185 τῇδε: aldus als nu volgt. Wanneer Plato τῇδε bezigt, doelt hij meestal op de eerstvolgende redekaveling. ↑
187 ἢ ἀκούειν τε καὶ ἐπίστασθαι. Hier moet uit het vorige οὐ φήσομεν eenvoudig φήσομεν worden aangevuld, waaruit blijkt, dat οὐ φημὶ geenszins onbepaald in de beteekenis van ontkennen gebruikt wordt, maar dat de Grieken wel degelijk in het taalgebruik οὐ en φημὶ als twee afzonderlijke [73]woorden beschouwden. Omtrent het gebruik van οὐ φημὶ meen ik te moeten aanmerken, dat οὐ óf als bijwoord bij φημὶ kan gebruikt worden, wanneer het eenvoudig beteekent: ik zeg niet, óf dat οὐ als het object van φημὶ kan aangemerkt worden, wanneer het beteekent: ik zeg neen, en vandaar: ik ontken. ↑
190 αὐτὸ τοῦτο, ὃ μέμνηται. Hierin is eene bijzondere [74]groote breedheid van stijl, daar dit zelfde reeds, in het begin van den volzin, door de woorden ἔτι ἔχοντα μνήμην αὐτοῦ is uitgedrukt. Dit wordt hier zoo uitvoerig behandeld, om duidelijk te doen uitkomen, dat het dezelfde zaak is, die te gelijk onthouden en niet gekend moet worden. ↑
191 Wanneer Plato zelf het vorige te omslagtig vond, waarom liet hij het dan staan? Om het ongerijmde dezer stelling duidelijk te doen in het oog vallen, terwijl de hier gegevene kortere uitdrukking het vorige, tot gemakkelijker overzigt, nu nog eens in korte bewoordingen zamenvat. Deze wijze van doen heeft hare eigenaardige voordeelen, want eene korte, krachtige wijs van uitdrukken doet eene reeds begrepene stelling gemakkelijk in de gedachte blijven, maar is op zich zelve dikwijls niet duidelijk genoeg. ↑
192 δεινὸς schijnt oorspronkelijk zeer groot te beteekenen, en vandaar zoowel de beteekenis van verschrikkelijk, als van uitstekend verkregen te hebben. Hier beteekent het eigenlijk ongeveer hetzelfde, als wanneer wij zeggen: zulk eene bewering is wat al te sterk. ↑
193 δεῖ heeft hier den zin van eene logische, niet van eene morele noodzakelijkheid, daar hier alleen op het verband tusschen de twee beweringen gezien wordt. ↑
194 ὑποπτεύω komt van ὑπόπτης, eigenlijk onderkijkend, dat is: die onder eens anders mantel ziet, of hij ook wapens bij zich heeft, vandaar; ergdenkend, wantrouwend. ↑
195 οὗπερ ὁρᾷ. Deze genitivus moet per attractionem verklaard [76]worden, tenzij men de lezing ὁρῶν verkieze, die in sommige handschriften gevonden wordt, en om de grammaticale overeenkomst met ἐπιστήμων de voorkeur schijnt te verdienen. Deze lezing wordt ook door het genoegzaam onmiddellijk volgende: ὁ δέ γε ὁρῶν καὶ ἐπιστήμων γεγονὼς bevestigd. ↑
196 ἑκάτερον ziet op τὸ ὁρᾷν en τὸ ἐπίστασθαι. ἄλλο beteekent hier wat anders, namelijk, dat τὸ ὁρᾷν wat anders is dan τὸ ἐπίστασθαι en omgekeerd. ↑
197 De constructie is: Ἀλλ’ ἐγὼ πειράσομαι δηλῶσαι ὅ γε δὴ περὶ αὐτῶν νοῶ. Overigens wordt hier de aor. δηλῶσαι duidelijk zonder eenig denkbeeld van tijd gebezigd, hetgeen vooral in den infinitivus zeer dikwijls met den aoristus plaats heeft. ↑
198 τοῦτο δ’ εἶναι ἀδύνατον. τοῦτο schijnt hier niet zoo zeer de accusativus cum infinitivo met εἶναι te zijn, als wel het object van ἀπεδείξαμεν, waarbij εἶναι ter nadere [78]verklaring gevoegd is. Vele voorbeelden van den accusativus cum infinitivo schijnen op deze wijs verklaard te moeten worden. ↑
