Den volgenden dag, omstreeks vier uur in den middag, hield er een huurauto stil voor een prachtig huis in de Drury Lane, het verblijf van Sir Roger Maxwell.
Daaruit stapte een eenvoudig gekleed man van omstreeks vijf-en-veertig jaar, met een ernstig, donker uiterlijk, vlugge bewegingen en die blijkbaar gewend was om te bevelen.
Hij belde aan, nadat de chauffeur was weggereden, en verzocht den bediende zijn kaartje aan Sir Maxwell te willen brengen en deze mede te deelen dat hij hem over een zeer ernstige zaak moest spreken.
De bediende wierp een blik op het kaartje en las daarop: „Filip Greenwood”, „Particulier Detective”.
Hij wierp den bezoeker een verbaasden blik toe, maar haastte zich met het kaartje weg, na hem te hebben verzocht plaats te nemen in de prachtige marmeren hall.
Na eenige minuten keerde hij terug en vroeg den detective hem te willen volgen.
Een oogenblik later stond Greenwood tegenover een man van een jaar of zestig met een geel gelaat, dikke lippen, paarse wallen onder de oogen en zoo goed als geheel kaal.
Die man was Sir Roger Maxwell, zeer bekend in de uitgaande wereld en in sportkringen.
Hij wendde zijn waterige blauwe oogen naar Greenwood terwijl hij het kaartje tusschen zijn vingers heen en weer draaide en vroeg, terwijl hij zijn woorden als met een scheermes afsneed:
—Greenwood? Nooit van gehoord. Ga zitten. Wat wenscht gij? Zaak van belang? Nooit iets met politie uitstaande gehad! Port? Madera? Sigaren?
Greenwood was kalm gaan zitten en antwoordde, terwijl hij zijn heldere grijze oogen op het schatrijke Hoogerhuislid vestigde:
—Ik zal geen misbruik maken van uw tijd, Sir! Sterken drank gebruik ik niet, en ik rook ook nooit als er werk voor den boeg is. Ik zal zeer kort zijn. Men komt hedennacht bij u inbreken!
De waterblauwe oogen knipperden eenige malen snel achtereen en toen liet hun bezitter zich in een stoel vallen.
—Inbreken? Bij mij? Nog nooit voorgekomen! Hoogst merkwaardig! Zullen van een koude kermis thuis komen! Tien man politie zeker wel voldoende?
—Ruimschoots, Sir, antwoordde Greenwood rustig.
—Nadere bijzonderheden, alstublieft? Hoeveel bandieten? Hoe laat?
—Zij komen waarschijnlijk met vier of vijf man, zij zijn gevaarlijk en zij komen om half twee!
—Heel snugger! Heel snugger! Dan is hier alles naar bed. Vervloekte schurken! Hoe weet gij dit alles?
—Pardon, Sir Maxwell, dat zijn beroepsgeheimen, antwoordde Greenwood.
—Ben niet nieuwsgierig! Hoofdzaak is dat schurken opgeknoopt worden! Banditisme is sterk verspreid! Sterk verspreid, Sir! Sterk verspreid! Zullen ons tot het uiterste verdedigen tegen rapaille! Maak u mijn compliment! Zorgt gij voor alles?
—Ik zal zorgen, dat er hedennacht om twaalf uur tien man in de vestibule verborgen zijn opgesteld, want de schurken denken binnen te dringen door een der ramen die in de hall uitkomen, en die met een ijzeren luik gesloten zijn. Ik vrees dat zij medeplichtigen binnenshuis hebben, of anders moet er van te voren iets aan het luik geknoeid zijn!
De edele Lord stak den detective die hem aldus kwam waarschuwen, twee vingers toe, welke deze echter niet scheen te zien.
Hij stond op, maakte een korte buiging voor het lid van het Hoogerhuis en verliet het vertrek.
De huisknecht, door het bellen van zijn meester gewaarschuwd, geleidde hem naar de deur en liet hem uit.
Op de stoep staande haalde Raffles—want hij was [30]het—zijn horloge uit zijn zak en mompelde, na het geraadpleegd te hebben:
—Ik ben precies zeven minuten binnen geweest. Nu, die Sir Maxwell mag een leeghoofdige, schatrijke en oude doordraaier zijn, hij is tenminste geen kletsmeier. En ik moet tot zijn eer opmerken dat hij de zaak tamelijk flegmatiek behandeld heeft. Wij zullen eens zien hoe onze vriend zich vannacht houdt!
Juist toen het middernacht sloeg ging een deur in den muur van den tuin achter het groote huis van Sir Maxwell open, en verleende doorgang aan een tiental agenten, onder aanvoering van een inspecteur.
Een oude bediende, trillend van zenuwen, verzocht hen met schorre stem hem te volgen en bracht hen naar de vestibule, terwijl de inspecteur zich naar het werkvertrek van Sir Maxwell begaf dat op de eerste verdieping was gelegen.
