62 Hierbij kan men naslaan: Meno. pag. 80. A, B, waar Socrates bij de krampvisch vergeleken wordt, zijnde deze eene soort van rog, die bij het aanraken een’ elektrischen schok geeft, en daardoor al wat hem aanraakt, doet verstijven. ↑
63 εἴληχε wordt eigenlijk gezegd van de portie, die iemand bij eene verdeeling door het lot bekomt. Nu werden in Athene de ambten door het lot vergeven, en hierdoor heeft dit werkwoord de beteekenis van het verkrijgen van een ambt bekomen. ↑
64 De beteekenis van plegen, die de aor. heeft, is, naar mijn inzien, gegrond in eene ellips, daar de aoristus eigenlijk bloot het verledene beteekent, maar waarbij wordt gedacht, dat het altijd zoo was; dat het dus door de ondervinding gebleken is, dat het zoo pleegt te zijn. ↑
66 Hoewel γινώσκειν eigenlijk niets dan kennen beteekent, kan het hier door onderscheiden vertaald worden, daar hij, die de twee leden eener tegenstelling kent, ze noodzakelijk van elkander onderscheidt. ↑
67 In de Grieksche geneeskunst had men veel op met tooverformulieren. Zoo lezen wij Odyss. XIX. 457, van de zoons van Autolicus, dat zij, toen Ulysses op de jagt door een wild zwijn gewond was, het bloed door een tooverformulier beletten te vloeijen. ↑
68 Hier is οἶδα te regt gebezigd, daar het in dezen zin beter is dan eenige andere uitdrukking voor weten. Οἶδα beteekent eigenlijk: ik heb gezien, waarvan de beteekenis: ik weet, is afgeleid, zoodat op de vraag ἆρ’—ᾔσθησαι met geen beter werkwoord kon geantwoord worden. ↑
69 τῆς αὐτῆς τέχνης. Deze genitivus is de gewone genitivus bij εἶναι, die gebezigd wordt om eigendom, eigenschap, gewoonheid of mogelijkheid uit te drukken. Zie Buttm., Gr. Gr. § 132. Aanm. 4. ↑
70 Het is bekend, dat de Grieken het huwelijk vaak bij het bewerken van eenen akker vergeleken, en eene huismoeder bij een veld, waarop burgers voor het vaderland groeiden. ↑
71 ἔστι δ’ ὅτε is in deze spreekwijs zoo zeer tot één woord zamengesmolten, dat het dezelfde kracht heeft als ἐνίοτε, waar het hier tegenover staat. Zie Buttm., Gr. Gr. § 150. blz. 469. ↑
72 In deze uitdrukking is iets onvolkomens, daar τῇ γ’ ἐμῇ τέχνῃ tegenover ἐκείναις gesteld wordt. De juistheid der tegenstelling valt meer in het oog, zoo men bedenkt, dat τῇ γ’ ἐμῇ τέχνῃ in dezen zin gelijk staat met ἐμοί, en dat de personen, die door ἐκείναις bedoeld worden, hier alleen van den kant der kunst, die zij uitoefenen, in aanmerking komen. Het subject van διαφέρει moet uit τῇ ἐμῇ τέχνῃ worden aangevuld. Dit is eene logische constructie, daarop gebouwd, dat τῇ ἐμῇ τέχνῃ ὑπάρχει op hetzelfde neêrkomt als ἡ ἐμὴ τέχνη ἔχει. ↑
73 Overtuigd van de geldigheid der eeuwige beginselen van waarheid, deugd en godsdienst, en oordeelende, dat die beginselen in de kiem bij ieder aanwezig zijn, leerde Socrates niet zelf, maar zocht door vragen anderen op te wekken tot het ontwikkelen der begrippen, die in hunnen geest waren opgesloten. ↑
74 Dit moet opgehelderd worden uit de Apologie, waar Socrates verhaalt, dat hij door de uitspraak van het orakel [35]te Delphi, dat hem den wijsten der menschen noemde, genoopt was, om de door hem gekozene levensmanier te volgen. ↑
76 Eindelijk. Woordelijk eindigend. Het Grieksche deelwoord wordt hier in het Hollandsch door een bijwoord overgezet. Dat iets dergelijks ook in andere talen, b. v. in de Arabische, plaats heeft, blijkt uit de voorbeelden, aangehaald door De Sacy, Gramm. Ar., Tom. II. No 800–807. ↑