199 Dit was altijd een waagstuk, daar Socrates, dat is Plato, door alles wat voor de leer van Protagoras kon gezegd worden, op te zoeken, eigenlijk zijne zaak in gevaar bragt. Men ziet hier de groote waarheidsliefde en vaste overtuiging, waarmede Plato te werk ging. Men vergelijke uit dit oogpunt, en ook in het geheel om de groote overeenkomst met den hier gevonden strijd, de polemiek van Emile Saisset tegen de stellige wijsbegeerte, in de Revue des deux mondes van Julij 1846. ↑
200 Callias was een groot voorstander van Protagoras, zooals uit de zamenspraak van Plato, die den naam van Protagoras draagt, blijken kan. ↑
201 θᾶττον. De comparativus moet hier aldus verklaard worden: spoediger dan wij hadden moeten doen, zoo wij als vertegenwoordigers dier rigting wilden gelden. ↑
202 τοῖς ῥήμασι ᾗ. Hier wordt ᾗ als bijwoord gebruikt, en ziet tevens op ῥήμασι. Deze constructie heeft eene verwonderlijke overeenkomst met het Hollandsche waarmede voor met welke. ↑
203 Dus komt de hier voorkomende verdediging daarop neder, dat Socrates het weêrleggen van Protagoras standpunt afkeurt, omdat de feiten, die tegen hem worden aangevoerd, door hem op eene zijn gevoelen begunstigende wijs kunnen worden uitgelegd. ↑
204 ἀνέπληκτος ἀνήρ. Dit ziet op de onbeschaamdheid der sophisten, die zich niet ligt uit het veld lieten slaan, daar zij de grootste ongerijmdheden durfden aannemen, om hun gevoelen door te drijven. ↑
205 φαίνει is hier Attisch voor φαίνῃ, dus de tweede persoon enkelvoud. Overigens ziet men, dat deze geheele redenering gebouwd is op het schermen met het abstracte, dat is: het weglaten van nadere bepalingen der begrippen, waardoor zij verder gewijzigd worden, en op het niet in het oog houden van de ziel als bron van de eenheid der verschillende zinnelijke waarnemingen. ↑
206 πελταστικὸς ἀνὴρ μισθοφόρος. Hiermede wordt een sophist aangeduid, daar die lieden vooral in vlugheid, of liever vlugtigheid uitmuntten, en, bij hun beoefenen van wetenschappelijke vraagstukken, altijd hun geldelijk [81]voordeel op het oog hadden. Overigens meene men niet, dat het toeschrijven dier tegenwerpingen aan sophisten, een bewijs is, dat Plato de leer van Protagoras goedkeurde. Integendeel moet hierin een bewijs gezocht worden van zijne verachting voor die leer, daar hij te kennen geeft, dat de minste sophist haar gemakkelijk kon weêrleggen. ↑
207 ταῦτά τε δὴ πάντα. Deze woorden staan in den accusativus, die afhangt van ἐρεῖ, dat uit de naastvorige woorden van Socrates hier moet bijgedacht worden. ↑
208 αὐτῷ is een dativus commodi, waarin hier de hatelijke beteekenis ligt, dat de vrees van dat kind Socrates uitstekend te stade kwam. ↑
209 De constructie is: ἐπειδὴ παίδιον τι ἐρωτηθὲν, εἰ οἷόν τε τὸν αὐτὸν ἅμα μεμνῆσαι καὶ μὴ εἰδέναι τὸ αὐτὸ, ἔδεισεν αὐτῷ. ↑
210 Hierin schijnt eene hatelijkheid tegen de sophisten te schuilen. προορᾶν beteekent eigenlijk vooruitzien. Wat moest nu Theaetetus vooruitgezien hebben? Immers dat, zoo hij ontkende, de leer van Protagoras zou vallen. Edoch, wanneer hij dat ontkennen naliet, niet omdat hij wezenlijk overtuigd was, dat hij het moest nalaten, maar omdat zijne stelling daardoor vallen moest, dan was het doel der redekaveling niet, waarheid te zoeken, maar gelijk te hebben. ↑