Binnen een kwartier waren alle maatregelen genomen, en wie onkundig was van het veldtochtplan, zou, indien hij de vestibule ware binnengetreden, zeker niet vermoed hebben dat er achter alle deuren, achter een gordijn, en achter een zware pilaar, agenten verborgen stonden, gereed om toe te springen!
De tijd verstreek langzaam, terwijl Sir Maxwell dien verdreef met het drinken van eenige glazen rooden wijn, en het rooken van eenige fijne import-sigaren.
De inbrekers mochten komen, zij zouden het niet eens tot aan de trap brengen.
Zoo werd het half twee—en toen had iemand met een scherp gehoor, beneden in de groote hall een zacht geklikklak van metaal op metaal kunnen hooren en kort daarop het langzaam opengaan van een zwaar ijzeren luik.
Een flauw schijnsel drong nu de hall binnen, afkomstig van een straatlantaarn, die schuin tegenover het groote huis geplaatst was.
Langzaam klauterden vijf mannen zeer voorzichtig en geluidloos naar binnen, nadat er vlug en behendig een ruit was uitgesneden.
En nauwelijks hadden zij een tiental schreden afgelegd, of de hall baadde in het electrische licht, hetwelk de inspecteur had opgedraaid en bevelend klonk de kreet:
—Geef u over of wij schieten!
En uit alle hoeken en gaten kwamen thans de agenten aanstormen.
Maar de bandieten schenen zich niet zoo voetstoots te willen overgeven; er kraakten schoten, een agent werd aan den arm gewond, en een der bandieten kreeg een kogel door den schouder.
Dr. Fox, die de inbrekers had aangevoerd, lichtte zijn revolver op en wilde vuren, maar een schot klonk, de bandiet slaakte een rauwen gil en viel voorover op den marmeren vloer.
De bandieten waren nu spoedig overmeesterd en geboeid en werden weggevoerd.
Men tilde Dr. Fox, die blijkbaar zwaar gewond was, en die door een kogel in het voorhoofd getroffen was, behoedzaam op en droeg hem naar buiten waar een groote politieauto, die inmiddels gewaarschuwd was, kwam aanrijden.
Maar juist toen het portier geopend was, en men den zwaargewonde naar binnen wilde dragen, richtte Fox zich eensklaps overeind, rukte zich los, schoot een der agenten neder die het dichtst bij hem stond met een kleine revolver, welke hij in zijn mouw verborgen had gehouden, en snelde zoo vlug zijn beenen hem wilden dragen, in de duisternis weg.
Voor de agenten van hunne verbazing bekomen waren, was de bandiet reeds uit het oog.
Klaarblijkelijk had hij zich slechts bewusteloos gehouden, en het bloed, dat uit een onbeteekenende wonde vloeide, over zijn voorhoofd gestreken, terwijl hij voorover op den vloer van de hall lag.
Aan een achtervolging behoefde men niet te denken, want heel in de verte klonk het geluid van een wegrijdende auto, die blijkbaar op de terugkomst der inbrekers had gewacht.
Het gevecht met de bandieten had ternauwernood een kwartier geduurd, en nu was het weder rustig in het groote heerenhuis.
De agenten hadden zich met hun gevangenen verwijderd, onder aanvoering van een brigadier, en de inspecteur begaf zich nu maar de werkkamer van Sir Roger Maxwell, ten einde dezen rapport uit te brengen, en hem mede te deelen, dat alles veilig was, en hij zich wel ter ruste kon begeven.
Het Hoogerhuis-lid ontving den politiebeambte met [31]de grootste kalmte, en naar het scheen zelfs niet al te nieuwsgierig naar den afloop van het gevecht.
Zijne lordschap vond het blijkbaar niet meer dan natuurlijk, dat een inbraak in zijn huis iets onmogelijks was, en van te voren tot mislukking gedoemd.
Hij klopte den inspecteur vaderlijk op den schouder, presenteerde hem een sigaar, en verwaardigde zich zelfs, hem persoonlijk bij het afscheid nemen naar de kamerdeur te begeleiden!
Daar wachtte een bediende die dien inspecteur zou uitlaten.
Sir Roger Maxwell keerde weder in zijn werkkamer terug om nog enkele papieren te ordenen, toen hij plotseling als aan den grond genageld bleef staan.
Tegenover de plek, waar hij zooeven aan zijn schrijftafel gezeten had, aan de andere zijde van dit meubel, zat een man in een gemakkelijken leunstoel, die heel op zijn gemak een sigaret rookte, blijkbaar zooeven uit een zilveren doos genomen, die midden op de tafel stond.
Sir Maxwell herkende hem dadelijk als de detective, die hem dienzelfden dag op de hoogte was komen stellen van de plannen om in zijn woning in te breken.
Hij kwam verbaasd eenige schreden naderbij en zeide:
—Lang hier? Heb u niet gezien! Hoe komt dat?
—Ik zat in die kast daar, Sir Maxwell, antwoordde Raffles kalm.
—Kast? herhaalde Zijne Lordschap toonloos. Rare plaats! Waarom?
