124 ἦν schijnt hier ten gevalle van de consecutio temporum wegens het voorgaande ἐλέγομεν gezegd te zijn. Deze soort van constructie komt ook bij Cicero dikwijls voor, b. v. Tusc. Quaest. I. § 81. Zij is logisch geenszins goed te keuren, daar in dezelve de vorm der woorden meer wordt in het oog gehouden, dan de begrippen, die er door worden uitgedrukt. Dit blijkt vooral bij uitdrukkingen als deze, waar in de woorden ὡς τὸ πᾶν κίνησις ἦν geene historische zaak, maar eene uitspraak, die als eeuwige waarheid werd voorgedragen, wordt uitgedrukt. ↑
125 Dat is: hoe vele onderdeelen iedere soort ook bevat, de twee kenmerken van doen en lijden maken het hoofdkarakter uit, waardoor die twee rigtingen in al hunne onderdeelen genoegzaam zijn onderscheiden. ↑
126 κεκλημέναι staat hier eigentlijk overbodig, maar is welligt door Plato gebezigd, om al die namen van gevoelsaandoeningen in den nominativus te kunnen laten. ↑
128 In mijne dissertatie heb ik de gissing geopperd, dat achter πως, ἐπειδὰν moet ingevoegd worden, en ik meen ook nu die gissing te moeten behouden. ↑
133 Van het oog is ἔμπλεως ἐγένετο, en van de zaak [54]περιεπλήσθη gezegd, om aan te duiden, dat de witheid niet in de zaak is, maar haar van buiten omgeeft, terwijl zij daarentegen in het oog gevonden wordt. Wij vinden hier de leer, dat de zaken op zich zelve onkenbaar zijn, daar wij alleen de indrukken op onze zintuigen waarnemen, en niet in staat zijn, die met haar voorwerp te vergelijken. ↑
134 εἶναι staat voor ἐξεῖναι, welke infinitivus van ὑποληπτέον afhangt. Verder moet het adverbium παγίως met νοῆσαι verbonden worden. ↑
135 ἀλλά τινι αἰεὶ γίγνεσθαι. Stallbaum merkt te regt aan, dat achter ἀλλὰ uit het voorgaande οὐδὲν, πάντα of ἑκάστου in de gedachte moet ingevoegd worden. ↑
136 Van οὐχ ὅτι zegt Matthiae, Ausf. Gr. Gr. § 624. 4: „Ook staat οὐχ ὅτι bij Plato vaak, om aan te toonen, [55]dat men wel iets vermeldt, maar toch niet wil in aanmerking nemen, waar in het Latijn quamquam na den hoofdzin gezet wordt, eigenlijk: ik wil niet zeggen—dat. Ook beteekent het: alhoewel; zie Protag. p. 336. D.” ↑
138 κατὰ μέρος beteekent hier niet gedeeltelijk, maar: naar het hem bescheiden deel, afzonderlijk. Ik geloof, om de tegenstelling tegen πολλῶν ἀθροισθέντων en de aangehaalde voorbeelden, dat met dat κατὰ μέρος de atomen of de elementen bedoeld worden. ↑
139 Deze trek is karakteristiek. Wij zien hier eene duidelijke voorstelling van de objectiviteit van Socrates, die de gaaf had, de zaak zich zelve te laten ontwikkelen, zonder dat zijne eigene meening op den voorgrond kwam. ↑
140 Deze voorbeelden zijn niet willekeurig gekozen, maar duiden bepaaldelijk de ideën aan, die, zooals bekend is, door Plato als boven de verandering en het worden verheven, beschouwd werden. ↑
141 τῶν τε ἄλλων καὶ μανίας. Hier wordt de krankzinnigheid op den voorgrond geplaatst, daar zij alleen bij haren naam genoemd wordt, en alle andere ziekten onder de algemeene uitdrukking τῶν τε ἄλλων begrepen worden. Het doel hiervan is dit, dat nergens de dwaasheid der leer van Protagoras meer uitkwam, dan juist bij de krankzinnigheid. ↑
142 παρακούειν—παρορᾷν—παραισθάνεσθαι. Dit gebruik van παρὰ is, meen ik, ontleend van boogschutters, die niet in, maar naast het doel raken. Overigens is de hier voorkomende uitdrukking niet volkomen juist, daar niet de ziekte verkeerd waarneemt, maar wel hij, die er door getroffen is. ↑
143 λόγος is een van die woorden, die voor velerlei uitlegging vatbaar zijn. Alle beteekenissen van dit woord schijnen echter uit de grondbeteekenis: gezegde te kunnen afgeleid worden. De Oostersch Grieksche beteekenis van het woord λόγος, waarin het bij voorbeeld door Philo Judaeus genomen wordt, en de opperste emanatie uit de Godheid beteekent, komt, zoo ver mij bekend is, nergens bij Plato voor. Zij heeft haren grond in eene wijsbegeerte, die, zonder geest van onderscheid te werk gaande, en denkbeelden uit geheel verschillende bronnen afgeleid, door elkander halende, aan het door God gezegde, als een op zich zelf bestaand wezen, een afzonderlijk bestaan toekende. ↑