211 γέλωτα τὸν ἐμὲ. Dat γέλωτα voor γέλοιον staat, doch sterker is, daar hier de persoon, als eenzelvig met het gelach, als door en door bespottelijk wordt voorgesteld, is duidelijk genoeg. Het lidwoord echter voor ἐμὲ heeft meer zwarigheid. Stallbaum komt mij voor, de waarheid vrij goed gevoeld te hebben. Plato laat Protagoras zich zelven zoo naauwkeurig aanwijzen, om hem daardoor te doen aanduiden, dat de geheele strijd eigenlijk uit persoonlijkheid tegen hem ontstaan was. ↑
212 De constructie is: δοκεῖς γάρ τινά σοι αὐτίκα ξυγχωρήσεσθαι μνήμην ὧν ἔπαθε οὖσαν πάθος τι τοιοῦτον, οἷον ὅτε ἔπασχε, παρεῖναι τῷ μηκέτι πάσχοντι. ↑
213 γιγνομένους. Zeer juist heeft Plato hier γιγνομένους, niet ὄντας gebezigd, want wanneer enkele achtereenvolgende eenheden eene oneindigheid daarstellen, dan kan dit alleen door eene oneindige reeks geschieden, die steeds wordt, maar nimmer voltooid is. ↑
214 ἐξέλεγξον, ὡς οὐχὶ. Dit is eene constructio praegnans, daar uit ἐξέλεγξον hetzij ἀποδεικνύων of een ander woord van dezelfde beteekenis moet ingevuld worden. ↑
215 καὶ λέγω σοφόν. Dit καὶ is moeijelijk te verdedigen, tenzij er iets is uitgevallen, b. v. ὀνομάζω of iets dergelijks. Misschien echter is na καὶ ἐγώ uitgevallen, hetgeen door de overeenkomst in klank met het volgende λέγω kan veroorzaakt wezen. ↑
216 κατηγορητέον. Dit kan op twee wijzen verklaard worden, want κατηγορέω beteekent eigenlijk beschuldigen, maar is later gebezigd van het toekennen eener eigenschap in het algemeen, vanwaar in de Aristotelische wijsbegeerte het woord κατηγορία, praedicamentum, gebezigd is, om de algemeene rubrieken aan te duiden, waaronder de verschillende hoedanigheden, die aan de dingen worden toegekend, begrepen zijn. Neemt men de laatste beteekenis, dan is alles duidelijk, want dan zegt Plato hier eenvoudig, dat men noch aan den zieken de eigenschap van domheid, noch aan den gezonden die van wijsheid moet toekennen; doch dit laatste gebruik is meer Aristotelisch dan Platonisch. Daarom geef ik de voorkeur aan de eerste beteekenis, die van beschuldigen, en verklaar dan den zin aldus, dat Plato bij den zieken aan eigenlijk beschuldigen gedacht heeft, maar bij den gezonden uit het voorgaande beschuldigen een woord in de gedachte heeft ingevuld, dat tot beschuldigen in dezelfde reden staat, als wijsheid tot domheid. Zie Matthiae, Ausf. Gr. Gr. 634., 3, 6. ↑
217 ἀπὸ ἑτέρας ἐπὶ τὴν ἀμείνω. Deze spreekwijs is weder voor twee uitleggingen vatbaar, daar men namelijk óf ἑτέρας kan vertalen: de andere dan de betere, dat is de slechtere, óf aannemen, dat Plato begonnen is, als had hij willen schrijven: ἀπὸ ἑτέρας ἐπὶ ἑτέραν, maar, omdat hierdoor alleen verandering, maar niet verandering ten goede zou aangeduid worden, in plaats van ἑτέραν, ἀμείνω geschreven heeft. ↑
218 Deze redenering komt hierop neder: Eene ware meening is zooals de zaken zijn; dus zijn de zaken, die werkelijk bestaan, haar voorwerp. Is nu hetgeen werkelijk bestaat, het voorwerp der ware meening, dan is, hetgeen niet werkelijk bestaat, het voorwerp der valsche. Edoch, wat niet bestaat, heeft geene eigenschappen, dus ook niet die van voorwerp eener meening te zijn. Dus heeft de valsche meening geen voorwerp. Dus bestaat zij niet, q. e. d. Het is naauwelijks noodig te doen opmerken, dat deze redenering verkeerd is, omdat zij het onderscheid over het hoofd ziet tusschen het bestaan van de meening en hare voorwerpen in den geest, en het buiten den geest aanwezig zijn van voorwerpen, die daarmede overeenkomen. ↑