—Omdat ik liever niet gezien wilde worden! kwam het antwoord, op denzelfden rustigen toon gegeven.
—Niet gezien? Eigenaardig! Bang voor uw eigen collega’s? Vreemd. Hoogst merkwaardig. En—wat is nu het doel van uw komst?
—Ik kwam mijn honorarium halen! antwoordde Raffles koelbloedig, en hij blies een groote rookwolk uit.
—Uw honorarium! herhaalde Mylord, met stijgende verbazing, en ook een weinig ongerustheid in zijn stem. En Scotland Yard? Die betaalt u toch zeker?
—O, zoo weinig! zeide Raffles glimlachend. Men mag het werkelijk geen naam geven! Neen, de hoofdsom denk ik van u te ontvangen!
—Maar—dit is werkelijk een curieuse handelwijze! riep Sir Maxwell uit, die zijn geduld begon te verliezen. Gij hadt dan toch morgen bij mij kunnen komen, dan zou ik u gaarne een paar pond als belooning voor uwen ijver en moeite hebben geschonken!
—Zeer vriendelijk! hernam Raffles spottend. Maar ik vind het wel wat weinig!
—Weinig! riep sir Maxwell nu toornig uit. Hoeveel dacht gij dan wel te vragen?
—Tien duizend!
—Tien duizend pond sterling? kwam Mylord, en hij werd vuurrood. Zeg eens, mijnheer—ik vind, dat uw grapjes wat ver gaan!
—Het is geen grapje, Sir Maxwell, maar bittere ernst! zeide Raffles, terwijl hij opnieuw een dichte tabakswolk deed opstijgen.
—Dus—een poging tot bedreiging! riep Mylord op heeschen toon, en hij deed een stap in de richting van de telefoon.
—Als gij het zoo noemen wilt.….. zeide Raffles onverschillig. Neen—ging hij haastig voort, blijf waar gij zijt! Ik maak geen gekheid! En laat uw revolver ook maar met rust, want als gij haar zoudt nazien, dan zoudt gij bemerken, dat de patronen er zijn uitgehaald. Dat heb ik gedaan terwijl gij even de kamer verlaten hadt, en voor gij terugkwaamt, om uw revolver uit de lade van uw schrijftafel te nemen! Men kan nooit te voorzichtig zijn!
—Maar—wie zijt gij dan? riep Mylord, schor van drift nu, en een geheel ander man, dan toen hij er zoo zeker van was, dat zijn bezit geen gevaar liep.
—Mijn naam is John Raffles, Sir Maxwell! antwoordde de gentleman-inbreker, en hij nam een versche sigaar uit de zilveren doos.
Het Hoogerhuis-lid verbleekte.
—Dus—bedrogen! stamelde hij. Ik moet zeggen—het is—het is bijna geniaal!
Raffles maakte een lichte buiging met het hoofd en zeide:
—Dank u. Heel vriendelijk van u. En laat ons nu even de zaken regelen. Goede rekeningen maken immers goede vrienden! Vlak naast u staat uw brandkast, en de sleutels bevinden zich in gindsche lade, zooals ik gezien heb. Open haar slechts met een oog op het slot, en het andere op mijn revolver gericht, en betaal mij het bedrag hetwelk ik u zoo even noemde. Hoe meer [32]haast, hoe liever het mij zal zijn! Tegenstreven zou u niets baten, en mij alleen noodeloos ophouden. Ik zou dan genoodzaakt zijn, de kast zelf te openen. Gij zijt nu in mijn macht, bedenk dat! De bedienden hebben zich allen te ruste begeven—in mijn zak zit de geluidontvanger van de telefoon, en de draad van de schel is doorgeknipt! Kom, kom—bedenk u niet te lang, of ik maak er twintig duizend van! Gij zijt waarlijk niet bekocht, want de bandieten, voor wie ik u gewaarschuwd heb, hadden stellig uw geheele kast ledig gehaald!
Sir Maxwell scheen nog even te aarzelen!
Toen koos hij, zooals men dat noemt, eieren voor zijn geld, stapte op de kast toe, na de sleutels te hebben genomen, opende de zware deur, telde haastig een pak bankbiljetten af en stak het Raffles toe.
Deze ging vluchtig den inhoud van het kostbare pak na, stond op, en wierp zijn sigaret in den aschbak.
—Mijn taak is gedaan, Sir Maxwell! zeide hij, op zijn gewone rustige manier. Het spijt mij, dat ik u langer heb moeten ophouden, dan mijn bedoeling was. En tot mijn leedwezen zal ik nu genoodzaakt zijn, u even in uw eigen kamer op te sluiten—om begrijpelijke redenen! Gij zoudt het mij nog al te warm kunnen maken! En wat het geld betreft, dat ik u zooeven ontnomen heb—wees er zeker van, dat het een betere bestemming zal krijgen, dan gij er met mogelijkheid aan zoudt hebben kunnen geven!
Nog een hoffelijke buiging—en Raffles had het vertrek verlaten, na den sleutel uit het slot te hebben genomen.