78 τὸ δαιμόνιον. Veel is over dit dæmonium getwist. Ik geloof, dat Socrates, het bestuur der Voorzienigheid erkennende en overtuigd zijnde, dat hij zelf een werktuig der Voorzienigheid was, zijne onwillekeurige invallen en ook wel zijne gevoelens van sympathie en antipathie aan goddelijke ingeving toeschreef. Overigens is het bekend, dat δαιμόνιον bijvoegelijk is en door het uitgelatene σημεῖον moet verklaard worden. ↑
79 καὶ οὗτοι μὲν δὴ οὔτως, scil. ἔχουσι. Dit toevoegsel, dat nog iets kinderlijks in den stijl schijnt te verraden, is bij Herodotus menigvuldig, en zelfs bij Aristoteles, b. v. Phys. acr. I. c. IX. 5. Hist. animm. I. c. XIV. (XVII) 9. Soph. El. XV. 18. ↑
80 Men ziet hier weder een staaltje van het meermalen opgemerkte, dat de Grieken bevreesd waren te veel vertrouwen op eigen krachten te doen blijken. Stallbaum heeft echter goed gezien, dat hier eene vinnige ironie doorschijnt, daar Socrates te kennen geeft, dat alleen zij, die volstrekt geen fonds in zich zelven hebben, geschikte leerlingen zijn voor de Sophisten. ↑
81 ἕνεκα τοῦδε—ὑποπτεύων. Hier zijn twee constructies verbonden, daar het begrip van reden geven, dat door ἕνεκα τοῦδε wordt uitgedrukt, ook in het deelwoord ὑποπτεύων ligt opgesloten. Zie Buttm., Gr. Gr. § 144. Aanm. 6. ↑
83 Socrates hield zich, zooals wij boven zagen, voor een werktuig der Godheid, en kon in zooverre de hem te beurt vallende miskenning als eene miskenning der Godheid beschouwen. ↑
84 Ἀλλὰ moet door eene ellips verklaard worden. [Ik heb er weinig moed op] maar enz. Dergelijke ellipsen komen in de platonische dialogen telkens voor. ↑
85 Gevoel wordt hier als algemeene uitdrukking gebezigd, om de verschillende aandoeningen der zinnen aan te wijzen. Aan zedelijk of godsdienstig gevoel wordt in het geheel niet gedacht. ↑
87 ἐπιστήμη is het subject, αἴσθησις het praedicaat. Het is eene zoogenoemde proposition nominale. ↑
88 τὰ αὐτὰ ταῦτα. De gelijkheid, die in τὰ αὐτὰ ligt, [39]wordt door de aanwijzing in ταῦτα versterkt, waardoor eene beteekenis ontstaat, die omtrent met onze uitdrukking: volkomen hetzelfde, overeenkomt. ↑
89 που is een gevolg van de meermalen opgemerkte gewoonte der Atheners om zich zelden volkomen stellig uit te drukken. Men kan het echter ook vertalen door: ergens. ↑
92 Socrates bedoelt, dat deze leer werkelijk geheel iets anders is, dan zij schijnt; namelijk, dat zij de kennis schijnt te bepalen, maar zoo zij consequent wordt doorgedacht, eigentlijk de kennis vernietigt. ↑
95 Parmenides, die door Plato zeer gewaardeerd werd, was de voornaamste wijsgeer der Eleatische school, die het abstracte begrip van het zijn eenzijdig beschouwde, maar juist daardoor de noodzakelijke keerzijde daarstelde der andere rigting, die overal verandering en nergens iets blijvends zag. ↑
96 De constructie is: ὅτι κίνησις μὲν παρέχει τὸ δοκοῦν εἶναι καὶ τὸ γίγνεσθαι, ἡσυχία δὲ τὸ μὴ εἶναι καὶ ἀπόλλυσθαι. ↑
97 φορᾶς—κινήσει. κίνησις is eene algemeene uitdrukking om alle verandering aan te duiden, zoo die van plaats, als die van toestand of hoedanigheid. Aristoteles sluit het ontstaan en vergaan hiervan uit, omdat niet zijn geen toestand, maar eene ontkenning van alle toestanden is, en alle beweging van een punt tot een ander gaan moet. Phys. ausc. V. c. II. In het vervolg zal ik gedwongen zijn κίνησις door beweging te vertalen, daar er dan zulke eigenschappen aan worden toegekend, die alleen van beweging in de ruimte kunnen gezegd worden. ↑