219 τοιαῦτα staat hier voor συγγενῆ αὐτῆς en ziet op χρηστὴ, daar de goede meening evenzeer met den goeden toestand van de ziel verwant is, als de kwade met den kwaden. ↑
221 Er staat woordelijk: naar de ligchamen noem ik ze artsen en naar de planten landbouwers. In dezen zin kon zulk eene constructie nog eenigzins toegelaten worden, maar zoo Plato eens gezegd had: naar de ligchamen noem ik ze artsen en naar de zielen sophisten, dan zou dit, volgens de in de vertaling gevolgde wijs van verklaren, zeer juist geweest zijn, doch tevens aanleiding tot eene dubbelzinnigheid gegeven hebben, daar deze woorden, oppervlakkig beschouwd, den schijn zouden hebben, als werden daarin de wijzen naar ziel en ligchaam beschreven, daar dan ziel en ligchaam moeijelijk iets anders dan de ziel en het ligchaam der wijzen zou kunnen beteekenen. In den tekst is nu wel deze verklaarwijs niet mogelijk, doch dat zij hier niet kan toegelaten worden, blijkt niet uit den grammaticalen zamenhang, maar uit de ongerijmde resultaten, waartoe zij voeren zou. Dit meen ik als een gebrek in Plato’s stijl te dezer plaatse te moeten aanmerken. ↑
222 Hier komt reeds de zwakheid dezer theorie aan den dag, daar het goede en kwade hier beurt om beurt regtvaardig heet, maar daardoor zelf, als op zich zelf, onafhankelijk van de meening der menschen, goed of kwaad zijnde beschouwd wordt. ↑
223 Dit laatste kan op twee wijzen verklaard worden; namelijk, óf van het dulden van tegenspraak in het algemeen, óf van het toelaten der vragende methode, welke laatste door Socrates gewoonlijk werd toegepast, dewijl hij daardoor de sophisten belette in lange redevoeringen door de kracht der welsprekendheid hunne toehoorders te misleiden. Vragen en lange redevoeringen staan dan ook bij Plato steeds tegen elkander over, maar Protagoras had, zooals uit de naar hem genoemde zamenspraak kan blijken, van beiden zijn werk gemaakt. ↑
224 ὡς ἀγωνιζόμενος—διαλεγόμενος. Dit sluit niet goed op elkander, daar de symmetrie vordert ὡς óf tweemaal, óf in het geheel niet te schrijven. Ik verklaar mij voor het laatste, omdat hier niet aan eene vertooning, een spiegelgevecht, maar aan werkelijk redekavelen moet gedacht worden. ↑
225 καὶ. Ik heb καὶ door daar vertaald, dewijl wij, omdat de periode na καὶ slechts eene bevestigende uitbreiding van de voorgaande is, hier het voegwoord daar zouden verwachten, ofschoon de Griek zich vergenoegt met twee zulke perioden eenvoudig door en te verbinden, en het opmerken der nadere betrekking aan de scherpzinnigheid der lezers overlaat. ↑
226 παρεκέκρουστο. Ik heb vroeger gemeend hier περιεκέκρουστο te moeten lezen, en dacht dan om struikelingen, die door den teregtbrenger vroeger begaan waren, doch waarvan hij genezen was; maar nu houd ik het voor beter, hier te denken aan die struikelingen, welke de teregtbrenger aan den teregtgebragten verwijt. Dan is de zin deze: Hij zal hem niet in de war helpen, om hem dan later de fouten, die hij hem heeft laten doen, te verwijten, maar hij zal hem alleen de fouten, die hij van zelfs maakt, onder het oog brengen, daar het hier om waarheid, niet om gelijk hebben te doen is. ↑
227 ἀποφανεῖς. Dit woord beteekent eigenlijk vertoonen, maar wordt van het ten toon stellen van eigen arbeid, en vandaar van den arbeid zelven gebezigd. ↑
