gezette tijden geneesmiddelen ingeven.
Zij zouden om zeven uur in den morgen worden afgelost.
De groote zaal werd nu dus slechts verlicht door het flakkerend schijnsel der beide kaarslantaarns en zij maakten een troosteloozen, bijna somberen indruk op den man naast het bed van Beaupré, met al die bedden, met hun vage witte omtrekken, en hier en daar een donkere plek van een hoofd op een kussen.
Charly dacht nu niet meer aan borduren!
Integendeel—al zijn zenuwen waren gespannen en hij voelde nog eens of zijn revolver nog wel op haar plaats zat.
Het onrustig schijnsel van de kaarsen in de lantaarns tooverde grillige schaduwen op de gordijnen van de tien hooge ramen, die zich allen aan één zijde bevonden,—dezelfde zijde waar het bed van Beaupré geplaatst was.
Traag kropen de kwartieren, de halve uren—de uren voorbij!
De surveillanten waren blijkbaar ingedommeld boven hun kranten, hetgeen menigmaal geschiedde als er geen ernstige gevallen waren.
En Charly zelf, hoezeer hij zich ook inspande, vocht slechts met moeite tegen den slaap die hem dreigde te overmannen.
Ook den vorigen nacht had hij zeer weinig kunnen slapen—en hij beschikte niet over de ijzeren wilskracht van een John Raffles, die desnoods drie dagen en drie nachten zonder slaap kon blijven!
Maar eensklaps werd hij uit zijn halven dommel gewekt door een heel licht geraas!
Hij hief het hoofd op—en eensklaps was hij klaar wakker, zoo wakker, als hij zich in geen tijden gevoeld had, naar hij meende.
Hij luisterde met de grootste aandacht, maar het geluid herhaalde zich niet.
Mogelijk had een van de surveillanten zijn lantaarn verschoven.
Maar toen onderging Charly een nieuwe, onverwachte gewaarwording—hij gevoelde een kouden luchtstroom langs zijn voeten strijken.…
Langzaam, zonder het minste gerucht, stond Charly op.
Hij nam een lantaarn met een zeer sterk licht tik zijn zak, en bevestigde deze met een haak voor op de borst.
In een oogwenk was het door zijn hoofd gegaan, dat de koude luchtstroom, welken hij zooeven gevoeld had, onmogelijk verwekt kon zijn doordat de deur open ging—want dat had hij stellig moeten hooren, en bovendien, de surveillant zat daar nog altijd even rustig als daar straks, met gekruiste armen, en het hoofd op de borst gezonken.
Charly liet zijn blikken langs de lange, linnen overgordijnen voor de ramen dwalen—en toen bleef zijn blik op een enkel punt gevestigd.
Hij kon zich niet vergissen—een van die gordijnen had heel licht bewogen alsof er een tochtje langs streek—of alsof daarachter iemand het met de hand aanraakte.….
Onhoorbaar voortsluipend, zonder het minste gerucht te maken op zijn gummizolen, ging Charly om het voeteneinde van het bed heen, en trad op het gordijn toe—zijn revolver in de rechterhand, een vinger van de linkerhand op den drukknop van de lamp.
Hij stond nu slechts een paar decimeter van het gordijn af.…..
Toen drukte hij op den knop van zijn electrische zaklantaarn, en een onderdeel van een seconde later rukte hij het gordijn terzijde, hief zijn revolver op, en beval mat gedempte, maar dringende stem:
—Handen op!
Dit bevel was gericht tot een man, met een bleek vertrokken gelaat, waarin twee boosaardige oogen fonkelden, en die blijkbaar eenige minuten te voren door het raam was binnengeklommen. Een hoog, dubbel raam, dat bij wijze van een deur open ging, en evenals andere ramen uitkwam op een smal bordes.
De man achter het gordijn liet een sissenden klank hooren, maar zijn handen gingen de hoogte in.
De surveillanten waren wakker geworden, door het onverwachte, sterke lichtschijnsel, en door het terzijde rukken van het linnen gordijn en snelden nu in de hoogste verbazing en schrik toe.
—Wat moet dat beteekenen, Miss? riep een hunner, schor van ontroering uit.
—Dat zult gij aanstonds zien, zeide Charly kortaf. Onderzoek zijn zakken, maar doe het voorzichtig! Ik zal hem intusschen in bedwang houden en ik zweer u [28]dat ik den kerel neerschiet als hij ook maar een vinger durft verroeren. Hij had het gemunt op het leven van mijnheer Dubois!
Terwijl Charly de revolver op het voorhoofd van den moordenaar gericht hield, tastte een der surveillanten voorzichtig in zijn zakken, en haalde daar een revolver, een vlijmscherpen dolk, en ten slotte een klein houten étui uit, dat er uitzag als een dier kleine kokertjes, waarin men wel dunne stiften voor vulpotlooden pleegt te verkoopen.
—Open het maar eens, gelastte Charly, zonder den schurk uit het oog te verliezen, maar wees op uw hoede.
Het étui werd voorzichtig geopend, en bleek een vaccinatienaald te bevatten, waarvan de punt met een weinig watten was omwikkeld.
—Houdt dat gevaarlijke ding maar hier en laat het onderzoeken! ging Charly voort, ik ben er van overtuigd dat die naald gevuld is met een snelwerkend vergif! Maar eerst zullen wij dezen ellendeling machteloos maken! Snijd een stuk van het gordijnkoord af, en bind hem stevig de polsen bijeen.
Het bevel werd opgevolgd en de surveillanten schenen hardhandig te werk te gaan, want de schurk brulde van pijn en woede.
Charly snelde nu naar de telefoon en belde de politie op.
Daarop wendde hij zich weder tot de beide surveillanten en zeide haastig:
—Gij zijt getuigen van dezen laaghartigen overval geweest en gij zult er wel voor zorgen dat hij aan de politie wordt overgeleverd, welke ik zooeven heb opgebeld, ik zelf ga aanstonds Madame Dubois op de hoogte brengen en wat den patiënt betreft, als hij maar even vervoerd kan worden, breng hem dan morgen onmiddellijk naar een vertrek, waar dergelijke aanrandingen tot de onmogelijkheden behooren. Bewaak dien kerel goed, want ik acht een sluipmoordenaar tot alles in staat! Ik geloof dat ik zijn gezicht ken en de politie zal hem zeker ook wel kennen!
Met deze woorden snelde Charly weg en hij had het gebouw reeds verlaten toen de politie daar aankwam om den moordenaar in ontvangst te nemen.
Een uur later waren Raffles en Marthe Debussy—de ongelukkige vrouw had onmogelijk kunnen slapen—van alles op de hoogte gebracht. [29]