99 ἡ ἐν τῇ ψυχῇ ἕξις is hier eigenlijk hetzelfde als ψυχὴ, doch Plato schijnt dit woord verkozen te hebben, omdat de ziel door dit alles wel in eenen meer of minder goeden toestand komt, maar echter niet ontstaat of vergaat. Met dat al is het echter niet juist te zeggen: ἡ ἐν τῇ ψυχῇ ἕξις κτᾶται κ. τ. λ. ↑
101 Deze zin is voluit: Τὸ μὲν ἄρα ἀγαθὸν κατά τε ψυχὴν καὶ κατὰ σῶμά ἐστι κινησίς, τὸ δὲ [κακὸν ἐστι] τοὐναντίον [κινήσεως]. ↑
102 voor ἀναγκάζω moet gelezen worden ἀνάγω in den conjunctivus. ἀναγκάζω kan hier niet in de beteekenis van door klem van redenen betoogen genomen worden, daar het bij κολοφῶνα, niet bij προσβιβάζων behoort. ↑
103 Hier wordt gespot met hen, die alle wijsheid in Homerus meenden te vinden, en elk zijne theorie met plaatsen uit dien dichter wilden bewijzen. De hier aangehaalde plaats staat: Il. VIII. vs. 18–27, waar Zeus de Goden uitdaagt, om eene gouden keten van den hemel te hangen, waaraan zij van onderen en hij van boven zoude trekken, met dat gevolg, dat hij hen allen benevens [44]de aarde en de zee zou naar boven halen. Het behoeft naauwelijks gezegd te worden, dat in de aangehaalde plaats niets van de gemelde theorie gelezen wordt. ↑
104 προσήκειν beteekent eigenlijk: aankomen, maar hier denke men aan de beweging, die op die kleur aankomt, dat is: die er mede overeenstemt. ↑
106 De zin is: daar ieder op zijne wijs de eigenschappen der dingen beoordeelt, en ieder op verschillende tijden dezelfde zaak anders beschouwt, zoo blijkt het, dat die eigenschappen niet in de zaak liggen, maar het product zijn van de zaken en onzen toestand, zoodat zij door het veranderen van eenen dier factoren kunnen gewijzigd worden, ook al ondergaat de andere factor geene verandering. ↑
107 Wij zeggen niet: neem een voorbeeld, maar: ik zal u een voorbeeld geven, welk laatste met het eerste op hetzelfde neêrkomt, hoewel het de zaak van de kant van den gever, niet van hem, aan wien gegeven wordt, beschouwt. ↑
108 In de hier voorkomende redenering is eene fout, daaruit ontstaande, dat het onderscheid tusschen zelfstandige begrippen en betrekkingsbegrippen wordt over het hoofd gezien. Alle begrippen, die eene betrekking uitdrukken, kunnen als het product van twee factoren beschouwd worden, en zijn daarom, zoodra de eene factor veranderd wordt, zelve aan verandering onderhevig. Zie mijne vertaling van den Phaedo, blz. 123. (1). ↑
109 Dit antwoord is alleen uit de daareven aangewezene verwarring te verklaren: groot en klein zijn afhankelijk van twee zaken, die met elkander vergeleken worden. Zoodra de eene verandert, verandert ook het groote en kleine, zonder dat de andere iets behoeft te ondergaan. ↑
110 Euripides werd door de Grieken zeer bewonderd, en als de treurspeldichter bij uitnemendheid beschouwd, hoewel hij tegenwoordig lager dan zijne twee voorgangers gesteld wordt. Aristophanes echter bespot zijn jagt maken op effect en pathetische uitdrukking, en Plato bestrijdt [47]van tijd tot tijd de immorele rigting, die in zijne schriften wel eens voorkomt. De hier bedoelde plaats is te vinden Hippolitus vs. 612. waar wij lezen:
„De tong heeft gezworen, maar de geest nam geen deel aan den eed.” ↑
111 Dat is: door iets ongerijmds toe te stemmen, kunnen wij er ons doorpraten, hoewel wij zelve zeer goed inzien, dat de vraag eigentlijk eene grondige tegenwerping behelst. ↑
112 δεινὸς wordt door Plato vooral van de sophisten gezegd, die zich overal wisten door te praten. ↑