144 ὄναρ en ὕπαρ staan, geloof ik, in den accusativus en worden als bijwoorden gebruikt. Wij zouden het vrij woordelijk aldus kunnen uitdrukken: „vooral over de [uitdrukkingen]: in den droom, en in wakenden toestand.” Overigens is het bekend, dat Plato τὸ τοιόνδε zegt, wanneer hij een nieuw voorbeeld of nieuw bewijs gaat mededeelen. ↑
146 ἐν τῷ ἐνυπνίῳ. Er is eene andere lezing: ἐν τῷ ὕπνῳ, die ik boven de lezing van den tekst verkies, omdat slaap eenen algemeenen toestand uitdrukt, maar ἐνύπνιον meer een enkel droomgezigt beteekent. Wil men het laatste houden, dan moet het lidwoord wegvallen. ↑
147 τούτων ἐκείνοις. Ik geloof, dat τούτων op ὄναρ, ἐκείνοις op ὕπαρ ziet, maar beiden per attractionem wegens het naast voorgaande ὀνείρατα in plurali staan. (Buttm., Gr. Gr. § 151.) ↑
148 Dat is: geldt het niet evenzoo van ziekte of krankzinnigheid, dat de zieke of krankzinnige zijne meening, hoe veel die ook van die des gezonden of verstandigen verschille, voor ontwijfelbaar waar houdt? Het onderscheid is hier alleen dit, dat de tijd van waken en die van slapen ongeveer gelijk is, maar de duur van ziekte of krankzinnigheid gewoonlijk veel korter is, dan die van den gezonden toestand. ↑
149 Dat is: hangt de waarheid eener stelling af van den duur des tijds, waarin zij als waar wordt aangenomen? ↑
150 τὰ δοκοῦντα—τῷ δοκοῦντι. Hier wordt δοκέω te gelijk in de beteekenis van schijnen en van meenen genomen, iets, dat ik niet kan goedkeuren, daar het aan de duidelijkheid in den weg staat. Over het geheel is Plato niet vast in zijne terminologie, en gebruikt hij hetzelfde woord dikwijls in verschillende beteekenissen, of drukt ook wel hetzelfde denkbeeld door verschillende woorden uit. Dit blijkt onder anderen uit het gebruik der woorden εἶδος en ἰδέα in hoofdst. XL en XLI. ↑
152 καὶ wordt ook gebruikt om twee woorden te verbinden, waarvan het tweede hetzelfde begrip als het eerste, maar sterker uitdrukt. Zie Matth., Ausf. Gr. Gr. § 620. 1. e. ↑
153 Ἀνάγκη staat in den nominativus, want het is eigenlijk per ellipsin geschreven voor ἀνάγκη ἔστι τοῦτο οὕτως εἶναι. ↑
154 Namelijk dat iemand in slapenden toestand, voor zoo ver de toestand verschilt, een ander is, dan iemand in wakenden toestand. ↑
155 ἀπειργάσατο. De aor. beteekent hier weder, gelijk zoo dikwijls, het gewoonlijk plaats hebben der handeling. ↑
156 ἄλλο τι staat per ellipsin voor ἄλλο τι ἤ, dat, in eene vraag geplaatst, dient om het gevraagde te bevestigen. De zin is dan voluit: Is het iets anders dan? waarop het antwoord verwacht wordt: Wel neen! maar juist dit. ↑
157 γιγνομένην καὶ φερομένην. γιγνομένην is zeer duidelijk, want daarmede wordt te kennen gegeven, dat de bitterheid eerst op het oogenblik der aanraking tusschen de tong en den wijn ontstaat; maar wat is φερομένην? Ik geloof, dat het te kennen geeft, dat die bitterheid geene blijvende eigenschap is, maar bloot eene voorbijgaande aandoening. ↑
158 Hier is eene verbetering noodig, daar de woorden, zoo als zij nu staan, geenen gezonden zin opleveren, en gemakkelijk te verhelpen zijn. Men leze door eenvoudige transpositie: Οὔκουν ἐγώ τε οὐδὲν ἄλλο αἰσθανόμενος γενήσομαι οὕτως: en alles zal in orde zijn, gelijk, naar ik hoop, uit de vertaling blijkt. Heeft iemand zwarigheid in het plaatsen van οὕτως alleen achter γενήσομαι, dan blijft nog over alles te laten zoo als het is, en alleen achter ἄλλο, αἰσθανόμενος te schrijven, waardoor dezelfde zin verkregen wordt. ↑
159 Stallbaum zegt naar waarheid, dat τὸ ἐμὲ ποιοῦν beteekent: hetgeen mij aandoet, maar hij verzuimt de reden van die vertaling te geven. Ik zoek ze daarin, dat hier αἰσθανόμενον in de gedachte moet ingelascht worden, gelijk op blz. 159 E uit ἐγεννησάτην bij καὶ τὸν μέν—αἰσθανόμενον in de gedachte ποιεῖτον moet ingevoegd worden. ↑
160 Alle gevoel is eene betrekking, die alleen kan plaats hebben, waar de twee leden aanwezig zijn. ↑