228 Dit laatste is duidelijk een paskwil op Protagoras zelven, wiens tegenwoordige leerling Theodorus de wijsbegeerte voor de meetkunst had laten loopen. Over het geheel is, hetgeen Socrates hier uit naam van Protagoras aan zich zelven voorschrijft, eigentlijk niet tegen Socrates gerigt, daar deze juist die regels opvolgde, maar tegen zijne tegenpartij, de sophisten, wien het om gelijk hebben, niet om waarheid te doen was. Men vergelijke hier de door Aristoteles van eenen sophist gegevene bepaling: ἔστι γὰρ ἡ σοφιστικὴ φαινομένη σοφία, οὖσα δὲ μή. καὶ ὁ σοφιστὴς χρηματιστὴς ἀπὸ φαινομένης σοφίας, ἀλλ’ οὐκ οὔσης. (Soph. elench. 1. § 6.) d. i.: de Sophistiek is eene schijnbare, maar niet werkelijke wijsheid, en een sophist is iemand, die zich door schijnbare, maar niet werkelijke wijsheid zoekt rijk te maken. ↑
229 Hierin is eene belangrijke waarheid opgesloten. Onze meeste woorden, ja onze meeste begrippen, zijn zonder de noodige zaakkennis gevormd, waarvan het onvermijdelijk gevolg is, dat daaronder vele gebrekkige en valsche woorden en begrippen gevonden worden; weshalve het bij wijsgeerig onderzoek volstrekt noodig is, hierop naauwkeurig acht te geven, en het gewone niet dadelijk voor het werkelijk bekende te houden. Om hier met juistheid te werk te gaan, is eene genetische ontwikkeling vooral aan te bevelen. Zie Theod. Waitz, Grundlegung der Psychologie, p. 1–8. ↑
230 De uitleggers hebben hier vele zwarigheden gezien, en zelfs gemeend, dat hier veranderingen noodzakelijk waren. Ik geloof echter, dat zulks onnoodig is, en dat de beteekenis van beginnen hier uitstekend op hare plaats is. Socrates geeft te kennen, dat hij begonnen is Protagoras te verdedigen, daarmede Theodorus zijdelings aansporende, om het daar niet bij te laten blijven, maar hetgeen hij begonnen had, verder te voltooijen. ↑
231 λέγοντος τοῦ Πρωταγόρου—καὶ ἀποκαλῶν διεκελεύσατο. Deze verbinding is vreemd, daar hier een gen. abs. met een werkwoord in de aantoonende wijs wordt verbonden. Zwarigheid is er echter niet in, daar de woorden λέγοντος τοῦ Πρωταγόρου op hetzelfde neerkomen, alsof er stond: ὅτε ἔλεγεν ὁ Πρωταγόρας. ↑
232 Merkwaardig is de aardige wijs, waarop Socrates Theodorus in het gesprek weet in te wikkelen. Hierdoor wil Plato waarschijnlijk te kennen geven, dat het hier volgend onderzoek van het hoogste gewigt is en eene groote rijpheid van oordeel vordert. ↑
233 μέχρι τούτου αὐτοῦ. Dit αὐτοῦ kan het best verklaard worden, door achter ὀλίγον ἐπίσπου de woorden τῷ λόγῳ in de gedachte in te voegen. ↑
234 Σκίῤῥωνα. Ik heb gemeend, hier Ἀνταῖον te moeten lezen, daar Sciron in dezen zamenhang volstrekt niet te pas komt, en Plato in het volgende, niet Sciron, maar Antaeus vermeldt, welke laatste hier met regt wordt aangehaald, daar hij al de voorbijgangers dwong, om met hem te worstelen. Zie overigens het aangeteekende op hoofdst. XVI., blz. 70 (1). ↑
235 ἐκείνων. Dit ἐκείνων zou doen vermoeden, dat Sciron in het overige op zijne plaats was, hetgeen door de vermelding [93]van Theseus, die met Sciron gevochten heeft, bevestigd wordt. Met dat al komt Sciron in het vorige niet te pas, waarom ik liever ἐκείνων op Antaeus en zijns gelijken in het algemeen laat slaan, en de vermelding van Theseus beschouw, als onwillekeurig voortgevloeid uit het nationaal gevoel van Plato, die Hercules noemende, den grooten Atheenschen held niet kon voorbijgaan, terwijl dan daarom in het vorige Sciron door een afschrijver ten onpas is ingevoegd. ↑