113 Deze periode verklaar ik aldus: Πάντα τὰ τῶν φρενῶν ἐξητακότες ziet op het vorige: ἡ δὲ φρὴν οὐκ ἀνέλεγκτος. Het perfectum ἐξητακότες beteekent dan hetgeen volmaakt verleden en dus afgedaan is, waar dus niet meer naar onderzocht wordt. βουλησόμεθα—διανοούμεθα. Dit is eigentlijk voluit: βουλησόμεθα θεάσασθαι ἐκεῖνα ἃ διανοούμεθα αὐτὰ πρὸς αὑτὰ τί ποτ’ ἐστὶν. Verder is ἡμῖν de dativus ethicus, en ἀλλήλοις behoort niet bij ἡμῖν, maar ziet op ἃ διανοούμεθα en hangt af van ξυμφωνεῖ. ↑
115 Het komt mij voor, dat alleen γενέσθαι of γίγνεσθαι is goed te keuren, en dat, toen het ééne, (namelijk γενέσθαι) in sommige handschriften in γίγνεσθαι veranderd was, beide lezingen in den gewonen tekst zijn opgenomen en door καὶ verbonden. Nu verkies ik γενέσθαι boven γίγνεσθαι, omdat de Grieken gewoonlijk vrij naauwkeurig de verhouding der verschillende tijden uitdrukten, en het worden het bestaan voorafgaat, waarom het hier door eenen verledenen tijd moet worden uitgedrukt. ↑
116 Eigentlijk moest Socrates gezegd hebben: En van oneindig vele andere dingen zullen wij hetzelfde moeten zeggen, daar de toestand dier dingen niet van hunne redekaveling afhing, maar wel hun vinden van dezelve. ↑
117 μάλα moet bij het uitgelatene werkwoord ἐστι gevoegd worden, zoodat dan hier gedrukt wordt op het toekomen van deze aandoening aan den wijsgeer. ↑
118 Hier wordt niet de objective, maar de subjective grond der wijsbegeerte bedoeld. Niet de grond, waaruit moet bewezen worden, ook niet het eerste punt, waarvan het wijsgeerig onderzoek uitgaat, maar de oorzaak, waardoor de lust naar onderzoek wordt opgewekt, is hetgeen hier bedoeld wordt. Zie Aristot. Metaph. I. cap. II. ↑
119 Dit is een staaltje van de allegorische verklaring der oude mythologie, dat echter door Plato slechts als rhetorisch sieraad gebezigd wordt. Iris is de bodesse der Goden, dus de Godin, die aan de menschen bekend maakt, wat in den Hemel besloten is, en als zoodanig wordt zij hier als persoonsverbeelding der wijsbegeerte gebezigd. De woordspeling met Θαύμας en θαυμάζω valt genoeg in het oog. Het is, als zeiden wij: die de bodes der Goden de dochter der verwondering noemde. ↑
120 Men ziet, dat hier de apagogische bewijstrant gebezigd wordt, die daarin bestaat, dat men zoekt te bewijzen, dat de stelling der tegenpartij tot ongerijmde gevolgtrekking leiden moet. Zie Nieuwenhuis, Inst. Phil. Log. § 147. 4. blz. 366. ↑
121 αὐτῶν staat hier eigentlijk geheel overtollig, doch dit gebruik van het voornaamwoord is in het Grieksch zeer gewoon. Zie Matthiae, Ausf. Gr. Gr. § 472. 1. b. ↑
122 Hier wordt waarschijnlijk de school van Leucippus [51]en Democritus bedoeld, die als echte materialisten geene andere beginsels dan de atomen en de ledige ruimte erkenden, en daaruit het ontstaan der wereld voldoende meenden te kunnen verklaren. (Zie Brandis, Handbuch. I. § LX. blz. 294. volgg.). Plato behandelt deze leer overal met veel verachting, maar bestrijdt ze nergens uitdrukkelijk; hoewel juist zij zijne ergste vijandin was. (Zie Hermann, Gesch. u. Syst. der Platon. Phil. I. blz. 152. volgg.) Met dat al is het wel slagen van zijne weêrlegging van Protagoras eigentlijk te gelijk eene weêrlegging van Democriet, daar het bestaan van den geest als hoogere, boven de zinnelijkheid verhevene kenbron, die in staat is het algemeene te bevatten, de onvolledigheid der atomistiek voldoende doet uitkomen. Daarom was, zooals Krause zeer juist opmerkt (Zie Grundwahrheiten, blz. 264. volgg.), Democriet door zijn redekavelen over oorzaken en beginselen, die niet in de onmiddellijke waarneming gegeven zijn, eigenlijk reeds practisch zijn eigen standpunt te boven gekomen. ↑