162 Voelend is iemand door iets te voelen; gevoeld is iets door iemand gevoeld te worden. Dus vorderen deze twee begrippen elkander wederkeerig, en het ééne is zonder het andere ongerijmd. ↑
163 πρός τι. Het verband vordert hier: πρός τινα, tenzij [65]men aanneme, dat Plato hier het geval zoo algemeen mogelijk stelt, en met dat zijn en worden, het zijn of worden van het gevoelde, zoowel als van den voelende, te kennen geeft. ↑
164 D. i. het gevoel, voor zoover het onze verhouding tot de dingen aangaat, is ontwijfelbaar, en bezit dus al de vereischten, om als zekere kennis aangemerkt te worden. ↑
165 D. i. dat dan daaruit volgt, dat het gevoel kennis is. Hier is subject en praedicaat omgezet, en te regt, want al is alle gevoel kennis, dan volgt nog niet, dat daarom alle kennis gevoel is. Het is eene zoogenaamde conversio per accidens. Zie Nieuwenhuis, Initia Philosophiae Logicae. p. 184. 13. ↑
166 In Athene werd 5 dagen na de geboorte het jonge kind door de vroedvrouw rond den haard gedragen. ↑
167 De vader kon bij de Grieken weigeren, zijne kinderen op te voeden, en ze te vondeling leggen, hetgeen natuurlijk meest met zwakke of mismaakte kinderen plaats had. De Thebanen maakten hier eene uitzondering. ↑
168 ὅτι με οἴει λόγων τινὰ εἶναι θύλακον. Hier moet óf niets veranderd worden, óf voor εἶναι ἔχειν gelezen. De gissing van Stallbaum, die voor με μοι wil lezen, kan ik geenszins goedkeuren, daar dan de accusativus ἐξελόντα bezwaarlijk te verklaren is. ↑
169 λόγον λαβεῖν. Hierin is, geloof ik, met voordacht eenige dubbelzinnigheid, daar λόγος ook rekenschap beteekent, en zij, die met Socrates redekavelden, er meest ongelukkig afkwamen. ↑
170 Een zeer beroemd geschrift van Protagoras, doch hetgeen hem en zijne leer te Athene deed veroordeelen, daar hij het bestaan der Goden daarin als geheel twijfelachtig voorstelde. Zie de inleiding. ↑
171 ἐθαυμάζομεν is zeer naauwkeurig gesproken. Wij bewonderden hem, voordat wij het hier vermelde inzagen, maar nu niet langer. ↑
173 ἔσται—διακρινεῖ enz. Deze futura geven te kennen, dat de zaak nog niet is uitgemaakt, en dat ons voor waar houden derzelve nog van de toekomstige redekaveling afhangt. De stelling in quaestie is óf eeuwig waar, óf eeuwig onwaar. Zij staat buiten den tijd, en ons voor waar houden is op het oogenblik nog toekomstig. ↑
174 ὀρθὰ. Een muur, die regtop staat, maakt een’ regten hoek met den grond, zoo die [gelijk verondersteld wordt] waterpas is. Dus is de muur in den haak, want haak beteekent in onze spreekwijs eenen houten regten hoek, dien de timmerlieden en metselaars bezigen, om te onderzoeken, of de gegevene hoeken regt zijn. ↑
175 φοιτητέον, φοιτᾶν en φοιτήτης wordt bepaaldelijk van leerlingen gezegd, even als het latijnsche audire en auditor. Zie Plato, Rep. VIII. p. 563. A. ↑
176 φαντασία beteekent eigenlijk al wat dan iemand toeschijnt, zoowel door verbeeldingskracht, als door de aandoeningen der zinnen, of de eene of andere meening (Zie Plato Sophist. p. 264. A.). ↑
179 De zin is deze: te Lacedaemon moest men bij die oefeningen meêdoen of heengaan, maar mogt niet de anderen staan uitlagchen, zonder zich aan hetzelfde bloot te stellen. Dit wordt op het redekavelen toegepast. Socrates laat Theodorus voelen, dat het niet billijk zou wezen, zoo hij zich onzijdig hield, in plaats van mede te doen. Men ziet hier denzelfden geest doorstralen, als in de bepaling van Solon, dat in openbare twisten ieder partij moest kiezen. ↑
180 διέρχομαι, δίειμι, διεξέρχομαι, διέξειμι worden bij Plato gebezigd van het geregeld uiteenzetten eener redekaveling, waarbij verschillende punten achtereenvolgens in aanmerking komen. ↑
182 Ik vind hier geene bijzondere kracht in δημηγορία, maar de uitdrukking houd ik voor een spreekwoord, ontleend aan de openbare vergaderingen, waar dit woord oorspronkelijk te huis is. Overigens wordt hier dezelfde fout berispt, die zoo velen begaan, en waarvan Zschokke in zijn Leven, denken en werken zich zelven beschuldigt, namelijk, het altijd koesteren van dezelfde meening als de laatste verhandeling, die men gehoord of gelezen heeft. ↑